Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

Het berg-meer IV

 III De voedster


 Geur van het reeuwsche beest; geur van de beursche vrucht; 
 geur van de zee; geur van eene aarde zonder lucht; 
 - ik ben de late; ik ben de slechte; ik ben de dwaze; 
 ik ben de zieke hoop waarop geen hoop zal azen.    

 Ik ben de laatste peer in de ijlte van den boom. 
 Ik ben allen ter killen herfst, en ik ben lom. 
 Ik ben geboden nood; ik ben vergeten have; 
 ik ben de zwaarste en rijpste en zal geen kele laven.
Naar boven


Gebogen, ach, gelijk de nacht gebogen, dees rijpe borst die klopt van harte-bloed. Traag gaat een wereld blanken in mijne oogen dien 'k niet en voed. Een zee van kindren blankt in mijne blikken die 'k, vol van melk der zorge, nimmer zoog. 'k Ben liefde alleen aan diep-gesmoorde snikken en hunker-oog.
Naar boven


Ik ben geen wakkre lente of een gezwollen zomer; 'k ben later dan de herfst die huiverend verzijpt; ik ken 't gewrocht niet van den buik die, loom en loomer, bij harde stampen voor een helder baren rijpt. Geen kinder-mondje lacht bij 't spelen van mijne oogen, en 'k sluit mijne oogen op den dankb'ren avond-brand. Maar 'k heb een hart dat blankt om weigerend medoogen en lang-verzaakte logen van zoenen op mijn wang en rozen in mijn hand.
Naar boven


Ik ben de hazel-noot. - Een bleeke, weeke made bewoont mijn kamer, en die blind is, en die knaagt. Ik ben die van mijn zaad een duisternis verzade. En 'k word een legt', die klaagt noch vraagt. 'k Verlaat me-zelf; 'k lijd aan me-zelven ijle schade. Ik ben 't aanhoudend maal, in een gesloten kring, van eene domme, duldelooze, ondankb're made. Maar raak' de vinger van een kind me, dat me rade: hij hoort mijn holte; ik luid; ik zing.
Naar boven


'k Heb mij verlaten aan de druif en aan de roos; 'k heb me aan mijn fierste bloed, 'k heb me aan mijn ziel verlaten; en - ben 'k de wepele? Alle gave is eigen bate waar alle liefde is bateloos. Ben 'k de vergeten lege en dien geen loon zal wachten? - Ik vol het uur met geur, ik vol het hart met wijn; en, zal 'k voortaan alleen de laatste naakte zijn: mijn naaktheid wordt de klaart der nachten.
Naar boven


'k Verzoek de zee, 'k verzoek geen aarde en hare vruchten dan als het donker zwerk vol donderend geruchten. 'k Verzoek geen ongeziene ruimte, noch den tijd dan, verre en vroom, gelijk een vrage in eeuwigheid. Maar 'k weet: ik schater aan de zee; ik ben de zegen der plassende akkers aan den daver van den regen. 'k Ben naauwelijks de blik die wemelt en die gaat; maar ziet: ik draag den droom van allen op 't gelaat.
Naar boven


Neen: 'k ben (waar 't rijpend ijs de waetren heeft gezogen) die teekent aan de ruit een rijken winter-tuil, en 's avonds, als het huis van maan-licht is bewogen, in de' ongeziensten hoek en 't veiligst duister schuil. Het koolken van mijn haard gaat rooden aan de ramen; een roze ontwaakt ten bleeken ruiker van de ruit; en kinderen, verdoold, gaan zich om 't huis verzamen, en in hun oog is daar een roos die zich ontsluit. Zal ik ze nooden? 't Brood is zuur, de melk geronnen. - o God, mijn God, is alle minnen onbegonnen?... - Ik voel dat ze verkleumd voor mijne deure staan. Ik open, traag. Ze zijn al lange heen-gegaan.
Naar boven


De keuken is geboend nog vor ik binnen-treed. Het huis is nat als van de blijheid mijner tranen. De ramen vloein in de zon. Van mijne wanen gewasschen, vreugd!, sta 'k in de klaarte van wie wet. Ik weet: mijn glanzend huis, gij zijt uit mij geboren; 'k ontvange wat ik ben; 'k ontwake in wat ik wek; en waar 'k, verbazens-rijk, de zekre taeflen dek met druiven van den wijn en koeken van het koren: zij zllen komen, waar 'k me-zelf aan geef verloren, maar ze me als wijn, maar ze me als 't eigen brood behooren, o blinde kinder-mond, o wijde vogel-bek.
Naar boven


Geven, geven! Alle vrachten rijzen in het hoogste want, en de legte legt een zachten weemoed in de moede hand. Geven, gven! Laat de huizen, sluit de ramen, dek den haard: de open heemlen zijn de sluizen voor uw ongeduld'gen vaart. 'k Ben gelegd; ik ben verleden; 'k wrde dood: ik heb gevoed. Al wat komt is mijn verleden, waar 't gewerd uit mijne bede en lacht uit mijn vergeten bloed.




Naar boven

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne - Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne - De modderhaven

Karel Van de Woestijne - Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne - God aan zee

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer (bloemlezing)

Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters - Overleden vr 1944

Nederlandse dichters - Overleden vr 1944

Naar Dode-dichterssoos - Nederlandse & Vlaamse dichters


Homepage


Pozieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 22-12-2005.
Laatste wijziging: 04-12-2014.


E-post:: webmaster