Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)

Appendix

1

 Mijne vrouw en mijn kind
 o Gij die, sterkrer liefde omgord, 
 u troostend naast me zet, 
 nu 't dagelijksch gedicht me wordt 
 wer dagelijksch gebed; 
   
 nu dat een heetre kracht me brandt, 
 en dat mijn vroomre geest, 
 van schelle beelden overmand, 
 voor eigen weelde vreest; 
   
 waar 'k vor een zelf-geschapen God 
 beducht mijne oogen sluit, 
 en wring te bersten in mijn strot 
 een al te vol geluid; 
   
 - gij, die mijn vreugde en mijne vrees 
 om deze lente weet, 
 o mijne vrouw, o schoone wees 
 van al mijn liefde en leed; 
   
 o vrouw, die naast mij nere u zet, 
 voor dezen harts-tocht bng, 
 waar ik bedwinge tot gebed 
 de bronst van dezen zang, 
   
 gij die me van uw blikken troost 
 waar mijne lippe lacht, 
 en uit uw keel de zuchten loost, 
 die 'k in mjn kele smacht; 
   
 - o vrouw, o vrouw, o goede vrouw 
 die weet hoezeer ik lijd, 
 en dat ik in mijn ziele rouw 
 om wat mijn lijf verblijdt; 
   
 gij, die, van sterkre liefde omgord, 
 u troostend naast me zet, 
 nu 't dagelijksch gedicht me wordt 
 wer dagelijksch gebed: 

 ontvang, van wie niet vloeken mag, 
 en onder vloeken gaat, 
 - ontvang, van wie u lijden zag, 
 den dank, vrouw, en den smaad.

Naar boven


2

 Gij zijt de goede wakers die 
 mijne oogen open houdt, 
 dat ik uw eigen wereld zie 
 van schemer, en van goud. 
   
 Gezegend weze uw vrome zorg 
 die door uw wensch me leidt 
 en door uw liefde: stille borg 
 dat ik w leven lijd. 
   
 Gezegend, vrouwe, en gij, mijn kind 
 die nieuw geluk me wijst... 
 - Ik staar mijn tranende oogen blind 
 naar waar w lente rijst.

Naar boven


3

 Zingen, hoe de donkre wereld 
 zijne ronde reize gaat; 
 zingen 'lijk de merel merelt 
 'lijk den nachtegaal, die slaat; 
   
 zingen, blind, 'lijk vor alle eeuwen 
 't laaien van 't onnoozel licht; 
 zinge' als zon en maan, flambeeuwen 
 aan het duisterst aangezicht; 
   
 zingen: vreugde en smart, gesmeten, 
 al wat gloeit en al wat rijt, 
 aan de gapend-geer'ge bete 
 van den hongerenden Tijd...

Naar boven


4

 Aan een jong dichter.
 Treed in. Gij die mijn hoop en mijne deernis zijt, 
 die van mijn onmacht meent w ijvren waan te loonen: 
 treed in. Ons staat een schaarsch en vriendlijk maal bereid. 
 Gij zult van avond met mij wonen. 
   
 Neem plaats. Het is het uur dat zoete ruste wast. 
 Proef, hoe u te eigen mond de woorden zoeter smaken. 
 Zie hoe de moede heerd een stillere assche tast: 
 thans geene vlamme meer, die blake; 
   
 maar aan ons voorhoofd de veredelende glans, 
 o vriend, die zelfs ons blikken dooft, tenzij het streelen 
 ten klaardren tuin ze keert der bloemen, in den krans 
 der teeder-lichtende prielen. 
   
 Want weet: geen schoon gebaar dat hier niet dralen blijft; 
 geen vrouwen-am, of die dees strakke koon bleef kozen. 
 Zie hoe ter ruite schraaft en traag heur curve schrijft 
 een groote roode liefde-roze... 
   
 En toch... o Gij, die mijne hoop en deernis zijt, 
 gij die tot eendren waan en onmacht zijt gekoren: 
 wees' eeuwig u gespaard de wreede zekerheid 
 van zlk een vrede, - uit leed geboren...

