Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - God aan zee II
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

II God aan zee

  De schurftige danser

 Ik kom alleen, bij nacht, in deze zee-stad aan. 
 Van uit den zoelen trein en 't zacht-doordeinde vluchten 
 ineens, pal, in de wervel-hoos der kille luchten 
 waarvan de zweepen gierend me in 't gezichte slaan. 
   
 De zwerken veg van licht, waar masten, ra's en touwen 
 de teeknen schrijven van onzeekre rust en reis. 
 Geen leven, dan de ronde wind die zwiert zijn zeis 
 en, verre, de am der zee bij zuigen en bij stouwen. 
   
 Ben ik de balling? Ben ik die het Leven zocht? 
 Ben 'k, wie zich-zelf ontvlucht, bewust van nimmer vinden? 
 Was 't de onmacht die mij dreef der al te zeer beminden 
 of droog de dorst van hem die nooit beminnen mocht? 
   
 Ik heb de kameren gesloten op haar geuren; 
 ik sloot de erinnring op de leugen van 't gedicht. 
 Thans: zwarter dan de nacht aan 't nachtelijk gezicht 
 waarvan geen scherpe maan het guur geheim komt scheuren. 
   
 - Ik kwam; ik kom; ik ken alre mijn eenzaamheid. 
 Verzoeking van de zee, reeds voel 'k u van me wijken. 
 En 'k luik mijne oogen, mo van in deze ijlt te kijken, 
 onzichtbaar, maar die mort en bijt.
Naar boven

Over de zee hangt matelijk te tampen een zoele en droeve klokke door den mist. De dag is zonder klaarte en zonder lampe. Hij, die zijn hart bezit, weet wat hij mist. Een stemme galmt, en ieder loopt verloren. Ik loop alleen. En 'k weet dat duizend zijn die naast me dragen door te dichte smooren 'lijk al te volle teilen melk hun pijn. Ga niet terug: gij zult den weg niet vinden. Gisteren, morgen, en eenzelfde klacht. De mist-klok zingt onzichtbaar-manend in den dag-witten nacht.
Naar boven

De zee wacht. Maar ik doe mijn deure dicht. Het grollend tij, dat stuwend stuift in vlokken, en schuivend de ebbe in recht-geschilferd licht ontvangt mijn luim op mokken en op hokken en de' effen wrok van mijn gezicht. Dag; nacht; gewoel der heemlen; zee die praamt; gelaat der aard dat barst van innig branden: ik voel uw koorts ter legte mijner handen; het is in u dat mijn verlangen amt; maar 'k loochen u tusschen mijne tanden. 'k Heb u genoten. En 'k heb u gedorscht opdat na licht en schaaw, na graan en zemel, ik 't baatloos glanzen kenn' van ijl gewemel. Thans ben ik, in de ontstentenis van dorst en honger, geeuw van zee en hemel. Want ik ben naakt van klaarte en naakt van 't git des sterren-nachts, ik die weleer zou rijden, een rustig ruiter, op de maat der tijden. Thans zwelg ik, in 't steeds meer beperkt bezit der schemer-woning van het lijden. Bedwelming van het ter-gekoesterd wee: ik weet, 'k heb eindelijk me-zlf betreden. 't Verlen ommuurd; van drab omwald het heden; geen wegel; en ter deure alleen de doove bede van wie daar leed nog meer dan 'k le.
Naar boven

o 'k Weet dat ik, onttogen aan 't orkaan van donkere aard-spelonk, eens kwam te staan als boven gif-moerassen eene vlam, gelijk een vlam boven den moeder-grond: den nacht onttoge' en die te lchten stond. - En 'k heb gedanst gelijk een vuur-kolom; ik ben van weelde een vuur-kolom geweest die vierde van haar macht'ge laai een feest, aldaar ze 't al vermocht te maken licht in 't eigen vuur van 't al-terend gedicht. - En 'k weet: 'k heb eigenmachtig als de zon, 'k heb zonder reden, dan omdat ik ws, gedanst gelijk de volle zomer-zon, door 't zuil-gewemel van het lorke-bosch. Van elken boom zoo heb 'k een toorts gemaakt, een goud-metalen staf die flakker-blaakt, die schoon was van mijn gloed, en 't niet en was als ik net zijn en wilde 'lijk de zon door 't zuil-gewemel van een lorke-bosch. Ik weet mijn eigen schoonheid: dat ik, bron van alle schoonheid, schoonheid wekken kon; en zelfs dat ik mijn schoonheids-plicht volbracht gelijk een kind onschuldig, en dat lacht... Maar neen...
Naar boven

