Iphone and smartphone optimized content

Vergeten dichters & -gedichten
Vergeten dichters

Lucas de Heere  (1535 - 1584)

Den Autheur tot sijn huusvrauwe

Lief, ons liefde begonst ghelijc op eenen tijt 1 Van God ghejont, die ons dese gracie dede: 2 Welcke liefde blijft eenvoudigh, mids dat ghi sijt, 3 Van minen sinne, en ic ooc vanden uwen mede. 4 Dies en heeft twist, noch onruste bi ons gheen stede, 5 En wi leven aldus, in rechte weelde eenpaer: 6 Want daer sodanigh accoord is, paeys ende vrede 7 Ghebonden met Gods hant, wat can ghebreken daer ? 8 Naer dien ons liefde is zulc eenen stercken pilaer 9 Dat si ons inde doot selfs niet en sal begheven, Laet dit op ons graf (als wi sterven) zijn gheschreven: Hier light man en wiif, nochtans gheen twee lichamen, 12 Die gheliic en accordigh waren in haer leven, 13 Storven ooc gheliic: en leven weder te zamen. 14
1 ghelijc: tegelijk; tijt: tijdstip. 2 ghejont: gegund (geschonken); gracie dede: gunst verleende. 3 eenvoudigh: n in haar wezen; mids dat: doordat. 4 sinne: gezindheid (van harte). 5 stede: plaats. 'Daarom komen twist en onrust bij ons niet voor.' 6 rechte weelde: echte (waarachtige) vreugd 7 accoord: eensgezindheid; paeys: rust. 8 ghebreken: ontbreken. 9 Naar dien: Aangezien. 12 wiif: vrouw (wijf => heden ten dage 'pejoratief'). 13 gheliic: onderling gelijk; accordigh: eensgezind. 14 gheliic: tegelijk.
Lucas d'Heere (1534 1584) was een Vlaamse schilder, dichter en schrijver uit Gent. Hij maakte ook kartons voor wandtapijten en had goede contacten in adellijke kringen. Bij de komst van de Hertog van Alva naar de Nederlanden vluchtte Lucas d'Heere in 1568 naar Engeland, waarschijnlijk omdat hij protestant was. Na de Pacificatie van Gent (8 november 1576) keerde hij terug naar zijn geboortestad.
P.S. 'Sijn huusvrauwe' was Eleonora Carboniers, dochter van Pieter, burgemeester en rentmeester van Veere. Eleonara schreef ook pozie. De twee enige gedichten die van haar bewaard zijn gebleven, zijn te vinden in 'Den hof ende boomgaert der posien' van haar man. 'Den hof ende boomgaert' wordt algemeen erkend als het begin van de Renaissance in de Nederlandse literatuur.

Twee gezellen spreken samen (over een schilderij van Willem Key).
A  Au gezelleken wat is hier, daar voor u, ziet! Ik zie ginder een naakte vrouwe zeer bekwame'! B  Maar mij dunkt zij en verroert haar weinig of niet. Slaapt zij? Neens, want ik zie open d'oogskens eerzame A  Van haar bij te komen niemand van ons en schame, Want wie zou verschrikt zijn van dat gezichte klaar? B  Maar mij dinkt, van onze komste (naar den betame) En verschiet zij niet, haar houdende stil eenpaar. AIs dat niet een goed stuk, aIs ik 't werde gewaar? 't Is schilderije, tast, wilt uw hand geloof geven! A  Zijn wij niet wel bedot ende uitgestreken daar? B  Neen, heen, wij en zijn niet bedrogen tenegaat, Hebbende voor een levende vrouwe beseven De beelde die zo wel is geschilderd naar 't leven.
Eleonora Carboniers (? 1584)
Linecol

Heiman Dullaart
(1636-1684)

Aan myne uitbrandende kaerse

O haast gebluschte vlam van myne kaers! nu dat Gy mynen voortgang stut in 't naerstig onderzoeken Van nutte wetenschap, in wysheidvolle boeken, Voor een leergierig oog zoo rykelyk bevat, Verstrekt gy my een boek, waar uit te leeren staat Het haast verloopen uur van myn verganklyk leven; Een grondles, die een wys en deuchtzaam hart kan geven; Aan een aandachtig man, wien zy ter harte gaat. Maar levend zinnebeeld van 't leven dat verdwynt, Gy smoort in duisternis nu gy uw licht gaat missen; En ik ga door de dood uit myne duisternissen Naar 't onuitbluschlyk licht, dat in den Hemel schynt.

