Lucas de Heere (1535 - 1584)
Den Autheur tot sijn huusvrauwe
Lief, ons liefde begonst ghelijc op eenen tijt 1
Van God ghejont, die ons dese gracie dede: 2
Welcke liefde blijft eenvoudigh, mids dat ghi sijt, 3
Van minen sinne, en ic ooc vanden uwen mede. 4
Dies en heeft twist, noch onruste bi ons gheen stede, 5
En wi leven aldus, in rechte weelde eenpaer: 6
Want daer sodanigh accoord is, paeys ende vrede 7
Ghebonden met Gods hant, wat can ghebreken daer ? 8
Naer dien ons liefde is zulc eenen stercken pilaer 9
Dat si ons inde doot selfs niet en sal begheven,
Laet dit op ons graf (als wi sterven) zijn gheschreven:
Hier light man en wiif, nochtans gheen twee lichamen, 12
Die gheliic en accordigh waren in haer leven, 13
Storven ooc gheliic: en leven weder te zamen. 14
1 ghelijc: tegelijk; tijt: tijdstip.
2 ghejont: gegund (geschonken); gracie dede: gunst verleende.
3 eenvoudigh: één in haar wezen; mids dat: doordat.
4 sinne: gezindheid (van harte).
5 stede: plaats. 'Daarom komen twist en onrust bij ons niet voor.'
6 rechte weelde: echte (waarachtige) vreugd
7 accoord: eensgezindheid; paeys: rust.
8 ghebreken: ontbreken.
9 Naar dien: Aangezien.
12 wiif: vrouw (wijf => heden ten dage 'pejoratief').
13 gheliic: onderling gelijk; accordigh: eensgezind.
14 gheliic: tegelijk.
Heiman Dullaart (1636-1684)
Aan myne uitbrandende kaerse
O haast gebluschte vlam van myne kaers! nu dat
Gy mynen voortgang stut in 't naerstig onderzoeken
Van nutte wetenschap, in wysheidvolle boeken,
Voor een leergierig oog zoo rykelyk bevat,
Verstrekt gy my een boek, waar uit te leeren staat
Het haast verloopen uur van myn verganklyk leven;
Een grondles, die een wys en deuchtzaam hart kan geven;
Aan een aandachtig man, wien zy ter harte gaat.
Maar levend zinnebeeld van 't leven dat verdwynt,
Gy smoort in duisternis nu gy uw licht gaat missen;
En ik ga door de dood uit myne duisternissen
Naar 't onuitbluschlyk licht, dat in den Hemel schynt.
Lastich pack van d'eenzaamheid
Lastich pack van d'eenzaamheid
Wat valt gij aan groene zinnen
Blakende in den lust tot minnen,
Onverdraaglijk! Wat bereid
Gij al anksten, zuchten, pijnen
Voor een zedelijk gemoed,
Dat bevangen in den gloet
Van een hevig vier gaat quijnen;
Machteloos het vleesch bevecht;
d' Oorsprong van 't natuurlijk leven
Dooden wil en wederstreven
't Geen met wellust aanlokt!...
De zeventienjarige Heiman Dullaert ontmoette de dertigjarige Filips de Koninck op het atelier van Rembrandt.
De homofiele relatie die ontstond tussen de diepgelovige Dullaert en zijn wellustige vriend hield echter
niet lang stand. In het gedicht uit de dichter zijn moreel dilemma en liefdesverdriet.
Hermanus van den Burg (1682-1752)
Weest jonge maagden wel bedacht;
geeft op geen' minnaars eeden acht
Hoe menigmaal heb ik myn Fillis, niet gezwooren:
Dat gy alleen van my op 't krachtigst wierd bemind;
Dat uwen heldren glans myne oogen had verblind;
En dat ik was alleen voor u op aard' geboren ?
Ik noemde u steeds myn lust, myn vreugd, myn uitverkoren;
Gedroeg my menigmaal van liefde als gantsch ontzind,
En storte op eenen dag, meêr traanen dan een pint,
Of zwoer, dat zonder u, 'k voor eeuwig was verloren.
Dan riep ik: welk een mond! wat Goddelyk albast !
Ach Venus! maak my doch altoos aan Fillis vast;
Zy is voor my, en ik alleen voor haar geschapen!
Maar, zoo gy weeten wilt, wat dat de waarheid zy ?
