
Liefdesliedje Heb mij lief, gelijk ik ben Plantanthéra Bifolia Winterstilte Liefdehonger Bedroefd Eoolse harp Elfendans Bitterheid Maanlicht Moed Annunciatie |

LiefdesliedjeMijn liefste, waar we beiden zijn,Daar zijn we met ons bei, Al de andre menschen, die er zijn, Ze zijn er niet voor mij. Ze lachen wel en praten wat, Ze komen wel en gaan, Maar doen ze iets of laten dat, Het komt er niets op aan. De andre menschen om ons heen, Zijn ook wel lief en goed, Maar ik bekommer mij alleen Om wat jij zegt en doet. Ik glimlach maar en houd mij stil, Dit roezig stemgegons, Waar ieder wat beweren wil, Wat is het lief, voor ons? ![]() Heb mij lief, gelijk ik benIk zou tot al mijn vrienden willen gaan - Ook wel tot hen, die niet mijn vrienden zijn - En vragen: Heb mij lief, gelijk ik ben En stel aan mij geen eischen. Zie, ik kan Niet onderhoudend praten, niet gevat Of geestig zijn, en niet vertrouwelijk Vertellen van mij zelf of van mijn ziel.... Wat zouden we ons vermoeien voor elkaar? Laat mij maar zwijgend naast u zitten, stil Verdiept in eigen werk, eigen gedachten. Of - als gij praten wilt - spreekt gij tot mij. Ik zal wel luistren, als gij vriendelijk Met lichten kout mij onderhouden wilt, Wel lachen om de grappen, die ge zegt, Wel ernstig kijken als ge hoog, of diep, Of ijdel praat van al te diepe dingen.... Maar, als ik dan zoo zwijgend zit, en luister Naar uw gesprek - of naar het klokgetik - Of 'k laat de stilte ruischen om ons heen, - Die ruischt zo prettig, als de menschen zwijgen - Als 'k mij dan blij in uw nabijheid voel, Dan zou ik willen vragen, en de stilte - Of na ons gesprek - verbreken met mijn vraag: "Zeg, zijt ge ook blij, dat ik naast u zit?" Spraakt ge dan "Ja", dan zei ik zacht: "Ik ook" ... En dat was alles, wat ik weten wou En al, wat gij van mij behoeft te weten. ![]() Plantanthéra Bifolia
Wit ivoren standelkruid,
Plantanthéra Bifolia!
Weenende, weenende ben ik uit-
Gegaan in leed en duisternis,
In leed en zwarte duisternis.
Plantanthéra Bifolia!
Ik heb gedoold in den donkeren nacht.
In den zomernacht,
Ik ben gegaan waar de weg mij bracht.
Door een laan van donkere boomen
Ben ik gekomen
Aan een glanzend wit moeras.
Het lichte zilveren nevelkleed
Dekte het donkere poelenleed,
Dat dood en begraven was.
O! dat mijn leed zich begraven liet
Diep beneden - diep beneden -
(Stil mijn ziel! het is lang geleden,
Wek het gestorvene niet!)
Ik heb gedoold in den nacht,
In den zoelen zomernacht,
Mijn oogen schreiden,
De bloemen zeiden:
"Drink de geuren, die ik verspreid,
Allen, die treuren,
Schenken mijn geuren
Vergetelheid".
Ik dronk de geuren, mij toegezonden,
Als zoeten wijn,
Zij kusten mijn wonden,
Zij susten mijn pijn,
Zij stilden mijn wilde
Gedachten en brachten
Mij zoete verdooving
En ruste van pijn.![]() WinterstilteDe grond is wit, de nevel wit, De wolken, waar nog sneeuw in zit, Zijn wit, dat zacht vergrijzelt. Het fijngetakt geboomte zit Met witten rijp beijzeld. De wind houdt zich behoedzaam stil, Dat niet het minste takgetril 't Kristallen kunstwerk breke, De klank zelfs van mijn schreden wil Zich in de sneeuw versteken. De grond is wit, de nevel wit, Wat zwijgend toverland is dit ? Wat hemel loop ik onder ? Ik vouw de handen en aanbid Dit grootse, stille wonder. ![]() LiefdehongerIk heb zulk een honger naar liefde, Toch spreek ik er niemand van. Mijn hart is zoo trots, dat ik niemand Er iets van vertellen kan. Waarom is dat hart zoo hoogmoedig, En toont het zijn armoede niet? Men geeft toch zoo graag van zijn weelde, Als men honger en armoede ziet. Eén enkele blik was voldoende, Een blik, die 't verlangen verraadt. Een hand tot ontvangen geopend, Een hart, dat zich weldoen laat. Maar Hoogmoed verbiedt mij die houding, Hij is voor een weigering bang En dwingt mij zoo rustig te lopen, Met kalm, zelf genoegzame gang. En ondertussen versmacht ik Naar liefde. Maar waartoe die klacht? De trots, die mij eenzaam doet lijden, Die geeft ook tot lijden de kracht. ![]() BedroefdLeg zachtjes de hand op mijn voorhoofd Bedarend, stil en koel, En