Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - God aan zee V
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

V God aan zee

Gij zijt een bloem, - en 'k ben allen met u, ten vroegsten uchtend, gij, een nuchter teeken. Naauw gaat de nacht op kuisch ontwaken bleeken; geen adem nog, die luw'. Nog ongeraakt de stolp der horizonnen. Slechts in het trilloos treuzelen, dat wacht op blanker welken van den tragen nacht, uw roerelooze zonne. Gij staat, en straalloos waezmend, o pateen; en, doet de dag u donkeren, mijn roze, ng staat ge in 't dage' aan eigen licht te blozen waar 'k sta, met u alleen; met u alleen die van uw blonden luister, gij blinde, een ongeweten zonne zijt; waar 'k van me-zelven lijd, ik, in het veilig duister.

Naar boven

Heb ik genoeg u lief-gehad, doorschijnend glas? - Nog dunner dan de daauw, nog heller dan het water dat uchtends mijne hand in uwen harden krater, o kelk, vergarend las: zoo draagt uw klaart haar vracht als een onzichtbare ijlte. Maar heft mijn hand uw koelt ten zoom van aarde en licht, dan haalt gij duizendvoud de zon uit hare steilte en welft naar u als naar een kim elk vergezicht. Gij vult met vinn'ge sterren u bij vollen dage; wankt mijne hand: een wei van diere' en bloemen wankt in uwen wand waar zelfs de zeen wiegewagen. Heb ik u lief-gehad? Ik heb u niet bedankt. Bedankt, 'dat ik aan uwe klare en simple koelte in mijne heete vuist de heesche wereld sloot; bedankt, 'dat dezen dooven mond uw zuivre zoelte den dronk van vele en onbegrepen liefde bood. Want moest aan u dees vreugde een nieuwen waan ervaren; Glas, smeet te gruizel u 't negeeren van mijn trots: ng zag mijn late spijt in elken schervel klaren, lang starend, de ooge Gods.
Naar boven

Zie, ik ben niet, dan uit Uw hand geboren, een appel die, gerijpt, Gij vallen laat. Mijn geur vulde eens een duistre honig-raat. Thans ga 'k me-zelf in de eigen vrucht verloren; maar 'k weet dat Gode niets verloren gaat. Ik ken het nut van bloeien en van sterven. Ik heb bedwellemd, God, en 'k heb gevoed. Thans ben 'k die, beursch-verdorven, derven moet. Doch Gj voorziet mijn eeuwig-daauw'ge verwe ten boom-gaard, waar Ge me eindloos geuren doet.
Naar boven

Wie mij wat bloemen biedt, en 't zoete weren van weemoed volgens liefde-rijk gebod: is zij mij minder dan het daeglijksch keeren der helle hemel-spheren in 't zker oog van God? Zijn mij die steeds-herhaalde en -nieuwe geuren wel minder, dan aan mijn vertrouwd gezicht het kallem en het koninklijke beuren, uit vochte en veer'ge veuren der zee, het zonne-licht?... - Wel word ik nooit het matelijke wikken (o gulden pols die door mijn ooren klopt) dat wijs bestieren zal en rijk beschikken: een vlinder die, bij tikken, zich wemelend ontpopt; maar worde ik dan, ter diepste en warmste korven, 't framboosken, onder alle vracht geplet, dat, kenen-rijk gekneusd en dood-verdorven, aan 't laatste bloed gestorven, den dag in geuren zet.
Naar boven

Wielwaal, die van rijpe kersen uwen rooden gorgel spoelt; ziele, die u-zelf te persen in den mond van God bedoelt; (want te worden riet ten tande die het zacht tot suiker bijt: speelsche en wijze vrucht, ter hande die de buit tot fluite wijdt); ... 'k sta in mijne diept geborgen, God, Gij die geen kersen zuigt, - kerse, ik, die als ene zorge, mond, naar Uwe bete buigt, mond van God...
Naar boven

Er is geen smart te groot voor ons: wij zijn te glanzend van geluk dan dat de roodste en felste wond' ons niet als eene roze smukk'. Het effen leven, - blank geweef waarop ons vreugde of ons verdriet, al naar een trage zorg ze dreef, de teek'nen stikten van een lied, - geleek bij beurt ons schacht of schicht die duister brast of blinkend klaart. Maar wij staan lichtend thans in 't Licht dat in zich diepte en hoogte gart. Er is geen nacht die wakend lacht, er is geen dag die open-slaat dan ons gelaat dat hoop-vol wacht, de teistring toe van Uw gelaat. En waar de stilte in 't hart ons bonst als teeken van een laatsten nood: 't is of de trommel van den Dood - o horzel die de zon doorgonst, - ten vrijheids-tocht ons noodt.
Naar boven

De dag schuift vor den Dag gelijk een lucht vol rozen. - Neen, blind uw blikken niet, want gij zult bljven zien door 't ijl gordijn van 't uur dat glijdt de prille, brooze vereeuwiging van wat gij nimmer kent, misschien. De zee verschuift de zee: haar diepte zal niet roeren. Uw blik is blikken-vol, maar luikt op zich allen de vlucht'ge schoonheid van ontgoochelend ontroeren, en gaat niet open dan op prismen van geween. Verstar uw pijnlijk oog op beelden die niet rijzen: een diamanten gruis dat heel den nacht verbrandt kan in de woeling van uw duister niets bewijzen dan, diep in u, een onbehouwen diamant.

Naar boven

Karel Van de Woestijne
God aan zee I

Karel Van de Woestijne
God aan zee II

Karel Van de Woestijne
God aan zee III

Karel Van de Woestijne
God aan zee IV

Karel Van de Woestijne
God aan zee VI

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne
Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne
Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne
De modderhaven

Karel Van de Woestijne
Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne
Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne
God aan zee

Karel Van de Woestijne
Het bergmeer

Karel Van de Woestijne
Een ster

Karel Van de Woestijne
Verzen

Naar Karel Van de Woestijne
Home


Van Nu en Straks

Vlaamse dichters
Overleden vr 1948

Nederlandse dichters
Overleden vr 1948


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 31-12-2005.
Laatste wijziging: 10-10-2017.

E-mail: webmaster