Jacob Slauerhoff
POEZIEWEB-POETRYWEB
BELGIUM

  Aankomst


Na lange dagen door storm geteisterd
 En somtijds uit de kooi gesmakt te zijn,
 Door ’t leven van ’t zacht Lisboa nog verbijsterd,
 Vind ik mij zitten op het zonnig plein.

Geleund in de uithoek van een balustrade,
 zie ik als over hemelsbreed kozijn
’t Beproefd schip dat klein stilligt aan de kade,
 De gele stroom, de kleurge oeverlijn.

Beneden karren raatlen, kranen kreunen,
 Hier is het stil, terwijl alleen gitaren
 Een oude fado traag en droef opdreunen,
 En of karvelen weer de Taag opvaren.


Linecol

  Fado


Ben ik traag omdat ik droef ben,
Alles vergeefsch vind en veil,
Op aarde geen hoogre behoefte ken
Dan wat schaduw onder een zonnezeil?

Of ben ik droef omdat ik traag ben,
Nooit de wijde wereld inga,
Alleen Lisboa van bij de Taag ken
En ook daar voor niemand besta,

Liever doelloos in donkere stegen
Van de armoedige Mouraria loop?
Daar kom ik vele’ als mijzelve tegen
Die leven zonder liefde, lust, hoop...


Fado ontstond in de kroegen en bordelen
van Alfama en Mouraria. Het is de muziek
van nostalgie en noodlot. Muzikale weemoed
uit de volksbuurten van Oud-Lissabon.


Linecol

  Saudade


Ik heb zooveel herinneringen,
Als blaadren ritslen aan de boomen,
Als rieten ruischen bij de stroomen,
Als vogels het azuur inzingen,
Als lied, geruisch en ritselingen:
Zooveel en vormloozer dan droomen.

Nog meer: uit alle hemelkringen
Als golven uit de zee aanstroomen
En over breede stranden komen,
Maar nooit een korrel zand verdringen.

Ze fluistren alle door elkander
Wild en verteederd, hard en innig;
Ik word van weelde nog waanzinnig,
Vergeet mijzelf en word een ander.

De droeve worden altijd droever,
Nu ik het onherroeplijk weet,
Steeds weer te stranden aan den oever
Der zee van ‘t altijddurend leed.

Ook de gelukkige worden droever, 
Want zij zijn voorgoed voorbij:
Kussen, weelden, woorden van vroeger
Zijn als een doode vrucht in mij.

Ik heb alleen herinneringen,
Mijn leven is al lang voorbij.
Hoe kan een doode dan nog zingen?
Geen enkel lied leeft meer in mij.

Aan de kusten van de oceanen,
In het oerdonker van de bosschen,
Hoor ik ’t groot ruischen nog steeds ontstaan en
Zich nooit meer tot een stem verlossen.


saudade: nostalgie

Linecol

  O enjeitado


Ik voel mij van binnen bederven,
Nu weet ik waaraan ik zal sterven:
Aan de oevers van de Taag.
Aan de gele, afhellende oevers,
Er is niets schooners en droevers,
En ’t bestaan verheven en traag.

Ik bewandel ’s middags de prado’s
En ’s avonds hoor ik de fado’s
Aanklagen tot diep in den nacht:
“A vida é immenso tristura” –
Ik voel mij al samensnoeren
Met de kwaal die zijn tijd afwacht.

De vrouwen die visch verkoopen
En de wezens die niets meer hopen
Dan een douro meer, voor een keer,
Zij zingen ze even verlaten,
Door de galmgaten der straten,
In een stilte zonder verweer.

Een van hen hoorde ik zingen
En mijn kilte tot droefenis dwingen:
“Ik heb niets tot troost dan mijn klacht.
Het leven kent geen genade,
Niets heb ik dan mijn fado
Om te vullen mijn leege nacht.”

Ik voel mij van binnen bederven,
Hier heeft het zin om te sterven,
Waar alles wulpsch zwelgt in smart:
Lisboa, eens stad der steden,
Die ’t verleden voortsleept in ’t heden,
En ruďnes met roem verwart.

Ik word door dien waan betooverd;
Ook ik heb ontdekt en veroverd,
Die later alles verloor,
Om hier aan den tragen stroom
Bij het graf van den grootsten droom
Te sterven: “tudo é dôr”.


Enjeitado: vondeling
A vida é immenso tristura: het leven is immens triest
Tudo é dôr: alles is pijn (leed)

Linecol

  Camoës’ thuiskomst


Geluk, te lang gehoopt, wendt steeds in leed.
Toen wij 't eerste landmerk: Cintra’s heuvels zagen,
Werd Heitor ook naar ’t achterdek gedragen
En gleed in zee van onder 't rood-groen kleed.

Toen kwam, dwars door de kim, de blauwe Taag en
de bruine heuvlen weken, hemelsbreed:
Of 't vaderland zijn armen opendeed,
Ons weergekeerden aan zijn hart wou dragen.

Uit Lisboa vlamden geen vreugdevuren.
Een gele vlag woei van de oude vest’.
Geen wimpels zwierden van de leege muren.
Men hield de vloot op stoom, bevreesd voor pest.

Na zeven dagen in de stad gelaten,
Door niemand vergezeld, gingen wij saam
Als geesten overdag door vreemde straten,
Geen juichend volk, geen vrouw wuivend aan ’t raam.

Aan ’t hof wist niemand meer van onzen naam.
Men kende nauwelijks de nieuwe staten;
De vorst, beheerscht door vrouwen en prelaten,
Bleef koud voor Macao's stichting, Goa's faam.

Ik voelde mij door zeven jaar werk verraden;
Mijn Lusiade had ik grootgebracht
In scheepshol, grot en kluis, bij dag en nacht,
Gered uit brand en schipbreuk als mijn gade.

Om haar te schenken aan het vaderland:
Maar waar de vijand aan de grenzen ligt,
Waar pestilentie heerscht, aardbeving dreigt,
Men ’t volk verdrukt, klooster op klooster sticht,
Ketters ombrengt, ontdekkingsroem verzwijgt,
Heeft men slechts hoon veil voor het heldendicht.


Uit Eldorado

Luís Vaz de Camőes (1524 -1580) wordt algemeen
beschouwd als een van de grootste schrijvers
en dichters van Portugal. Zijn meesterwerk is Os
Lusíadas, een episch gedicht over zeevaarders
in de stijl van Homeros.
Men hield de vloot op stoom...  Deze versregel
is eigenaardig omdat er in de 16e eeuw nog geen
stoomschepen bestonden...


Jacob Slauerhoff    (1898-1936)

Linecol



Slauerhoff - Bloemlezing


Slauerhoff - De grote vaart


In Nederland


Nederlandse dichters


Vlaamse dichters


Gedichten vertaald in het Nederlands



Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002: 

© Gaston D’Haese: 05-01-2007.
Laatste wijziging: 28-12-2015.


E-post: webmaster