

Verlaten straatIn de oude straat, waar vreemd de voetstap klinkt,En welig gras, voortwoekrend, ongestoord, In groene lijst de grauwe keien vat, Staat, droef vervallen, 't lang verlaten huis. De ruiten blinken, blauw, in 't licht der maan En staren, stil en strak, met glazen blik, Den blik van oogen, die geen licht meer zien, Den blik van een, die zich heeft blindgeweend. Droef zingt de klok der middeleeuwsche kerk, Hoog boven 't stadje, een oude melodie. En, smeltend zacht, wen alles zwijgt alom, Weeklaagt een vedel in de sombre vert'. Uit 'De Nieuwe Gids'. Jaargang 1 (1885-1886). Jeux innocentsWij speelden pandje met ons leven.Een prettig spel houdt kindren zoet. Ik had mijn hart als pand gegeven. De Meiwind zong door de olmendreven, De vogels juichten: ,,Wees gegroet!” Wij speelden pandje met ons leven. Ik zag door ’t blauw een vlinder zweven, De ontloken rozen tegemoet. Ik had mijn hart als pand gegeven. - ,,Neen, wees niet bang! Uw handen beven. Ik verg van u geen zware boet’!” Wij speelden pandje met ons leven. Hij hield mijn pand omhoog geheven. - ,,Nu, zeg mij hoe ’k het lossen moet!” Ik had mijn hart als pand gegeven. Hij wachtte een wijl en lachte eens even ... Daar viel ’t verbrijzeld aan mijn voet. Wij speelden pandje met ons leven. Ik had mijn hart als pand gegeven. Uit 'Poëzie' (1892). Het AllerdroefsteO droef is elke erinneringAan hem, die jong ten grave ging, Maar ’t allerdroefste dunkt mij dat: Nooit heeft mijn lief mij liefgehad. O, dat ik dááraan denken blijf! Voor hem was ik een tijdverdrijf, Wat hij voor mij was wist hij wel: Hij was mijn hemel en mijn hel. Kon ik maar weenen als weleer! O God, ik heb geen tranen meer. Kon ik maar bidden! ’t was zijn spot Die mij vertwijflen deed aan God. O schoon gelaat! o zonnig haar! Daemonische oogen diep en klaar! O sphinx-lach om dien fijnen mond! O raadsel dat ik nooit verstond! Hij boog mijn trots, hij brak mijn wil, Mijn afgemarteld hart werd stil. Hij temde, als een wild dier, mijn ziel, Tot, slaafsch, zij aan zijn voeten viel. Mijn arme liefde knielde in ’t zand En kuste, bleek, zijn meesterhand. Toen hij mij dat had aangedaan, Toen bood hij mij . . . zijn vriendschap aan. Uit 'Verzen' (1893). LIED'k Ben menigmaal, het oog vol tranendauw,In sprakeloze aanbidding neer gezonken, Wanneer de maan verrees in 't avondblauw. De sterren lokten mij van waar zij blonken - Ver, eindloos ver - met onweerstaanbre macht, Als millioenen hemelliefdevonken. En 'k bad om vleuglen in de stille nacht: - O dat ik eens de oneindigheid doorkliefde! - Helaas! wanneer? ik heb zo lang gewacht. Verga de twijfel die mijn ziele griefde, De hellegeest die met mijn lijden spot. O Liefde! ik kan niet leven zonder liefde! O God! ik kan niet leven zonder god! Uit 'Passiebloemen'. NAJAARSNACHTO nevelnacht, waarin geen sterren stralen! O diepe, doffe stilte dezer stonde! Geen klokketoon, die plechtig 't uur verkonde, Niets hoor ik, dan mijn eigen ademhalen. 't Waar zoet voor mij, de in 's levens strijd gewonde, In 't rustig rijk der droomen rond te dwalen. Dan, ach! ik voel de Fantasie mij falen, Die vaak mij leidde, opdat ik vreugde vonde. Doodsbleek en roerloos, lig ik op mijn leger. Zijn 't klamme vingers, die mijn keel omknellen? Zwaar hijgt mijn borst, angst verft mijn wangen veeger. God!… help mij, God, den Booze nêer te vellen! - Geen antwoord… Niets dan 't kloppen mijner slapen! - God! menschen lijden, en uwe englen slapen! FRESCO'SUit 'De Nieuwe Gids'.WAANToen bracht mijn gids mij in een stillen tuin,Met donkre lanen, kronklend over 't gras, En bloemen bloeiden tusschen 't struikgewas, En gouden vruchten sierden kruin bij kruin. Ik plukte een schoone bloem, doch eer zij was Gebroken van haar stengel, werd zij bruin. Ik plukte een vrucht - het zonlicht lonkte schuin - En de appel bleek vol bitterheid en asch. Toen brandde een blos van toorn op mijn gelaat, En 'k vroeg: - ‘Hoe brengt mijn goede gids mij hier, Waar al wat is, geen wezen heeft, maar schijn?’ ‘Opdat uw lied,’ sprak hij, ‘geen logen vier', Opdat uw hand zich niet verleiden laat Den Waan te plukken voor het ware Zijn!’ LIEFDEIEn langs een wand van rotsen, rug aan rug,Volgde ik een pad verlicht door maan noch zon. Toen stond ik vóór een afgrond en ik kon Geen handbreed verder en geen stap terug. En de angst des doods kwam over me, ik begon Te beven en ik riep: - ‘Wie bouwt me een brug?’ En 't ver gebergte gaf mij, hoonend-stug, Mijn woorden weêr, tot wanhoop mij verwon. Toen zag ik naast me een marmerbleek gelaat, Met donkere oogen, vonklende in den nacht, En 'k hoorde een stem, gebiedend, schoon zeer zacht: ‘Zoo ge om mijn hals vertrouwend de armen slaat, Draag ík u over de' afgrond!’ - Ik dan, als Een kind, sloeg de armen, zwijgend, om zijn hals. IIIk hoorde 't ruischen van zijn vleugelslagEn anders niet. Toen vroeg ik: - ‘Wie zijt gij? 'k Voel me aan uw borst zóó veilig en zóó blij, Als hadde ik niet geleefd vóór dezen dag.’ Maar zwijgend vloog hij voort naar de andre zij Van de' afgrond, en ik weende om wat ik zag: De weemoedswel, die in zijne oogen lag, Vloeide over. - ‘Engel, is die traan voor mij?’ En na een wijle sprak hij: - ‘Ja, ik ween Om wat ge in mijn naam lijden moest weleer, En wéér moet lijden. Zie, hier blijft ge alleen.’ En in een woud liet hij met mij zich nêer, Sloot met een kus mijne oogen en… vloog heen. En 'k zeeg ter aarde en hoorde en zag niet meer. CHRISTOPHOROSEn in de beek stond reeds mijn voet gebaad,- Een beek, door dubblen dorst van zon en zand Half leeggezogen - toen een kinderhand Mij vasthield bij den zoom van mijn gewaad. En als een rooswolk in een gouden rand, Lachte in een lijst van goudhaar zijn gelaat, Terwijl hij sprak: - ‘Zoo gij door 't water waadt, Draag me op uw schoudren naar dat schoone land!’ En alzoo deed ik, doch, toen ik hem droeg, Werd, wat mij licht leek, middlerwege, als lood, En 't water zwol zoo dreigend, dat ik vroeg: - ‘Moet ik nu sterven en zijt gij de Dood?’ Doch hij: - ‘De Dood niet, maar uw Meester wel!’ Toen zweeg de storm en 'k zei: ‘Emmanuel!’ STORM OP ZEEToen sloeg de wilde storm mijn bootje aan stukken,En 'k lag te worstlen met de booze baren. Daar greep een sterke hand mij bij de haren En 'k voelde een arm de golven mij ontrukken. Toen zag ik Hem, den redder uit gevaren, Voor wien de wind zwijgt en de zee moet bukken, De woeste waat'ren met den voetzool drukken, En, kalm, met oogen die als sterren waren, Zag hij mij aan en sprak: - ‘Ontplooi uw vleuglen! Hoe liet ge u zinken in de zee der Smarten, Gij, die kunt stijgen, waar de sterren bloeien!’ Toen wies mijn kracht, - wie kon mijn vlucht beteuglen? En opwaarts steeg ik, in de vreugd mijns harten, Hem lovend, die mijn vleugelen deed groeien. ZIJN DOODO God! nu is mijn liefste dood, Mijn leeuwriklied, mijn morgenrood, Mijn zonnestraal, mijn lentevreugd, De blonde liefste van mijn jeugd! Ik heb zijn eenzaam graf bezocht. Dat was een lange bange tocht. Mijn hart, dat sloeg en joeg mij voort, Als wachtte ginds zijn liefdewoord. Ik vond de plek, de grond was week... Daaronder slaapt hij, koud en bleek. Een heuvel bloemen, blank en frisch... Daar slaapt hij in de duisternis. Veel blonde bijen gonsden zacht. Ik had viooltjes meegebracht. Veel jaar geleên, in 't blij getij, Bracht hij viooltjes mee voor mij. Het levensverdriet van Hélène Swarth werd veroorzaakt en gevoed door een aantal ongelukkige liefdes. In haar meisjesjaren was ze ondermeer verliefd op Max Waller (1860-1889), een Franstalige Belgische dichter. Toen hij overleed op negenentwintige leeftijd, behoorde hun broze relatie al tien jaar tot het verleden. Hélène Swarth betreurde haar onvervulde liefde voor Max Waller, die ze de ‘de blonde liefste' noemde in de dichtbundel Rouwviolen (P. N. van Kampen, Amsterdam, 1889). SONNETIk stond, bij storm, aan zee, verdiept in droomen,Met vliegend haar en kleedren losgereten. En 'k steunde op rotsen, die zich trotsch vermeten Geen stap te wijken, als de golven komen. En luider dan de storm sprak mijn geweten: - ‘Wee wie door driften zich laat overstroomen!’ Toen heeft een wervelwind mij opgenomen En in 't schuimbekkend water neergesmeten. En in een maalstroom ben ik diep gezonken, Verslonden door de zee, die 'k dorst te trotsen. Een daemon heeft me aan d' afgrond vastgeklonken. Boven mijn hoofd hoor ik de golven klotsen: - ‘Voor eeuwig dood, verloren en verdronken!’ En hoongelach van water, wind en rotsen. STERRENO de heilige onsterflijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd,Waar 't geloof met zijn kindervertrouwen mij een hemel eens had beloofd, Als deze ogen zich sluiten voor eeuwig en dit lijf wordt ten grave gebracht, O de stille onbegrijpelijke sterren! o 't mysteriënheir van de nacht! Lief, de dag is zo druk en zo nuchter, zo voor 't kleine en voor 't stoflijke alleen, En de mensen verloochnen hun ziel en naar 't eeuwige leven vraagt geen. Komt met mij waar de heilige nacht met haar ogen van sterren wenkt, Waar een adem van liefde ons omzweeft en de Hoop met haar beker ons drenkt. Lief, eens zullen wij sterven, wij beiden, wij samen of ieder alleen En het graf is zo diep en de hemel zo hoog en of God leeft weet geen. En 'k heb niets dan de stem van mijn hart, die mij 't eeuwige leven belooft, En de heilige onsterfelijke sterren, hoog boven mijn sterfelijk hoofd Uit : Poëzie, Uitgeverij Van Kampen, Amsterdam 1892. ![]() |

BiografieHélène Stephanie Swarth werd geboren in Amsterdam op 25 oktober 1859. Zij was de dochter van Eduard Swarth en Maria Jacoba Heijblom. Haar vader was koopman en consul van Portugal. Hélène Swarth was de jongste van negen kinderen en genoot een Frans-georiënteerde opvoeding, omdat haar vader zich in 1865 in Brussel vestigde als bankier. De familie verliet Brussel in 1869 omdat haar moeder heimwee had naar Amsterdam. Moeder en dochter konden trouwens nooit goed met elkaar opschieten. Hélène voelde zich ongelukkig in Amsterdam en gelukkig voor haar vestigde de familie zich terug in Brussel in 1871. Zij heeft tot haar huwelijk in 1894 ook enkele jaren in Mechelen gewoond. In december 1876 maakte zij kennis met Maurice Warlomont (1860-1889), die in de Frans-Belgische literatuur bekend was als Max Waller. Hun liefdesrelatie was kortstondig, maar zij bleef Waller (die daarna de spot met haar dreef), steeds gedenken als de "o vreemde wreede godeschoone knaap, die lachend speelde met mijn meisjeshart". In 1879 debuteerde de twintigjarige dichteres met de te Parijs verschenen bundel 'Fleurs du rêve', gevolgd door de te Arnhem uitgegeven bundel 'Les printanières' (1882). In 1902 volgde een herdruk met de titel 'Premières poésies'. Een andere franstalige dichtbundel van haar was 'Feuilles mortes' (1878-1883). Op aanraden van Pol de Mont, verkoos zij uiteindelijk te schrijven in het Nederlands. 'Eenzame bloemen' en 'Blauwe bloemen' waren de eerste dichtbundels in haar moedertaal en zij kenden meteen succes. Vooral Willem Kloos was enthousiast en noemde haar 'het zingend hart'. Vanaf december 1885 nam hij geregeld gedichten van haar op in 'De nieuwe gids'. Toch had zij ook veel afbrekers, ondermeer Frederik van Eeden die haar smalend 'het herkauwende hart' noemde. |

