Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - De modderen man II
Karel Van de Woestijne

Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)



De modderen man II


 

Gij die 'lijk een verwijt gaat wegen in mijn zwijgen; gij die dit hart als een verlaten huis bewoont: o lage dag die neigt, en bij het nader-neigen een sterre aan 't voorhoofd toont; die van dit eenzaam licht aan uw verduisterd Oosten mijn hopen wekken en mijn weiflen heulen woudt, al weet ge, o veeg-verbleekte dag, voor alle troosten dit hart te leêg en te oud: wat draalt gij aan de lucht en in mijn aangezichte, die dit onnoodig en onnaakbaar licht me biedt? En is mijn arrem hart geen urne, en al te dichte dat men er geure' in giet'?... - Ik ga uw duister vóor; ik keer het duister tegen der onbewogen-stille en leêge levens-zaal. En, waar deze ijlte zwijgt, smaak ik den bittren zegen van 't lijdzaam avond-maal...

Naar boven

Weêr gaat het veege licht der asters bloeien; weêr naêrt een herfst. - En dit doorhunkerd hart waar smokend 's zomers toortse gaat vergloeien, wordt huiverend, en mart... - Ik, in wiens hand de zoele vruchten wogen maar wien de zoen ontzegd werd van den beet; die, waar 'k u weet, o herfstig mededoogen, me des te alléener weet; eeuwige maaier, ik, die sneed het koren maar nimmer voor zich-zelf de garve bond; eindlooze vaarder in zijn vochte voren die nooit de haven vond: weêr naêrt een herfst; en weêr naêrt wrang het derven dit hart dat, hooploos, steeds verlangen kent; dat, immer hunkrend naar dit herfstlijk sterven, na 't wintren weet een lent'... - Weêr brandt mijn najaars-bloed in smeek-gebaren; weêr weent het hart waar de oude wonde schroeit... - Hoe bronst het goud in de kastanjelaren! De zilvren aster bloeit...
Naar boven

Weêr staat mijn venster open op den nacht, tusschen de kamer en haar broei'ge zwoelte en deze wijdte en haar bewogen koelte. En 'k sta aan 't raam, en wacht. Ik wacht. Er is een woel'ge stilte in mij. Er zwelt en zwijmt, deint àan en deinst Verlangen, als zong, op golven zoelte, in schroom'ge zangen een ongeziene rei... - o 'k Weet: ik heb alleen in 't leed gebloeid dat ik in 't eigen brein met zorge kweekte: een kelder-plant van zieke en trotsche bleekte in duisternis gegroeid; ik ben geweest die voor zich-zelf verborg te maklijk leve' en lieve', in vreez'ge hoede; van de' eigen tucht weldadig-strenge roede, voor 't eigen lijden borg... Maar deze nacht is schoon, en goed misschien. Misschien staan, als het mijne, ramen open, en hoopt een andre blik hetzelfde hopen, en tracht als ik te zien; peilt éen als ik, en met eenzelfden schroom, de bakelooze banen door der nachten, of hij hem vinde die hem staat te wachten: de broeder van zijn droom; éen die het kommer-bed ontrees als ik, en staat aan 't raam zijn bangend hart te prangen, en ziet daarboven al de sterren hangen als kindren van zijn blik; één, die mij wachte... - En 'k wacht. En 'k voel de vaalt' van mijn gelaat in klamme koelt' verweeken... En hooploos-zoet zie 'k 't blaauwe licht verbleeken der trage maan, die daalt...
Naar boven

