Biografie (onderaan)
Emile Verhaeren - Poèmes/Gedichten
Emile Verhaeren
Emile Verhaeren (1915) 
(Sint Amands 1855 - Rouen 1916)
Belgische dichter

Quoique nous le voyions fleurir devant nos yeux

Quoique nous le voyions fleurir devant nos yeux 
Ce jardin clair où nous passons silencieux, 
C'est plus encor en nous que se féconde
Le plus candide et doux jardin du monde.

Car nous vivons toutes les fleurs,
Toutes les herbes, toutes les palmes
En nos rires et en nos pleurs
De bonheur pur et calme.

Car nous vivons toute la joie 
Dardée en cris de fête et de printemps, 
En nos aveux où se côtoient 
Les mots fervents et exaltants.

Oh! dis, c'est bien en nous que se féconde 
Le plus joyeux et doux jardin du monde.


Recueil: Les heures claires (1896)


Hoe wij hem ook zien bloeien voor onze ogen


Hoe wij hem ook zien bloeien voor onze ogen
Deze klare tuin die ons stil wil gedogen,
Het plant zich weelderig in ons voort
's Werelds onschuldigste en zoetste oord.

Want wij genieten van alle bloemen,
Van alle kruiden en alle palmen
Die wij lachend en wenend benoemen
In geluk dat onvermengd blijft talmen.

Want wij beleven de vreugderoes
Van felle feest- en lentekreten,
Die wij ongeremd in de smeltkroes
Van verrukkelijke woorden smeten.

O, diep bevredigd zijn wij en vol lof
Voor 's werelds vrolijkste en zoetste hof.



Pour que rien de nous deux n'échappe
à notre étreinte

Pour que rien de nous deux n'échappe à notre étreinte,
Si profonde qu'elle en est sainte
Et qu'à travers le corps même, l'amour soit clair;
Nous descendons ensemble au jardin de la chair.

Tes seins sont là ainsi que des offrandes,
Et tes deux mains me sont tendues; 
Et rien ne vaut la naïve provende 
Des paroles dites et entendues.

L'ombre des rameaux blancs voyage
Parmi ta gorge et ton visage
Et tes cheveux dénouent leur floraison,
En guirlandes, sur les gazons.

La nuit est toute d'argent bleu,
La nuit est un beau lit silencieux,
La nuit douce, dont les brises vont, une à une,
Effeuiller les grands lys dardés au clair de lune.


Les heures claires (1896)


Wij kunnen niet aan onze omhelzing ontkomen

Wij kunnen niet aan onze omhelzing ontkomen,
Omdat ze intens is en volkomen 
Opdat in het lichaam heldere liefde ruste,
Dalen wij samen af in jouw tuin van lusten.

Jouw borsten zijn daar als offergaven
En je handen, alles wat me bekoort;
Niets gaat boven dit naïeve laven
Van teder woord aan wederwoord. 

De schaduw van de bloesemtwijgen gaat
Tussen je boezem en je gelaat
En je losgemaakte haren spreiden
Zich als bloemenslingers op de weiden.

De nacht is een blauw-zilver land,
De nacht is een stil ledikant,
De zoete nacht, wiens briesjes langzaamaan
Lelies plukken in het licht van de maan.



Vous m'avez dit

Vous m'avez dit, tel soir, des paroles si belles
Que sans doute les fleurs, qui se penchaient vers nous,
Soudain nous ont aimés et que l'une d'entre elles,
Pour nous toucher tous deux, tomba sur nos genoux.

Vous me parliez des temps prochains où nos années,
Comme des fruits trop mûrs, se laisseraient cueillir ;
Comment éclaterait le glas des destinées,
Comment on s'aimerait, en se sentant vieillir.

Votre voix m'enlaçait comme une chère étreinte,
Et votre coeur brûlait si tranquillement beau
Qu'en ce moment, j'aurais pu voir s'ouvrir sans crainte
Les tortueux chemins qui vont vers le tombeau.


Les heures d'après-midi (1905)


Je hebt die avond zo fijn met mij gesproken

Je hebt die avond zo fijn met mij gesproken, 
dat alle bloemen zich begonnen te tooien;
Plots werden wij verliefd en zijn zij ontloken,
om hun petaaltjes in onze schoot te strooien.

