Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - De modderen man III
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)


De modderen man III

Gedachtenis aan eene jonge Dichteres


 Ik heb u niet gekend dan in dees nieuwe vreeze; 
 ik heb u niet dan aan mijn bleek gelaat gekend, 
 waar wemelt in mijn hoofd, waar wentelt door mijn wezen 
 deze onverwacht-gerezen lent'. 
   
 Ik hadde u niet genood ten drempel mijner droomen; 
 mijn blik en hadde in de eigen wijdte uw blik gezien, 
 en waar' deze onverlangde en wrange lent' gekomen 
 door 't angstig-prangend hart me vlin... 
   
 - Ik lag. De koorts ontvonkte een vuur in mijne vuisten; 
 mijn bang-gestooten am doorvoer den neerschen nacht; 
 en, waar nieuw leven kropte en aan mijn slapen druischte, 
 heb ik, o doode, aan u gedacht. 
   
 En 'k heb gedacht aan u dees heelen dag, gesleten 
 in de aangedeinde laai die om mijn leden zengt 
 en niets ter schaal van het verlangen laat, dan 't weten 
 dat zij alleen wat assche brengt. 
   
 Den heelen dag heeft dit verwelkt, dit wassen harte 
 dat leeft van de' eigen brand, dat sterft van de eigen klaart', 
 dat flikkert en dat smelt ter vlam van de eigen smarte, 
 gesmookt, geflakkerd uwentwaart, 
   
 o kleine, o vrre doode, en die mijn angst komt doopen 
 in droeve zekerheid dat gj niet lijden zult; 
 die, helend binnen de oogen-schaal het licht der hope, 
 uw korte jaren hebt vervuld. 
   
 - Want gij zijt heen-gegaan vor ge aan verdorden monde 
 den zengend-zoelen zoen der zatheid hebt gesmaakt; 
 vor de' eeuw'gen kreet, waarin de in pijn-volvoerde zonde 
 hare eigen ijlte tegen-slaakt. 
   
 Gij zijt gestorven in de waden van het wanen 
 dat elk bereiken loont en alle min verrijkt; 
 dat alle bangen wordt gesust in liefde-tranen 
 en elk genake' een hoop gelijkt. 
   
 Gij hebt de reize aanvaard, wl bleek van uw begeeren, 
 wl spijtig om een schroom die noodloos heeft gehijgd, 
 maar met den troost, geen treurend oog te zullen keeren 
 naar een oud leed, dat talmt en zwijgt. 
   
 En stierft gij, met in 't smeekend oog de vreez'ge wake, 
 met op den mond de vraag der huiverende maagd: 
 de schaamte bleef gespaard aan uwe zuivre kake, 
 en spijt dewijl gij hadt gevragd... 
   
 - Zo gingt gij heen, o zalige arme. En wij, die blven, 
 wer staan we in 't wassend vuur dat ons niet loutren zal; 
 wer blijven wij, bij 't stuwend tij van 't lente-streven, 
 in onze bittre wijsheid pal. 
   
 Want wij, die elke vrucht ter branke-zelve smaken, 
 wij weten welken dorst de beste pere laat; 
 wij weten, waar we in trots 't gebon genot verzaken, 
 welk leed in ons te wrokken staat. 
   
 Wij, graauw en naakt in onze zatheid, en die weten 
 dat elk begeeren wer door zatheid wordt geboet; 
 dat geene vreugde waakt die, smartlijk te eind gesleten, 
 geen hopeloos verlangen voedt; 
   
 die eens als gij om onbevredigd hunkren treurden, 
 maar kweeken thans in 't hart een onverzaadb're spijt; 
 die dragen in ons lijf den vloek van steeds gescheurde, 
 van steeds herschapen maagdlijkheid; 
   
 - o maagd die henen gingt, bleek van uw schoon begeeren, 
 spijtig om de' eedlen schroom die noodloos heeft gehijgd: 
 thans staan we in 't strakke kleed van 't opgelegd ontberen, 
 met de' angst om 't hunkeren, dat dreigt. 
   
 En wij benijden u, o schoone en schaemle doode 
 die nooit het wrange van de zatheid hebt gekend, 
 - waar huivert door ons hoofd dees bralle en ongenoode 
 en pijnlijk-overmacht'ge lent'. 