Naar boven


5

  o Trouwe vriend der oude dagen 
 die me in uw armen hebt gedragen 
 zoo vaak, en op mijn mond de vragen 
 met uwe dichte zoenen sloot; 
 die, om mijn zieke hoofd gebogen, 
 in 't spijtig staren van mijne oogen 
 de deernis van uw mededoogen 
 liet dalen: schoone, bleeke Dood. 
   
 o Broeder die, - toen brooze weelden 
 me omstraalden, en mijn wangen streelden 
 een stond, en vloden, - dur'ge beelden 
 als zustren aan mijn zijde liet; 
 zij zwegen, maar haar streelend nijgen 
 liet vrede om mijn mistroosten zijgen; 
 haar am was rustig, en haar zwijgen 
 was schooner dan een liefde-lied...

Naar boven


6

 Zal ik rusten?... 
               - o Bewste 
 die te zker heil verstiet, 
 maar door de elste en nieuwste lusten 
 de oudste liefde doemen ziet; 
   
 droeve en klare, 
               die 't verzwaren 
 van 't verleden in u draagt, 
 maar inens opnieuw moogt staren 
 in het schoonste dat ge ooit zaagt; 
   
 ongenoode 
               die, ten doode 
 moede, nauw te leven dierft, 
 en den Dood beminde, en noode 
 smartlijk leefde, en toch niet stierft, 
   
 niet te sterven 
               dorst, maar derven 
 bleef 't onmiddellijke brood 
 dat ten blijden loon verwerven 
 wie u niet beminnen, Dood: 
   
 zal het wezen 
               dat, ontrezen 
 ongenotene geneucht, 
 mijn gebaren zonder vreeze 
 teeknen gaan aan eeuw'ge vreugd? 
   
 Zal het komen?... 
               - mijne droomen 
 volgen de oude Schuite na 
 waarop, dood, de Dichter 't loome 
 laatste water over-w,
   
 tot hij naedre 
               waar vergaedren 
 die hij 't innigst heeft bemind 
 in het diepst der kloppende aedren: 
 hij, hun vader en hun kind; 
   
 waar hij hoore 
               bij de choren 
 van een rijk dat rijker zij, 
 onder schoonste jeugd gekoren, 
 breedneksch dansend, dij aan dij; 
   
 waar de maagden 
               nooit en waagden 
 langen lonk of laag gebaar, 
 schuin en schoon, dan waar het traag de 
 zuivre ziele ontloken waar'; 
   
 waar hij wone, 
               Hij, de schoone, 
 die de krone van zijn lied 
 aan den gloed van elke kone, 
 aan elk voorhoofd zinken liet... 
   
 En... Zal 'k... Wanen! 
               Door de tranen 
 van deze' al te schoonen droom 
 zie 'k u, beelden, trage tanen 
 'lijk een veegen morgen-doom. 
   
 Oude liefde, 
               die me hief de 
 bittre diepten uit, o Dood, 
 weder ben ik de gegriefde 
 die ge een ijdle hope boodt. 

 Nimmer ruste 
               den bewuste, 
 die te zker heil verstiet, 
 maar door de elste en nieuwste lusten 
 ldoor de eeuw'ge liefde ziet... 
   
 Droeve en klare, 
               die 't verzwaren 
 van 't verleden in u draagt: 
 nimmer eindloos mogen staren 
 in het schoonste dat ge zaagt...

Naar boven


7

 'k Hadde u gewijd mijne allerschoonste logen; 
 'k hadde u mijn fijnste' en elsten schijn gewijd; 
 en, meer dan gij, misschien, van schroom bewogen, 
 o gij die duister en die zuiver zijt, 
 hadde in het aarzlen van uw mededoogen 
 de vrede van mijn zieke ziel gewogen, 
 en 't weiflen van mijn teederheid. 
   
 De grijze wanen die mijn hoofd bewonen, 
 de draal'ge vreugden van een beter jaar, 
 en o, mijn hope, welk'ge roze-krone 
 waarvan 'k de dalend-trage blaren gar: 
 'k hadde u vertrouwd die schoone bleeke zonen, 
 - vervreemde kindren die mijn liefde loonen 
 met keerend oog en weer-gebaar. 
   
