I God aan zee
Doop van den bedelaar
Wij heffen in dees heil'ge vonte
naar Uwen schuinen blik, o God,
dit Kind dat, blank en ongeschonden,
van onze liefde en onze zonde
ten zoen U weze, en ten gebod.
Zijn moeder zou 't mij smoorlijk schenken
met, schriklijk, in 't gelaat gegrift
de teeknen van mijn loenschen drift,
zooals 'k haar moest met leugen drenken
van pijnlijk vleesch en schittrend schrift.
Zij droeg het in haar ronde flanken
gelijk 't heelal zijn bollen draagt;
zijn klop in haar was als hun wanken;
en van ons bei was ík de kranke
die beeft en om verlossing vraagt.
En toen 't uit haren smart geboren
bij halos van haar dankbaarheid,
stond ik gelijk een wees verloren
waarvan geen menschen-hart zou hooren
hoe hij om doode moeder schreit.
En 't lag in zijne wolk'ge kribbe
wonder-verlaten, rood en schraal
gelijk een late, draal'ge straal,
of, aan een levens-moede lippe,
een schemer-kleurige adem-haal.
Maar neen, o God: het lag te blinken
zooals bevrijde oneindigheid;
zoo ziet men U den avond drinken
ten zoom der zee en 't zonne-zinken
als aan een beker dien gij bijt...
Dús zagen we uit ons reeuwsche geuren,
uit woeste liefde, uit norschen geest,
zich dit onnoozel kindje beuren.
- Thans staan we, God, aan Uwe deure
gelijk de hond die slagen vreest.
Zult Ge er de loome rust van wasschen
en 't hunkren om 't beminde wee? -
Het doode water van de sassen,
dik-blikkerend van gist en gassen,
bereidt ter zuivering der zee.
Zult Gij het uit den doem verlossen
van ruimte en dorst, van walg en tijd? -
o Kreet van wien de baren drossen,
en kleuren met steeds nieuwe blossen
om steeds herhaalde mooglijkheid.
Zult Gij 't uit weifelen en wikken,
uit dom verschil dat hoopt en doodt
tot Uw gevalligheid beschikken,
o Schutter die, na 't oolijk mikken,
in 't eigen oog de wereld schoot?
Bewuste Veger der woestijnen,
vroed Zaemlaar van het vol gevecht:
zal 't in een grijze leêgheid kwijnen,
of zal zijn aanzicht lichtend schijnen
aan een veroverende plecht?
Wij zijn de Vader en de Moeder;
wij hebben Uwen wil gedaan
bij schreeuw en zweet, bij wrok en traan.
Zult gij ons wilder en verwoeder
gaan make' om een gerechten waan?...
Maar neen: ons, armen, zult Gij teistren
met deemoed, dankbaarheid en rouw;
ons wordt de vreê, bij buigend peistren,
van 't vee dat, maetlijk van gekouw,
geen wolken kent dan aan haar schaaûw.
Wij zullen, moede, nuchter worden,
na al den drift, na zelfs het leed
dat als een wroeging 't brein ons beet.
Er is geen zegen dan in de orde;
loon gaat naar wien te zwijgen weet.
Dit kind, geheven in Uw vonte
tot bittren zoen, tot wrang gebod;
dit wichtje, bleek van onze zonde:
Gij hebt het aan ons lot gebonden
als een profijt'ge straf, mijn God.
Doch - niets kan ons den droom onthouden
die de' allerijlsten nacht doorglanst,
waarin het blijde blinken zoude
zooals het luchtig kaf dat, gouden,
van uit den wan ter Zonne danst!
I De heete asch
'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend
al wemelt twijfel in de opalen van mijne oogen;
'k heb in mijn leven meer geloochend dan gelogen,
en ziet: de bitterheid ligt om mijn mond versteend.
o Gij, die morgen om mijn laatste bed gebogen,
u voor het raadsel van dees ziele hebt vereênd:
uw zucht trilt door een ijlt die gij vol wisheid meent
en mijn gebrek aan smart vervult gij met meêdoogen.
Of ik genieten wil dan of ik lijden mag:
ik wacht op tranen in de dorheid van een lach
en 'k vrees mijn tand waar hij de lippe Gods zal bijten.
Ik ben de lafaard die, voor eigen vreugd bedeesd,
zich-zelf van alle paradijzen heeft verweesd,
en 'k voel me schoon alleen waar 'k beef voor zelf-verwijten.
De nacht, de zwoele nacht heeft me als een wijn bevangen.
Terwijl een schijnen-rijke wâ mijn brein omwindt
komt uit de diept geen dageraad mij tegenlangen,
omvangt me een woel'ge duisternisse die mij bindt.
Ik ben geen bake; geen verwijlen, geen verbeiden;
geen duizeling van hoop, geen duizeling van dood.
Ik ben alleen, bij holle ontstentenis van lijden,
ik ben niet meer dan lijdelijk een moeder-schoot.
Gelijk een hond die drentlend draalt en druilt
om eigen vuil, beruikt met schroom'ge teugen...
- Waarom uw avondlijken vreê bevuild
met slijk van derf verleden, o Geheugen?
Gelijk de vogel die zijn woonst beslecht
met peerlen bloeds, door de eigen pluim te plukken...
- Waarom, waarom uw beeltenis gerecht
uit leem van leed, vereeuwigend Verrukken?
Ach, diepte huilt en ijlte is hoogste kim;
begeert moet zich aan onmacht vergewissen;
en alle liefde is lammer dan de vin
van doode visschen.
Harde modder, guur krystal:
in mijn naakte woonste
rijk en arm aan niets en al,
ben 'k de ziekste en schoonste.
Huis dat afsluit en dat kijkt:
hart dat, onbewogen,
hoort de zee die wast en wijkt
vóor verzádigde oogen.