Minnezuchten

Vertroosters van de minnesmarte, Die door mijne aders vloeit op een bezielde lucht, Volmaaktste kinderen van 't allerziekste harte Dat immer in het rijk der liefde heeft gezucht! Ontdekkende en bespraakte kusjes: Ontsnapte boden van 't gemoed, Verradertjes van blode lusjes, Van wie de schaamte waant dat gij ze onkenbaar boet, En omdat gij van haar niet zichtbaar zijt bedreven, Zo noemt u Rozemond een stoute minnaars roof. Maar, zijt gij diefstal, ik beloof, Om vrij van schuld en straf te leven, U zevendubbel weer te geven.

Lastich pack van d'eenzaamheid

Lastich pack van d'eenzaamheid Wat valt gij aan groene zinnen Blakende in den lust tot minnen, Onverdraaglijk! Wat bereid Gij al anksten, zuchten, pijnen Voor een zedelijk gemoed, Dat bevangen in den gloet Van een hevig vier gaat quijnen; Machteloos het vleesch bevecht; d' Oorsprong van 't natuurlijk leven Dooden wil en wederstreven 't Geen met wellust aanlokt!...
De zeventienjarige Heiman Dullaert ontmoette de dertigjarige Filips de Koninck op het atelier van Rembrandt. De homofiele relatie die ontstond tussen de diepgelovige Dullaert en zijn wellustige vriend hield echter niet lang stand. In het gedicht uit de dichter zijn moreel dilemma en liefdesverdriet.
De familie van Heiman Dullaert behoorde tot de deftige en welgestelde lieden van Rotterdam. Zijn vader was een korenhandelaar. Dullaert en zijn vriend Samuel van Hoogstraten hadden talent voor tekenen en schilderen en gingen in de leer bij Rembrandt van Rijn. Na Rembrandts' faillissement keerden ze terug naar hun geboortestad. Dullaerts' resterende schilderwerken zijn verspreid in het Rijksmuseum in Amsterdam, Krller-Mller en het Groninger Museum voor Stad en Lande. Naast gelegenheids- en lofdichten schreef Dullaert voornamelijk religieuze pozie. Pas in 1719 werden zijn Gedichten uitgegeven. Heiman Dullaert bleef ongehuwd en stierf aan de tering.

Linecol

Hermanus van den Burg
(1682-1752)

Weest jonge maagden wel bedacht; geeft op geen' minnaars eeden acht
Hoe menigmaal heb ik myn Fillis, niet gezwooren: Dat gy alleen van my op 't krachtigst wierd bemind; Dat uwen heldren glans myne oogen had verblind; En dat ik was alleen voor u op aard' geboren ? Ik noemde u steeds myn lust, myn vreugd, myn uitverkoren; Gedroeg my menigmaal van liefde als gantsch ontzind, En storte op eenen dag, mer traanen dan een pint, Of zwoer, dat zonder u, 'k voor eeuwig was verloren. Dan riep ik: welk een mond! wat Goddelyk albast ! Ach Venus! maak my doch altoos aan Fillis vast; Zy is voor my, en ik alleen voor haar geschapen! Maar, zoo gy weeten wilt, wat dat de waarheid zy ? Ik minde wel uw' schoon maar niet myn slaaverny: Myn pooging was alleen, om eens by u te slaapen.

