Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

Het berg-meer III

De zon ligt in mijn linker-hand


 De zon ligt in mijn linker-hand, 
 en zijpelt door mijn vinger-brand 
 van laag en logger bloed, in 't welkend westen, 
 op dak en doom, alover vout en veste. 
   
 De maan rijst uit mijn rechter-hand 
 en zeeft haar weemlend zilver-zand 
 alover wuiv'ge wake en schemer-weven 
 van 't graan, waar de aedmen, blaauw, van 't graan in beven. 
   
 Ik stijg al hooger uit het dal. 
 Ik weet niet of ik keeren zal. 
 Weldra zijn over alle horizonnen 
 mijn ongeziene blikken de een'ge zonnen.
Naar boven

Ik heb dit hooger oord gekozen tot mijn woon. De liefde is mijde en mat, het lijden moede en menig; maar dit is 't oord waar 'k in een klare baak vereenig het vuur van liefde en leed gelouterd tot een loon. Hier, waar de schuine schaal der deinend-trage dalen, ten wijden einder van de hemel-schale reikt; waar uit den mond des tijds, bij maetlijk adem-halen, de ontvangen hemel-vrede eene aarde tegen-strijkt; ruste der ruimte, waar van alle horizonnen de ziel in peis de woel'ge lijnen over-ziet: dit is het oord dat ruischt van rustelooze bronnen maar, effen als een stroom, breed naar beneden vliet. En 'k heb dit hooger oord tot mijne woon gekoren, verruimd van eenzaamheid, verrijkt van de' eigen dwang... - Hier recht aan klepper-wiek in 't weemlend uchtend-gloren de leeuwerik ter eerste zonne een zuile zang; hier, waar in 't zinder-zeil der lucht 't gebol der winden de macht des morgens joelend door mijn zinnen jaagt tot waar ze in 't evenwicht der middag-stede vinde gedegen wegen, en dat kallem wiege-waagt: hier rijst me, rijker dan de liedren van 't ontwaken waarin de leeuwerk haar gewiekten dank verkondt; hier rijst me, uit de' arrebeid in 't blinkend middag-blaken, de weelde tegen van den vromen menschen-mond. Maar niet in de ijlt der vreugde of 't streng geluk van 't zwoegen herkent de diepte mijner ziel haar weder-klank. Mijne armen zijn verlamd die mijne dagen droegen; mijn keel is luideloos van een te vroegen dank. Hier waar 'k, al-eenig, op den hemel sta geschreven, doch waar geen menschen-oog mijn heldre beeltnis zoekt; waar 'k, zuiver als een god, me galmen voel van leven, maar waar geen echo 't lied van deze lip verzoekt;
Naar boven

hier waar ik, als een lens van elke zon beslagen, vereenigd tot het vuur van alle zonnen, straal; doch waar ik, 't oog op 't vlak van 't berg-meer koel gedragen, zie hoe 'k als elste beeld al dieper de ijlte in daal: wat ik hier heb gezocht, wat ik hier heb gevonden, het is de schemer-schuur waar garve aan garve staat die, van mijn dure en warme weigerheid gebonden, haar harde zaad, en bateloos, aan de aar verlaat... - Zijn schoonste en derfste vrucht een dorren bom verlaten; om geene liefde zelfs de liefde van een traan; den mond geen mond; en geen verlangen andre bate dan dat geen wegels hooger sterven tegen-gaan. En - vrage van de vrouw die vreest om eigen wroegen; ach, aarzlend aaien van mijn kind dat niet begrijpt, - mijn lippen aan uw lippen, Licht, die niets en vroegen; mijn hart dat voor het bloed Uws harten 't lemmer slijpt.
Naar boven

o Vruchten-lege schaal, o flanken rijk aan reuken die heel den zomer draagt maar niet verzaden zult: ng komt een kopp'ge bij uw noodende ijlte beuken met hoornen hoofd en dom geduld. Ik ben 't gekorven hout waaraan geen trossen hangen, tot lucht verijld het hars dat uit de wonden droop. o Vruchtenlooze geur, wordt menschelijk verlangen ooit goddelijke hoop?
Naar boven