 'k Hadde u gewijd de duister-rijke schrijnen 
 van oude weelden die 't verleden heelt, 
 en onder 't kleed van driften en van pijnen 
 gelijk een stervens-moeden vogel streelt. 
 Zoo streelt, o kind, van wuiv'ge nevel-lijnen 
 die 't bruinend dal met zilvren kleed omdeinen, 
 de Herfst zijn eigen weedom-beeld. 
   
 'k Hadde u gewijd... Maar neen, o neen: vergten 
 is eenig heul voor hen, die de avond zien 
 hun schaduw vor hun starende oogen meten 
 en de ijdle mate van hun wezen bin... 
 Wat bate, van zich vreemd bemind te weten? 
 Ik ken mijn leed in zijne volle breedte: 
 geen zon en breekt zijn dicht stramien. 
   
 Hij die beminde, en eigen min zag tanen; 
 hij die zelfs smart niets dan begoochlen weet; 
 hij die, de wil'ge meester van zijn wanen, 
 zijne eigen trots-gestalte aan stukken smeet: 
 hem leidt geen nuk naar nieuwe liefde-lanen, 
 waar dorre blaren aan zijn voeten manen 
 dat iedre stap een droom vertreedt... 
   
 Ga heen dan, kind, ga heen, en wt gebeure, 
 en loos geen zucht, en laat geen traan om mij; 
 o kinder-min, o roos, vergane geuren 
 die 'k in vergeten boek te drogen lei... 
 - En, leidde 't leven u langs de oude deure: 
 en sta, mijn kind, waar smeekende oogen treuren; 
 sluit de ooge' en ga hun blik voorbij.

Naar boven


8

 Oud hart, dat niet bemind en heeft 
 dan als een bedelaar, die geft 
 om eigen armoe te vergeten: 
 hoe hebt ge, strammer te elken dag, 
 maar vromer uwe glimme-lach, 
 uw trage levens-straat gesleten! 
   
 Elke ure, meerdre deuren toe, 
 elke avond pijnelijker moe, 
 en elke nacht wat langre wake; 
 wat ijlre honger in uw borst 
 bij iedren morgen, en voor uw dorst 
 het zout der trane langs uw kake... 
   
 Maar elke vogel at uw brood 
 die, kloeg geen enkele u zijn nood, 
 't genoot tot op de laatste korste; 
 en gij, die geen belooning zocht, 
 waart, als wie niet begrijpen mocht 
 de min, die klopt in menschen-borsten; 
   
 oud hart, dat niet bemind en heeft 
 dan als een bedelaar, die geeft 
 om eigen armoe te vergeten; 
 en voelt, ter laatste rust gestrekt, 
 waar geene hoop uw bed meer dekt, 
 vergefs uw levens-straat gesleten...

Naar boven


9

 Beschouw dit grauwend aangezicht. Gij zult er vinden 
 de dorre voren die er 's levens kouter sneed: 
 de lach van hem die lijden wilde, en net en leed; 
 de grijns van wie niet minnen wou, en mmer minde. 
   
 Aan iedren mond-hoek starde in schamperheid zijn kreet; 
 roerloos als poele' is 't oog; en 't voorhoofd, klaar, toont in de 
 kalme effenheid die elk begeeren weet te binden, 
 hoe elke zoen er liet de sporen van een beet. 
   
 Beschouw; - en sluit uw oog daarna. Maar laat er zwellen 
 de melij-tranen die ter dichte wimpren wellen; 
 en bid; en zeg: deze is gekoren en gedoemd; 
 want hem die ds het lijdens-teeken werd beschoren, 
 is onder dezen die, voor de eeuwigheid geboren, 
 de doolaards zijn, die men gevallen eng'len noemt.

Naar boven


10

 Ter loome zee met slappe zeilen 
 onder eenzelfde lamme zon, 
 en steeds het onveranderd-ijle 
 aan elken nieuwen horizon; 
   
 aldor de dagen ldoor varen 
 een onverschill'gen avond toe, 
 en eindeloos het loom verzwaren 
 der lamme leden, hooploos-moe; 
   
 en nimmer, nimmer slapen mogen, 
 maar steeds naar horizonnen spin 
 met starre en pijnlijk-sperrende oogen 
 die zelfs den zwarten nacht niet zien...