Je sprak teder over toekomstige jaren,
die we zouden drinken als langbewaarde wijn;
Hoe zouden wij het luiden van het lot ervaren ?
Hoe zouden wij beminnen, als wij ouder zijn ? 

Je stem was als een omhelzing met zoete pijn,
toen jouw brandend hart me kalme schoonheid bood,
zodat ik als ik wou, zonder vrees in staat zou zijn
om de kronkelwegen te volgen naar de dood.



La bêche

Le gel durcit les eaux ; le vent blémit les nues.

A l'orient du pré, dans le sol rêche 
Est là qui monte et grelotte, la bêche 
Lamentable et nue.

- Fais une croix sur le sol jaune 
Avec ta longue main, 
Toi qui t'en vas, par le chemin -

La chaumière d'humidité verdâtre 
Et ses deux tilleuls foudroyés 
Et des cendres dans l'âtre 
Et sur le mur encor le piédestal de plâtre, 
Mais la Vierge tombée à terre.

- Fais une croix vers les chaumières 
Avec ta longue main de paix et de lumière -

Des crapauds morts dans les ornières infinies 
Et des poissons dans les roseaux 
Et puis un cri toujours plus pauvre et lent d'oiseau, 
Infiniment, là-bas, un cri à l'agonie.

- Fais une croix avec ta main 
Pitoyable, sur le chemin -

Dans la lucarne vide de l'étable 
L'araignée a tissé l'étoile de poussière ; 
Et la ferme sur la rivière, 
Par à travers ses chaumes lamentables, 
Comme des bras aux mains coupées, 
Croise ses poutres d'outre en outre.

- Fais une croix sur le demain, 
Définitive, avec ta main -

Un double rang d'arbres et de troncs nus sont abattus, 
Au long des routes en déroutes, 
Les villages - plus même de cloches pour y sonner 
Le hoquetant dies irae 
Désespéré, vers l'écho vide et ses bouches cassées.

- Fais une croix aux quatre coins des horizons.

Car c'est la fin des champs et c'est la fin des soirs ; 
Le deuil au fond des cieux tourne, comme des meules, 
Ses soleils noirs ; 
Et des larves éclosent seules 
Aux flancs pourris des femmes qui sont mortes.

A l'orient du pré, dans le sol rêche, 
Sur le cadavre épars des vieux labours, 
Domine là, et pour toujours, 
Plaque de fer clair, latte de bois froid, 
La bêche.


(Recueil : Les campagnes hallucinées)


De spade

Wind die wolken ment; vorst die water stremt.
Aan de oostkant van de weide in het stugge land
Staat de pokdalige spade geplant,
Wier naaktheid tot weemoed stemt.

- Maak een kruis op de gele grond
Met je ranke hand,
Jij die weggaat, langs de weg -
  
De hut is groen van mos
En zijn linden niet door de bliksem gespaard
En zijn as in de haard
En aan de muur het voetstuk uit gips
Waar de Maagd afgevallen is. 

- Maak een kruis naar de hutten
Met je ranke hand van licht en vrede -

Dode padden in de eindeloze wagensporen
Vissen in het riet
En dan een trage ijle langgerekte vogelkreet
Een schreeuw vol doodsangst, in het niet.

- Maak een kruis met uw hand
Deerniswekkend, op de weg -

In het lege dakvenster van de koeienstal
Heeft de spin haar web van stof geweven;
En de hoeve aan de rivier,
Met aan weerszijden armzalige hutten,
Zoals armen met afgehakte handen,
Kruist zijn balken, verder en verder.

- Maak een kruis over de dag van morgen,
Onherroepelijk, met uw hand -

Een dubbele rij naakte bomen en stronken 
Worden omgehakt langs de slechte wegen.
In de dorpen zwijgen de klokken:
Zelfs geen wanhopig snikkend dies irae
Voor de lege echo en zijn gekwetste monden.

- Maak een kruis aan de vier hoeken van de horizonten.

Want het is het einde van de velden en van de avonden;
De diepe rouw van het zwerk wentelt als molenstenen
Zijn zwarte zonnen;
En larven ontluiken alleen
In de verrotte schoten van dode vrouwen.

Aan de oostkant van de weide, in het stugge land,
Verloren op de verwaarloosde akkers,
Prijkt daar en voor altijd,
Plaat van klaar staal, steel van koud hout,
De spade.



