Hélène Swarth in 1879. 
Foto door Géruzet Frères, Brussel.

Hélène Swarth


'Sinds de uitgave van Jacques Perks gedichten heeft geen jong
hollandsch dichter mij zóó aangedaan', aldus Lodewijk van Deyssel
in zijn bespreking van Eenzame bloemen.

'In de gedichten van Hélène Swarth ontdekte ik "oerkreten des harten"
en "grootsche accenten". '


J.C. Bloem


'Als ik deze gedichten lees, is het alsof de dichteres mij niets anders
te bieden heeft, mij niets anders gunt, dan een gat in de grond,
of een doodsmak.'


Anneke Brassinga


'Waarom is de bewondering van vroeger de verveling van nu geworden?
Dat ligt aan het publiek èn aan Hélène Swarth.
Altijd aanwending van hetzelfde middel:
een persoonlijk beeld, dan ontwikkeling, ten slotte gevolgtrekking.
Het gedicht werd een dichtoefening.'


Karel Van de Woestijne





   Verlaten straat

In de oude straat, waar vreemd de voetstap klinkt,
En welig gras, voortwoekrend, ongestoord,
In groene lijst de grauwe keien vat,
Staat, droef vervallen, 't lang verlaten huis.
De ruiten blinken, blauw, in 't licht der maan
En staren, stil en strak, met glazen blik,
Den blik van oogen, die geen licht meer zien,
Den blik van een, die zich heeft blindgeweend.
Droef zingt de klok der middeleeuwsche kerk,
Hoog boven 't stadje, een oude melodie.
En, smeltend zacht, wen alles zwijgt alom,
Weeklaagt een vedel in de sombre vert'.


Uit 'De Nieuwe Gids'. Jaargang 1 (1885-1886).


      Jeux innocents

Wij speelden pandje met ons leven.
  Een prettig spel houdt kindren zoet.
Ik had mijn hart als pand gegeven.

De Meiwind zong door de olmendreven,
  De vogels juichten: ,,Wees gegroet!”
Wij speelden pandje met ons leven.

Ik zag door 't blauw een vlinder zweven,
  De ontloken rozen tegemoet.
Ik had mijn hart als pand gegeven.

- ,,Neen, wees niet bang! Uw handen beven.
  Ik verg van u geen zware boet'!”
Wij speelden pandje met ons leven.

Hij hield mijn pand omhoog geheven.
  - ,,Nu, zeg mij hoe 'k het lossen moet!”
Ik had mijn hart als pand gegeven.

Hij wachtte een wijl en lachte eens even ...
  Daar viel 't verbrijzeld aan mijn voet.
Wij speelden pandje met ons leven.
Ik had mijn hart als pand gegeven.


Uit 'Poëzie' (1892).


  Het Allerdroefste

O droef is elke erinnering
Aan hem, die jong ten grave ging,
Maar 't allerdroefste dunkt mij dat:
Nooit heeft mijn lief mij liefgehad.

O, dat ik dááraan denken blijf!
Voor hem was ik een tijdverdrijf,
Wat hij voor mij was wist hij wel:
Hij was mijn hemel en mijn hel.

Kon ik maar weenen als weleer!
O God, ik heb geen tranen meer.
Kon ik maar bidden! 't was zijn spot
Die mij vertwijflen deed aan God.

O schoon gelaat! o zonnig haar!
Daemonische oogen diep en klaar!
O sphinx-lach om dien fijnen mond!
O raadsel dat ik nooit verstond!

Hij boog mijn trots, hij brak mijn wil,
Mijn afgemarteld hart werd stil.
Hij temde, als een wild dier, mijn ziel,
Tot, slaafsch, zij aan zijn voeten viel.

Mijn arme liefde knielde in 't zand
En kuste, bleek, zijn meesterhand.
Toen hij mij dat had aangedaan,
Toen bood hij mij . . . zijn vriendschap aan.


Uit 'Verzen' (1893).


  LIED

'k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw,
In sprakeloze aanbidding neer gezonken,
Wanneer de maan verrees in 't avondblauw.