In geen spiegel, gruwvol-eêl,
't beeld van een begeeren.
Al de beezmen zijn te veel
om den grond te keeren.
Ziekste en schoonste; - neen: zelfs niet
de armoê van te weten
dat u niemand lijden ziet,
en de schoonheid u verliet
waar gij roerloos in uw Niet
waart gezeten.
Een vrucht, die valt...
- Waar 'k wijle in 't onontwijde zwijgen,
buigt statiglijk de nacht zijn boog om mijn gestalt.
De tijd is dood, omhoog, omlaag. Geen sterren rijgen
haar paarlen aan 't stramien der roerelooze twijgen.
En geen gerucht, dan deze vrucht, die valt.
Een vrucht.
- En waar ik sta, ten zatten levens-zoome,
vol als de nacht maar even stil; blind als de lucht
hoe rijk ook aan 't verholen licht van mijne droomen,
voel 'k - loomer dan in 't loof der luidelooze boomen
een vrucht die valt, - mijn hart, gelijk een vrucht
die valt...
Ik heb mijn zuiver huis gevuld
met al de teeknen van mijn schuld;
mijn vrouwe zou verdonkren
in 't schroeien van mijn helsche licht,
en mijner kindren aangezicht
zou van mijn zonde flonkren.
- Gij toont mij hoe het linnen blinkt
en hoe voor 't venster hinkepinkt
(o huislijkheên) een meeze,
gij mijne vrouw;... maar in u bijt
om mijne norsche heimlijkheid
het kloppend hol der vreeze.
En onze kindren, - zie, ze zijn
gelijk een vat te vol aan wijn:
zij gísten; en hun schouders,
van loochnen strak, van wil doorwoed,
zijn als de tafelen der boet'
van hun verduldige ouders...
o Wee die voeden, en wier hart
in sloopende eenzaamheden mart;
die de eigen liefde ontkennen
om vrees der vrouwe, om bronst huns zoons,
en aan hen-zelf van 't mes des hoons
Gods aangezichte schennen.
Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden
we zijn alleen door ruimte, alleen door tijd,
we zijn alleen door wrok of vrees gescheiden.
Maar 'k weet dat gij moet lijden, daar ik lijd.
De dubble vaart van uwe hooge beenen,
de dubble zon van uw gescheiden borst:
gij zijt niet henen want ik ben niet henen;
uw holle mond droogt van mijn heeten dorst.
En ik, druk ik mijn vuisten in mijne oogen,
elk oog zal branden als wanneer uw zoen
tot eigen klaart hùn klaart had aangezogen,
hoe 'k ze ook alleen op ijlt zal opendoen...
Gescheide' in 't uur, gescheiden in de wijdte
gelijk de zee van 't zwerk gescheiden ligt.
Maar steeds zal 't zout mij van ùw drift doorbijten,
steeds blijft gij huivren van míjn heerschers-licht.
Diep aan uw hart, diep in uw haar te zullen slapen,
o duizel-zwarte vacht;
uw kin een kegge klaarte op mijn doorpraamde slape;
ik, eindlijk, naar mijn zèekren nacht;
uw adem die uw rug beweegt en die mijn bloote,
mijn open voorhoofd schroeit;
maar mijn bewegend oog dat, op uw licht gesloten,
als een bewogen roze bloeit;
mijn oog, dat, trager, dra zijn open licht zal sluiten
gelijk een roos zich sluit;
(de zonne-dag is vol aldra en loomt daarbuiten,
die davert nog ter venster-ruit):
loope over 't uur het uur in eeuwige geboorte;
staêg maaz' de zee haar net:
ik eindlijk duik in 't eindloos duister van uw klaarte
gelijk een beedlaar in een bed.
En wake uw blanke blik, verstard in bang begeeren,
gelijk een dubble brand:
'k zink in uw haar; 'k brand aan uw hart; gij zult niet weren
den stempel van mijn slápers-mond.
Ik zet mij naast mijn naakte zuster:
zij draagt de merken, lam en fel,
van wat haar droever en bewuster
moet maken van haar norsche hel.
Zij heeft veel kinderen gedragen
in haren bleek-doorreepten buik,
en als van ongekende plagen
is hare borst verneêrd en sluik.
Hare oogen waren vochte spheren
'lijk de aarde blinkt van zonn'ge zee;
thans zijn ze tranend van ontberen
en glanzend slechts van koortsig wee.
Toch hangt zij me aan als zware trossen
beladen met den warmsten drank;
en 'k weet dat niets mij kan verlossen
van liefde en trots, van leed en dank.
Wij zijn allang, allang gescheiden;
nooit danst haar lichaam door mijn droom,
hoe zij moog' hunkeren en beiden,
en hoe zij bidde, en hoe zij schroom'.
Maar zie: van de allerwreedste mannen
heeft zij den wuftsten lust gevoed,
en op hun nukken blijft gespannen
het kloppen van haar pijnlijk bloed.
Zij draagt in zich het zekerst teeken
dat ik me aldoor tot jeugd herbaar,
en hare lippen zijn de kreken
waar 'k eens mijn moer'ge moeheid gaêr.
En 'k hoop dat ik, ten laatsten dage,
een gier'gen God de dierste buit,
niet naar de hand zal moeten vragen
die, zonder wrok en zonder klagen,
me op mijn berooidheid de oogen sluit.
o Blik vol dood en sterren,
o hart vol licht en leed.
De dag is spijtig verre;
de nacht is hel en wreed.
Mijn mond vol wondre smaken
dien géene vrucht verzaadt.
Niemand, o hunkrend waken,
die langs mijn venster gaat...
Wij zullen nimmer wezen
dan Godes angst'ge weezen.
- God, laat ons waan en schijn
dat we Uwe weezen zijn.  |