Mon village

Une place minime et quelques rues,
Avec un Christ au carrefour;
Et l'Escaut gris et puis la tour
Qui se mire, parmi les eaux bourrues;
Et le quartier du Dam, misérable et lépreux,
Jeté comme au hasard vers les prairies;
Et près du cimetière aux buis nombreux,
La chapelle vouée à la Vierge Marie,
Par un marin qui s'en revint 
On ne sait quand 
Des Bermudes ou de Ceylan; 
Tel est - je m'en souviens après combien d'années -
Le village de Saint-Amand 
Où je suis né. 
C'est là que je vécus mon enfance angoissée, 
Parmi les gens de peine et de métier, 
Corroyeurs, forgerons, calfats et charpentiers, 
Avec le fleuve immense au bout de ma pensée...



Mijn dorp

Een nietig plein en enkele straten, 
met aan het kruispunt een Lieve Heer;
En de grijze barse Schelde met het veer
en de toren, weerspiegeld in het water;
En de wijk van Den Dam, melaats en pover,
op goed geluk in het gras gesmeten;
En bij het kerkhof in het dichte lover,
ik weet het nog na die lange tijd,
de kapel aan de heilige maagd gewijd,
door een matroos, die ik niet ken
en die na de grote vaart besloot,
weer naar zijn scheldedorp te varen.
Sint-Amands waar ik geboren ben
en mijn jeugd beklemmend heb ervaren,
tussen mensen die zwoegden voor hun boterham,
touwslager, smid, breeuwer en timmerman,
met de machtige stroom diep in mijn gedachten...



L'Escaut *

Sauvage et bel Escaut,
Tout l'incendie
De ma jeunesse endurante et brandie,
Tu l'as épanoui:
Aussi,
Le jour que m'abattra le sort,
C'est dans ton sol, c'est sur tes bords, 
Qu'on cachera mon corps, 
Pour te sentir, même à travers la mort, encor !


L'Escaut (Toute la Flandre) - *Extrait

De Schelde te Sint Amands

Schelde *

Wilde en schone Schelde,
Heel de gloed
van mijn felle jeugd,
hebt gij doen stralen vol overmoed:
Opdat
als eens het lot mij nederslaat,
men op uw oevers, in uw schoot,
mijn lichaam rusten laat,
om u nog te voelen, na mijn dood !


