Albert Verwey

Albert Verwey (1865 - 1936)
Dichter, geleerde en hoogleraar.
En van de stichters van De Nieuwe Gids.

Baders hartewens

Dwars door de tuinen Van roos en ranken Zich t pad te banen, Dan door de lanen Van zand en dennen Vluchtig te rennen Tot waar de kruinen Van hoge duinen In t blauwe blanken En zo te naderen Met zwellende aderen In laatste loop De harde golven En, overdolven, Hun koele doop.


Aarde

Als 'k u zo lief niet had, mijn aarde, zou ik
Zo niet begere' u in een droom te vieren,
Maar al uw steden en al uw rivieren,
En bos en berg graag in n beeld beschouw ik.
Als kind al zocht ik u, mijn aarde, en wou ik
U kennen heel, uw hemel met zijn vieren,
Uw oceanen waar uw winden gieren,
Uw blank-zeilende wolk, zwerk zwart en rouwig;
Uw landen waardoor zilvren stroomen zwieren,
Uw bergen waarop hoge pijnen razen,
Uw weiden waarop wilde kudden grazen,
Die Mexicaan aan lasso medeslieren; -
En 'k zag u heel, o aarde, en zal u hier en
Hierna vieren met kinderlijk verbazen.


Een zomeravond

De pozie komt over me als een droom 
Vol sterren en een lijfelijke nacht 
Van duister, waar me een hel gelaat van licht 
En vriendlijke oogen--enkel dat gelaat, 
Want l de rest is nevel zonder vorm. 
En heel den nacht nijg ik me er heen en houd 
Stille gemeenschap tot de morgen daagt.-- 
Dan lig ik stil met half geloken wimpers 
Te staren, waar ik telkens nog den lach 
Dier ogen meen te zien en 't blonde haar 
Half over 't voorhoofd--dan zijgt zijwaarts af 
Mijn hoofd in 't kussen en ik slaap in 't licht.


Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de bomen

Sta op, mijn lief, de zon schijnt door de bomen,
De vogels vliegen al om voedsel uit,
De visser achter 't huis sleept in de schuit
Zijn net, gevuld met vissen, uit de stroom en

De stalknecht legt op 't voorplein reeds de tomen
Zijn paarden aan, - sta op, mijn lief, mijn bruid,
De aarde is voor ons ook nieuw en schoon en luid,
Sta op, mijn lief, nu is geen tijd voor dromen.

Kom mee, mijn enigst dat aan 't veld ontbrak.
De reiger stijgt, de ooievaar op het dak
Vliegt hene en weer, de hele hof doorruist

De wind, gezeefd door stralen; 't water bruist
Bij 't vallen om de bocht en schuimt en blinkt,
Warm wordt de lucht die dauw en droppen drinkt.


De Noordzee

De Noordzee doet zijn gore golven dreunen
En laat ze op 't strand in lange lijnen breken.
Zijn voorjaarswater marmren groene streken
En schuim en zwart waaronder schelpen kreunen.

Zie van 't balkon mij naar de einder leunen
Met ogen die sinds lang zo wijd niet keken:
Een droom in 't hart is me eer ik 't wist ontweken
En 't oog wil buiten me op iets komends steunen.

Hoe ben ik altijd weer vervuld, verlaten:
Vervuld van liefde, en hoop en schoon geloven;
Verlaten als mijn dromen mij begeven.

Maar dan komt, o Natuur, langs alle straten,
Uw kracht, uw groei, uw dreiging, uw beloven -
Hoe klopt mijn hart van nieuw, van eeuwig leven.





Albert Verwey - Drie sonnetten


De tachtigers - De Nieuwe Gids


Nederlandse dichters


Vlaamse dichters



Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 04-06-2009.
Laatste wijziging: 15-01-2016.

E-post: webmaster