De sterren lokten mij van waar zij blonken
- Ver, eindloos ver - met onweerstaanbre macht,
Als millioenen hemelliefdevonken.

En 'k bad om vleuglen in de stille nacht:
- O dat ik eens de oneindigheid doorkliefde! -
Helaas! wanneer? ik heb zo lang gewacht.

Verga de twijfel die mijn ziele griefde,
De hellegeest die met mijn lijden spot.
O Liefde! ik kan niet leven zonder liefde!

O God! ik kan niet leven zonder god!


Uit 'Passiebloemen'.


   NAJAARSNACHT


 O nevelnacht, waarin geen sterren stralen! 
 O diepe, doffe stilte dezer stonde! 
 Geen klokketoon, die plechtig 't uur verkonde, 
 Niets hoor ik, dan mijn eigen ademhalen. 

 't Waar zoet voor mij, de in 's levens strijd gewonde, 
 In 't rustig rijk der droomen rond te dwalen. 
 Dan, ach! ik voel de Fantasie mij falen, 
 Die vaak mij leidde, opdat ik vreugde vonde. 

 Doodsbleek en roerloos, lig ik op mijn leger. 
 Zijn 't klamme vingers, die mijn keel omknellen? 
 Zwaar hijgt mijn borst, angst verft mijn wangen veeger. 

 God!… help mij, God, den Booze nêer te vellen! 
 - Geen antwoord… Niets dan 't kloppen mijner slapen! - 
 God! menschen lijden, en uwe englen slapen!



FRESCO'S

Uit 'De Nieuwe Gids'

  WAAN


Toen bracht mijn gids mij in een stillen tuin,
Met donkre lanen, kronklend over 't gras,
   En bloemen bloeiden tusschen 't struikgewas,
   En gouden vruchten sierden kruin bij kruin.

Ik plukte een schoone bloem, doch eer zij was
Gebroken van haar stengel, werd zij bruin.
   Ik plukte een vrucht - het zonlicht lonkte schuin -
   En de appel bleek vol bitterheid en asch.

Toen brandde een blos van toorn op mijn gelaat,
En 'k vroeg: - 'Hoe brengt mijn goede gids mij hier,
Waar al wat is, geen wezen heeft, maar schijn?’

'Opdat uw lied,' sprak hij, 'geen logen vier',
Opdat uw hand zich niet verleiden laat
Den Waan te plukken voor het ware Zijn!'


LIEFDE

I

En langs een wand van rotsen, rug aan rug,
Volgde ik een pad verlicht door maan noch zon.
Toen stond ik vóór een afgrond en ik kon
Geen handbreed verder en geen stap terug.

En de angst des doods kwam over me, ik begon
Te beven en ik riep: - 'Wie bouwt me een brug?'
En 't ver gebergte gaf mij, hoonend-stug,
Mijn woorden weêr, tot wanhoop mij verwon.

Toen zag ik naast me een marmerbleek gelaat,
Met donkere oogen, vonklende in den nacht,
En 'k hoorde een stem, gebiedend, schoon zeer zacht:

'Zoo ge om mijn hals vertrouwend de armen slaat,
Draag ík u over de' afgrond!' - Ik dan, als
Een kind, sloeg de armen, zwijgend, om zijn hals.

II

Ik hoorde 't ruischen van zijn vleugelslag
En anders niet. Toen vroeg ik: - 'Wie zijt gij?
'k Voel me aan uw borst zóó veilig en zóó blij,
Als hadde ik niet geleefd vóór dezen dag.'

Maar zwijgend vloog hij voort naar de andre zij
Van de' afgrond, en ik weende om wat ik zag:
De weemoedswel, die in zijne oogen lag,
Vloeide over. - 'Engel, is die traan voor mij?'

En na een wijle sprak hij: - 'Ja, ik ween
Om wat ge in mijn naam lijden moest weleer,
En wéér moet lijden. Zie, hier blijft ge alleen.'

En in een woud liet hij met mij zich nêer,
Sloot met een kus mijne oogen en… vloog heen.
En 'k zeeg ter aarde en hoorde en zag niet meer.