Naar boven

   Op den dood van Jean Moras
(onder het waken bij een stervend man) I
Uw aangezicht is bleek 'lijk 't mijne wordt. - Terwijl 'k een diere zieke waak, geduldig en alleene, rijst schamper-lui Persephona ten starren stijl en schraaft de aandacht'ge Hond schuin-oogend uwe schene. Waar aan een rechte stoel de God uw daden richt, staan schemer-vaal uw schaemle leden in het duister; want gij zijt klein en moe; - maar in uw aangezicht, dat bleek is 'lijk het mijne wordt, glanst eeuw'ge luister.
II
Het huis is vol van u. De stilte weegt, verzwaard van 't wachten op uw am en 't luistren naar uw zwijgen. En in mijn ruimren geest, die vroom uw beeld bewaart, leer 'k van uw spijt'gen dood naar eeuwigheden hijgen. 't Is of me uw sterven sterkt. Mijn hoofd is rijp en zoel. Mjn koortse en we kalmt' voel 'k mijne lip doorkerven; en 't gapend venster, waar 'k mijn heete kake koel, zwelgt gulzig-sterkend om mijn leven en uw sterven... - De diere man, die 'k diene en wake, slaapt. Zijn am heft in de stilte. En 'k denke aan 't heffen uwer zangen... - o Nooit-gefnuikt Getal dat wrijft aan 't gapend raam, van we rust, en uit zjn am, en mjn verlangen!...
III
Het nacht-uur waakt; en 'k waak. - Wat zijt ge diep en schoon, die mijne slape omwiekt met duizend duizelingen! Geen licht, dan uit mijn oog ontwaakt. En aan mijn koon de deinende am van alle dingen. Ik drijf, het voorhoofd wijd en ijl, ter sferen me van onbegrepen weelde en peilloos-klaar vermoeden. - o Nacht, in uwe blinde en duizel-blijde vre noch heil, noch leed te voelen bloeden!...
IV
Gij brandt mijne oogen toe, gij brandt mijne oogen open, o Wake; en waar de koorts blij hamert aan mijn slaap, zie 'k in de diepte van me-zelf, en gaat mijn hopen naar even-schoonen slaap. De zoet-gestemde Dood zingt in mijn oor... Als heugde mijn verst erinnren zich een wer-beloofd verlen, voel ik mijn nek verbren van strekkend-schoone vreugde, en voel 'k mijn blik verbren. Zal 'k de gekoorne zijn die, re tot alle lijden, de wondre zoetheid kent van d' eindlijk-eeuw'gen schoot?... - Er sterft een man naast mij, die 'k minne. En mijn verblijden gaat steevnen naast zijn dood.
V
o Gevangen geest, getogen naar bevrijdende eeuwigheid; o Gedachten, zat-gezogen aan de borsten van den Tijd: zal ik mijne handen reiken naar de vrucht, die l te hoog in haar luister hangt te prijken, 'dat mijn dorst ze smaken moog'?... - Droom uw droomen, o vermeetne, door den peilloos-vrijen nacht: morgen kent opnieuw de keetnen van de dagelijksche vracht...
Naar boven

