Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

Het Bergmeer V

De blind-gewordene

In naam van Vader en van Zoon, in naam des heil'gen Geestes, amen. - Ik ben de moeder van een woon die blinkt aan duizend ramen. 'k Lig, eeuwig-zwanger, in een kraam dat van geen avond of geen morgen, dat, hel van hoop noch zwart van zorgen, niet is te noemen met een naam, of 't zou, bezet en onbezeten, Licht-zelven moeten heeten. 'k Ben blind, en 'k heb den dag beschaamd. Ontkenning, ik, van alle duister, heb 'k alle vraag en vrees omraamd met laai van mijn luister. Ik ben het vlak van elken muur die, waar de dag blijft onbegonnen, die, waar geen schemeringen ronnen ter talm'ge waak van 't avond-uur, bestendig van mijn blanke wake een steeds-gelijke bake. En 'k ben de aanhoudende geboort - o tuimel-vlucht van sneeuwen vlindren -, 'k ben, alle dage' en nachten voort, de nieuwe klaart van kindren. Hun weemling is mijn rijk bestaan. De glanzen van mijn buik, ontsloten, zijn, klachteloos en onverdroten, herhaalde vorm van mijn vergaan, maar zonder dat ik mijnen lijve neischend zoude blijven.

Naar boven

Zoo word 'k beluik van, eindlijk, Nul; 'k word, in aanhoudendheid herboren, 't abstracte zaad waar 'k al het koren in zijn beteeknis hul. 'k Ben, alle ruimten afgewezen, 'k ben, buiten klem en kleur van tijd, in 't een'ge en wezenlooze wezen, teeken der menigvuldigheid. Zoo, blinde, ben 'k, zal zijn geweest, en word luister eeuw'ger feeste. - Maar neen: 'k ben de eindlijk-lege korf die, aller vruchten dor-gedragen, voor de eigen ijlt den geur verworf gehel van boome' en hagen. 'k Ben de gekerde korf, die zwoel van 't wandlen der gezwollen bijen, aan rijke raten 't broed gedijen en rijpend leven zoemen voel. Zoo zal ik in mijn schoot niet garen dan wat daar andren baren. Ik ben de glans niet van de zaal waar 'k elke rib tot kaars zou rechten en, zelve afzijdig, zelve vaal, de klaarten zou beslechten. Maar 'k ben ontvangst van elken blik die, zal mijn blik hem niet verrijken, uit mij de duisternis doet wijken, 'dat ik mijn nieuwe licht beschikk' naar de orde die, van mijne bede, verzekere ieders vrede.
Naar boven

Mijn vrede; w vre... - Maar is mijn licht, de wolke van mijn nacht doorzonken, is ooit der maan van mijn gezicht een andre maan ontblonken, o Vijver? Ben ik eerder niet de vijver die zijn schielijk leven der schicht'ge spoele voelt doorweven die de ndre mane door me schiet? Ben ik een vre; ben ik uw vrede?: gij deelt me w mane mede. Zoo ben 'k aanhoudend elker borg waar 'k ben, aanhoudend, weder-borge. En is uw zorge mijne zorg, sam zijn wij vreugd van morgen. Omdat ik blind ben, mag uw zoen mij binden met het onbekende; kan mijne lippe, war 'k me wende, om aarde en hemel rijklijk vlon; en kan mijn oog, mijne arreme ooge zijn algemeenheid togen. - Maar weet het: 'k heb het duur gekocht. Van elk genieten heerlijk jonger, had ik 't onreikbare verzocht tot dorst en honger. In graagte of gruwel van den tijd, met heel den glans van al mijne oogen, zoude ik den felsten stamp gedoogen, waar hij tot trots me hadd' gewijd. Ik zg toen. En 'k zag blank me: teeken dat niets mijn wil kon breken.
Naar boven

Maar, zuur van 't denke', ozoon der daad, dra zoudt gij branden in mijn wonden. Ik heb gestaan als wie daar staat aan zijnen paal gebonden. Ik ben die mijne leden rek (ik ws; maar ben want ik wil blijven), waar pikt te zijnen lieven lijve een hemelsch-blijde vogel-bek, en ook, aan lever en aan liesen, meer-menschelijke spiesen. Mijn hart, het werd een vat vol stroop waar vliege' als zonden kwamen zitten: gesloten vaas, waar in de hitte insekten-wriemel kroop. Mijn hoofd, het werd geheim festijn voor ongekende en geer'ge gasten die, ziek van ate of zat van vasten, die, zwoel van derve' of zuur van wijn, lang moe maar maatloos-mild, bewezen de onwaardigheid, te wezen. Toen zou 'k me zoeken in me-zelf. Ik heb mij in me-zelf gevangen. Mijn voet vond steeds herhaald gewelf voor 't luistren naar mijn gangen. Ik daalde. Aan elken kelder zong het tij me toe van wachtend water, en - gen begeerte, en zelfs geen schater die rillend reed door mijne tong. Me-zelf ter zij ten zelf-oorbore: zelfs Gode ging 'k te lore...
Naar boven

- - Maar nen: God is een koene knecht. Ik zou me deelen noch beheeren; Hij zou mij keeren uit 't gevecht: Hij zou mijne oogen teren. Hij zou mij geven de' enen nacht, blind!, 'dat geen nacht ik zou verzoeken; 'dat ik geen slechten dag nog zoeke waar slechts de dood nog loerend wacht. Hij zou mij halen uit de holen waar zelfs het vinde' is dolen. Hij heeft me, blijde, recht en net, tot frisch een heldren disch gekoren. Mijn oog, het heeft zich opgezet om nieuwigheid te hooren. En met de vreugde van een wees heb 'k wer de zuiverheid gegeten. Een engel zong, een ster verrees, en 'k was 't onmiddellijk vergeten. Heb 'k ooit geleden? 'k ben verlost: ik ben in nieuwigheid gedost. Uit liefde-gons, uit zorg-geruisch, uit alle zielen om mij samen, werd ik de moeder van een huis dat blinkt uit duizend ramen. Ik ben die deel, en niet en deel dan wat 'k van allen heb ontvangen, ik die der dieven van 't verlangen de duurste en ruimste buiten heel. Komt allen nar, die hebt gegeven: ik borg uw diepste leven...
Naar boven

- - Uit Uwen wille, Vader, Zoon, en, heil'ge Geest, in Uwe hoede: onder het goud van mijne kroon druip 'k van den rijksten bloede. Gij hebt gebeurd mijn zekre plaats: mijn voet op de ijdelheid der schriften; geheel-gewasschen van de driften de gladde glanzen mijns gelaats; en mijn gedicht dat, zonder einde, gedicht dat, znder einde...




Naar boven

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne - Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne - De modderhaven

Karel Van de Woestijne - Het menschelijk brood

Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne - God aan zee

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer (bloemlezing)

Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters - Overleden vr 1946

Nederlandse dichters - Overleden vr 1946


Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002 
© Gaston D'Haese: 22-12-2005.
Laatste wijziging: 06-02-2016.


E-post:: webmaster