Vlaamse dichters

Top 10
Liefdesgedichten

Nederlandse dichters


Poëzie van ACW Staring
A.C.W. Staring
Anthony Christiaan Winand Staring
(1767 - 1840)

Bloemlezing

Waterloop


De Min


Zefir en Chloris


Herdenking


Oogstlied


Adeline Verbeid


Belisa in zwijm


Gelderland


Aan de Maan

  Waterloop


Nu baant zich 't nat 
Een heimlijk pad, 
En tjilpt en fluistert, 
In bloem en blad 
Voor 't oog verduisterd. 
Nu dartelt vrij, 
Op gouden zanden, 
De stroom voorbij. 
Hij schuurt zijn randen 
Allengskens uit, 
En sleept de buit 
Van kleiner vlieten 
Geweldig voort; 
En golven schieten, 
Van ver gehoord, 
Langs 't rotsig boord. 
Nu vangt een dal 
De waterval. 
Een glinstrend kleed 
Ligt stil verbreed 
In 't nieuwe perk. 
Het loofgewemel, 
Het bonte zwerk, 
De blauwe hemel, 
Zien statig neer 
Op 't effen meer.

  De Min


Gij moeders,
Gij hoeders
Der bloeiende jeugd
Wat mort gij, wat noemt gij
De spijtigheid deugd !

Wat keert gij
En weert gij
De listige Min
Van rijpende boezems ?
Hij raakt er toch in !

De kruiper,
De sluiper
Houdt ijverig de wacht.
Hij ligt op zijn luimen,
Bij dage, bij nacht !

Al sluiten
Hem buiten,
Met grendel en boom,
Benagelde poorten;
Al dreigt hem een stroom;

Twee achjes,
Twee lachjes,
Hij's binnen de Guit !
En duizend sermoenen ...
Hij is er niet uit !

  Zefir en Chloris


    Zefir lag ontsluimerd neer,
Bij den gloed der middagstralen;
't Avendlied der nachtegalen
      Wekt den slaper weer.

    Zachtkens wiegt de berk haar kruin.
Fluistrend staan de popeldreven,
Als hij vrolijk aan komt zweven,
      Langs het scheemrig duin.

    O, hoe geurt het van rondom;
Nu zijn vlugt in 't bosch blijft hangen !
Chloris lokt, vol zoet verlangen,
      Haren Bruidegom.

    Zie daar zeeft hij 't loover uit !
Door de struiken afgezegen,
Plengt hij dartlend bloesemregen
      In den schoot der Bruid.

1814

  Herdenking


Wij schuilden onder dropplend lover,
Gedoken aan de plas;
De zwaluw glipte 't weivlak over,
En speelde om 't zilvren gras;
Een koeltje blies, met geur belaân,
Het leven door de wilgenblaân.

't Werd stiller; 't groen liet af van droppen;
Geen vogel zwierf meer om;
De daauw trok langs de heuveltoppen,
Waar achter 't westen glom;
Daar zong de Mei zijn avendlied !
Wij hoorden 't, en wij spraken niet.

Ik zag haar aan, en, diep bewogen,
Smolt ziel met ziel in een.
O toverblik dier minlijke ogen,
Wier flonkring op mij scheen !
O zoet gelispel van die mond,
Wiens adem de eerste kus verslond !

Ons dekte vreedzaam wilgenlover;
De scheemring was voorbij;
Het duister toog de velden over;
En dralend rezen wij.
Leef lang in blij herdenken voort,
Gewijde stond! geheiligd oord !

Uit de bundel Gedichten (1820)

        Oogstlied


            Sikkels klinken;
            Sikkels blinken;
        Ruischend valt het graan.
Zie de bindster gaâren!
Zie, in lange scharen,
        Garf bij garven staan !

            't Heeter branden
            Op de landen
        Meldt den middagtijd;
't Windje, moê van 't zweven,
Heeft zich schuil begeven;
        En nog zwoegt de vlijt !

            Blinde Maaijers;
            Nijvre Zaaijers,
        Die uw loon ontvingt !
Zit nu rustig neder;
Galm' het mastbosch weder,
        Als gij juichend zingt.

            Slaat uwe oogen
            Naar den hoogen
        Alles kwam van daar 
Zachte regen daalde,
Vriendlijk zonlicht straalde
        Mild op hal en aar.


  Adeline Verbeid


Schooner prale uw milde lentezegen,
Bloemrijk oord, langs Adelines wegen.
  Nachtegalen, juicht haar ''welkom!'' toe
  Als zij nadert, wie ik hulde doe.

Paart uw lied aan 't lied der filomeelen,
Minder zangkoor, uit de hooge abeelen.
  Laat het meigroen met het beekkristal
  Samenruischen, bij den waterval.

Moge uw schaar, gij zefirs in de hagen,
Balsemgeur haar offrend tegendragen.
  Toeft niet langer! Adeline komt!
Zwevend naakt zij, en mijn zang verstomt.

filomeele (filomelen): nachtegalen.