Naar boven


11

 De tuinen galmen in de walmen van den herfst... 
   
 - o Gij, die 't Leven aan uw lippen hebt geperst 
 z, dat uw rijpe mond van de eigen tanden bloedde: 
 thans is de tijd voorbij der godlijk-schoone woeden 
 die woelden door uw len bij 't worstlen, dag aan dag, 
 met al de vreugden die een mensch belijden mag, 
 met al de rijke koortsen die een mensch mag lijden... 
   
 - Thans gaat gij door den tuin. De Stilte is aan uw zijde. 
 Bezie ze niet: zij is noch goed, noch schoon vandaag... 
 - De dag is doof; het uur is gouden-mat, en vaag; 
 de tijd is luistrend... 
   
               En het wordt, of 't oude lijden, 
 of 't kloppen van uw hart zich plots uit u gaat breiden, 
 gaat maatlijk wegen in die doofheid, ws en trag, 
 en, schriklijk ijl in 't lange en banglijk-durend talmen, 
 gaat wanken door 't gedein der herfstelijke walmen... 
   
 - De tuinen liggen doof, die van uw harte galmen.

Naar boven


12

 Vermits gen dag me ooit wekt en nog deze oogen open' 
 voor de veroovring van een nieuwen vreugde-buit; 
 vermits dit streng gelaat, van avond-vaalt' beslopen, 
 slechts in zich-zelven nog het beeld ziet van zijn hope, 
 en - dit gelaat zijne oogen sluit; 
   
 vermits ik van mijn bedel-tocht slechts me zou krijgen 
 de ijlte in dit voorhoofd, en de koorts in deze hand; 
 vermits ik wer in enzaamheid ben aangeland, 
 sluit ik mijn hart, sluit ik de ramen op het dreigen 
 van winter-koude en zomer-brand. 
   
 En zie: thns is de dag mij schon; mij, koelen smader, 
 wiens eigen leven eindlijk buiten 't Leven staat, 
 thans is me wer de herfst een vrede-plegend vader, 
 en wer een vader-zoen mijn bloed dat zoelt ten ader 
 die maatlijk aan mijn slapen slaat. 
   
 Want de akkers zijn verwijd, waar 't deinen van gen koren 
 de zekerheid van onbewogen einders breekt. 
 Niet langer twijfelt 't brein; en heeft de hand verloren 
 de klamme vreugde om eene vrucht, ten dag geboren: 
 ik heb een mond, die wsheid spreekt. 
   
 De wagens zijn gelost van de oogsten. Zie, 't en wegen 
 geen schoven, dan alleen de veil'ge schuren borgt; 
 de schoonste zonne is veg die vaagt de gele wegen, 
 maar 'k heb genoeg in 't bijten van haar brand gelegen, 
 dat zij voor 't winter-dulden zorgt. 
   
 De beesten zijn gestald; de driften zijn geweken; 
 en iedre peer is zwaar gelijk een ernst in mij. 
 Geen morren nog, dat meer dan zlf-verzaken teeken': 
 mijn dagen zijn een zee waar stil ter branding breken 
 na de eendere ebbe een zelfde tij. 

 En 'k worde, waar geen oog in 't mijne een twijfel rade, 
 en zonder en gebaar dat tot geen ruste dwinge', 
 bij glim-lach van mijn kind, bij vrage mijner gade, 
 den droeven schoone, die uit de elste herfst-cieraden 
 zich-zelven weeft vereeuwiging. 
   
 Zoo ruste ik dan, de hand ter zoele vacht der haren, 
 en rood gelijk een bloem mijn mond die wet en zwjgt... 
 - Wat rijst gij dan aan mij? Ik zal niet an u staren, 
 ijdele Erinnring, gij die van 't gevecht der jaren 
 ng in den woel'gen boezem hijgt. 
   
