God aan zee - Bloemlezing
'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend
al wemelt twijfel in de opalen van mijne ogen;
'k heb in mijn leven meer geloochend dan gelogen,
en ziet: de bitterheid ligt om mijn mond versteend.
O Gij, die morgen om mijn laatste bed gebogen,
u voor het raadsel van dees ziele hebt vereênd:
uw zucht trilt door een ijlt die gij vol wisheid meent
en mijn gebrek aan smart vervult gij met meêdogen.
Of ik genieten wil dan of ik lijden mag:
ik wacht op tranen in de dorheid van een lach
en 'k vrees mijn tand waar hij de lippe Gods zal bijten.
Ik ben de lafaard die, voor eigen vreugd bedeesd,
zich-zelf van alle paradijzen heeft verweesd,
en 'k voel me schoon alleen waar 'k beef voor zelf-verwijten.
o Blik vol dood en sterren
o hart vol licht en leed.
De dag is spijtig verre;
de nacht is hel en wreed.
Mijn mond vol wondre smaken
dien géne vrucht verzaadt.
Niemand, o hunkrend waken,
die langs mijn venster gaat...
Wij zullen nimmer wezen
dan Godes angst'ge wezen.
- God, laat ons waan en schijn
dat we Uwe wezen zijn.
‘Uw eenzaamheid? Gij zijt als die wolvin.
‘Zwijmlend van honger, en van moederschap
bliksmen-verblind en 't ingewand doorflitst,
heeft, bij de trill'ge guurt van winter-nacht,
in 't gladde leem van een doorweekte sloot,
deze wolvin, al hare tanden bloot,
geworpen zeven jongen, schicht aan schicht.
‘En in den nacht heeft niemand haar gezien,
en geen geluid is in den nacht van haar.
Zij ligt. Zij beeft. Traag likt ze hare wond.
‘Maar in een verre wijdte, de einders rond,
op elke hoeve snuift, aan 't eigen hok
geketend - en ze snokt haar kele toe -,
snuift teef aan teef den geur dier moeder op.
Haar kranke weelde schiet de flanken door;
begeert dooradert de oogen; dof gemor
wordt huilen, hoeve aan hoeve, vert aan vert.
Zij liggen aan den band. Hàar lijf is hòl...
‘- Uw eenzaamheid? Werp uwe kindren, gij!’
'k Zit met mijn lamme beenen
in de assche van een stervend vuur.
Ik bid; mijn vrienden weenen;
en 't hangt mijn keel uit op den duur.
Zal ik mij dan vervelen
met langer Job te spelen?
De schoonste lol, de liefste lol
maakt op den einde dol.
De schapen moet men scheren
en de ezels moet men slaan, ja slaan.
Zoo wil 'k, in alle zeere,
mijn lamme beenen gaarne braên.
Mits 'k U dan maar en geve
het zout van dit mijn leven,
en van mijn wrokkig offer, God,
niet worde te eigen spot.
Groeien uit het brassend weven
van de zee, tot bloei verdicht,
en gelijk een straal te streven,
recht, naar de eenheid van het Licht;
recht, van uit de woel'ge vaalte
naar de klaart die kallem wacht;
- o mijn rijpe ziele, haal de
Hovenier die snoeit en lacht.
Wielwaal, die van rijpe kersen
uwen rooden gorgel spoelt;
ziele, die u-zelf te persen
in den mond van God bedoelt;
(want te worden riet ten tande
die het zacht tot suiker bijt:
speelsche en wijze vrucht, ter hande
die de buit tot fluite wijdt);
... 'k sta in mijne diept geborgen,
God, Gij die geen kersen zuigt,
- kerse, ik, die als éene zorge,
mond, naar Uwe bete buigt,
mond van God...
Sluit uwe ogen op het licht:
dieper zal het branden...
Nimmer is me uw lief gezicht
liever, dan waar ’t veilig ligt
binnen mijne handen.
Keer uw zinnen van den dag:
langer zal hij duren...
Rijker langend wordt uw lach
waar hij schemert door het rag
der verleden uren.
Neuren als een voorjaarswind
bij geloken wachten...
Mondje, dat geen vraag ontbindt;
ogen zonder vrees, o kind;
en uw haren, bleek en blind
als de maan bij nachte. |