Aan Fillis

Ach Fillis lief, Myn hartedief, Kom by my in dit Laantje, Ontvonk myn bloed, Voed myne gloed, By 't schynen van het Maantje. Hier woont de rust, Hier leeft de lust, Hier dartelen de Goden, En Kruid en Blad, Met dauw bespat, Omstryd, ons herwaards nooden. Geen Mens kan hier, Ons jeugdig vier, Bespieden of besnappen. Hier vryd het al, In 't jeugdig dal, En niemant weet van klappen. Gy kunt met my, Hier zyde aan zy' Gezeten, bloempjes plukken: En, in het groen, De wellust voen, En hartje aan hartje drukken. De Nachtegaal, Vryt in haar' taal, Hier 't gaaitje, op linde takken; Hier schuilt de Haas, Schuuw, voor 't geraas, Der Winden, en der Brakken. Kom lonkstertje; Kom pronkstertje; Kom by my dartel wichje, Zing jey een lied, Voor bos en vlied, Terwyl ik maak een Dichje. Gy kunt hier gaan, Op Roozeblan, Vol leevendige geuren; Uw blonde hoofd, Met bloem en ooft Optoojen, schoon van kleuren. En krygt gy vaak, Met zoet vermaak, Kunt gy in 't gras hier rusten, Daar 't Water stroomt, Want, die hier droomt, Droomt steeds van Minnelusten. Een windje koel; Zoo fris als zoel, Speelt hier op Zilvre baartjes, Dat zal uw hals, En Borsjes mals, Doorwrogt met bleekblauwe artjes, Verkoelen zagt, Kom lief ik wagt, Rust hier op Matelieven; Kom herwaards aan, De Min zal staan Op schiltwagt, ik u grieven.

STOOR Amaril u aan geen logen

STOOR Amaril u aan geen logen, Zy overtuigt zich zelfs in 't end'. Zy heeft op Onschuld geen vermogen, Ik ben haar woeden wel gewend.
Hermanus van den Burg was een Amsterdammer die van wijntje en trijntje hield. Hij schreef een groot aantal prozawerken, toneelstukken, gedichten en liedbundels, waarvan de meeste tot het satirische genre behoren. Verder was hij nog enige tijd handelaar te Muiden en cafhouder aan de Amsterdamse Overtoom. Hij was ook factor van de Haarlemse rederijkerskamer Trou moet Blijcken. And last but not least was hij uitgever en hoofdredacteur van het tijdschrift 'De Amsterdamsche Argus', dat van 1718 tot 1722 onafgebroken verscheen. Een greep uit zijn werken: 'De gehoornde Schout', Schriftuurlijke Klinkdichten', 'Mengelpozij" en 'Gedichten op de Deugden en Ondeugden der Vrouwen'. Enz.
Linecol

Cornelis van Marle
(1765-1834)

De kozak en zijn meisje
Olis
Minka! ach! wij moeten scheiden; Hoor het krijgsklaroen mij beiden, Zie, op gindsche vale heiden, Reeds mijn drom geschaard. Treurig zal nu t licht mij stralen, Weenend zal ik eenzaam dwalen, En zoo lang uw naam herhalen, Als mij t krijgslot spaart, Nooit zal ik van u mij wenden: Midden zelfs in 's vijands benden, Zal ik groeten tot U zenden, Als mijn speerspits woedt. Menge maan nog zal verbleeken, Eer ik keere uit verre streken. Verhoor mijn jongste smeeken: Blijf mij trouw en goed !
Minka
Gij, mijn Olis! mij verlaten ! Ach! geen troost meer zal mij baten; Elke vreugde zal ik haten, Die zich lagchend biedt. Lange nachten, droeve dagen, Zal ik mijnen kommer klagen; Alle koeltjens zal ik vragen: "Zaagt gij Olis niet ?" Mijn gezang, weleer zoo teeder, Zwijgt; mijn oog zinkt treurig neder, Doch zie ik U eenmaal weder, Dan zal t anders zijn. Schoon ook al de frissche verwen Op uw bruine wangen sterven, Wonden U het voorhoofd kerven, Eeuwig zijt ge mijn !
Cornelis van Marle (goudinspecteur en letterkundige) schreef satirische pozie over Napoleons veldtocht naar Rusland en zou hiervoor een tijdje in de gevangenis hebben gezeten.
'Rijmelarij' door Cornelis van Marle, J. van Thoir,    Leiden (1814).

