Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - De modderen man I
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

De modderen man I

Omnis quippe caro corruperat viam suam (Genesis 6)
Want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde.

Vervarelijk festijn voor onverzaedlijk dorsten: zoo hebben ze u gekend, bij smaad- of smeek-gebaar, die, donker van begeerte of heller liefde klaar, van u besmaald misschien, misschien u tarten dorsten. o Bralle broeing van het schroeig-heete haar dat ge als de kromme vlam van eene toortse torschte'; uitdagend dreigement der driest-gedragen borsten; o buik die glooit en glanst gelijk een beukelaar: - zo kenden ze u. En ik, waar 'k uwe schoonheid schenne, ik, die me-zelven miek de' in vrees begeerden Man die u bevrijden kon en sloeg in slaven-ban; zelfs ik, uw grauwe Heer, wien gen vrouw ooit zal kennen: hoe bibbert op mijn lip de bede - o wrang bekennen -, de bede, uw doem te ontvlin, en die 'k niet bidden kn...

Naar boven

De dag is moede en stil, en de uren gaan verbleeken. Waarom dan zijt gij niet als de andren heen-gegaan? Ik zal niet meer tot de wankle woorden spreken dan 'k tot de hope van uw zustren heb gedaan... - Gij blijft; gij legt uw witte hand op mijnen schouder... Helaas, de dag is blank omdat hij duistren moet; en mijn gelaat is schoon misschien, dewijl het ouder, dewijl het hooploos-ouder weet mijn wrang gemoed... Ga heen, vor mijn gesmeek gaat schroeien aan uw smeeken; vor mijn ervaren vaalt ten schroom van uw gelaat... - De dag is moede en stil, en de uren gaan verbleeken, en mijn gelaat verbleekt 'wijl gij niet heen en gaat.
Naar boven

Zij ligt te bedde 'lijk ik lig te bedde; ze is wachtend, trage en vragend, 'lijk ik wacht; - o naakte wake aan ongenaakb're wedden! - en tusschen be de blinde en doove nacht. Tusschen ons be, misschien, de wijdste zeen in 't wijlen van een wijdingloozen tijd; - al breekt door ons de branding van de ween die beide' ons binden in der eeuwigheid. 't Verbod van God, misschien, tusschen ons beiden, of, mrgen reeds, in beider harte rouw. - Maar weten, zat van liefde of ziek van beiden, dat ik de Man ben, vrouwe, en gij de Vrouw.
Naar boven

Ik wete dat ge ontwaken zult, dewijl ik wake; ik weet dat van mijn kommeren gij vreezen zult, en dat gij van de bitterheden die ik smake u-zelf met tranen vult. Ik weet dat, waar mijn vreugde 't eischte, gij zoudt lijden, en gij zult buigen, zelfs waar 'k net uw meester ben; en dat ge in uwe duistre schamelheid zult beiden tot ik uw schoonheid schen. Aldus zult ge in uw elst bezit de ellende boeten dat ik van alleen mijn innigst zijn ontvang, en 'k u mijns wezens vollen bloei zal vragen moeten, mijn trots w smaad ten dank. Maar, waar 'k in u alleen de vruchten van mijn leven, mijn nobel dijment alleen aan u mag zien: daar zult ge in smarten slechts me uw maagden-schoonheid bin en, slechts vernietigd, vreugde geven...
Naar boven

Kind met het bleek gelaat, dat van uw wijde blikken geen liefde in mat gebaar noch in leede oogen ziet, maar in uw zedig kleed uw knien weet te schikken zo, dat me te elken male een laaie drift doorschiet: gij zult het nimmer aan mijn vrome woorden weten hoe mijn begeeren om uw kleren dolen dorst; maar k draag in me-zelf de wonde, zelf-gereten, waarvan de koortse rilt en davert door mijn borst. Want 'k heb de straffe zlf in 't lillend vleesch geslagen; ik heb een spijt'gen spot gehamerd in mijn brein... - Gij echter, ga voorbij, arm kind, en znder vragen: ik haat u om dees geert', die 'k minne om deze pijn...
Naar boven

Gij die u, strker liefde omgord, bang-wakend naast me zet, nu 't dagelijksch gedicht me wordt wer dagelijksch gebed; - gij, mijne vrouwe, schoone wees van al mijn liefde en leed, die mijne vreugde en mijne vrees om deze lente weet, en dat, waar felre kracht me ontbrandt, mijn wilde en vrome geest, van helle beelden overmand, wer de eigen weelde vrest; - gij, die u naast mij nere-zet, voor deze woede bang, waar 'k zelf bedwinge tot gebed den bronst van dezen zang: o vrouw, o vrouw, o gede vrouw die weet hoe 'k were lijd; die weet hoe 'k in mijn ziele rouw om wat mijn lijf verblijdt: ontvang, van wie niet vloeken mag maar onder vloeken gaat, - ontvang, van wie uw lijden zag, den dank en de' armen smaad...
Naar boven

