Albert Verwey - Drie sonnetten
Albert Verwey

Albert Verwey (1865 - 1936)
Dichter, geleerde en hoogleraar.
Eén van de stichters
van De Nieuwe Gids.


Drie sonnetten


 I 
 
 De koopman zit op zijn kantoor en somt, 
    Bij 't gele licht der lamp, de winst van 't jaar: 
    Hij telt zijn posten preev'lend bij elkaar, 
 En cijfert, tot zijn rug zich dieper kromt, 
   
 Daar de balans niet sluit; - hij peinst en gromt 
    Half binnensmonds, en met verstoord gebaar 
    Telt hij opnieuw, ontstemd om 't zoeken naar 
 Een cijfer-cent, die niet te voorschijn komt; - 
   
 En ál zijn winst vergeet hij, niet te vreê 
    Vóór 't vinden van het cijfer van een cent: - 
       Zijn kast is vol met hoopen klinkend goud: 
   
 Ik ben bevreesd dat ik soms óok zoo deê, 
    En centen cijferend mij heb ontwend 
       't Gouden geluk te zien dat 'k overhoud. 



 II 
 
 Wat zijt ge dom geweest, mijn ziel. Gij waart 
    Een kind dat uit was, buiten, en van 't land 
    Naar huis moet, maar dat nu aan moeders hand 
 Zich meê laat sjorren, traag en drensend, daar 't 
   
 Moe is en niet wil loopen; - 't toont zijn aard 
    Van koppig kindje, en in zijn onverstand 
    Vergeet het 't prettig dagje, en sloft door 't zand, 
 En voelt zich diep rampzalig en bezwaard: - 
   
 Zóo 'n kind zijt gij geweest en meendet dat 
    Gij ál uw rijke vreugd vergeten mocht, 
 Om weinig moeheid en een zandig pad, 
   
 Dat gij niet éens alléen gingt, - zie, mij docht 
    Dat wie in vreugd nooit zijnsgelijke had 
 Niet meer dan andre' om klein leed klagen mocht. 



III 
 
 Gelijk een vader zijn onwillig kind 
    Berispt met schijnb'ren toorn, maar smart in 't hart, 
    En, schoon kastijdend, zelf wel voelt hoe hard 
 De straf moet zijn voor 't kind, dat hij bemint, - 
   
 En onder 't straffen in zichzelven zint 
    En hoopt óf het berouwvol wordt - en mart * 
    O zoo verlangend, na die dubb'le smart 
 Héel lief te wezen voor zijn lieve kind: - 
   
 Zóo toornde ik ook op u, mijn ziel, die zwaar 
    Gezondigd hebt door uw zoo kleine leed 
       Te laten smetten uw zoo groote vreugd, - 
   
 En o zóo lang, zóo teer, begeerde ik naar 
   't Berouw dat meer vergoedt dan ge ooit misdeedt, 
       Daar wel 't berouw, maar niet de zonde heugt.


* mart => marren (Middelnederlands): 1) tegenhouden; belemmeren; vertragen
2) pijn doen; last veroorzaken; hinderen
3) vastleggen; treuzelen; aarzelen; talmen





Albert Verwey - Bloemlezing van gedichten

De tachtigers - De Nieuwe Gids

Nederlandse dichters

Vlaamse dichters


Homepage


Poëzieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002: 

Statist. Poëzieweb-Poetryweb:
  Free counter and web stats       © Gaston D'Haese: 20-08-2006.
Laatste wijziging: 04-06-2009.   E-post: webmaster