  CHRISTOPHOROS

En in de beek stond reeds mijn voet gebaad,
- Een beek, door dubblen dorst van zon en zand
Half leeggezogen - toen een kinderhand
Mij vasthield bij den zoom van mijn gewaad.

En als een rooswolk in een gouden rand,
Lachte in een lijst van goudhaar zijn gelaat,
Terwijl hij sprak: - 'Zoo gij door 't water waadt,
Draag me op uw schoudren naar dat schoone land!'

En alzoo deed ik, doch, toen ik hem droeg,
Werd, wat mij licht leek, middlerwege, als lood,
En 't water zwol zoo dreigend, dat ik vroeg:

- 'Moet ik nu sterven en zijt gij de Dood?'
Doch hij: - 'De Dood niet, maar uw Meester wel!'
Toen zweeg de storm en 'k zei: 'Emmanuel!'


  STORM OP ZEE

Toen sloeg de wilde storm mijn bootje aan stukken,
En 'k lag te worstlen met de booze baren.
Daar greep een sterke hand mij bij de haren
En 'k voelde een arm de golven mij ontrukken.

Toen zag ik Hem, den redder uit gevaren,
Voor wien de wind zwijgt en de zee moet bukken,
De woeste waat'ren met den voetzool drukken,
En, kalm, met oogen die als sterren waren,

Zag hij mij aan en sprak: - 'Ontplooi uw vleuglen!
Hoe liet ge u zinken in de zee der Smarten,
Gij, die kunt stijgen, waar de sterren bloeien!'

Toen wies mijn kracht, - wie kon mijn vlucht beteuglen?
En opwaarts steeg ik, in de vreugd mijns harten,
Hem lovend, die mijn vleugelen deed groeien.


  ZIJN DOOD


 O God! nu is mijn liefste dood, 
 Mijn leeuwriklied, mijn morgenrood, 
 Mijn zonnestraal, mijn lentevreugd, 
 De blonde liefste van mijn jeugd! 
   
 Ik heb zijn eenzaam graf bezocht. 
 Dat was een lange bange tocht. 
 Mijn hart, dat sloeg en joeg mij voort, 
 Als wachtte ginds zijn liefdewoord. 
   
 Ik vond de plek, de grond was week... 
 Daaronder slaapt hij, koud en bleek. 
 Een heuvel bloemen, blank en frisch... 
 Daar slaapt hij in de duisternis. 
   
 Veel blonde bijen gonsden zacht. 
 Ik had viooltjes meegebracht. 
 Veel jaar geleên, in 't blij getij, 
 Bracht hij viooltjes mee voor mij. 


Het levensverdriet van Hélène Swarth werd veroorzaakt
en gevoed door een aantal ongelukkige liefdes. In haar
meisjesjaren was ze ondermeer verliefd op Max Waller
(1860-1889), een Franstalige Belgische dichter.
Toen hij overleed op negenentwintige leeftijd, behoorde
hun broze relatie al tien jaar tot het verleden.
Hélène Swarth betreurde haar onvervulde liefde voor
Max Waller, die ze de 'de blonde liefste' noemde in
de dichtbundel Rouwviolen
(P. N. van Kampen, Amsterdam, 1889).



  SONNET

Nu rijpt de herfst de rijkgebronsde peren;
De sappige applen glansen, rood en goud,
En prachtig prijkt, gelijk een tooverwoud,
Het bosch, dat groen in purper doet verkeeren.

Krachtige balsemgeur uit kreupelhout
Van eiken stroomt mij tegen, zilvren veêren
Doorstrepen 't reine luchtblauw en vermeeren
Tot éen wolk, die de zon gevangen houdt.

Nu vul die vaas met gele October-rozen,
Leg blauwe druiven op die blanke schaal,
Tusschen de trossen laat de perzik blozen
Als avondrood, en loof als bloedkoraal
Van wilden wingerd blij mijn blik verpoozen,
Die symphonieën zoekt in kleurentaal.


