|
'De tachtigers' waren Nederlandse dichters en prozaschrijvers die ca. 1880 een vernieuwing van de Nederlandse
literatuur tot stand brachten. Aanvankelijk werkten alle tachtigers mee aan het literaire tijdschrift
'De Nieuwe Gids'.
'De beweging van tachtig', kwam voort uit het letterkundig gezelschap Flanor. De inleiding van Willem Kloos
bij 'Gedichten' (1882) van Jacques Perk wordt beschouwd als het manifest van de Tachtigers.
Vooral de eerste jaargangen van De Nieuwe Gids bevatten veel interessante publicaties. De Kleine Johannes
(F. van Eeden) werd in zijn geheel opgenomen, verder Kloos’ sonnettenreeks ‘Het Boek van Kind en God’,
het eerste boek van Gorters Mei (februari 1889) en naturalistisch proza en essays over het naturalisme
van Lodewijk van Deyssel.
Vanaf 1886 nam Kloos ook geregeld gedichten op van Hélène Swarth.
De Nieuwe Gids nam dus een prominente plaats in. De naamgeving van deze spreekbuis van de 'beweging
van tachtig' geeft al aan tegen welke verouderde denkbeelden de jonge aanstormende talenten zoals
Willem Kloos,
Herman Gorter, Lodewijk van Deyssel, Frederik van Eeden, Willem Paap en Albert Verwey
zich verzetten.
De gevestigde literaire elite, onder meer verenigd in 'De Gids', werd verguisd. 'De beweging van tachtig'
bevorderde ook in de kritiek het aanleggen van zuiver esthetische maatstaven. Zij gaven nieuwe impulsen
aan de poëzie onder invloed van de Engelse romantiek en aan het proza onder invloed van het Franse naturalisme.
AI spoedig kwamen er echter onenigheden over kwesties van artistieke, politieke en ethische aard. Vanaf 1893
ging Kloos als enige redacteur verder, waarna het blad sterk aan kwaliteit inboette.
In Vlaanderen vertoonde 'Van nu en straks' verwantschap met De Nieuwe Gids, vooral wat de venieuwingsdrift
betrof.
Het laatste nummer van 'De Nieuwe Gids' verscheen in 1943.
|