Iphone and smartphone optimized content

J.H. Leopold - Oostersch
Oostersch


Soefisch *
O zoetheid van te lachen zonder mond
en zonder oogen te bezien het wereldrond!
Zit stil en reis; o zoetheid van een tocht
zonder vermoeidheid, zonder voetenwond!


I
Om 's hemels cirkelenden loop te raden
keerde ons hoofdkompas naar alle graden;
ons lichaam is gebroken als een naald
in het ontraaflen van dit streng van draden.


II
Gij, van het Goddelijk geschrift een exemplaar,
van Hoogste schoonheid een weerspiegelaar,
wat is, is al in u, vraag aan u zelven
uw wenschen, hun vervullen ook is daar.


III
Noch gij, noch ik doordringt den buitenschijn
der eeuwigheid, want achter een gordijn
speelt wat ons boeit; wanneer de sluier valt,
zal er geen ik, zal er geen gij meer zijn.


IV
Voor wien de glans des Oppersten omspeelt,
is koning rijk noch bedelaar misdeeld,
hij kent de schepselen verborgen zin
en weet: de mensch is Godes evenbeeld.


V
Over het blad des levens als een stift
schrijven wij angstig onzer zorgen schrift,
in dezen oeverloozen oceaan
verlaten golven in verloren drift.


VI
Het hart - een gierig vuur, dat ons verbrandt,
het lijf - doelwit van kwalen allerhand;
ziet gij, hoe tegen ons berooid bestaan
de dood hier, ginds het leven samenspant?


VII
Dan ben ik licht, den hoogsten zon te boven,
dan ga in diepste duisternis ik dooven.
Mijn ziel rijst hemeluit, want lijf is hier -
Wat moet ik, Heer, van mij zelf gelooven?


VIII
Des harten deemoed is des wijzen glans
en simpelheid is overdaad bijkans;
zet u niet neder aan het boveneinde,
de lichtste schaal gaat hoog van den balans.


IX
Al mijn verdiensten als verwijten klonken,
toen er een Hoogste straal heeft toegeblonken;
des morgens tooide zich de nenufar,
des vollen daags is hij omlaag gezonken.


X
Hoe meer gekleed, hoe naakter ik mij vind,
hoe dichterbij, hoe minder toegezind;
goddelijk licht, verbijsterende luister,
hoe meer ik zie, hoe meer ik word verblind!


XI
Wie van zich deed elk wenschen, alle hopen,
hem ging der dingen wijze schikking open;
de wereld laken is de wereld zoeken,
wie afgeeft op de waar, verlangt te koopen.


XII
Hoe ook het lot met kwelling u mag slaan,
weest stil, gij maakt het erger, laat begaan;
wie duwt de golven van de zee terug?
het pogen zelf doet weer een golf ontstaan.


XIII
Zoolang de zon gaat langs de lichtwarande,
zullen er dagen zijn van vrees en schande;
wie reinheid zoekt, zal angst en kommer vinden,
de spiegelslijper zelf heeft zwarte handen.


XIV
Het antwoord en al het verweer van dezen
zal arbeid, eenzaamheid en zwijgen wezen;
dit bij zijn leven, maar na zijnen dood
dan wordt hij door zijn werken uitgewezen.


XV
O wereld, die zoo subtiel en fijn
te duiden weet den uiterlijken schijn,
houd u daaraan; hoe zou het vol doorgronden
uw zelfgenoegzaamheid noodlottig zijn!


XVI
Hoe kort ook, omgang is een fel fenijn,
één korrel opium vergalt den wijn,
wij derven andren niet; ons is genoeg
de eigen smart om ons verdorven zijn.


XVII
Hij minacht mij, wiens eigen wezen min is
en hij vindt goed, die zelve goed van zin is;
wie anderen bespreekt, bespreekt zich zelf,
er komt niet uit de kruik dan wat er in is.


XVIII
O heb den blik der armen niet gemeden,
dat gij niet word geschuwd in hun gebeden;
het split der tarwekorrel is een schrift:
één helft voor u, voor anderen de tweede


XIX
Een wenk en sierwilg noch cypres verpoost
noch doornen noch der rozen oogentroost;
met zon en maan als schepels meet de ploeger
des hemelakkers zijnen levensoogst.


XX
Stil op mijn bed terneergeslagen schrei ik
of opgeschrikt in wanhoopsvlagen schrei ik;
een kind, dat jammert om zijn liefst verlies,
zoo over mijn vervlogen dagen schrei ik.


XXI
Zij leefden, stierven; waren jong onwijs
en werden zat van zorg en kwalen grijs;
in dezen stroom van hitte en van kou
liepen ze als water, zijn gestold als ijs.


XXII
De tijd maakt vaal, onoogelijk en krom
en breekt er alle kracht en brengt ze om;
ik riep: is er iets triesters dan de dood?
het klonk: de ouderdom, de ouderdom.


XXIII
O tijd, waarin mijn smachten ligt, voorbij,
toen nog mijn hart was zacht en licht, voorbij,
lente des levens, lokkend spel en wuft
als droomen, mijner nachten licht, voorbij.


XXIV
Uit kemeltenten, uit den koningszaal
geordonneerd tot sterven allemaal;
al wat er leeft onder dit luchtgewelf
drinkt zijn bezwijmen uit de doodsbokaal.


XXV
Pulver en doffe asch werden de vromen
en los en zwervende zijn hun atomen;
ai, welke wijn is dit, van zulke kracht,
dat hij hun elk bezinnen heeft ontnomen?


XXVI
Een sultanaat met pracht van janitscharen,
de diepst bezonkene der wichelaren,
een vrouwenjager, een anachoreet,
twee dagen tijdsverloop, een vage mare.


XXVII
O roes der jeugd, toen ik moest vergapen
aan niets en was als blind en doof geschapen;
ik leefde in dommeling van zinsbedrog,
ik ben ontwaakt en nu moet ik gaan slapen.


XXVIII
De draden van uw wil zijn thuisgebracht
bij anderen dan bij uw zwakke kracht;
plan en gebeuren zijn als dobbelsteenen:
in uwe hand wel maar niet in uw macht.


XXIX
De zon, die bliksemt in zijn sterke vuren,
rein en onrein zal hij gelijk verduren;
geen vuil beklijft voor vasten hemelglans,
geen zuiverte kan zuiverte verpuren.


XXX
Dan als verschijnt de Heer van dezen hof,
den grooten toorn, den kleinen eer en lof;
het licht des daags breekt door en de planeten
vergaan maar zichtbaar wordt het zonnestof.


XXXI
Kom tot mij, tot mijn hart, dat trilt als loover,
vaag weg den angst en al zijn voorgetoover;
ik zeg, ik zeg U, ik weersta niet meer,
o God, laat mij niet aan mij zelven over!


Vertaald door Jan Hendrik Leopold  (1865-1925)

*Soefisch is afgeleid van 'soefisme'
Soefisme: algemene naam voor de verschillende
mystieke stromingen in de Islam. De beoefenaars
van deze mystiek leiden meestal een ascetisch
leven en worden soefi's genoemd naar hun wollen
kleed. Het Arabische soef betekent wol.



J.H. Leopold


Omar Khayam


Rubaiyat


Cheops


Nederlandse dichters



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 23-10-2003.
Laatste wijziging: 08-01-2016.

E-post: webmaster