Gij die mijn kommer-ziekte in deemoed tegen-lacht; gij die mijn vreemdsten waan beveiligt van uw wake; maar wier geloken schaamte ik zuchten weet te slaken uit al de roerslen, heimlijk-diep, van uw geslacht; - o macht'ge vrouw, die moogt in 't maagdlijk voorhoofd voeren den onvergloorb'ren glans van wie ter dood bemint; maar die ter slaande borst gelijk een pijnlijk kind den drenz'gen twijfel aan mijn min zult blijven voren; - gij die 'k aan dit gelaat en dit verlangen bond, o gave maatloos-mild, maar wie de koortsen branden ter heete zuiverheid der oogen en der handen, ten monkel, droog-gezucht, van uwen rooden mond: ik draag mijn schuld, ik wet in mij de schuld te dragen gelijk een rijpe vrucht die 't naedrend onwer beidt; de zeegning zengt mijn lippe om uw verwacht verwijt, - al vind 'k geen liefde-woord voor uwe liefde-vrage. Ik ken uw rouwen aan het rouwen van mijn hart; de nacht ziet mijne zorge om uwe zorge bleeken; - al blijf 'k u dwingen, kind, uw daeglijksch brood te weeken in de altijd-overvloed'ge beke van den smart. En mijn gezicht dat, stuursch van onbestraalde steilte, bergt als de rotse een vloed in de onverbreekb're korst, weet dat ook gij uw tranen smoort, - maar ziet uw borst die rustig schijnt, en amt in de aldoor-guurdere ijlte... - En toch: mocht ge ens dit oog tot op de ziel doorspin, tot op de gronden van zijn weten en zijn wanen: gij zoudt, door 't ras-gerezen licht van uwe tranen, 't vergoddelijkte beeld van w genade er zien: mocht ge aan het traag gedein van welige gewaden den breeden harts-klop van mijn rijke min bevron... - Maar neen: al lang is 't tijd deze oogen toe te doen; en 't strakke kleed is sleetsch tot op de bleeke naden. Want hoe ik lengen moge en gij mij wacht: wij staan in wrange kennis dat we, in eeuwigheid gescheiden, en hoe 'k u minne 'als gij mij mint, gen van ons beiden de heele liefde van den andre kan verstaan.
Naar boven

Ik ben u moe. Gij hebt mijn traagste hoop vermoeid. Waarom in mijnen mond het bittre woord verhelen? Te laat is me uwe liefde en te aarzelend ontbloeid 'dat nog begeerte ontblake en schrave door mijn kele. Thans is het we lip die, open, beeft en smeekt; 't ontberen van w blik die wendt naar weiger treuren; - ach gij, die smeekend dees verzegelde urne breekt en vindt van balsmen nog alleen wat draal'ge geuren. Gij zijt, die staat, wier schroom het biedend woord werhoudt, maar huivrend van uw lende' al slaakt de sluike banden. Helaas, 'k zal in het licht, dat lenkend is, en oud, alleen de weeke bleekheid zien van uwe handen; want weet: ik kon op ndre borst, die niet werstiet, eenzelfde wanen en dezelfde moeheid vinden... - Waarom uw oog nog, dat me een late liefde biedt? Ik laat den tragen draad van mijne dage' ontwinden, want ik ben moe: gij hebt mijn treurig-traagsten waan ter laatste hoop, ten laagsten ootmoed leeren deinzen... - Wie zijt gij, vrouw, die draalt en niet voorbij wilt gaan? Ik leef, die 't vremde beeld der eigen min zie staan ten klmen einder der herdenkende gepeinzen...
Naar boven

Gij hebt te zeer van blijde logen dit liefde-hongrend hart gevuld, dat ik u niet, in mededoogen, zou zeegnen om uw schoone schuld. Ik heb om u te veel geleden, - cieraad der pije van mijn rouw, - dat ik u niet in mijn gebeden, en dankbaar haast, gedenken zou. En zoo, waar 'k u mijn vreugde noeme, niet steeds een vreugd ter lip mij bloeit, vergeef: 't is dat het zelf-verdoemen dan al te zeer mijn harte schroeit.
Naar boven

Gij spreekt geen woord, o vrouw, maar weent aan mijne zijde onder 't ontgoochlen dat uw tengre schouders boog. En 'k wet uw leed; ik woog de keten van uw lijden; - maar sluit afkeerig 't werend oog. Ik sluit mijn oog. Gevallig voel 'k het bar verstarren, in harde plooien, van een spot-lach om mijn mond, - ik die me eens voelde een zelfde nerlaag tegen-sarren, en eendere onmacht ondervond... Waarom?... o Wreed gemoed, dat zocht om 't eigen lijden het trage sussen van har haeprend-vroom beklag... - Gij spreekt geen woord, mijn kind, en weent aan mijne zijde. Ik sluit mijn oog. Helaas, ik lach...
Naar boven

Thans is het al voorbij: de sluiers zijn gezonken, en 'k heb uw naaktheid grauw als mijne vrees gezien. Toch heeft mijn weigren aan me-zelf te valsch geklonken 'dat gij voortaan vergefs me uw teederheid zoudt bin. Ook gij voelt in u-zelf het licht der hope duistren; maar 'k zie te zeer de onpeilb're diepte van uw spijt, om in mijn binnenst niet groothartiglijk te luistren naar 't schuchtre stemken van mijn haperend verwijt. Kom wer dan aan mijn borst: gij zult er adem-halen tot gij moogt slapen, in uw naaktheid loom en vaal, - terwijl ik-zelve waak en om me-zelven smale wen 'k weder naar de maat uws harten adem-haal.


Naar boven

Karel Van de Woestijne
De modderen man II

Karel Van de Woestijne
De modderen man III

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne
Het vaderhuis

Karel Van de Woestijne
God aan zee

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne
Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne
De modderhaven

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer (bloemlezing)

Karel Van de Woestijne
Verzen

Karel Van de Woestijne
Een ster

Terug naar Karel Van de Woestijne
Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters
Overleden vr 1948

Nederlandse dichters
Overleden vr 1948


Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 28-12-2005.
Laatste wijziging: 05-10-2017.

E-mail:: webmaster