 Want 'k heb mij in mijn wil als in een keurs geregen; 
 en zoo de stalen band door 't weeke vleesch me snijdt: 
 weet dat ik-zelf de wond' steeds weder open-rijt, 
 daar 'k in hur diept' bewaar, door de eigen spot gedegen, 
 de weelde van mijn zkerheid.

Naar boven


13

 Laat uw trage wake duren 
 tot de haarden zijn gebluscht: 
 slechts naast goed-gedoofde vuren 
 slaapt men vroom in veil'ge rust. 
 Vreest gij, dat ge bij 't ontwaken 
 licht van koude rillen zult: 
 voed de vlamme in u der bake, 
 niet te dooven, van 't gedld.

Naar boven


14

 Ik weet dat ik mijn dood bereid, wanneer ik wil 
 dat ik van schoonheid slechts, als eenig heul, zal leven. 
 Maar, waar gij mij dit heul n enklen stond kunt geven, 
 doe dat ik sterve, o Dood, en mijn begeeren stil. 
   
 Ik weet dat ik niet scheppen zal, dan door 't bereiken 
 der vrijheid die mijn ziel heur aardsche grenze' ontknecht. 
 Gedoog dan, God, dat ik mijn scheppings-daad beslecht 
 door met mijn bloed de schaal des lijdens te verrijken. 
   
 - Doch eischt gij, Dood, die weet wat mij te wachten staat, 
 dat ik mijn leve' in leelijkheid en legheid slijte; 
 - groeft gij, mijn God, opdat 'k me-zelf mijne onmacht wijte, 
 dees bittre plooien, strak en stroef, in mijn gelaat: 
   
 o laat dan toe, gij Dood, dat ik mijn hunkren loone, 
 mijn schoonheids-hunkren met de speren van mijn spot; 
 verknecht mijn rooden scheppings-drang; maar geef, o God, 
 dat ik mijn knechtschap in mijn woede-woorden hone.

Naar boven


15

 Want neen: geen spijt'ge doem om wat het heiligst is: 
 de woel'ge vlam der daad; de kilte van 't begeeren. 
 Slechts op geknde spijs kan deugdelijk men teren; 
 men smaakt geen schoonheid dan in de eigen droefenis. 
   
 Hoor hoe van elk geluid wel tien geluide' ontwaken; 
 weet hoe ge van n woord een weelde wekken kunt. 
 Vergeet uwe armoe; neen: denk dat ze u werd gegund, 
 uwe armoede, als een kruik waarin ge uw dorst moogt smaken. 
   
 Want hoe gij wenschen moogt u-zelf te ontsnappen, om 
 in ondoorgrondb'ren waan een wereld te bevatten: 
 gij kent de werklijkheid onopgediepter schatten 
 aan 't schaemle schoon allen van 't innigst heiligdom. 
   
 - Wil dan berusten in uw kleinheid; wil gedenken 
 dat gij geen weten dan uw kleinheid zijt bestemd; 
 en dn misschien, wanneer ge uw needrigheid omklemt 
 met de chtste liefde, Dood en God u zullen wenken.

Naar boven


16

 Ik ben het eeuwig bed; het eeuwig-lege 
 waar smart in zakt die wer in vreugde ontwaakt; 
 waar dronken drift, waar weelde en weemoed wegen; 
 waar woede als wil zijn moede sluiers slaakt. 
   
 Gij komt, gedachte, o zoon der zwaarste zorgen, 
 en zoekt in mij een hopelooze rust; 
 maar rijz' de dag: gij rijst te milden morgen, 
 en reeds heeft zoel uw mond de zon gekust. 
   
 Herberg van spijt en troost, waar hope diende 
 en treurnis als een trouwe lampe wenkt; 
 weldra vergeten van de vroomste vrienden, 
 en die geen vrees, genzen, nog gedenkt... 
   
 o Spijtig hart en stadig-nbeloonde 
 dat nimmer drend leed of liefde omsloot, 
 - gij waart het bed waar woelig leven woonde: 
 nooit wordt gij 't graf van duurzaam-zoeten dood.

Naar boven


17

 Eenvoudige arbeid, als een brood dat geurt en blankt... 
   
