Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - God aan zee III
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

III Verzoeking van God

 Wij zijn nog niet genezen van onze oogen: 
 verdeelde schoonheid die gescheiden ligt 
 in klaarte of duisternis, en, zwaar of licht, 
 aan weelden rijk, door niets zijt opgetogen 
 naar de opgeloste zuiverheid van 't Licht. 
   
 Wij zijn van onze handen niet genezen 
 die hare koelte gretig warmen gaan 
 aan al de vaste vormen van den waan: 
 vergeefsche hoop, eens vol aan ijlt te wezen 
 en onbeweeglijk in 't ontberen staan. 
   
 Wij zijn nog niet van reuk, noch zijn van ooren, 
 wij zijn nog niet genezen van het woord; 
 wij snuiven de' am uit de omgedolven voren; 
 een vrouwe-stemme komt ons hart bekoren, 
 waar de eigen klank als wijsheid ons bekoort. 
   
 Wij zijn nog niet genezen van de wake; 
 wij zijn nog niet genezen van den slaap; 
 geneuchte!: een doornen-roze om onze slaap;... 
 - gebondnen, tot de dood genieten slake 
 en, overtuigend, ons de zonde rake 
 die van haar vuur ons lippe zuiver make: 
 o Goddelijke wrake! 

Naar boven

'k Ben hier geweest, 'k ben daar geweest, 'k ben aarde en heemlen naar geweest, en - wat heb ik gevonden? Geen fakkel feller dan mijn licht; geen spiegel voor mijn aangezicht; geen zalve voor mijn zonde. Eens bood 'k me-zelven 't lief genot van eene tafel zonder God. - Het zout der zee gedronken, het zout der aard doorbeten, was 'k die bij het maal der eigen asch heb 't eigen bloed geschonken. Hoe lange duurde wel dat feest? Gij zijt de laatste gast geweest, Dood: uw verwonderde oogen, Dood: uw volstrekt-genaaide mond verwezen 't hoofsch-gebon verbond met mijne zatte logen. Toen mest ik wel op tochten uit naar overdrachtelijken buit, o hongerige Jager! En mijne huid, van vorst doorkeend tot op de kilte van 't gebeent, glansde geraamtlijk mager. En - 'k ben hier geweest, en 'k ben daar geweest, 'k ben helle en hemel naar geweest. En wat heb ik gewonnen? Geen duister schooner dan mijn licht, en mijn gezicht, mijn graauw gezicht, 'laas!, nog de schoonste zonne...
Naar boven

Eens groeit een boom uit mij, en 'k weet denwelke. Terwijl mijn vleesch in lijmig vocht vervloeit draagt hij, als gulden kandelaren, kelken waar, in den killen daauw, Gods ooge gloeit. Maar, zoo daar englen zijn (en steeds houdt wake een krans van englen om den donkren tronk,) die zich ter kelken laven, zie: zij smaken de rotheid van mijn vleesch in hunnen dronk.
Naar boven

Wat weet gij van kwetsuren, die niets en moest verduren dan, lollend, stamp of stoot? - Ik kwispel van de kuren, mijn leven door, der Dood. Ik ben, die draag mijn smarten als kostelijke parten die 't listig lot me speelt, en die, om 't lot te tarten, niet huilen zal, maar kweelt. Ik ben, gebenedijde, die koestert 't bloedig lijden dat heel zijn vleesch doorrot, om 't, hooploos schier, te wijden aan 't weigeren van God. Want heeft Hij mij verwezen, met pijne in poot en peeze, met kilte in lende' en len, als bij geboorte een weeze op een verlaten steen; want zou Zijn wil mij plaatsen als laatste der melaatschen op den verlaatsten kei: ng zou ik mij niet haasten te weiflen tot ik schrei. Waar 'k immers, rotte pure, (wat weet gij van kwetsuren?) trotseer de felste proef, tot dat ik van verduren dien guren God bedroef, dien guren God bedroef.
Naar boven