Wanneer ik sterven zal (o glimlach om de vreeze en om 't begeeren dat ik eindlijk sterven zou!): neem dan dit pijnlijk boek; wil deze verzen lezen waarin ik u miskenne, o vrouw. - Ik weet: gij zult er niets dan bitters ondervinden; niets dat u om de zwaart der doode ontgoochling troost: slechts 't hunkren naar de duizendvoudige beminde dat zijne schroei'ge zuchten loost; slechts om uw trouwe zorg de wroeging, te vermoeden dat gij hem niets dan uwe schoonheid geven mocht: den onverzaadbaar-zatte' en spijt'gen levens-moede die aldoor heeter leven zocht; hij die van u de dolste en wreedste gaven eischte en die in uwen schoot het l-bezit bejoeg, maar, wreed en laf, tot in uw troostende armen krijschte om de onmacht die hem sarrend sloeg. Gij zult er niets in vinde', o vrouwe, dan de wrake dat hij geen wonden beet dan aan w liefde-mond, en dan den wrok, dat naast zijn blakerende wake hij steeds w angst'ge wake vond. Gij zult er niets, helaas, gij zult er nimmer hooren, zelfs geen gekreun dat om uw medelijden smeekt: slechts, waar 't de duisternis van uw getreur komt storen, een maatlijk dropken bloed, dat leekt; niets dat u noode naar een eindelijke stilte gelijk van verre een bron naar lafenisse noodt: slechts aan uw hoofd, o gij die leest, de heete kilte der laatste koorts van vor den dood; slechts aan uw arrem hart den wrangen angst der vrage wat gij dan ooit, voor wie dit dichtte, zijt geweest, en dan - de zekerheid een eeuw'gen doem te dragen, o gij die deze verzen leest... En toch... - Wanneer ik sterven zal (o geerte en vreeze!) en om uw kommrend hoofd de doode-wake fleemt, en gij dit brallend boek, om niet alln te wezen, ter bleeke en moede handen neemt; en gij zult lezen, en de bitterheid zal rijzen in al haar strakheid aan uw mager weew-gelaat; en gij zult voelen, gij die mij niet knt misprijzen, het smaden dat u tegenslaat; en gij zult verder gaan, en vers na vers zal branden ter fellre kone en in het traanloos oog-geschrijn; en 't boek zal worden gelijk lood in uwe handen, die bleek en moede en machtloos zijn: dn zult ge - armzaliger dan wie het ergste leden, - dan zult gij ng, o mijne vruw, me wezen ged. En gij zult zien hoe 'k lig, mijn leven uitgeleden tot bij het laatste zweet en bloed; gij zult de graauwe lok van voor mijne oogen keeren en zien hoe ng de drift zwart om mijn schalen kringt; hoe, norsch van vragen en vertrokken van begeeren, de laatste kreet mijn lip verwringt. Maar gij en zult geen woorden zoeken, die vergeven; geen zoenens-tranen zelfs ter zoete tuigenis dat deze slechte doode uit uw vernietigd leven in eeuwigheid verscheiden is; gij zult uw hand niet meer aan 't zwijgend hart me leggen: gij weet hoe 't aan uw schrik zijn laatste bonzen sloeg; want reeds, o vrouwe, hoort ge uw hart de woorden zeggen die u de laatste zorge vroeg. Gij zult, in nieuw ontroere', het boek ter zijde laten; een zoet gepeinzen wekt een nieuwe teederheid; en gij zult voelen hoe mijn doem tot niets kon baten, omdat gij toch mijn vruwe zijt; gij zult het weten, en een toomelooze liefde zal zwellen in uw borst en kroppen in uw keel, en uit wat meest u kwelde en u het innigst griefde wordt u het hoogste heil ten deel. Want hoe ge, toen gij laast, ter borst moest voelen nijpen de pijn van wie, miskend, zelfs om zijn onschuld treurt: veel beter dan ik-zelf zoudt gij mijn woord begrijpen dat ng in trots het hoofd u beurt. Gij, de een'ge die mijn rustloos hart hebt voelen kloppen gelijk een zoete last aan 't eigen vragend hart: gij weet hoe 'k machtloos weende, en - hoe de doop der droppen U heilig miek van mijnen smart. Omdat ik slechts aan mijn driften zou verzaden, was 'k, onverzaadb're zatte, uw duld'ge schoonheid moe; en 'wijl mijn dorre mond uw jonst'ge lip versmaadde, ging mijn begeeren ndre toe; maar gij allen toch weet de kreten van mijn vreugde al hadde ik ze in mijn waan ook ndere gewijd; maar niemand had, wat van mijn toorn u 't meeste heugde: w eigen schoone zkerheid; de vlammen-schoone zekerheid waar de Getuigen - hoe fel de geesel strieme en 't onbegrijpen spott' -, bij de onverdiende schand waar blijde ze onder buigen, ter hoogt' me rijzen van hun God. - Want gij, ge weet, mijn vrouw, de alleenige te wezen aan wie 'k de volle maat van heel mijn wezen gaf... Daarom, wen 'k sterven zal, wil deze verzen lezen zoo onuitspreeklijk-droef en -laf, - daar gij alleen, mijn lieve lieve, in u kunt voelen hoe heel het boek van mijne en ook w liefde gloeit, en in w oog alleen misschien 't geween zal zoelen dat, wen 'k dit schrijf, mijn schale schroeit...
Naar boven

Gij menschen, die misschien me in laetren tijd gedenkt, als deze mond, en znder morren, heeft gezwegen, maar, woordloos op verzaden dood open-gezegen, de ijlte beteekent die uw vragende ijlte wenkt, weet: als een straf heb 'k stroeve waarheid mee-gekregen; geen krankheid, die mijn lijf niet kreunend heeft gekrenkt; en 't spijt, dat dit mijn vers gelijk een hostie drenkt, mag heilig op uw tong als 't leven-zelve wegen. Ziet: dit gelaat is lood, en zorge is 't zuur dat vreet door 't lood, en 't diepst van al de heete voren beet om God, o mijn begeert, die borgde 't pjnlijkst beiden. En toch: hij die dit zeide in dood-gedoemde tijden, en, leed hij waarlijk l te zeer wanneer hij leed, - hij droeg 't gevoelen, nooit genoeg te mogen lijden...


Naar boven

Karel Van de Woestijne
De modderen man I

Karel Van de Woestijne
De modderen man II

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne
Het vaderhuis

Karel Van de Woestijne
God aan zee

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne
Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne
De modderhaven

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer (bloemlezing)

Karel Van de Woestijne
Verzen

Karel Van de Woestijne
Een ster

Terug naar Karel Van de Woestijne
Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters
Overleden vr 1948

Nederlandse dichters
Overleden vr 1948


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 28-12-2005.
Laatste wijziging: 04-02-2016.

E-mail:: webmaster