  SONNET


Ik stond, bij storm, aan zee, verdiept in droomen,
Met vliegend haar en kleedren losgereten.
En 'k steunde op rotsen, die zich trotsch vermeten
Geen stap te wijken, als de golven komen.

En luider dan de storm sprak mijn geweten:
- 'Wee wie door driften zich laat overstroomen!'
Toen heeft een wervelwind mij opgenomen
En in 't schuimbekkend water neergesmeten.

En in een maalstroom ben ik diep gezonken,
Verslonden door de zee, die 'k dorst te trotsen.
Een daemon heeft me aan d' afgrond vastgeklonken.

Boven mijn hoofd hoor ik de golven klotsen:
- 'Voor eeuwig dood, verloren en verdronken!'
En hoongelach van water, wind en rotsen.


  STERREN


O de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd,
Waar 't geloof met zijn kindervertrouwen mij een hemel eens had beloofd,
Als deze ogen zich sluiten voor eeuwig en dit lijf wordt ten grave gebracht,
O de stille onbegrijpelijke sterren! o 't mysteriënheir van de nacht!

Lief, de dag is zo druk en zo nuchter, zo voor 't kleine en voor 't stoflijke alleen,
En de mensen verloochnen hun ziel en naar 't eeuwige leven vraagt geen.
Komt met mij waar de heilige nacht met haar ogen van sterren wenkt,
Waar een adem van liefde ons omzweeft en de Hoop met haar beker ons drenkt.

Lief, eens zullen wij sterven, wij beiden, wij samen of ieder alleen
En het graf is zo diep en de hemel zo hoog en of God leeft weet geen.
En 'k heb niets dan de stem van mijn hart, die mij 't eeuwige leven belooft,
En de heilige onsterfelijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd


Uit : Poëzie, Uitgeverij Van Kampen, Amsterdam 1892.

Hélène Swarth



Nederlandse dichters


Vlaamse dichters


Poëzieweb - Poetryweb


Biografie

 
Hélène Stephanie Swarth werd geboren in Amsterdam 
op 25 oktober 1859. Zij was de dochter van Eduard Swarth 
en Maria Jacoba Heijblom. Haar vader was koopman 
en consul van Portugal.
Hélène Swarth was de jongste van negen kinderen 
en genoot een Frans-georiënteerde opvoeding, omdat 
haar vader zich in 1865 in Brussel vestigde als bankier. 
De familie verliet Brussel in 1869 omdat haar moeder 
heimwee had naar Amsterdam. Moeder en dochter konden 
trouwens nooit goed met elkaar opschieten. 
Hélène voelde zich ongelukkig in Amsterdam en gelukkig 
voor haar vestigde de familie zich terug in Brussel in 1871.  
In december 1876 maakte zij kennis met Maurice Warlomont 
(1860-1889), die in de Frans-Belgische literatuur bekend 
was als Max Waller. Hun liefdesrelatie was kortstondig, 
maar zij bleef Waller (die daarna de spot met haar dreef), 
steeds gedenken als de "o vreemde wreede godeschoone 
knaap, die lachend speelde met mijn meisjeshart".  
In 1879 debuteerde de twintigjarige dichteres met de te 
Parijs verschenen bundel 'Fleurs du rêve', gevolgd door 
de te Arnhem uitgegeven bundel 'Les printanières' (1882).  
In 1902 volgde een herdruk met de titel 'Premières poésies'. 
Een andere franstalige dichtbundel van haar was 'Feuilles 
mortes' (1878-1883).
Op aanraden van Pol de Mont, verkoos zij uiteindelijk 
te schrijven in het Nederlands.  
'Eenzame bloemen' en 'Blauwe bloemen' waren de eerste 
dichtbundels in haar moedertaal en zij kenden meteen 
succes. Vooral Willem Kloos was enthousiast en noemde 
haar 'het zingend hart'. Vanaf december 1885 nam hij 
geregeld gedichten van haar op in 'De nieuwe gids'. 
Toch had zij ook veel afbrekers, ondermeer Frederik van 
Eeden die haar smalend 'het herkauwende hart' noemde.

