Nederlandse dichters

Vlaamse dichters

J. van der Waals
Jaap


Poëzie van Jacqueline van der Waals
Jacqueline van der Waals
Jacqueline van der Waals (1868 - 1922).
Dichteres, lerares en vertaalster
uit het Noors, Deens en Duits.
Zij was introvert, maar sportte graag.

Gedichten


Liefdesliedje

Heb mij lief, gelijk ik ben

Plantanthéra Bifolia

Winterstilte

Liefdehonger

Bedroefd

Eoolse harp

Elfendans

Bitterheid

Maanlicht

Liefde

Moed

Annunciatie


Liefdesliedje

Mijn liefste, waar we beiden zijn,
Daar zijn we met ons bei,
Al de andre menschen, die er zijn,
Ze zijn er niet voor mij.
Ze lachen wel en praten wat,
Ze komen wel en gaan,
Maar doen ze iets of laten dat,
Het komt er niets op aan.

De andre menschen om ons heen,
Zijn ook wel lief en goed,
Maar ik bekommer mij alleen
Om wat jij zegt en doet.
Ik glimlach maar en houd mij stil,
Dit roezig stemgegons,
Waar ieder wat beweren wil,
Wat is het lief, voor ons?


Naar boven

Heb mij lief, gelijk ik ben

Ik zou tot al mijn vrienden willen gaan
- Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn -
En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben
En stel aan mij geen eischen.  Zie, ik kan
Niet onderhoudend praten, niet gevat
Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk
Vertellen van mij zelf of van mijn ziel....
Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar?

Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil
Verdiept in eigen werk, eigen gedachten.
Of - als gij praten wilt - spreekt gij tot mij.
Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk
Met lichten kout mij onderhouden wilt,
Wel lachen om de grappen, die ge zegt,
Wel ernstig kijken als ge hoog, of diep,
Of ijdel praat van al te diepe dingen....

Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister
Naar uw gesprek - of naar het klokgetik -
Of  'k laat de stilte ruischen om ons heen,
- Die ruischt zo prettig, als de menschen zwijgen -
Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel,
Dan zou ik willen vragen, en de stilte
- Of na ons gesprek - verbreken met mijn vraag:
"Zeg, zijt ge ook blij, dat ik naast u zit?"
Spraakt ge dan "Ja", dan zei ik zacht: "Ik ook" ...

En dat was alles, wat ik weten wou
En al, wat gij van mij behoeft te weten.
Uit 'Nieuwe Verzen' - uitg. Callenbach (1909).


Naar boven

Plantanthéra Bifolia


   Wit ivoren standelkruid,
     Plantanthéra Bifolia!
   Weenende, weenende ben ik uit-
   Gegaan in leed en duisternis,
   In leed en zwarte duisternis.
     Plantanthéra Bifolia!

Ik heb gedoold in den donkeren nacht.
   In den zomernacht,
Ik ben gegaan waar de weg mij bracht.
Door een laan van donkere boomen
   Ben ik gekomen
Aan een glanzend wit moeras.
Het lichte zilveren nevelkleed
Dekte het donkere poelenleed,
   Dat dood en begraven was.
O! dat mijn leed zich begraven liet
Diep beneden - diep beneden -
(Stil mijn ziel! het is lang geleden,
   Wek het gestorvene niet!)

Ik heb gedoold in den nacht,
In den zoelen zomernacht,
   Mijn oogen schreiden,
   De bloemen zeiden:
"Drink de geuren, die ik verspreid,
   Allen, die treuren,
   Schenken mijn geuren
               Vergetelheid".
Ik dronk de geuren, mij toegezonden,
      Als zoeten wijn,
   Zij kusten mijn wonden,
   Zij susten mijn pijn,
   Zij stilden mijn wilde
   Gedachten en brachten
   Mij zoete verdooving
      En ruste van pijn.


Naar boven

Winterstilte

De grond is wit, de nevel wit,
De wolken, waar nog sneeuw in zit,
Zijn wit, dat zacht vergrijzelt.
Het fijngetakt geboomte zit
Met witten rijp beijzeld.