L'Escaut (Toute la Flandre) - *Fragment

© De hertalingen in het Nederlands zijn van Lepus


Biografie

Emile Adolphus Gustavus Verhaeren werd geboren te Sint-Amands 
a.d. Schelde op 21 mei 1855. Zijn familie behoorde tot de gegoede 
burgerij van het scheldedorp.  De jonge Verhaeren sprak 
het plaatselijk dialect, maar bij hem thuis was de voertaal Frans. 
Op veertienjarige leeftijd werd hij op internaat gestuurd om 
een middelbare schoolopleiding te volgen in het Frans aan 
het Jezuïetencollege Sainte Barbe te Gent.  Na de middelbare 
school studeerde Verhaeren rechten aan de universiteit van Leuven.  
Daarna deed hij stage bij de Brusselse balie.  In de hoofdstad 
kwam Verhaeren in contact met schrijvers en kunstenaars van de 
avant-garde, waarvan sommigen meewerkten aan het tijdschrift 
"L’Art Moderne".  De jonge advocaat droomde van een carrière 
als schrijver en na slechts twee rechtszaken gepleit te hebben, 
hing hij zijn toga aan de wilgen.
Daarop werkte Verhaeren als dichter en kunstcriticus mee 
aan verschillende Belgische en buitenlandse tijdschriften.  
Hij schreef ondermeer voor "L’Art Moderne" en werd redacteur 
van het progressieve "La Jeune Belgique". 
In 1883 verscheen dan Verhaerens eerste dichtbundel 
'Les Flamandes'. De sensuele en naturalistische geladenheid 
van de gedichten hadden succes bij de toenmalige avant-garde, 
maar verwekten schandaal in het bekrompen landelijke milieu 
van Klein-Brabant.  
Geholpen door de pastoor van Sint-Amands, trachtten zijn ouders 
de volledige oplage op te kopen en te vernietigen.  
Ook Les Moines' (1886), werd niet overal goed onthaald.
Deze ontgoochelingen, een geloofscrisis en de dood van zijn ouders in 1888 resulteerden in een zware psychische depressie. In deze periode verscheen de "Trilogie Noire", waarin Verhaerens getormenteerde gedachten gepaard gaan met het fin de siècle- gevoel.
In oktober 1889 ontmoette de 34-jarige Emile Verhaeren de vijf jaar jongere Marthe Massin, op wie hij smoorverliefd werd. Op 24 augustus 1891 trouwden zij en vestigden zich in Brussel. Verhaeren uitte zijn huwelijksgeluk in drie bundels liefdespoëzie: 'Les Heures Claires' (1896), 'Les Heures d’après-midi' (1905) en 'Les Heures du Soir' (1911). Verhaerens sociale bewogenheid en zijn utopische visie op de moderne tijden waren de drijfveren voor het schrijven van de dichtbundels 'Les Campagnes Hallucinées' (1893), 'Les Villes Tentaculaires' (1895) en 'Les Villages Illusoires' (1895). In 'Les Villes Tentaculaires', zag de dichter de stad als een enorme concentratie van energie, die de mens overweldigt, maar die uiteindelijk ook zorgt voor vooruitgang.
Vanaf 1899 woonde Verhaeren in Parijs. De vijftigjarige dichter beleefde in het volgende decennium het toppunt van zijn roem. Hij was een van de boegbeelden van een nieuwe generatie schrijvers. Zijn bundels werden vertaald in de meeste Europese talen en hij gaf overal voordrachten, tot zelfs in Sint-Petersburg en Moskou. Verhaeren had ook goede contacten met het Belgische vorsten- huis, maar dat belette Verhaeren niet om lange tijd sympathie te koesteren voor het socialisme en het anarchisme. Vermeldenswaard zijn ook zijn artistieke en vriendschappelijke contacten met andere kunstenaars, zoals Theo Van Rysselberghe, James Ensor, Fernand Khnopff, Leon Spilliaert, August Rodin, Andre Gide, Stefan Zweig, Marinetti, Maurice Maeterlinck, enz. Na het uitbreken van de eerste wereldoorlog kloeg hij in zijn dichtbundels 'La Belgique sanglante', 'Parmi les Cendres' en 'Les Ailes rouges de la Guerre', de waanzin van de oorlog aan.
Op 25 november 1916 gaf Verhaeren een voordracht te Rouen. De volgende ochtend probeerde hij op de nog rijdende trein naar Parijs te springen*. Dit werd hem fataal want hij kwam onder de wielen terecht waardoor zijn beide benen vermorzeld werden. *Volgens de franstalige Wikipedia zou de schrijver door de dringende menigte onder de trein terecht gekomen zijn... Emile Verhaeren werd eerst begraven in Frankrijk, maar op aandringen van de familie en na tussenkomst van koning Albert I werd Verhaeren op 14 december 1916 ter aarde besteld te Adinkerke. Het oorlogsgeweld dreigde evenwel het graf van de dichter te vernielen en veiligheidshalve werden zijn stoffelijke resten overgebracht naar Wulveringem (Veurne). Uiteindelijk vond de dichter op 9 oktober 1927 de laatste rust in zijn praalgraf te Sint Amandsaan de Schelde.

Verhaeren en zijn dorpsgenoten

De inwoners van Sint-Amands zijn heden ten dage trots op Emile Verhaeren, maar dat is ooit anders geweest. Het verschil in stand tussen de franssprekende Verhaeren en de dorpsbewoners werd nog versterkt door de toenmalige fundamentalistische kloof tussen het clericale- en het vrijzinnige gedachtegoed. *Tijdens een optocht van 'De Suskes' (katholieke fanfare) spuwde Verhaeren naar de muzikanten om zijn afkeuring te laten blijken. De fluim trof De Heer De Decker, die meeliep in de stoet. Dit incident was koren op de molen voor de aversie tegen de dichter. (*Bron Gaby De Blaiser)

Wie was Marthe Massin ?