Linecol

Jan Brester  (1805 - 1862)

Leven

Wij reppen onze schreden, En scherpen ons gezigt, En zoeken hier beneden Wat verre vr ons ligt; - Verzuimen en verzaken, Wat ons omringt, wel niet, Maar hijgen toch en haken Naar vrolijker verschiet. Lacht ons een heuvel tegen, Met welig groen beplant, - Wij vinden steile wegen, En distels in het zand; En lokt het dal beneden Ook door zijn digt gewas,- Dr smoren onze treden In loos bedekt moeras; En als met minzaam vleijen Der bergen top ons trekt, - Wij vinden woestenijen Met digte sneeuw bedekt. Een dwaalspoor vr de schreden, En de eindpaal ongewis, - Zoo zoeken wij beneden Wat niet beneden is. Tot we eindlijk, duizendwerven, Bedrogen en misleid, Vermoeid zijn van het zwerven Om niets dan ijdelheid. Dan slaan wij 't oog naar boven, En zien der heemlen pracht, Vertrouwen en gelooven, Dat dr het heil ons wacht. Dan bidden we om genade, Ons zelven niet genoeg. - De dwaze doet dit spade; De wijze doet het vroeg.
spade [bijvoegelijk naamwoord of bijwoord in de dichtkunde]: laat, langzaam.
Jan Albertsz Brester werd geboren in Amsterdam op 7 Mei 1805. Hij was er makelaar in koffie en thee en overleed er op 4 november 1862. Zijn gedichten verschenen van 1828 tot 1837 in de 'Nederlandsche Muzen-Almanak'.

Linecol

Jacob Lenaerts  (1862-1913)

Kinderjaren

Er zingt mij soms in 't oude hart Een liedeken uit mijn jeugd; Soms klink 't huppelend van vreugd, Doch soms vol weemoed en smart. Ik hoor 't gesnor van moeders wiel, Die spinnende soms zat te zingen. Ik zie mij in mijn jongenskiel Nog huppelend rondom haar springen. Dan juich ik nog en lach Gelijk ik toenmaals plag
Ik hoor de molen ruischend gaan En zingen haar eeuwigen zang, De klok met zilveren klank, Haar lied door 't luchtgewelf slaan. Ik zie zoo menig vroolijk uur: Dan meen ik te dansen en springen, Rond sneeuwman of sint maartensvuur Om dreunende deuntjes te zingen. Dan juich ik weer en lach Gelijk ik toenmaals plag.
Priester-dichter Jacob Lenaerts maakte deel uit van het Limburgs Driemanschap, dat bestond uit August Cuppens (uit Beringen), Jacob Lenaerts (uit Zonhoven) en Jan-Mathijs Winters (uit Genk). Zij werkten mee aan het tijdschrift 't Daghet in den Oosten. Zijn bekendste werk is De verdwijning der Auwelen. Uitgeverij Van In en Cie te Lier. 'auwelen': alvermannekens. Dwergen die rondwaarden in de Loonse Kempen.
Linecol

Hein Boeken  (1861-1933)

Een stad

Schoon is 't geslacht der menschen, daar ze loopen, Hooge gestalten door de straten voort, En vrouwen dalen naar den breeden boord Van de rivier in 't midden, dompel doopen De kannen in het water, hel omdropen Van 't schitterende vocht, - een enkel woord Wordt helper-vliegend door de lucht gehoord, - En heel de stad ligt vol van zonlicht open. En kindren leeren 't leve' in spel en zangen, Schoon opgebloeide menschen lieflijkheid, En leeren trouw de eerwaardige geboden. En knapen voelen naar al 't ver verlangen, Meisjes der zuchten geheimzinnigheid, En hooren 's nachts de aanwezigheid der goden.