Ik weet: ik berg iemand in mijne woon. Neen: er verbergt zich iemand in mijn woon. Waar? Hoe? Er schuilt iemand in mijne woon. Mijn huis - gij kent het, - is van glas, en staat open altijd voor zon, in allen wind. Zo kon hij binnen dringen. Doch: wanneer? Waarom? Daar is iemand in mijne woon. Hoe komt het dat ik nimmer hem en zie? Mijn glazen huis is rond en zonder hoek, doorschijnend als een spheer is van krystal, en glansloos als een zeep-bel die vervloog, en als een mugge die verdween geluidloos. En 'k zie hem niet. Maar weet: hij is op en der stippen van de spheer; misschien op l de stippen van de spheer, en te gelijk. De spheer is ijlt. Hij is 't besef der ijlt. Omdat ik hem niet zie, spreek ik van hem met niemand. Het is duidlijk mij, dat hij zich hier verbergen wil, en niet alleen voor mij bij wien hij inwoont, maar nog meer voor anderen. Voor mij spreekt het van-zelf, al weet ik niet waarom, dat hij zich goed verduiken wil. Het gunt de warmte waar 'k mij koestren zal in zijn bezit, zijn ijverig bezit, in angstig zijn bezit, zijn duidelijk en donker-diep bezit.
Naar boven

Want zie: hij is geworden mijne vreugd, maar ook mijn vrees: ik vrag zijne onbekendheid. - o Huis, mijn huis, ik voel in 't weeldrigst uur u vol van hem, gemeten aan zijn mond. Waarom dan zijt gij mij bij wijlen leg, wepel van zijne dure aanwezigheid die onbevroed moet blijven? Ik weet dat nooit ik hem ontmoeten zal. Toch ben ik in een groot geheim verlicht van zijn breed, klaar, ontzaglijk aangezicht; al pleegt hij het te dragen in een mom van onverschill'ge luiheid, glad en stom, de dagen dat het nacht is over mij. - Ik weet (en 't is vertrouwd me en goed als God om denken,) dat ik spoedig sterven zal en dan zal drven sterven. Doch, ik vraag: zal hij allen dan blijven in dit huis, mijn huis alleen met hm? Want hij en gaat niet me met mij; ik weet dat hij niet me gaat, en met even-diep begrip. Waarom dan ben 'k bewogen van 't gevoel, 't gevoel van een doorwaakten nacht, dat ik hem ltijd bij me hebben zal, en - hoop! - dat hij geheel zich mijner openbaart in de ure dat mijn twee gesloten oogen hem nooit meer zien en mogen?...
Naar boven

Er komt iemand bij mij, dien 'k nimmer zag, en uit-der-mate vriendlijk, die mij zegt: Gij weet, ik berg iemand in mijne woon. Neen: er verbergt zich iemand in mijn woon. Ik zie hem niet, maar ben in hem begaan. Ik ken hem, en hij is mijn liefst bezit... - Ik durf niet zeggen dat die vreemdling liegt. Ik durf niet zeggen dat zijn gast de mijne is. Ach! ik durf niet zeggen dat hij niet bestaat, misschien. Want hij bestaat in mij.
Naar boven

Het is of alles nog gebeuren, of alles nog beginnen moet. Ik zie mijn oogen sterren beuren. De nacht verjongt mijn bloed. - Ik heb de taeflen der geschenken gekeerd, en van het laatste maal wat dankend leven kon gedenken. Toen zou de nieuwe nacht me wenken, verganende avond-straal. Ik zag mijn witte leden strekken ter koetse der ontwoelde kilt. De ontvangnis kwam mijn huivren dekken: ik had het niet gewild. - Ik had mijn laatste waan doorschoten: een vogelken van glazen goud aan schervelen uiteen-gespoten; en 't heeft mij naauwelijks verdroten, al werd ik ijl en oud. Doch, toen de nacht mij zou vermanen en de eisch van 't harde en strakke bed, toen heeft hij plotse bibber-tranen in zonnen omgezet. Ik lig op 't ijs der schouder-platen en scheuten der doorrilde kuit; maar, o mijn God, ik ben verlaten van bod en zoen, van zucht en bate, schepel van nieuwen buit. Het is of alles is vervallen, aan geur en klank vergangenis; maar 'k voel door mijne slapen schallen uw scheur, ontvangenis. Ik voel een pijn mijn lijf verstrammen, maar tot gewicht van klompen klaart; en mijne kaken zijn de kammen die mijn verhemelschte oogen dammen tegen den vloed der aard.
Naar boven

Het is of alles zal beginnen nu 'k blijde in ruimte en duur vervliet; mijn mond is open om te winnen ontstentenis van 't lied. Breede overvloed van wijze waetren, o mate van den wildsten wind, o vuur dat ronkt om niet te schaetren, o gonzende aarde, ik zam uw klaetren in mijne stilt.
Naar boven