De wind houdt zich behoedzaam stil,
Dat niet het minste takgetril
't Kristallen kunstwerk breke,
De klank zelfs van mijn schreden wil
Zich in de sneeuw versteken.

De grond is wit, de nevel wit,
Wat zwijgend toverland is dit ?
Wat hemel loop ik onder ?
Ik vouw de handen en aanbid
Dit grootse, stille wonder.


Naar boven

Liefdehonger

Ik heb zulk een honger naar liefde,
Toch spreek ik er niemand van.
Mijn hart is zoo trots, dat ik niemand
Er iets van vertellen kan.

Waarom is dat hart zoo hoogmoedig,
En toont het zijn armoede niet?
Men geeft toch zoo graag van zijn weelde,
Als men honger en armoede ziet.

Eén enkele blik was voldoende,
Een blik, die 't verlangen verraadt.
Een hand tot ontvangen geopend,
Een hart, dat zich weldoen laat.

Maar Hoogmoed verbiedt mij die houding,
Hij is voor een weigering bang
En dwingt mij zoo rustig te lopen,
Met kalm, zelf genoegzame gang.

En ondertussen versmacht ik
Naar liefde.  Maar waartoe die klacht?
De trots, die mij eenzaam doet lijden,
Die geeft ook tot lijden de kracht.


Naar boven

Bedroefd

Leg zachtjes de hand op mijn voorhoofd
Bedarend, stil en koel,
En druk haar tegen mijn slapen,
Waar ik de pijn gevoel.

Uw groote, witte handen
Bezitten wonderkracht
Leg daarom Uw hand op mijn voorhoofd
En druk mijn slapen zacht.

Blijf zwijgend bij mij zitten,
Stil zonder woord of vraag.
Ik ben niet ongelukkig,
Ik heb maar wat hoofdpijn vandaag.

Ik wilde zoo gaarne slapen,
Maar heb het vergeefs beproefd.
Leg zwijgend Uw hand op mijn voorhoofd,
Ik ben alleen wat bedroefd.


Naar boven

Eoolse harp

Dank dat ik mocht spreken,
Eer het grote zwijgen komt,
Eer mijn stem zal breken
En mijn woord verstomt.

Als de hand zal zinken,
Die het speeltuig heeft gevoerd,
Zal de harp nog klinken
Door de wind beroerd?

Zal haar klank bewaren
Van mijn ziel het kranke beeld?
Of Hem openbaren,
Hem wiens stem de snaren
Aanroert en bespeelt?


Eolus is de god van de winden
Een eoolse harp of eolusharp is een windharp


Naar boven

Elfendans

Des nachts in de zachte glansen
Van de zilveren maan,
Als alle verstandige menschen
Reeds lang naar bed zijn gegaan,

Als 't groote vuur gebluscht is,
Dat 's avonds in 't Westen gloeit,
En alles in diepe rust is,
Door 't zonnelicht vermoeid -

Dan in de nevelglansen,
Die over de weide gaan,
Ziet men de elfen dansen
Bij het licht van de maan.


Naar boven

Bitterheid

Het woord, dat mij met kracht omgordde,
     En vrede en vreugd gaf,
Is alsem voor mijn mond geworden,
     En voor mijn ziel een straf.

De naam, die al mijn onrust stilde...
     Het fluisterzachte woord,
Waarop ik eenmaal pleiten wilde,
     Staande aan 's Hemels poort -

Dien Grooten Naam, zal ik niet noemen,
     Die grendels open schoof,
Vraagt God den grond, waarop ik roeme?
     "Heer, op mijn ongeloof."


Naar boven

Maanlicht

Mijn kamer, waar ik argeloos
Daar straks kwam binnen lopen,
Verlangende alleen te zijn,
Waar ik mij veilig dacht,
Was mij door 't felle manelicht
Ontvreemd, dat door het open-
geslagen venster binnenkwam
Uit klare zomernacht.

O, dat gewetenloze licht!
Dat rustig lag te slapen
Op 't koele bed, waar ik zo graag
Mijn hoofd verbergen ging,
En dat mijn lieve kamer in
Een lichtgrot had herschapen,
Waar ieder ding mij vreemd en koud
En zwijgende ontving.


