Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - God aan zee I
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)


I God aan zee


Doop van den bedelaar


 Wij heffen in dees heil'ge vonte 
 naar Uwen schuinen blik, o God, 
 dit Kind dat, blank en ongeschonden, 
 van onze liefde en onze zonde 
 ten zoen U weze, en ten gebod. 
   
 Zijn moeder zou 't mij smoorlijk schenken 
 met, schriklijk, in 't gelaat gegrift 
 de teeknen van mijn loenschen drift, 
 zooals 'k haar moest met leugen drenken 
 van pijnlijk vleesch en schittrend schrift. 
   
 Zij droeg het in haar ronde flanken 
 gelijk 't heelal zijn bollen draagt; 
 zijn klop in haar was als hun wanken; 
 en van ons bei was k de kranke 
 die beeft en om verlossing vraagt. 
   
 En toen 't uit haren smart geboren 
 bij halos van haar dankbaarheid, 
 stond ik gelijk een wees verloren 
 waarvan geen menschen-hart zou hooren 
 hoe hij om doode moeder schreit. 
   
 En 't lag in zijne wolk'ge kribbe 
 wonder-verlaten, rood en schraal 
 gelijk een late, draal'ge straal, 
 of, aan een levens-moede lippe, 
 een schemer-kleurige adem-haal. 
   
 Maar neen, o God: het lag te blinken 
 zooals bevrijde oneindigheid; 
 zoo ziet men U den avond drinken 
 ten zoom der zee en 't zonne-zinken 
 als aan een beker dien gij bijt... 
   
 Ds zagen we uit ons reeuwsche geuren, 
 uit woeste liefde, uit norschen geest, 
 zich dit onnoozel kindje beuren. 
 - Thans staan we, God, aan Uwe deure 
 gelijk de hond die slagen vreest. 
   
 Zult Ge er de loome rust van wasschen 
 en 't hunkren om 't beminde wee? - 
 Het doode water van de sassen, 
 dik-blikkerend van gist en gassen, 
 bereidt ter zuivering der zee. 
   
 Zult Gij het uit den doem verlossen 
 van ruimte en dorst, van walg en tijd? - 
 o Kreet van wien de baren drossen, 
 en kleuren met steeds nieuwe blossen 
 om steeds herhaalde mooglijkheid. 
   
 Zult Gij 't uit weifelen en wikken, 
 uit dom verschil dat hoopt en doodt 
 tot Uw gevalligheid beschikken, 
 o Schutter die, na 't oolijk mikken, 
 in 't eigen oog de wereld schoot? 
   
 Bewuste Veger der woestijnen, 
 vroed Zaemlaar van het vol gevecht: 
 zal 't in een grijze legheid kwijnen, 
 of zal zijn aanzicht lichtend schijnen 
 aan een veroverende plecht? 
   
 Wij zijn de Vader en de Moeder; 
 wij hebben Uwen wil gedaan 
 bij schreeuw en zweet, bij wrok en traan. 
 Zult gij ons wilder en verwoeder 
 gaan make' om een gerechten waan?... 
   
 Maar neen: ons, armen, zult Gij teistren 
 met deemoed, dankbaarheid en rouw; 
 ons wordt de vre, bij buigend peistren, 
 van 't vee dat, maetlijk van gekouw, 
 geen wolken kent dan aan haar schaaw. 
   
 Wij zullen, moede, nuchter worden, 
 na al den drift, na zelfs het leed 
 dat als een wroeging 't brein ons beet. 
 Er is geen zegen dan in de orde; 
 loon gaat naar wien te zwijgen weet. 
   
 Dit kind, geheven in Uw vonte 
 tot bittren zoen, tot wrang gebod; 
 dit wichtje, bleek van onze zonde: 
 Gij hebt het aan ons lot gebonden 
 als een profijt'ge straf, mijn God. 
   