 - Gij, die, waar ge om het vroomst geluk geen god en dankt, 
 verlatenheid betaalt met een te late boete: 
 het schoone koren aart onnoozel aan uw voeten; 
 er is een paard dat neit, maar trekt; er is een os 
 die trekt; van duizend nijvre vooglen ruischt het bosch; 
 en als gij, straks, vol wrok en opgekropt negeeren, 
 maar ng te trotsch voor de eedle biecht, naar huis zult keeren: 
 zie, daar staat uwe vrouwe in zorge en derenis 
 om uw vreemd leed, dat door geen min te weren is, 
 gij, bittre, die u-zelven bant uit de eigen vrede... 
   
 - Wer is een dag van vrome weelde wrang verleden. 
 Het schoone koren aarde onnoozel; ieder deed 
 in onbewuste vreugd zijn doening, waar ge schreedt. 
 Maar gij, die lijdt en rouwt om l te zeker weten; 
 gij, die in luidste vreugd geen lijden kunt vergeten 
 en in het lijden erst een schampre vreugd belijdt: 
 gij walgt voor de elen troost van schaemlen arrebeid, 
 te trotsch ng in het leed der machtelooze boete... 
   
 - En de ndren oogsten 't graan dat aart voor we voeten.

Naar boven


18

 Wij, de Armen die den Geest verzaakten, 
 gekoornen tot de zaligheid: 
 we ontdekte' in ons het leed, dat waakte 
 om een verloren weelde-tijd. 
   
 Wij de Eedlen, die de weelde wonnen 
 van schittrend-naakt Onnoozel-zijn: 
 wij hebben niets in ons ontgonnen 
 dan - blinkend git - een zwarten schijn. 
   
 Wij, niets dan Goeden, gulle en bloode 
 onnoozlaars met de warmste hand: 
 de dorre handen van de dooden 
 zijn rijker van een rijpren brand. 
   
 - Wij de Armen, de Eedlen en de Goeden, 
 wij, liefde- en levens-zwaar den schoot, 
 - ons kindren leerden ons bevroeden: 
 wij baren nooit dan vreeze en dood.

Naar boven


19

 Gij zijt altijd de Naakte en de Verzaakte; 
 gij zijt, die spijt bewoont en vreeze wenkt, 
 o gij die klaar me waakte alvr 'k ontwaakte 
 en wier gedaant mijn donkre droom gedenkt. 
   
 Waar is de huik, war zijn de wollen kleren, 
 die u verduiken vr ik u begeer?, 
 - gij, trouwe dienst-maagd des geniep'gen heeren; 
 ik, wrokk'ge meester die uw kuischheid weer. 
   
 Want gij zult nooit van mij de schennis weten 
 die u verheffe tot gesmade vrouw. 
 Mijn leven is tot op den draad gesleten; 
 w lijf te rijzend voor te jongen rouw. 
   
 Ga heen dan, gij de schoone en no-getrooste, 
 gij zondares met de' l te reinen blik. 
 - o Smadelijke bronst om uwe brooste -: 
 bewaar uw zorg den ongeboren krooste 
 die 'k nimmer zie gedijen, ik.

Naar boven


20

 Gij draagt het gladde mom der dood; 
 uw oog is groot van lijden; 
 het naaste naken van den nood 
 heeft uwen mond gescheiden. 
   
 Reeds lijkt het, of het laatste woord 
 uw lippen gaat verpaarsen. 
 Gij spert uw vingeren, doorgloord 
 van eeuwig licht, als kaarsen. 
   
 Uw glimlach voert het bijster beeld 
 der eeuw'ge ontvangenisse. 
 Het lam des offers is gekeeld, 
 o gij, zijn blanke nisse. 
   
 Gansch uw gedaante staat verklaard; 
 uw gang is el en zedig; 
 gij zijt gezuiverd, of gij waart 
 van zekerhen volledig. 
   
 En, waar mijn eigen len en brein 
 van levens-koortse dorden, 
 is 't, of mijn weiger medelij'n 
 mag eindlijk liefde worden.