Aarde, over-oude, ik ben van u gescheiden. De oog-appel van den nacht doordraait mijn hoofd; de geur verwaait der overkaauwde weiden; de tand verleerde 't raspen van het ooft. Diep onder mij verveegt de reep der wegen; geen fluistrend haspelen van huivrend graan en wuift den smaak van wassend brood me tegen; de blik der dieren is mijn blik vergaan. Doch, zal de alleene hemel mij bekijken: de holle spiegel van zijn glanzend oog en kan w wijde beeltenis ontwijken die de einder eindloos naar zijn curve boog. Ik kan niet openen, ik kan niet luiken het wtend zien van mijn gekeerd gezicht: 't uitspansel wordt het dal waar menschen duiken en elke ster een aarzlend menschen-licht. En hoe 'k belandde in streken zonder paden; waar 'k wade, naakt, in meren zonder strand: mijn wanen, aarde, dragen w gewaden, mijn ziel is blijde of droef van w verstand, beprkte! - En toch, en mocht ik niet verlaten een warr'ge wil die weigert en verlangt? De honig bloedt vergeefs aan alle raten; de vrucht is beursch die naar mijn lippe langt. o Zieke herder, zoude ik niet verzaken schapen der liefde en honden van den trots? Ik ben de zatte, en mijn gewilde wake is talmend wachten op den gallem Gods; maar, oude Moeder, 'k zoude u niet vergeten. Gij waart geboort waar ik me-zelf uit baar; gij waart de diepe schoot van 't rijzend weten; gij waart het beuren van mijn hoofd-gebaar.
Naar boven

Van u gelijk de zee van u gescheiden, ben 'k ebbe-en-vloed die door uw adem streeft, maar 'k weet hoe 't geurend glanzen der getijden over 't gelaat van tij, van wijke leeft. Gewielde en will'ge wentling der seizoenen, ijs-zwaart der peer als zonne-dans van 't kaf; mijne aarde, wisslend teeken van verzoenen die waart het Paradijs en wordt het graf: gij wordt het graf den dankb'ren derver, die men zal bergen, onbewogen, in uw schoot, om dar voor aarde en hemel wer te ontkiemen tot dubbel leve', o brooze, o vruchtb're Dood.
Naar boven

Nog vor de glans van een dagen beglijdt en wascht mijn gezicht, voel 'k over de waetren geslagen schamp-schichtige scheuten van licht. Aan den broozen boog van de bronnen, op de koele kaalt van het wad, schiet een klaarte, uit diepten geronnen, in schervelen opengespat. Nog komt geen morgen verbleeken de wake der ochtend-be: reeds blanken de bibbrende kreken en het logge ontwaken der zee. Ng kroest geen kreevlen de zwaarte der woelige hemel-vacht: reeds welft het water een klaarte den navel uit van den nacht. - Gestegen, ben ik gebleven de bezwaarde van goud en lood. Is vloein dan 't eenige leven? Is al 't gedeegne de dood? o Wateren zonder gedenken, o wateren zonder waan die de stegste korsten zult drenken tot ze zelf in waetren vergaan; o waetren waar alle verstarren in eigen vernietigen zakt, tot de ziekte van willen en marren in effen lichten vervlakt; verzijpe, o waetren, de schorre: zij bevestigt het teeken der baar, en gij laat geen gelaat verdorren of het blijft van uw weemlen klaar,
Naar boven

gelaten, o duizend gelaten, tot hetzelfde Gelaat gewijd omdat ge, woest of gelaten, de dracht van het Eene zijt... - Want, zee die uw zang uit het zaemlen van huivrende beken won; en meren die blinkt van den schaemlen en duisteren blik eener bron; geheele water der nachten aan dit neigende grasje verdicht; en moerassen die ligt te wachten op zijgen in dieper licht, o zwijgende waetren der poelen die, gezogen ten donkersten bom, zich rijzend gaan rijpen voelen in de aderen van den boom; - - want: geen wateren zullen sterven dan in 't barsten, bral, van een bot. En zoo zal ik het leven niet derven dan als roze in de ooge van God.
Naar boven

Thans gaan de wateren den hemel kleeden in 't peerlen-vonkig waezmen van haar klaart. Ik lig. De dag en ik zijn vaal. Mijn leden zijn log en strak, maar wriemelend doorreden van jong de vuren der ontwakende aard. Nog rilt geen zucht door ijle hemel-pijpen. Vlakke effenheid bereikt vlakke effenheid in de onbewogen ijlte van den tijd. Maar roerend voel ik rommelen en rijpen 't geronk der aard dat door mijn schonken rijdt. Mijn nachtelijke wangen gaan bekoelen: mijn rug verrijkt de holte van een spond', en 'k lig als zonk ik, zompig, om te voelen een naauwe warmte om mijn gedaante zoelen als aangezogen door een liefde-mond. Gezegen in uw weeke en woelige armen, Vuur, voel 'k in mij de ziekte van uw zoen. Mijn aangezicht gaat zich aan 't Licht verarmen; maar we wanden gaan mijn wanden warmen die mijne wakende oogen lachen doen. - Ik weet: ik zal geen menschen meer ontmoeten aan 't zilt of zacht getuur van blik in blik; ik kneus het lijf des doods bij mijne voeten, en 'k zal het lokkend leven niet meer groeten bij greet'ge vraag of 't danken van een snik. Geen beelden meer die vangen en verteren: o schonkige aard die worstelt, zwaar van goud; Sireen'ge wateren die blinkt van zout;... - w gloed om de assche-zelve te verteeren, Vuur, machtig Vuur dat me in Uwe armen houdt;
Naar boven