  Belisa in zwijm

 
      Het maagdlijk schoon, waaraan de sluijer faalt, 
      Een zilvren wolk gelijk, door Phebe's licht bestraald; 
 Het jeugdig hoofd, op eenen arm gebogen, 
 Die in haar vlechten schuilt; de zacht geloken oogen; 
      En nu die lach, die 't kiemend leven meldt; 
      Dat rozenbloed, dat langzaam weêr in de aâren zwelt, 
 En tusschen 't wintersneeuw de lente doet ontluiken ! 
 De Grot en de Pelgrim. 
 
      Een vloer van donzig mos; de doorgang wild gesierd 
      Met geitenblad; het veil, dat aan de wanden zwiert, 
 En, in een spelend licht, gebroken op de plassen, 
 Met heller verwe blinkt; 't lacht al, bij 't zoet verrassen, 
      Den moeden Pelgrim toe! Een zwaluw, die aan 't rond 
      Van 't hoog gewelf haar vredig nest verbond, 
 Ontglipt haar kroost, om op een groene rank te springen, 
 En haren Gastvriend blij haar groete toe te zingen. 
      Ook 't nijvre bijenvolk, dat buiten in den steen 
      Zijn schuilplaats heeft, komt op en dwarrelt om hem heen. 
 Haar vrolijk brommen heet hem welkom in zijn woning, 
 En noodt hem op 't geregt van verschgegaarden honing.


  Gelderland


       Gij Bergen!... Heuvels acht de Faam, 
 Bij vriend en vreemd, te klein een naam 
 Voor Heerschers over meer verschiet, 
 Dan eigen erf den landzaat biedt ! - 
 Gij Bergen! van 't gewolde vee 
 Beweid, en van 't gehorend ree ! 
   
      Gij vruchtbre Dalen, waar de zon 
 Haar schichten koelt in bron aan bron; 
 Waar 't veldgebloemte vroegst ontluikt, 
 En langst aan 's winters magt ontduikt; 
 Waar Echo, als de meimaand keert, 
 Den zang van duizend vogels leert ! 
   
      Gij Bosschen, die daar tusschen 't graan, 
 Wanneer de sikkels veldwaarts gaan, 
 Op nieuw versierd met lenteblad, 
 Smaragd gelijkt, in goud gevat ! 
   
      Gij Beken: eeuwigvloeijend glas, 
 Dat snelt naar Rijn- en IJsselplas, 
 Maar toeft, aan 't scheipunt van hun val, 
 Onzeker wien het volgen zal, 
 En, beurt om beurt, door 't schoon verleid, 
 Zoo mild langs ieder boord gespreid ! 
   
      Gij Paradijs! van 't morgenland 
 Naar 't golventemmend west verplant... 


  Aan de Maan


Toon ons uw luister, o zilveren maan !
Rijs uit het meer.
Lach den zwervenden scheepling aan.
Straal, op 's wandelaars donkere baan,
In uw lieflijkheid neer.

Waar zonder hoop de Verlatene smacht,
Schemere uw gloog.
Waar, naar troosteleze afscheidsklagt,
Blij hereenen de minnenden wacht,
Breke uw glinstering door.

Schoon is de Dag, als zijn purpere gloed
Vorstelijk stijgt; -
Als hij zingend de ontwaakten groet !
Maar uw komst is den peinzenden zoet,
Gij, die flonkert - en zwijgt !




Anthony Christiaan Winand Staring (1767-1840) werd geboren 
in Gendringen. 
Na zijn studies in Harderwijk en Göttingen vestigde hij zich 
in 1791 op het nu nog bestaande landgoed De Wildenborch. 
'De achterhoeker' Staring hield van de natuur, maar had ook 
oog voor de noden van de mensen. Hij liet op De Wildenborch 
een school bouwen, waar kinderen van boeren en arbeiders 
onderwijs genoten.
Slechts enkele van de gedichten van deze romantische dichter 
blijven interessant voor de hedendaagse lezer, zoals 
'Herdenking' en 'Adeline verbeid', die echte pareltjes zijn. 
Hij schreef ook 'lange' verhalende gedichten, zoals 'Marco'. 
Dit laatste gaat over een ijdele vrouwenversierder uit het 
middeleeuwse Napels, die in de problemen komt wanneer hij 
ook verliefd wordt op Julia, die hem afwijst. Daarna beleeft 
hij allerlei avonturen en verandert zelfs een tijdje in een ezel, 
maar het fantastische verhaal loopt goed af.





Vlaamse dichters


Nederlandse dichters


Top 10 - Liefdesgedichten


Paul van Ostaijen  (home)


Gedichten vertaald in het Nederlands



Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 28-05-2004.
Laatste wijziging 08-01-2016.

E-post: webmaster