Late Herfst

Geel is het blad, geel zijn de lichte bladeren, Ver is de lucht, - 'k durf haast niet dat ik 't zeg - Niet blauw, niet wit, wl licht, - het snelle raderen Van waagnen hoor 'k op blad-bestrooiden weg. Maar angstig is mijn hart, want in mijn aderen Voel 'k 't leven leven, wetend dat ik weg Eens moet, en dat ik mee-weg-dorrend leg Onder den grond, - weg, al die lichte bladeren. O blaadren die zoo schoon zijt in uw dunheid, Schoonst nu gij dun zijt, schooner dan de zomer, Al-licht, dr-licht, gansch n-schijn van de zon, Gij sterft, de zon blijft - durf ik zoo, ik droomer ? Ik die niet weet dan licht-, dan fijn-, dan dun-heid, En dat ik loop in 't wondre licht der zon.
Hein (Hendrik Jan) Boeken was een Amsterdamse schrijver en dichter. Hij studeerde klassieke talen en promoveerde in 1899. Daarna gaf hij les in oude talen en werd directeur van de Brinioschool te Hilversum. In 1916 stond Hein Boeken terecht voor moord op zijn zieke vrouw, maar hij werd vrijgesproken. Hij had haar geholpen om uit het leven te stappen. In 1887 publiceerde hij zijn eerste sonnetten in De Nieuwe Gids waarvan hij tot aan zijn dood redactielid bleef. Enkele werken:: 'Goden en menschen' (1895) 'De historie van Floris en Blanchefloer' (1898) 'Adnotationes ad Apuleii Metamorphoseon' (1899) 'Herscheppinge of de Gouden ezel' (1901) 'Aan mijne vrouw' (1902) 'Helena' (1902) 'Dante's hel', in proza en met inleiding (1906) 'Frdric Mistral' (1910) 'Verzen' (1920) 'Proza en pozie' (1936)
Linecol

Arnold Sauwen

De Mijnwerkers

Zwarten stofrand om hun oogen, met hun wezen stoer en stug komen zij van t werk gereden, grauwen schoftzak op den rug. Hunkerend naar lucht en zonne in der mijnen donkre schacht, stegen ze op naar t blijde daglicht als uit sombren kerkernacht. Als kabouters onder t welfsel van hun duistre rotsspelonk, stonden zij daar, schatten delvend, zwarte kolen, bonk bij bonk. O! Zij weten t ... Helse machten huizen in der aarde schoot. t Grauwvuur sluimert in de lagen, in de gangen loert de dood. Thans heeft t uur der rust geslagen. Langs den landweg in de kroeg jankt het orgel, vroolijk lokkend en het werk gaf dorst genoeg. t Bierken schuimt, de glazen klinken, blijdschap uit zich in gezang Moeheid, angsten zijn vergeten bij den frisschen, koelen drank. Stoere wroeters om den broode, duur hebt gij uw vreugd gekocht, gij, die in den nacht der mijnen, voor der menschheid welzijn wrocht.

De herberg

Herbergzaam huis, dat wel een eeuw daar ligt den landweg langs die leidt naar verre steden, hoe velen hebt ge, als tot een gastvrij sticht, uw uitgesleten dorpel op zien treden. Wie mo zijn stap den avond tegenricht en loomheid zwaar voelt wegen in zijn schreden, groet blijder hart van wijd uw lampelicht, waar zoete nachtrust wacht zijn matte leden. Wel hem die eens, langs zijne levensbaan, het huis van zijn verlangen in mag gaan, waar teedre zorgen zijne komst verbeiden; waar, als waardin, ten drempel Liefde wacht, het welkom spreekt bij disch en haard en zacht haar blanke handen t warme bedde spreiden.

Arnold Hubert Sauwen  (Stokkem, 1857 - Brasschaat, 1938)
was een Belgisch-Limburgse dichter.
Voor zijn impressionistische gedichten vond hij vooral
inspiratie in de natuur van het Maasland. Hij was onderwijzer
te Essene en Rekem. In 1880 vestigde hij zich in Antwerpen.
Na zijn huwelijk in 1886, stapte hij uit het onderwijs
en begon een papierhandel.

Werken:
Langs de Maas (1882).
De stille delling (1912).
Uren van eenzaamheid (1920).


Naar boven

Liefdesgedichten
van anonieme dichters


Vlaamse dichters

Nederlandse dichters

Liefdesgedichten
Top 10



Homepage


Pageviews sinds 21-02-2002: 

© Gaston D'Haese: 18-10-2007.
Laatste wijziging: 10-08-2017.

E-mail: webmaster