'k Zit met mijn lamme beenen in de assche van een stervend vuur. Ik bid; mijn vrienden weenen; en 't hangt mijn keel uit op den duur. Zal ik mij dan vervelen met langer Job te spelen? De schoonste lol, de liefste lol maakt op den einde dol. De schapen moet men scheren en de ezels moet men slaan, ja slaan. Zoo wil 'k, in alle zeere, mijn lamme beenen gaarne bran. Mits 'k U dan maar en geve het zout van dit mijn leven, en van mijn wrokkig offer, God, niet worde te eigen spot.
Naar boven

Handen, die van goeden wil, needrig-moede, zijt getuigen, - waar deze avond, rood en stil, daalt om dan en daalt om tuigen; armen die van goeden moed trillen gaat door warme spieren, - waar de laatste dages-gloed mijne ruite komt vercieren; - wer keer ik het duister toe van mijn huis en mijn gedachten; sluit ik op uw luister toe, Nacht, mijn eigen armo-nachten; en, waar ik u were-vind, Eenzaamheid met wijkende oogen... - o, te schreien als een kind, in zijn hoop bedrogen.
Naar boven

Het huis is rondom mij vol sletten en soldaten. Terwijl ik sta gelijk een blinde in 't volle licht, slaat, met de hitte van een haat, in mijn gezicht het kreunen van hun vreugde en van hun lijden 't blaten. Zij vollen 't huis; zij drommen alle gaten dicht, tot hun gedein gaat stroomen over plein en straten, en de avond blaakt van hunne laaiende gelaten, en de aard gaat dreunen van hun draaiende gewicht. Ze ontroeren in hun lijf Uw genegeerde kiemen, versmade God; - terwijl ik, meen'gen dood verzaad, in mij de glanzen poets van 't eigen dorre zaad; en Gij, mijn God, dit aanzicht kerft met al de vliemen die hun ontkennend schateren mij tegenslaat, en - mj den troost onthoudt aan Uw besmeurd gelaat.
Naar boven

Gelijk het gonzend bliksmen van motoren, waaraan een menschen-wil zich-zelven riemt, het ondoorgrondlijk-ijle wil doorboren tot waar 't den blik van Godes oog doorpriemt; neen, gelijk licht in licht: gelijk een kaarse zo karig, dat de zonne haar doorvreet van 't vroege groenen tot het late paarsen, maar die haar kleinheid onverdoofbaar weet; neen, gelijk karpers die ter dikste drabben wat leven gapen, tot de Dood ze treft die dn eerst, door de peerlemoeren schabben hun blonden buik naar 't waaiend lichten heft; maar neen, maar neen: 'lijk aarde en 'lijk metalen, verdicht bij dringe' en zuigen van 't heelal, worden verhole' en ongenaakb're stralen vergaderd in en trane van krystal; neen, dood stuk vleesch, vervloeid in logge beken of weeldrig bloeiend in een wormen-feest; neen, slechts dat vleesch, dat vleesch en arrem leken, en 't lage beest dat danst op 't hooge beest; neen, neen, o God (ik weet niet hoe te zeggen; ik weet niet, God, ik weet niet, maar ik zeg: God); gelijk de...
gelijk...


Naar boven

Karel Van de Woestijne
God aan zee I

Karel Van de Woestijne
God aan zee II

Karel Van de Woestijne
God aan zee IV

Karel Van de Woestijne
God aan zee V

Karel Van de Woestijne
God aan zee VI

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne
De modderhaven

Karel Van de Woestijne
Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne
Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne
God aan zee

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer

Karel Van de Woestijne
Een ster

Karel Van de Woestijne
Verzen

Naar Karel Van de Woestijne
Home


Van Nu en Straks

Vlaamse dichters
Overleden vr 1948

Nederlandse dichters
Overleden vr 1948


Homepage


Pageviews sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 30-12-2005.
Laatste wijziging: 09-10-2017.

E-mail:: webmaster