druk haar tegen mijn slapen, Waar ik de pijn gevoel. Uw groote, witte handen Bezitten wonderkracht Leg daarom Uw hand op mijn voorhoofd En druk mijn slapen zacht. Blijf zwijgend bij mij zitten, Stil zonder woord of vraag. Ik ben niet ongelukkig, Ik heb maar wat hoofdpijn vandaag. Ik wilde zoo gaarne slapen, Maar heb het vergeefs beproefd. Leg zwijgend Uw hand op mijn voorhoofd, Ik ben alleen wat bedroefd. ![]() Eoolse harpDank dat ik mocht spreken, Eer het grote zwijgen komt, Eer mijn stem zal breken En mijn woord verstomt. Als de hand zal zinken, Die het speeltuig heeft gevoerd, Zal de harp nog klinken Door de wind beroerd? Zal haar klank bewaren Van mijn ziel het kranke beeld? Of Hem openbaren, Hem wiens stem de snaren Aanroert en bespeelt?Eolus is de god van de winden Een eoolse harp of eolusharp is een windharp ![]() ElfendansDes nachts in de zachte glansen Van de zilveren maan, Als alle verstandige menschen Reeds lang naar bed zijn gegaan, Als 't groote vuur gebluscht is, Dat 's avonds in 't Westen gloeit, En alles in diepe rust is, Door 't zonnelicht vermoeid - Dan in de nevelglansen, Die over de weide gaan, Ziet men de elfen dansen Bij het licht van de maan. ![]() Bitterheid
Het woord, dat mij met kracht omgordde,
En vrede en vreugd gaf,
Is alsem voor mijn mond geworden,
En voor mijn ziel een straf.
De naam, die al mijn onrust stilde...
Het fluisterzachte woord,
Waarop ik eenmaal pleiten wilde,
Staande aan 's Hemels poort -
Dien Grooten Naam, zal ik niet noemen,
Die grendels open schoof,
Vraagt God den grond, waarop ik roeme?
"Heer, op mijn ongeloof."![]() MaanlichtMijn kamer, waar ik argeloos Daar straks kwam binnen lopen, Verlangende alleen te zijn, Waar ik mij veilig dacht, Was mij door 't felle manelicht Ontvreemd, dat door het open- geslagen venster binnenkwam Uit klare zomernacht. O, dat gewetenloze licht! Dat rustig lag te slapen Op 't koele bed, waar ik zo graag Mijn hoofd verbergen ging, En dat mijn lieve kamer in Een lichtgrot had herschapen, Waar ieder ding mij vreemd en koud En zwijgende ontving. ![]() MoedGeef mij den moed om onrecht te onderkennen, Ook waar 't door eeuwen van gebruik gewettigd wordt, Den vasten wil aan onrecht nooit te wennen, Ook waar de macht, het weg te nemen, schort. Doch zoo ik spreek, het zij geen laf opstandig klagen, En waar ik zwijg, 't zij nooit, verwonnen door den tijd, Indien ik licht mijn leed en dat van andren drage, 't Zij wijl mijn liefde weet, dat Gij de Liefde zijt.Uit Laatste verzen (1922). Op het monument bij De Landweer, van de Stichting Joodse Werkkampen Friesland en Drenthe, staat de eerste strofe van bovenstaand gedicht. ![]() AnnunciatieIk hoorde uw voetstap naadren op het pad, Ik wachtte, en zag u na een korte pooze. - Hoe geurden 't dennenboschje en de rozen! - Toen gij mijn open woning binnentradt. Gij waart dien avond, toen gij tot mij kwaamt, O Dood, niet overmoedig, niet vermetel, En toen gij plaats naamt in mijn zachten zetel, Gelijk een knaap zoo schuchter en beschaamd. "Ik kom misschien wat laat en ongelegen? Maar God heeft mij gezonden met een last." Ik sprak: "Wie tot mij komt van Zijnetwege Is mij ten allen tijde een lieve gast." Ik bood u spijze, ik dronk met u den wijn. Toen spraakt gij vragend, en uw oogen zagen De mijne niet, naar de uwe opgeslagen, Maar staarden peinzend in den avondschijn: "Ik weet, dat ge u een woning hebt gebouwd, Die gij zoo juist van plan waart te betrekken? Dat gij de taak, door God u toevertrouwd Ten laatste aan uzelve zoudt ontdekken, Als gij uw eigen leven leven zoudt?" ... Maar met een glimlach sprak ik snel en stil: "Kwaamt gij, o Dood, mij van mijn plannen spreken? Spreek en verkondig mij des Meesters wil." Toen stondt gij op, toen gaaft gij mij het teeken, Waarmede gij de uwen wijdt, o Dood. - Ik deed u even later uitgeleide, Ik zag u duister in het avondrood Verdwijnen in de duisternis der heide. En keerde huiswaarts langs het kiezelpad, Ik sprak niet "goede Dood", ik sprak niet "booze", En 'k had het leven nooit zoo lief gehad. ![]() |