Ik minde wel uw' schoon maar niet myn slaaverny:
Myn pooging was alleen, om eens by u te slaapen.
Aan Fillis
Ach Fillis lief,
Myn hartedief,
Kom by my in dit Laantje,
Ontvonk myn bloed,
Voed myne gloed,
By 't schynen van het Maantje.
Hier woont de rust,
Hier leeft de lust,
Hier dartelen de Goden,
En Kruid en Blad,
Met dauw bespat,
Omstryd, ons herwaards nooden.
Geen Mens kan hier,
Ons jeugdig vier,
Bespieden of besnappen.
Hier vryd het al,
In 't jeugdig dal,
En niemant weet van klappen.
Gy kunt met my,
Hier zyde aan zy'
Gezeten, bloempjes plukken:
En, in het groen,
De wellust voen,
En hartje aan hartje drukken.
De Nachtegaal,
Vryt in haar' taal,
Hier 't gaaitje, op linde takken;
Hier schuilt de Haas,
Schuuw, voor 't geraas,
Der Winden, en der Brakken.
Kom lonkstertje;
Kom pronkstertje;
Kom by my dartel wichje,
Zing jey een lied,
Voor bos en vlied,
Terwyl ik maak een Dichje.
Gy kunt hier gaan,
Op Roozeblâan,
Vol leevendige geuren;
Uw blonde hoofd,
Met bloem en ooft
Optoojen, schoon van kleuren.
En krygt gy vaak,
Met zoet vermaak,
Kunt gy in 't gras hier rusten,
Daar 't Water stroomt,
Want, die hier droomt,
Droomt steeds van Minnelusten.
Een windje koel;
Zoo fris als zoel,
Speelt hier op Zilvre baartjes,
Dat zal uw hals,
En Borsjes mals,
Doorwrogt met bleekblauwe aârtjes,
Verkoelen zagt,
Kom lief ik wagt,
Rust hier op Matelieven;
Kom herwaards aan,
De Min zal staan
Op schiltwagt, ik u grieven.
STOOR Amaril u aan geen logen
STOOR Amaril u aan geen logen,
Zy overtuigt zich zelfs in 't end'.
Zy heeft op Onschuld geen vermogen,
Ik ben haar woeden wel gewend.
Cornelis van Marle (1765-1834)
De kozak en zijn meisje
Olis
Minka! ach! wij moeten scheiden;
Hoor het krijgsklaroen mij beiden,
Zie, op gindsche vale heiden,
Reeds mijn’ drom geschaard.
Treurig zal nu ’t licht mij stralen,
Weenend zal ik eenzaam dwalen,
En zoo lang uw’ naam herhalen,
Als mij ’t krijgslot spaart,
Nooit zal ik van u mij wenden:
Midden zelfs in 's vijands benden,
Zal ik groeten tot U zenden,
Als mijn speerspits woedt.
Men’ge maan nog zal verbleeken,
Eer ik keere uit verre streken.
ô Verhoor mijn jongste smeeken:
Blijf mij trouw en goed !
Minka
Gij, mijn Olis! mij verlaten !
Ach! geen troost meer zal mij baten;
Elke vreugde zal ik haten,
Die zich lagchend biedt.
Lange nachten, droeve dagen,
Zal ik mijnen kommer klagen;
Alle koeltjens zal ik vragen:
"Zaagt gij Olis niet ?"
Mijn gezang, weleer zoo teeder,
Zwijgt; mijn oog zinkt treurig neder,
Doch zie ik U eenmaal weder,
Dan zal ’t anders zijn.
Schoon ook al de frissche verwen
Op uw bruine wangen sterven,
Wonden U het voorhoofd kerven,
Eeuwig zijt ge mijn !
Jan Brester (1806 - 1862)
Leven
Wij reppen onze schreden,
En scherpen ons gezigt,
En zoeken hier beneden
Wat verre vóór ons ligt; -
Verzuimen en verzaken,
Wat ons omringt, wel niet,
Maar hijgen toch en haken
Naar vrolijker verschiet.
Lacht ons een heuvel tegen,
Met welig groen beplant, -
Wij vinden steile wegen,
En distels in het zand;
En lokt het dal beneden
Ook door zijn digt gewas,-
Dáár smoren onze treden
In loos bedekt moeras;
En als met minzaam vleijen
Der bergen top ons trekt, -
Wij vinden woestenijen
Met digte sneeuw bedekt.
