Nu baant zich 't nat
Een heimlijk pad,
En tjilpt en fluistert,
In bloem en blad
Voor 't oog verduisterd.
Nu dartelt vrij,
Op gouden zanden,
De stroom voorbij.
Hij schuurt zijn randen
Allengskens uit,
En sleept de buit
Van kleiner vlieten
Geweldig voort;
En golven schieten,
Van ver gehoord,
Langs 't rotsig boord.
Nu vangt een dal
De waterval.
Een glinstrend kleed
Ligt stil verbreed
In 't nieuwe perk.
Het loofgewemel,
Het bonte zwerk,
De blauwe hemel,
Zien statig neer
Op 't effen meer. 
Gij moeders,
Gij hoeders
Der bloeiende jeugd
Wat mort gij, wat noemt gij
De spijtigheid deugd !
Wat keert gij
En weert gij
De listige Min
Van rijpende boezems ?
Hij raakt er toch in !
De kruiper,
De sluiper
Houdt ijverig de wacht.
Hij ligt op zijn luimen,
Bij dage, bij nacht !
Al sluiten
Hem buiten,
Met grendel en boom,
Benagelde poorten;
Al dreigt hem een stroom;
Twee achjes,
Twee lachjes,
Hij's binnen de Guit !
En duizend sermoenen ...
Hij is er niet uit ! 
Zefir lag ontsluimerd neer,
Bij den gloed der middagstralen;
't Avendlied der nachtegalen
Wekt den slaper weer.
Zachtkens wiegt de berk haar kruin.
Fluistrend staan de popeldreven,
Als hij vrolijk aan komt zweven,
Langs het scheemrig duin.
O, hoe geurt het van rondom;
Nu zijn vlugt in 't bosch blijft hangen !
Chloris lokt, vol zoet verlangen,
Haren Bruidegom.
Zie daar zeeft hij 't loover uit !
Door de struiken afgezegen,
Plengt hij dartlend bloesemregen
In den schoot der Bruid.
1814

Wij schuilden onder dropplend lover,
Gedoken aan de plas;
De zwaluw glipte 't weivlak over,
En speelde om 't zilvren gras;
Een koeltje blies, met geur belaân,
Het leven door de wilgenblaân.
't Werd stiller; 't groen liet af van droppen;
Geen vogel zwierf meer om;
De daauw trok langs de heuveltoppen,
Waar achter 't westen glom;
Daar zong de Mei zijn avendlied !
Wij hoorden 't, en wij spraken niet.
Ik zag haar aan, en, diep bewogen,
Smolt ziel met ziel in een.
O toverblik dier minlijke ogen,
Wier flonkring op mij scheen !
O zoet gelispel van die mond,
Wiens adem de eerste kus verslond !
Ons dekte vreedzaam wilgenlover;
De scheemring was voorbij;
Het duister toog de velden over;
En dralend rezen wij.
Leef lang in blij herdenken voort,
Gewijde stond! geheiligd oord !
Uit de bundel Gedichten (1820)

Sikkels klinken;
Sikkels blinken;
Ruischend valt het graan.
Zie de bindster gaâren!
Zie, in lange scharen,
Garf bij garven staan !
't Heeter branden
Op de landen
Meldt den middagtijd;
't Windje, moê van 't zweven,
Heeft zich schuil begeven;
En nog zwoegt de vlijt !
Blinde Maaijers;
Nijvre Zaaijers,
Die uw loon ontvingt !
Zit nu rustig neder;
Galm' het mastbosch weder,
Als gij juichend zingt.
Slaat uwe oogen
Naar den hoogen
Alles kwam van daar
Zachte regen daalde,
Vriendlijk zonlicht straalde
Mild op hal en aar.

Schooner prale uw milde lentezegen,
Bloemrijk oord, langs Adelines wegen.
Nachtegalen, juicht haar ''welkom!'' toe
Als zij nadert, wie ik hulde doe.
Paart uw lied aan 't lied der filomeelen,
Minder zangkoor, uit de hooge abeelen.
Laat het meigroen met het beekkristal
Samenruischen, bij den waterval.
Moge uw schaar, gij zefirs in de hagen,
Balsemgeur haar offrend tegendragen.
Toeft niet langer! Adeline komt!
Zwevend naakt zij, en mijn zang verstomt.
filomeele (filomelen): nachtegalen.

Het maagdlijk schoon, waaraan de sluijer faalt,
Een zilvren wolk gelijk, door Phebe's licht bestraald;
Het jeugdig hoofd, op eenen arm gebogen,
Die in haar vlechten schuilt; de zacht geloken oogen;
En nu die lach, die 't kiemend leven meldt;
Dat rozenbloed, dat langzaam weêr in de aâren zwelt,
En tusschen 't wintersneeuw de lente doet ontluiken !
De Grot en de Pelgrim.
Een vloer van donzig mos; de doorgang wild gesierd
Met geitenblad; het veil, dat aan de wanden zwiert,
En, in een spelend licht, gebroken op de plassen,
Met heller verwe blinkt; 't lacht al, bij 't zoet verrassen,
Den moeden Pelgrim toe! Een zwaluw, die aan 't rond
Van 't hoog gewelf haar vredig nest verbond,
Ontglipt haar kroost, om op een groene rank te springen,
En haren Gastvriend blij haar groete toe te zingen.
Ook 't nijvre bijenvolk, dat buiten in den steen
Zijn schuilplaats heeft, komt op en dwarrelt om hem heen.
Haar vrolijk brommen heet hem welkom in zijn woning,
En noodt hem op 't geregt van verschgegaarden honing.

Gij Bergen!... Heuvels acht de Faam,
Bij vriend en vreemd, te klein een naam
Voor Heerschers over meer verschiet,
Dan eigen erf den landzaat biedt ! -
Gij Bergen! van 't gewolde vee
Beweid, en van 't gehorend ree !
Gij vruchtbre Dalen, waar de zon
Haar schichten koelt in bron aan bron;
Waar 't veldgebloemte vroegst ontluikt,
En langst aan 's winters magt ontduikt;
Waar Echo, als de meimaand keert,
Den zang van duizend vogels leert !
Gij Bosschen, die daar tusschen 't graan,
Wanneer de sikkels veldwaarts gaan,
Op nieuw versierd met lenteblad,
Smaragd gelijkt, in goud gevat !
Gij Beken: eeuwigvloeijend glas,
Dat snelt naar Rijn- en IJsselplas,
Maar toeft, aan 't scheipunt van hun val,
Onzeker wien het volgen zal,
En, beurt om beurt, door 't schoon verleid,
Zoo mild langs ieder boord gespreid !
Gij Paradijs! van 't morgenland
Naar 't golventemmend west verplant...

Toon ons uw luister, o zilveren maan !
Rijs uit het meer.
Lach den zwervenden scheepling aan.
Straal, op 's wandelaars donkere baan,
In uw lieflijkheid neer.
Waar zonder hoop de Verlatene smacht,
Schemere uw gloog.
Waar, naar troosteleze afscheidsklagt,
Blij hereenen de minnenden wacht,
Breke uw glinstering door.
Schoon is de Dag, als zijn purpere gloed
Vorstelijk stijgt; -
Als hij zingend de ontwaakten groet !
Maar uw komst is den peinzenden zoet,
Gij, die flonkert - en zwijgt !
|