Dit wordt geen lent'. Geen dag en zal de smoore' ontrijzen gelijk een voorjaars-weide in duizend bloeme' ontluikt; en, zijn dees gulden uchtend-neevlen schóon, zij wijzen een naedren morgen die naar nàakte landen ruikt. Dit wordt het uur niet, dat het onverwachte Leven u met éen blik den blik op de eindloosheid ontsluit. Elke appel is geplukt; elke aalmoes is gegeven; en in uw hand alleen de erinnring aan den buit. Dit is de hérfst... - En toch, o trage wemel-neevlen, o dralig-waaz'ge dageraad, o schoone schijn, o vrage van mijn hart of 't vreezig ochtend-preevlen 't bezoek van de' Engel of een dróef bezoek wil zijn; wijde oogen die niet kent; ooren die niet vergeten; arm lichaam, zwart en schraal, dat heerlijk werd bemind; o vreugde van mijn waan, o vreeze van mijn weten, en gij, Natuur, die teeder-lokkend zijt, en blind: toch voel ik, bleeke toover van bedrieglijk herfsten, - weêr voel ik, schoone schijn, o schroom'ge vreugde en vrees, kil uit de diepten van mijn wezen 't geeren bersten 'of weêr een voorjaar in de zwarte stammen rees. Van uit de keldren, waar mijn wil en weer'ge hoede den looden stempel sloeg ten veil'gen deksel-steen, welt weêr ineens, en woelt gelijk een blijde woede de lange gallem van Verlangens luid geween... - Ik weet dat elke lent' van mij zal blijven eischen het martlend baren van een fellen levens-loot; ik weet te zijn, om naar de hemelen te hijschen elk teeken, telkens, van opnieuw-ontwaakten dood; ik weet dat ik besta, gedoemd tot helle sprake, opdat geen scheut ontspruit' waar 'k geen geluid aan geef', en 'k eeuwig-smartlijk ben opdat elk lente-ontwaken van straal'gen daauw in mijne dankbre tranen leef'; maar... dit en wórdt geen lent'. Geen gulle dag zal rijzen gelijk een voorjaars-weide in duizend bloeme' ontluikt; en, zijn dees gulden uchtend-neevlen schoon, zij wijzen een naedren morgen die naar naakte landen ruikt. En toch... - o Starre waan, te wezen de verkoorne die zelfs bij lui-ontluikende oogen van den Dood, blinde Natuur, gij eeuwig-barende en -geboorne, mag worde' als uw steeds zwarte' en scheppens-reeden schoot; mag zijn die, zelfs bij schíjn van leven, bràndt van leven; die, van zijn onverbidlijk-waakzaam hart en brein, zal 't heerlijkst aangezicht aan 't óngeschaepne geven en schenke' uit de ongewassen druif den rijksten wijn... o Starre waan, te milde waan... - De neevlen hangen doorblonken, blankend, van een bloode October-zon. En 'k sta, en 'k stare, en prange onder mijn hand 't verlangen dat brandt alsof nieuw leve' in dezen dood begon.
Naar boven

Ik ben met u alleen, o Venus, felle star. En, waar 'k vergeefs in mij uw stralend gloeien zoeke, blijft leêg mijn marrend harte, en bar. Mijn harde mond is strak aan beiden starren hoeke. Geen vraag. En zelfs wat 't eerst me naêrt en 't laatste scheidt: zelfs àngst en komt mijn ijlt' bezoeken. Ik ben met u alleen, mijn oogen droog en wijd; terwijl de wijde nacht welft mijn verlaten kilte naar uwe gloeiende eenzaamheid. - De venstren blind, de kaemren naakt en ijl de dilte; het huis eens beedlaars, onbetreên en haveloos: aldus mijn ziel in 't land der Stilte; alwaar ge, alleen ten hemel-tuine een helle roos, een vurig-felle roos in Stilte's donkren lande, staêg-noodend waakt en blaakt, altoos; en ik, met de armoê van mijn hoofd en van mijn handen, in de armoê van mijn hart ontbere, leêg en bar, zelfs de arme vreugd van eenzaam branden...
Naar boven

Van alle reis terug nog vóor de reis begonnen... Wat, dat gij niet en wist, heeft de onrust u geleerd? - Alle einders zijn ontgonnen en elke tocht gemeerd. Welke begeerte die, verzaad, niet heeft bedrogen, en welke oprechte liefde ooit zonder waan beleên? - o Dorre brand der oogen na noodeloos geween!... Geen bronnen meer, en geene stroomen, waar een haven ze in de gestilde maat der strenge zee bevest. - Gij moet u niet meer laven: gij zijt aan walg gelescht.
Naar boven

o Ziek, onzeker en onzuiver; in 't ijvren de' eigen doem gewijd; geen strakke glimlach en geen huiver dan om de' onmogelijken strijd; - ter loome zee gezonken zeilen steeds onder zelfde lamme zon; en altijd 't onveranderd-ijle aan elken nieuwen horizon...
Naar boven