Hélène Swarth verloofde zich in 1890 met de letterkundige Hendrik van der Mey, maar de wankele relatie liep na enkele jaren spaak. Van 1884 tot 1894 woonde ze in Mechelen. Na haar huwelijk met journalist en schrijver Frits Lapidoth verhuisde zij naar Den Haag. Dit huwelijk werd ontbonden in 1910, want Lapidoth was een vrouwenloper. Zij heeft trouwens nooit een man gevonden, die 'haar weltschmerz' waardeerde en zijn leven 'blijvend' met haar wou delen. Het religieuze en haar liefdes- en zielsverdriet waren dan ook de hoofdthema's in haar gedichten.
Hélène Stephanie Swarth overleed te Velp op 20 juni 1941.



Bibliografie


Hélène Swarth heeft vele honderden gedichten geschreven,
die niet allemaal gepubliceerd of gebundeld werden.
Hieronder volgt nog een reeks dichtbundels van haar:


Les printanières'. Arnhem, J. Minkman, (1882 en 1891)
'Fleurs du rêve'. Poésies. Paris, A. Ghio (1879)
'Eenzame bloemen', de Seyn-Verhougstraete, Roeselare (1884 en 1885)
'Blauwe bloemen', J. L. Beijers, Utrecht (1884)
'Beelden en stemmen', A. Hosts, Gent (1887)
'Snneuwvlokken', P. N. van Kampen, Amsterdam (1888)
'Rouwviolen', P. N. van Kampen, Amsterdam (1889)
'Liederen en gedichten', Wwe Prosper Jacobs en Zn, Ninove (1890)
'Passiebloemen', P. N. van Kampen, Amsterdam (1891)
'Nieuwe gedichten', P. N. van Kampen, Amsterdam (1892)
Poëzie. Met Beelden en stemmen, Sneeuwvlokken, Rouwviolen en Passiebloemen
'Bloesem en vrucht' (1893)
'Verzen', P. N. van Kampen, Amsterdam (1893). Herdrukt in 1897 en 1909
'Blanke duiven' (1895)
'Van vrouwenleed' (1897)
'Diepe wateren' (1897)
'Stille dagen' (1898)
'Najaarsstemmen' (1900)
'Gedichten' (1902)
'Première poésie' (1902)
'Octoberloover' (1903)
'Nieuwe verzen' (1906 en 1920)
'Verzwegen leed' (1909)
'Bleeke luchten' (1909)
'Herfstdraden' (1910)
'Avondwolken' (1911)
'Eenzame paden' (1916)
'Late liefde' (1919)
'Keurbundel' (1919)
'Nieuwe verzen'. Amsterdam, Mij. voor Goede en Goedkoope Lectuur, 1920
'Late rozen' (1920)
'Octobre en fleur' (1921)
'Dagen' (1924)
'Episoden' (1924)
'Al onder de boomen' (1927)
'Morgenrood', Amsterdam, Wereldbibliotheek, (1929)
'Avonddauw' - 1e druk, Kampen, J.H. Kok (1930)
'Natuurpoëzie' (1930)
'Kinderen', Kampen, J.H. Kok (1932)
'Vrouwen' (1935)
'Wijding' (1936)
'Beeldjes uit vrouwenleven' (1938)
Postume bundel 'Sorella' (1943)
'Hélène Swarth - Het zingende hart' (1952). Bloemlezing door J.C. Bloem.
'Een mist van tranen' (1973). Bloemlezing.
'Hélène Swarth - Biografisch essay over de Nederlandse dichteres.
'Auteur: Jeroen Brouwers. Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam (1985).


Hélène Swarth - Verzen voor mijn liefste


Hélène Swarth - 'Klein' (bloemengedicht)


Hélène Swarth
Verzen voor mijn liefste


Nederlandse dichters


Vlaamse dichters


'De tachtigers'



Homepage

Bezoekers sinds 21-03-2002: 

©  Gaston D'Haese: 20-09-2005.
Laatste wijziging 09-01-2016.

E-post: webmaster