'k Heb noodloos door den bom geboord een wortel, ter geheimste waetren: nooit bloeit een tak uit mij, noch hoort de wind het trillen van mijn woord door 't hoog gebladert schaetren. Ik ben geen koninklijke bij gevangen in haar vruchtb're celle; want nimmer zwaait een vreugde uit mij de nijvre zwermen die, te Mei, de ruit'ge raat doen zwellen. En 'k ben den rechten weg gegaan, den afgrond tegen van 't ontzeggen. Er s geen afgrond. En mijn waan wou nu maar liefst wat slapen gaan en lam ter rust zich leggen.
Naar boven

Gij zijt de hond niet aan de deur van uw geluk. Gij kent geen honger dan naar steeds-gescherpte zorgen. En, bij het weiflen aan een ongeboren morgen, schiet gij de luchters van uw schoonste weten stuk. Hoe de armo van een weew uw medelijden borge; hoe de ele glimlach van een kind uw vreeze smukk': gij blijft op uwe vreeze als op een liefde tuk en zult uw medelij'n gelijk een basterd worgen. Gij weigert, daar gij vraagt. Gij kent geen grooter vreugd dan voor de felste wonde op Godes rots te knielen, ontuchtig aan uw lijf en tuchtloos aan uw ziele; dronkene aan legte, die geen zatheid kennen meugt tot aan den dag der straf dat God u van zijn lanse zal porren, tot gij wer en goddelijk zult dansen.
Naar boven

Uw eenzaamheid? Gij zijt als die wolvin. Zwijmlend van honger, en van moederschap bliksmen-verblind en 't ingewand doorflitst, heeft, bij de trill'ge guurt van winter-nacht, in 't gladde leem van een doorweekte sloot, deze wolvin, al hare tanden bloot, geworpen zeven jongen, schicht aan schicht. En in den nacht heeft niemand haar gezien, en geen geluid is in den nacht van haar. Zij ligt. Zij beeft. Traag likt ze hare wond. Maar in een verre wijdte, de einders rond, op elke hoeve snuift, aan 't eigen hok geketend - en ze snokt haar kele toe -, snuift teef aan teef den geur dier moeder op. Haar kranke weelde schiet de flanken door; begeert dooradert de oogen; dof gemor wordt huilen, hoeve aan hoeve, vert aan vert. Zij liggen aan den band. Har lijf is hl... - Uw eenzaamheid? Werp uwe kindren, gij!
Naar boven

Nimmer zult ge 't licht beletten, bij den nieuw-geboren dag 't zee-gewemel uit te zetten tot een eindloos sterren-rag. Nimmer zult ge 't leven weren, of een vogel raakt uw ruit die van hongerend ontberen maakt een zoet en schoon gefluit. Nimmer zult ge liefde ontkennen, of uit de oogen van een kind zult ge in angst en armo kennen dat ge u-zlf te zeer bemint. En gij zult uw lijden moeten leeren smaken als een vrucht waar, gerijpt, elkar ontmoeten, zwaar en louter, aarde en lucht.
Naar boven

En hoor uw hart: hoort gij uw hart niet slaan? Dar is de maat waarop uw dagen dansten. Niet wen gij waart met weelden overlan of dronken van een overmoed'gen waan, stond ge in de rei die blij den tijd omkranste. Brandde in uw brein al 't lijden dat het droeg: leg op uw hart uw hand, en gij zult hooren al de geheimen die, nog ongeboren, zich voede' als aan een aren-zware voren gesneden door uw pijne, o klare ploeg. Niet gj beschikt de zwaarte van de schoven en buten u wordt alle zaad gekeurd. Tracht in u-zelf berustend te gelooven, aldaar ge uw hart, aldaar ge uw bloeme beurt, indachtig dat geen roos in de ijlte geurt.
Naar boven

Schaduw in den schaduw zijn en zich-zelf vergeten, - was daar niet van de oude pijn nieuwe bete. Zwijgen, 'lijk de zonne zwijgt in de rechte halmen, - hijgde niet 'lijk storrem hijgt lijdens galmen. Heel mijn lijf is droef en trotsch in de smart geklonken. - Gij, o God, klets uit de rots eindlijk vnken.

Naar boven

Karel Van de Woestijne
God aan zee I

Karel Van de Woestijne
God aan zee III

Karel Van de Woestijne
God aan zee IV

Karel Van de Woestijne
God aan zee V

Karel Van de Woestijne
God aan zee VI

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne
De modderhaven

Karel Van de Woestijne
Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne
Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne
God aan zee

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer

Karel Van de Woestijne
Een ster

Karel Van de Woestijne
Verzen

Naar Karel Van de Woestijne
Home


Van Nu en Straks

Vlaamse dichters
Overleden vr 1948

Nederlandse dichters
Overleden vr 1948


Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 30-12-2005.
Laatste wijziging: 09-10-2017.

E-mail: webmaster