Naar boven


21

 Carpe diem. Horatius

 'k Zwelg in versterven, ik die van het heetst begeeren 
 eens was de norsche en donker-vurige heraut. 
 De zwepe van mijn drift werd weelde van negeeren, 
 en 'k heb mijn nieuwe len uit blinkende ijlt gebouwd. 
   
 'k Smeedde de zeis der oogste' opdat ze mij doorrete; 
 en, rot het ongeschuurde graan: ik sta gesteld 
 als wie geen voedsel kent dan ijzren bete aan bete, 
 en 't hoofd om doornen-wil met roode roze' omknelt. 
   
 Mijn Heer en zwarte God, het gaat tusschen ons beiden. 
 'k Heb te Uwer eere met ontberen mij omgord. 
 Gedoog mijn diensten, God, of vrees mijn medelijden 
 dat met zijn pijlen uit de hemelen U stort.

Naar boven


22

 Gij, die geen Vader wezen zult 
 dan door bekentnis onzer schuld; 
 Gij, die erkent Uw zonen 
 aan de' am van hun nerslachtigheid, 
 of 'dat ze, daar Ge aandachtig zijt, 
 U vloekend durven honen; 
   
 Gij, die de Zoon niet wezen kunt 
 dan waar Ge U menschlijk lijden gunt 
 en 't arme, laffe smalen 
 om wie Uw moeder is geweest; 
 Gij, die ten hemel niet en reest 
 dan door ter hel te dalen; 
   
 Gij, die als Geest U toonen moogt 
 alleen, wanneer het beest gedoogt 
 dat Gij het zult bewerken 
 in hoofd en nieren, en wanneer 
 Ge van het smartelijkste zeer 
 zijn loochnen gaat versterken; 
   
 - o Vader, die 'k vergeefs verzoek: 
 ik hoon niet, waar 'k me-zelf vervloek; 
 o Zoon: 'k gedenk mijn moeder 
 alsof ik-zelf heur had gebaard; 
 o Heil'ge Geest, ik ben de haard 
 dien 'k met mijn eigen voeder.

Naar boven


23

 Z, als aan 't stellig stooten van 't getouw 
 dat, hoekig, kraakt van vlijt en glanst van trouw, 
 een wever waakt en volt den dag met werken, 
 waar, over 't maatlijk stompen van 't getouw, 
 de brug der zon bindt vroege aan late zwerken; 
 - hij zwoegt; hij heeft een vrouw, en wicht bij wicht; 
 maar niet voor hen alleen is 't noeste zwoegen: 
 zijn doek vast aan den boom, en kaatst een licht 
 nog langer dan de zon op zijn gezicht, 
 en - 't ware hem genoeg voor zijn genoegen; 
   
 zo heb ik dag aan dag mijn taak gewrocht, 
 niet 'lijk ik wou, helaas, maar 'lijk ik mocht; 
 en iedre nacht werd warrem in mijn handen 
 na 't paarsen van de laatst-verlichte locht 
 over den damp der omgedolven landen. 
 Doch niet om plicht, om vrouwe niet of kind; 
 niet om het loon van 't dagelijksche lijden, 
 te lang gelijk een slechten drank bemind; 
 niet om wat trouw die 't oog met tranen blindt 
 of om wat twijfel bij te vlug verblijden; 
   
 zelfs niet om uwe gave, o vroom verhaal 
 dat, zuster van mijn zorge, te elken maal 
 naast haar ontwaakt en lacht den morgen tegen; 
 niet om 't gedicht waar 'k traag in adem-haal 
 wen de avond de' armsten dag wijdt tot een zegen; 
 niet om het werk alleen, in leed gebaard, 
 noch om het lied dat alle leed zou tarten: 
 om U, om U, mijn onbegrepen klaart 
 die, dooven ook de kolen van den haard, 
 ontluikt op hoop en sluit op troost mijn harte.
 
 Om U, die van dit mistig aangezicht 
 de tin tot Uw gelijknis hebt belicht; 
 die deze schouderen, met dood beladen 
 en loochening, gerecht hebt en gelicht 
 op de kristallen zuilen der genade; 
 om U 't standvastig waken van 't gebouw 
 dat niet vergeefs van arrebeid zou ronken, 
 waar wind van ijlheid niet door zingen zou, 
 doch steeds, bij heil van kinderen en vrouw, 
 drempel en raam van zole en ooge blonken. 
   