 Doch - niets kan ons den droom onthouden 
 die de' allerijlsten nacht doorglanst, 
 waarin het blijde blinken zoude 
 zooals het luchtig kaf dat, gouden, 
 van uit den wan ter Zonne danst!
Naar boven

I De heete asch

'k Heb mijne nachten meer doorbeden dan doorweend al wemelt twijfel in de opalen van mijne oogen; 'k heb in mijn leven meer geloochend dan gelogen, en ziet: de bitterheid ligt om mijn mond versteend. o Gij, die morgen om mijn laatste bed gebogen, u voor het raadsel van dees ziele hebt verend: uw zucht trilt door een ijlt die gij vol wisheid meent en mijn gebrek aan smart vervult gij met medoogen. Of ik genieten wil dan of ik lijden mag: ik wacht op tranen in de dorheid van een lach en 'k vrees mijn tand waar hij de lippe Gods zal bijten. Ik ben de lafaard die, voor eigen vreugd bedeesd, zich-zelf van alle paradijzen heeft verweesd, en 'k voel me schoon alleen waar 'k beef voor zelf-verwijten.
Naar boven

De nacht, de zwoele nacht heeft me als een wijn bevangen. Terwijl een schijnen-rijke w mijn brein omwindt komt uit de diept geen dageraad mij tegenlangen, omvangt me een woel'ge duisternisse die mij bindt. Ik ben geen bake; geen verwijlen, geen verbeiden; geen duizeling van hoop, geen duizeling van dood. Ik ben alleen, bij holle ontstentenis van lijden, ik ben niet meer dan lijdelijk een moeder-schoot.
Naar boven

Gelijk een hond die drentlend draalt en druilt om eigen vuil, beruikt met schroom'ge teugen... - Waarom uw avondlijken vre bevuild met slijk van derf verleden, o Geheugen? Gelijk de vogel die zijn woonst beslecht met peerlen bloeds, door de eigen pluim te plukken... - Waarom, waarom uw beeltenis gerecht uit leem van leed, vereeuwigend Verrukken? Ach, diepte huilt en ijlte is hoogste kim; begeert moet zich aan onmacht vergewissen; en alle liefde is lammer dan de vin van doode visschen.
Naar boven

Harde modder, guur krystal: in mijn naakte woonste rijk en arm aan niets en al, ben 'k de ziekste en schoonste. Huis dat afsluit en dat kijkt: hart dat, onbewogen, hoort de zee die wast en wijkt vor verzdigde oogen. In geen spiegel, gruwvol-el, 't beeld van een begeeren. Al de beezmen zijn te veel om den grond te keeren. Ziekste en schoonste; - neen: zelfs niet de armo van te weten dat u niemand lijden ziet, en de schoonheid u verliet waar gij roerloos in uw Niet waart gezeten.
Naar boven

Een vrucht, die valt... - Waar 'k wijle in 't onontwijde zwijgen, buigt statiglijk de nacht zijn boog om mijn gestalt. De tijd is dood, omhoog, omlaag. Geen sterren rijgen haar paarlen aan 't stramien der roerelooze twijgen. En geen gerucht, dan deze vrucht, die valt. Een vrucht. - En waar ik sta, ten zatten levens-zoome, vol als de nacht maar even stil; blind als de lucht hoe rijk ook aan 't verholen licht van mijne droomen, voel 'k - loomer dan in 't loof der luidelooze boomen een vrucht die valt, - mijn hart, gelijk een vrucht die valt...
Naar boven

Ik heb mijn zuiver huis gevuld met al de teeknen van mijn schuld; mijn vrouwe zou verdonkren in 't schroeien van mijn helsche licht, en mijner kindren aangezicht zou van mijn zonde flonkren. - Gij toont mij hoe het linnen blinkt en hoe voor 't venster hinkepinkt (o huislijkhen) een meeze, gij mijne vrouw;... maar in u bijt om mijne norsche heimlijkheid het kloppend hol der vreeze. En onze kindren, - zie, ze zijn gelijk een vat te vol aan wijn: zij gsten; en hun schouders, van loochnen strak, van wil doorwoed, zijn als de tafelen der boet' van hun verduldige ouders... o Wee die voeden, en wier hart in sloopende eenzaamheden mart; die de eigen liefde ontkennen om vrees der vrouwe, om bronst huns zoons, en aan hen-zelf van 't mes des hoons Gods aangezichte schennen.
Naar boven