Naar boven

Liefde

Meen, zoo ik zing, vol liefde zijn mijn zangen,
Niet, dat mijn mond de schamelheid vergat
Van 't hart, dat open stond om vreugd te ontvangen,
Maar, waar de liefde nimmer binnentrad;
Mijn lied is immers vol van uw verlangen,
O Liefde, die ik steeds heb liefgehad!

Waart gij gekomen, toen ik u verwachtte,
Ik had met diepe vreugde u ingeleid,
Waar in het heiligdom van mijn gedachten
Ik reeds vol schroom uw komen had verbeid; -
Nu fluistert mijn verlangen uwen zachten,
Lieflijken naam met groote teederheid.

O Liefde!  Zalig zij, die u ontberen,
En hunkren naar de troost van uw gelaat,
Zoo ze in hun nood zich niet tot de aarde keeren,
En vragen 't aardsche brood, dat niet verzaadt,
Wier ziel zich aan den disch van uw begeeren
Den honger stilt, den heeten dorst verslaat.

Naar boven

Moed

Geef mij den moed om onrecht te onderkennen,
Ook waar 't door eeuwen van gebruik gewettigd wordt,
Den vasten wil aan onrecht nooit te wennen,
Ook waar de macht, het weg te nemen, schort.

Doch zoo ik spreek, het zij geen laf opstandig klagen,
En waar ik zwijg, 't zij nooit, verwonnen door den tijd,
Indien ik licht mijn leed en dat van andren drage,
't Zij wijl mijn liefde weet, dat Gij de Liefde zijt.


Uit Laatste verzen (1922).

Op het monument bij De Landweer, van de Stichting
Joodse Werkkampen Friesland en Drenthe,
staat de eerste strofe van bovenstaand gedicht.


Naar boven

Annunciatie

Ik hoorde uw voetstap naadren op het pad,
Ik wachtte, en zag u na een korte pooze.
- Hoe geurden 't dennenboschje en de rozen! -
Toen gij mijn open woning binnentradt.

Gij waart dien avond, toen gij tot mij kwaamt,
O Dood, niet overmoedig, niet vermetel,
En toen gij plaats naamt in mijn zachten zetel,
Gelijk een knaap zoo schuchter en beschaamd.
"Ik kom misschien wat laat en ongelegen?
Maar God heeft mij gezonden met een last."
Ik sprak: "Wie tot mij komt van Zijnetwege
Is mij ten allen tijde een lieve gast."
Ik bood u spijze, ik dronk met u den wijn.
Toen spraakt gij vragend, en uw oogen zagen
De mijne niet, naar de uwe opgeslagen,
Maar staarden peinzend in den avondschijn:
"Ik weet, dat ge u een woning hebt gebouwd,
Die gij zoo juist van plan waart te betrekken?
Dat gij de taak, door God u toevertrouwd
Ten laatste aan uzelve zoudt ontdekken,
Als gij uw eigen leven leven zoudt?" ...
Maar met een glimlach sprak ik snel en stil:
"Kwaamt gij, o Dood, mij van mijn plannen spreken?
Spreek en verkondig mij des Meesters wil."
Toen stondt gij op, toen gaaft gij mij het teeken,
Waarmede gij de uwen wijdt, o Dood. -

Ik deed u even later uitgeleide,
Ik zag u duister in het avondrood
Verdwijnen in de duisternis der heide.
En keerde huiswaarts langs het kiezelpad,
Ik sprak niet "goede Dood", ik sprak niet "booze",
En 'k had het leven nooit zoo lief gehad.



Naar boven

J. E. van der Waals - Jaap

J. E. van der Waals - Biografie
(Laurens Jz Coster)


Nederlandse dichters

Vlaamse dichters

Top 10 - Liefdesgedichten

Paul van Ostaijen  (home)

Vertaalde gedichten


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 

© Gaston D'Haese: 26-05-2004.
Laatste wijziging: 02-05-2017.

E-post: webmaster