Een dwaalspoor vóór de schreden,
En de eindpaal ongewis, -
Zoo zoeken wij beneden
Wat niet beneden is.
Tot we eindlijk, duizendwerven,
Bedrogen en misleid,
Vermoeid zijn van het zwerven
Om niets dan ijdelheid.
Dan slaan wij 't oog naar boven,
En zien der heemlen pracht,
Vertrouwen en gelooven,
Dat dáár het heil ons wacht.
Dan bidden we om genade,
Ons zelven niet genoeg. -
De dwaze doet dit spade;
De wijze doet het vroeg.
spade [bijvoegelijk naamwoord of bijwoord in de dichtkunde]: laat, langzaam.
Hein Boeken (1861-1933)
Een stad
Schoon is 't geslacht der menschen, daar ze loopen,
Hooge gestalten door de straten voort,
En vrouwen dalen naar den breeden boord
Van de rivier in 't midden, dompel doopen
De kannen in het water, hel omdropen
Van 't schitterende vocht, - een enkel woord
Wordt helper-vliegend door de lucht gehoord, -
En heel de stad ligt vol van zonlicht open.
En kindren leeren 't leve' in spel en zangen,
Schoon opgebloeide menschen lieflijkheid,
En leeren trouw de eerwaardige geboden.
En knapen voelen naar al 't ver verlangen,
Meisjes der zuchten geheimzinnigheid,
En hooren 's nachts de aanwezigheid der goden.
Late Herfst
Geel is het blad, geel zijn de lichte bladeren,
Ver is de lucht, - 'k durf haast niet dat ik 't zeg -
Niet blauw, niet wit, wèl licht, - het snelle raderen
Van waagnen hoor 'k op blad-bestrooiden weg.
Maar angstig is mijn hart, want in mijn aderen
Voel 'k 't leven leven, wetend dat ik weg
Eens moet, en dat ik mee-weg-dorrend leg
Onder den grond, - weg, al die lichte bladeren.
O blaadren die zoo schoon zijt in uw dunheid,
Schoonst nu gij dun zijt, schooner dan de zomer,
Al-licht, dóór-licht, gansch ín-schijn van de zon,
Gij sterft, de zon blijft - durf ik zoo, ik droomer ?
Ik die niet weet dan licht-, dan fijn-, dan dun-heid,
En dat ik loop in 't wondre licht der zon.
Arnold Sauwen (1857 - 1938)
De Mijnwerkers
Zwarten stofrand om hun oogen,
met hun wezen stoer en stug
komen zij van ’t werk gereden,
grauwen schoftzak op den rug.
Hunkerend naar lucht en zonne
in der mijnen donkre schacht,
stegen ze op naar ’t blijde daglicht
als uit sombren kerkernacht.
Als kabouters onder ’t welfsel
van hun duistre rotsspelonk,
stonden zij daar, schatten delvend,
zwarte kolen, bonk bij bonk.
O! Zij weten ‘t ... Helse machten
huizen in der aarde schoot.
’t Grauwvuur sluimert in de lagen,
in de gangen loert de dood.
Thans heeft ’t uur der rust geslagen.
Langs den landweg in de kroeg
jankt het orgel, vroolijk lokkend
en het werk gaf dorst genoeg.
‘t Bierken schuimt, de glazen klinken,
blijdschap uit zich in gezang
Moeheid, angsten zijn vergeten
bij den frisschen, koelen drank.
Stoere wroeters om den broode,
duur hebt gij uw vreugd gekocht,
gij, die in den nacht der mijnen,
voor der menschheid welzijn wrocht.
De herberg
Herbergzaam huis, dat wel een eeuw daar ligt
den landweg langs die leidt naar verre steden,
hoe velen hebt ge, als tot een gastvrij sticht,
uw uitgesleten dorpel op zien treden.
Wie moê zijn stap den avond tegenricht
en loomheid zwaar voelt wegen in zijn schreden,
groet blijder hart van wijd uw lampelicht,
waar zoete nachtrust wacht zijn matte leden.
Wel hem die eens, langs zijne levensbaan,
het huis van zijn verlangen in mag gaan,
waar teedre zorgen zijne komst verbeiden;
waar, als waardin, ten drempel Liefde wacht,
het welkom spreekt bij disch en haard en zacht
haar blanke handen ‘t warme bedde spreiden.
 |