Ik droom uw droom; gij droomt mijn droom. Wij beiden we zijn alleen door ruimte, alleen door tijd, we zijn alleen door wrok of vrees gescheiden. Maar 'k weet dat gij moet lijden, daar ik lijd. De dubble vaart van uwe hooge beenen, de dubble zon van uw gescheiden borst: gij zijt niet henen want ik ben niet henen; uw holle mond droogt van mijn heeten dorst. En ik, druk ik mijn vuisten in mijne oogen, elk oog zal branden als wanneer uw zoen tot eigen klaart hn klaart had aangezogen, hoe 'k ze ook alleen op ijlt zal opendoen... Gescheide' in 't uur, gescheiden in de wijdte gelijk de zee van 't zwerk gescheiden ligt. Maar steeds zal 't zout mij van w drift doorbijten, steeds blijft gij huivren van mjn heerschers-licht.
Naar boven

Diep aan uw hart, diep in uw haar te zullen slapen, o duizel-zwarte vacht; uw kin een kegge klaarte op mijn doorpraamde slape; ik, eindlijk, naar mijn zekren nacht; uw adem die uw rug beweegt en die mijn bloote, mijn open voorhoofd schroeit; maar mijn bewegend oog dat, op uw licht gesloten, als een bewogen roze bloeit; mijn oog, dat, trager, dra zijn open licht zal sluiten gelijk een roos zich sluit; (de zonne-dag is vol aldra en loomt daarbuiten, die davert nog ter venster-ruit): loope over 't uur het uur in eeuwige geboorte; stag maaz' de zee haar net: ik eindlijk duik in 't eindloos duister van uw klaarte gelijk een beedlaar in een bed. En wake uw blanke blik, verstard in bang begeeren, gelijk een dubble brand: 'k zink in uw haar; 'k brand aan uw hart; gij zult niet weren den stempel van mijn slpers-mond.
Naar boven

Ik zet mij naast mijn naakte zuster: zij draagt de merken, lam en fel, van wat haar droever en bewuster moet maken van haar norsche hel. Zij heeft veel kinderen gedragen in haren bleek-doorreepten buik, en als van ongekende plagen is hare borst vernerd en sluik. Hare oogen waren vochte spheren 'lijk de aarde blinkt van zonn'ge zee; thans zijn ze tranend van ontberen en glanzend slechts van koortsig wee. Toch hangt zij me aan als zware trossen beladen met den warmsten drank; en 'k weet dat niets mij kan verlossen van liefde en trots, van leed en dank. Wij zijn allang, allang gescheiden; nooit danst haar lichaam door mijn droom, hoe zij moog' hunkeren en beiden, en hoe zij bidde, en hoe zij schroom'. Maar zie: van de allerwreedste mannen heeft zij den wuftsten lust gevoed, en op hun nukken blijft gespannen het kloppen van haar pijnlijk bloed. Zij draagt in zich het zekerst teeken dat ik me aldoor tot jeugd herbaar, en hare lippen zijn de kreken waar 'k eens mijn moer'ge moeheid gar. En 'k hoop dat ik, ten laatsten dage, een gier'gen God de dierste buit, niet naar de hand zal moeten vragen die, zonder wrok en zonder klagen, me op mijn berooidheid de oogen sluit.
Naar boven

o Blik vol dood en sterren, o hart vol licht en leed. De dag is spijtig verre; de nacht is hel en wreed. Mijn mond vol wondre smaken dien gene vrucht verzaadt. Niemand, o hunkrend waken, die langs mijn venster gaat... Wij zullen nimmer wezen dan Godes angst'ge weezen. - God, laat ons waan en schijn dat we Uwe weezen zijn.


Naar boven

Karel Van de Woestijne
God aan zee II

Karel Van de Woestijne
God aan zee III

Karel Van de Woestijne
God aan zee IV

Karel Van de Woestijne
God aan zee V

Karel Van de Woestijne
God aan zee VI

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne
De modderhaven

Karel Van de Woestijne
Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne
Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne
God aan zee

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer

Karel Van de Woestijne
Een ster

Karel Van de Woestijne
Verzen

Naar Karel Van de Woestijne
Home


Van Nu en Straks

Vlaamse dichters
Overleden vr 1948

Nederlandse dichters
Overleden vr 1948


Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 31-12-2005.
Laatste wijziging: 08-10-2017.

E-mail: webmaster