 Om U. - En gij, die 'k in n liefde omvam, 
 gij, heil'ge glans van drempel en van raam, 
 niet vrouw en kroost alln, maar pijne en zorge 
 die 'k, dankend om mijn plecht'gen schroom, verzam 
 iederen nacht voor daad en zang van morgen: 
 bemint mij voort, gij die mijn norschheid temt; 
 die, waar de zolder woog van heimlijke aren, 
 waart, die den wreeden vlegel hebt omklemd, 
 daartoe door onbevroede wet bestemd, 
 'dat ik voor God ontkeeste, o zwengelaren.

Naar boven


24

 Ik doe mijn maal van zuivel, brood en noten. 
 Helaas, van deze strenge schamelheid 
 zijt gij niet meer de blijde disch-genoote, 
 gij die niet meer mijn rust'ge zuster zijt. 
   
 Wij hebben sam de vrome vre bezeten, 
 betrouwend, ik, op al 't ervaren leed; 
 gij, mijne woeste driften ongeweten 
 in de effen plooien van uw wollen kleed. 
   
 Maar toen, bij zon en wind, de tijd genaakte 
 dat, traag gerijpt tot een doorrilde vrouw, 
 ge in 't eigen oog tot schrik en hoop ontwaakte', 
 ontwaakte in mij de hitte van den rouw. 
   
 - Ik doe mijn maal van zuivel, brood en noten, 
 en in mijn lip bijt de assche der begeert, - 
 o verre, o vreemde, o pijnlijke genoote 
 die deze disch ontbeert.

Naar boven


25

 Gij moogt niet heen: ng ben 'k geheel van u bevan. 
 Uw ongebonden knie en uw gebonden lippe 
 hebben mijn arrem hart met bitterheid begaan. 
   
 Met bitterheid. Geen woord en zal uw mond ontglippen; 
 maar gapend-donker gilt 't verschiet van uwen schoot 
 met de onafwendbaarheid van kolken en van klippen. 
   
 En gij zult gaan, omdat vergfs ge uw schoonheid boodt, 
 die nimmer hebt gedurfd me uw schoonheid aan te bieden: 
 gij, van begeerte bleek, o gij van schaamte rood; 
   
 - waar dit mijn hard gelaat, gebeiteld tot gebieden, 
 maar norsch ombonden met het masker van den dood, 
 weet dat geen argelooze liefde zal geschieden 
   
 hm, die geboden liefde als een verbod ontvlood.

Naar boven


26

 Gij die ik deelzaam in mijne eeuwigheid, 
 o gij die 'k deelzaam maak in mijn verderven: 
 ik zal wel buiten ruste moeten sterven, 
 waar gij de zweepe van mijn leven zijt. 
   
 Ik ben het peil-lood, aan me-zelf gebonden; 
 gij maakt me pijl die ge in de sterren schiet; 
 wat ik u, bitter van mijne onmacht, bied, 
 hebt gij allang in eigen vreugd gevonden, 
   
 o schoone en krachtige! Ik, alle ijlt gewijd, 
 gedoemd me-zelf de oneindigheid te schenken: 
 ik ben de slaaf van uw verbeide wenken, 
 gij die me beidt, mijn kind, gij die me beidt.



Naar boven


Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I


Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II


Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III


Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV


Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V


Karel Van de Woestijne - Bloemlezing & biografie


Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal


Karel Van de Woestijne - De modderhaven


Karel Van de Woestijne - Het menschelijk brood


Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden


Karel Van de Woestijne - God aan zee


Karel Van de Woestijne - Het bergmeer
(bloemlezing)


Terug naar Karel Van de Woestijne
Home


Van Nu en Straks


Vlaamse dichters - Overleden vr 1946


Nederlandse dichters - Overleden vr 1946



Homepage


Pageviews since/sinds 21-03-2002: 
© Gaston D'Haese: 22-12-2005.
Laatste wijziging: 07-02-2016.


E-post:: webmaster