zlf vuur, als vuur zich naar 't heelal te welven; tot daad geboren uit de laatste pijn, zwellen in tongen die mijn woorden zijn; neen: als het vuur verzaken aan zich-zelven om zich in louter klaarte te bevrij'n; en om de klaarte-zlve te verzaken, niet als wie klaart tot duisternis ontgint en te verliezen wat hij vurig wint; neen: aldoor sterven om aldoor te ontwaken in Wat niet eindigt daar Het niet begint.
Naar boven

Me-zelf voorbij; me-zelven tegen... Hoe zijn me wonderbaar de wegen die 'k nimmer en betrad, en kn. Wie richt de teen die gaat; wie gaat er de baan die 'k van geen teen en schen?... - Mijn bloed is dunner dan het water, en 'k weet niet of ik ben, en 'k bn. Wie heeft den droom der kranke sponde geslaakt, en aan hem-zelf ontbonden? - Een blik is, die mijn blik ontsloot, en de gezondheid van mijne oogen ziet wer de wereld blank en bloot: wij zijn aan God nog niet bedrogen; wij zijn der Liefde nog niet dood... - - o, 't Oude reiken en bezwijken! Nooit zou de vlerk haar vlucht verrijken en de en'ge loomheid was haar loon. Gij zoudt u-zelven 't leven leeren, geduldig-ziek en vlijtig-schoon. En gij zoudt gaan. Maar gij zoudt keeren, en vondt geen vriend en vondt geen woon. Toen zoudt gij vriendschap dank betalen met wrok; gij zoudt een woonste halen waar nooit een huis van handel gonst. En te uwen rugge zouden branden, tot merk van nooit-gebluschte bronst, deze aard, dit vuur; en uwe handen zijn aller wateren verslonsd. Gij waart verzopen en ontbonden; gij waart de buik der doode honden die lucht uit moer en modder hescht. Van aarde en hemel gloed en gallem, hebt ge u te zeer aan waan gelescht: het lemmer brak in uwen pallem; ge omsluit nog altijd het gevest.
Naar boven

En 't wijze meer zou u niet loonen, waar zelfs geen wuiv'ge wieren wonen of 't ruischen van een luistrend lisch. Gij zoudt uw eigen beeld ontberen in de ijl-gekeerde beeltenis, en dat ge allen waart zoude U leeren hoe de eenzaamheid geen weelde en is. Want geen ontstentenis zal baten die de eigen-liefde niet kan laten in de elste vuren van 't bezit. Wt winst, dat, bloem der elementen, ge als 't bloed aan Godes lippe zit, waar ge in uw dicht-gesloten tente niet dan om de eigenste armo bidt?... - - Maar Licht, o Licht! Ik ben geheven waar nimmer-meer nog beelden leven. Ik ben het zekerst zijn ontgaan, daar alle winst is bij verliezen en elk verlies verzamd ontvan. 't Vergloeid krystal is vloeind vriezen, en elke dwaal-spoor is de baan me-zelf voorbij, me-zelven tegen... Hoe zijn me wonderbaar de wegen die 'k nimmer en betrad, en kn. Wie richt de teen die gaat; wie gaat er de baan die 'k van geen teen en schen? Ik ben in de ijlte de ijlt die 'k, later en later, niet en ben, en ben. Zoo zeg 'k adieu: ik ben geboren in 't onverdeelbaar Niet van 't gloren. Een blik is, die mijn blik verwijdt, en de gezondheid van mijn ooren is der vervoldste stilt' gewijd. Wij hebben God nog niet verloren. Wij zijn alleen ons eigen kwijt.



Naar boven

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne - Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne - De modderhaven

Karel Van de Woestijne - Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne - God aan zee

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer (bloemlezing)

Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters - Overleden vr 1946

Nederlandse dichters - Overleden vr 1946


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 21-12-2005.
Laatste wijziging: 06-02-2016.


E-post:: webmaster