Marthe Massin was ongetwijfeld 'de grote liefde' voor Emile Verhaeren. Zij werd geboren op 6 oktober 1860 in Luik uit een Belgische vader en een Franse moeder. Haar tekeningen, aquarellen en olieverfschilderijen geven blijk van haar talent. Zij had een eigen atelier in Brussel, maar gaf haar carrière als zelfstandig kunstenares op voor haar echtgenoot. Eind 1896 verrast Emile Verhaeren de literaire wereld met een bundel liefdesgedichten opgedragen aan Marthe, namelijk Les Heures claires. Na de dood van haar man werd zij ziek en geraakte meer en meer verlamd. Zij stierf op 2 juni 1931. Marthe werd eerst begraven op het kerkhof van Sint-Amands en werd pas in 1935 bijgezet in het praalgraf van haar man. Marthe Massin was dus ongetwijfeld de grote liefde van Verhaeren, alhoewel er vermoedens zijn, dat hij ook de sentimentele belangstelling heeft gewekt van andere vrouwen. Enerzijds was er zijn vriendschap met Maria van Rijsselberghe*, die ook een 'nauwe' relatie had met de bisexuele André Gide. Anderzijds was Verhaeren ook goed bevriend met Elisabeth van België. Om dit te staven bestaat er zelfs een foto van een romantische strandwandeling van de dichter met de koningin.
*Maria van Rijsselberghe (meisjesnaam 'Monnom') schreef ook een omvangrijke biografie over André Gide: 'Les cahiers de La Petite Dame'.
© Gaston D'Haese


Bibliografie

Les Flamandes (1883)
Les Contes de minuit (1885)
Les Moines (1886)
Les Soirs (1888)
Les Débâcles (1888)
Les Flambeaux Noirs (1891)
Au Bord de la Route (1891)
Les Apparus dans mes Chemins (1891)
Les Campagnes Hallucinées (1893)
Les Villes Tentaculaires (1895)
Les Villages Illusoires (1895)
Les Bords de la route (1895)
Les Douze Mois (1895)
Les Bords de la Route (1895)
Almanach : cahier de vers d'Émile Verhaeren (1895)
Les Heures Claires (1896)
Les Vignes de ma muraille (1899)
Les Visages de la vie (1899)
Petites légendes (1900)
Le cloître (1900)
Philippe II : tragédie en 3 actes (1901)
Les Forces tumultueuses (1902)
Les tendresses premières (1904)
Rembrandt : biographie critique (1904)
Les Heures d’après-midi (1905)
La multiple splendeur (1906)
Le Cloître (1909)
Les Rythmes souverains (1910)
Pierre-Paul Rubens (1910)
Les Heures du Soir (1911).
Les Blés mouvants (1912)
Hélène de Sparte (1912)
La Belgique sanglante (1915)
Les Ailes rouges de la Guerre (1916)
  Parmi les Cendres. La Belgique dévastée (1916)
Les villes meurtries de Belgique : Anvers, Malines et Lierre (1916)
Les Flammes hautes (1917)
A la vie qui s'éloigne (1924)
Quelques chansons de village (posthume, 1924)

Poëziecyclus - "Toute la Flandre":

Les Tendresses premières (1904)
La Guirlande des Dunes (1907)
Les Héros"(1908)
Les Villes à Pignons (1909)
Les Plaines" (1911)

Theaterstuk:

Les Aubes (1898)

Recente biografie:

Emile Verhaeren - VLAAMS DICHTER VOOR EUROPA (2013)
  Auteur: Paul Servaes.
  Uitgeverij Epo, Lange Pastoorstr. 25-27, Berchem.
  UITGEVERIJ@EPO.BE


Theo van Rysselberghe 
(°Gent 1862 +Saint Clair 1926)   
Lezing door Emile Verhaeren (1901)  
Olieverf op doek (181 cm X 241 cm)  
Museum voor Schone Kunsten Gent
'De lezing' is nog in de pointillistische stijl geschilderd.
Naast Emile Verhaeren (in het rood) zijn onder andere ook André Gide
en Maurice Maeterlinck (onderaan rechts) afgebeeld.

En haut -Naar boven

Emile Verhaeren
Gedichten (in het Nederlands)


Emile Verhaeren
Florilège (en Français)


Emile Verhaeren
L'Escaut (en Français)


Emile Verhaeren
La Lys (en Français)


Emile Verhaeren
La bêche (en Français)


Emile Verhaeren
Provinciaal museum



Homepage


Pageviews since 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 11-01-2016.
Update: 04-08-2017.

E-post: webmaster