Uren van harde macht, waar 'k in de zwartste nachten, die heller zijn dan git, ter ijlste hoogten, en de steilste, der Gedachte onzichtbaar-tronend zit; - uren van harde macht, gebore' uit trots en lijden: hoe hebbe ik u bemind, toen 'k Leven wijken deed, en Dood - o weidsch verblijden - mocht koestren als een kind; waar 'k heel mijn weze' als plots genade-weel'ge borsten, mocht de' Onverzaadb're biên en 't bateloos geluk mocht dulden, aan zijn dorsten geheel tot ijlt' te vliên. Geene begeerte meer: o vrijheid, en geen bede; en, allen strijd beslecht, uit diep-gerooiden drift den diep-ontgonnen vrede van 't eindlijk eind-gevecht. Arm als geen enkle, maar zich voelen, koel, den rijke die, 't zwoelst geluk doorleên, het Wezen, de eeuwigheên ontwassend, kan doen wijken naar eendere eeuwigheên... Uren van felle macht, hartstochtelijk negeeren gebore' uit boete en spijt: wat heb ik u bemind, ik die u mocht regeeren, en - treurig ben, en lijd... - Want zie, de aarde is den tijd nabij dat tijend streven, àl zwellend, welven gaat. Weêr word ik als een zonne-straal die staat te beven en, bevend, rechte staat; weêr word ik, waar de luide bodem ligt te kenen voor 't licht-bekroonde kruid, gelijk de bronnen zijn die onbedaarlijk weenen met daevrend-blij geluid. De dag wordt rood van zon en rozen. De uren blaken van rijk en rijp geweld. 'k Draag al het blozen van den zomer op mijn kaken als waar' 'k een heldre held; van al het bloed dat zoekt of blinkt in bloeme' en boomen zijn mijne vuisten zwaar; 'k ben duister als het woud in avondlijk verloomen en als de weiden klaar; 'k ben klaar en klapprend als de blaedren en de waetren; 'k ben gloeiend-zwart gelijk de minnaars die elkaêr van bijten en van schaetren bevinden goddelijk. Maar - 'k heb te zeer geheerscht, dan dat ik niet en lijde om zulke duld'ge heerlijkheid... - Uren van harde macht, waarom moet ik u beiden, nu 'k, treurend, lijd?...
Naar boven

Trots, die mijn harte hardde, als ijzer ter kille kuip tot staal gehard: gij hebt het sterk gemaakt, en wijzer; - maar 'k wete dat het broozer werd. Gij maakte' 't, ten gedrilden were, als eene spies, die vaster steekt naar harder staat het staal der spere, maar die niet buigen kan, of breekt. Zoo sta 'k, mijn trots een scherpe schanse naar 't dreigen van elk nieuwen dag; en heb een hart gelijk een lanse van staal, - maar dat niet buigen mag.
Naar boven

Gij zult mij allen, allen kennen, maar 'k zal voor allen duister zijn; want slechts wie 'k van mijn spot zal schennen zal lichtend van mijn luister zijn. Slechts wie na de eêlste weelde-spijzen zal hongren naar mijn schampren smaad, draagt eens vóor 't aangezicht der wijzen den plooi der wijsheid in 't gelaat. Maar hem, die mij niet heeft bekeken, doch voor mijn hoogmoed heeft gebeên, dien zullen eens de voeten leken van mijn geween.
Naar boven

Ik vraag den vrede niet: ik vraag alleen de rust. - o Teedere avond-glans der lippen en der lampen, als de eêle nacht ontrijst aan lage dage-dampen: wanneer wordt van uw zuivren gloed mijn angst gesust? De schroeiige oogen koel tot kalmen droom gekust; gebluscht het zwoele bloed van 't dagelijksche kampen; en, waar ter slaap de laatste zorgen trager tampen, de Liefde en 't Leed verzoend tot één weemoed'gen lust... - o Teedere avond-glans der lampen en der lippen... - Maar gij, mijn harde geest, die stoot aan alle klippen vergééfs een onwil waar geen genster aan ontschampt... - Ik vraag den vrede niet: ik vraag alleen te poozen; ik vraag alleen de rust die, maagdelijke roze, gelijk de maan den moeden dag ontrijst, die dampt...


Naar boven

Karel Van de Woestijne - De modderen man I

Karel Van de Woestijne - De modderen man III

Karel Van de Woestijne - Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne - Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne - Het vaderhuis

Karel Van de Woestijne - God aan zee

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne - De modderhaven

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer (bloemlezing)

Karel Van de Woestijne - Verzen

Karel Van de Woestijne - Een ster

Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters - Overleden vóór 1942

Nederlandse dichters - Overleden vóór 1942

Naar Dode-dichterssoos - Nederlandse & Vlaamse dichters


Homepage


Poëzieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002 
Statist. Poëzieweb-Poetryweb
  Free counter and web stats       © Gaston D'Haese: 28-12-2005.
Laatste wijziging: 04-12-2009.   E-post:: webmaster