Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Karel Van de Woestijne - Het menschelijk brood
Karel Van de Woestijne
Karel van de Woestijne
(1878 - 1929)



Het menschelijk brood


 

Wanneer, geteekend met de onloochenbaarste merken, hoe lastig nog zijn len van lijdelijken groei, 't argwanig kind den eersten drift in zich voelt werken en schaduw werpen op zijn plots-beschaamd gestoei; - wanneer, zijn woel'gen nacht bezocht van de eerste wake, 't gewassen kind zijn eerste vrees voor 't leven kent en, kwell'ge koestering, de koortse van zijn kake met de ele pijne van zijn duistre naeglen schendt; - wanneer, doordeesemd van het eindelijk bevroeden, doorkeend van 't wekkend gif der wilde wetens-pijn, 't volvoerde kind zich woedend aan zich-zelf wil voeden en, bleek en norsch, het beeld van de' eigen geest gaat zijn; - wanneer 't voldngen kind, gespeend van alle wanen, zijn schampere onschuld als een schande van zich werpt; - wanneer 't op 't levens-brood, dat bijt van zijne tranen, voor 't eerst de schittring van zijn gave tanden scherpt: dn, in de onzaligheid der ouderlijke zalen waar zijne zuster weent om zijn eenzelvigheid, dan staat (verzoeking van zijn angst-bekropen smalen, verzet der kopp'ge jeugd zijn onwil voorbereid, en dra zoen van zijn zonde en vrijheid voor zijn vreeze;) daar staat, waar hij ter twede beet zijn tanden wet, ineens, en onontkoomlijk-reede, en uitgelezen, een overvloedig maal hem eindloos klaar-gezet. Hij eet. - Zijn honger ziet geen vlijtig voorjaar vieren de nieuwe vreugde die hij haat, en die hem beurt. De felle violier vunst diep van donkre vieren; de sleutel-bloeme smaakt zo als de perzik geurt; er is geen vlieg, er is geen rietjen, of zij galmen; de zon, die hem beklemt, klept als een klok; maar 't licht gaat glijdend als een zijde over de zijden halmen en veegt de voren ook uit zjn doorploegd gezicht; hij voelt: door heel zijn dag blijft klateren en klaren de schater van den schitterenden sterren-nacht; hij kent den nacht, die blankt van bloesmende appelaren waar de avond-schemer wijlt die de ochtend-schemer wacht; weldra zal aan den geur der pluimend-gele grassen waar ruim het wuivend hooi een liefde-bedde breidt, de reuk der linden op de luwe winden wassen die 't moede min-gelaat den nooblen avond wijdt: hij wet het. Maar hij t. - Zijn lijf is vol van schokken. Er wringt een wrang genot door hem. Maar hij geniet de nieuwe pijn vooral van een halsstarrig wrokken en 't vratig hongren dat een nieuwe vreugd hem biedt. Hij bijt. - o Nooit bevroede smaak der nieuwe spijzen! o Kalme en kloeke koorts, o kenen-klievend vuur: zijn tand-vleesch van het eerst besluit te voelen ijzen; zijn keel te schrapen met uw chtheid, o Natuur; uw echtheid, die voor goed de arme ingewanden ledigt van al het zoet gezeur dat kind van mensch verscheidt; uw echtheid als een vlam die zuivert en volledigt: den kus, mijn vriend, dien uwe starre weigring beidt. - Hij bijt. Zie hoe hij bijt! Ten laatsten hoek gekropen waar, heilig als een straf, de blinde kilte mart, eet hij, en laat den dronk door zijne kele loopen, en voelt de sterkte rijze' in zijn steeds vroeder hart. Ng woelt en wrokt zijn ingewand van donker duchten. Maar, waar het voedsel vindt de wegen van zijn vleesch, kent hij als een verzuim zijn veel te lang verzuchten; en iedre spiere spant en davert iedre pees. Gebondeld staat aldra zijn nek in stijve staven; zijn aangezicht wordt hard en klaar gelijk een schild; zijn brein groeit, diep en rond, tot eene veil'ge haven waar stroom van bloed en geest tot weelde en wil verstilt. Hij bijt. - Vaarwel, gij bleeke schuchterheid der maagden die vreet gelijk een heete wonde aan elke vreugd: hij ziet de ziel'ge listen door, die hem belaagden tot zoete veiligheid van eene zaal'ge deugd; hij voelt den zwoelen druk der zwachtlen, die hun zorge vol zalve om zijn vermoede' en zijn verweezen wond: laat alle blinden ner op dees te blijden morgen; onthoudt te heeten dronk aan deze' onschuld'gen mond! - Maar hij: hij lcht thans. Waar ng bibbert op zijn lippen het woord dat hij werhield en ng zijn blik verbleekt: thans voelt hij, onwerstaan, der tanden wal doorglippen zijn haat waar hij van lacht, den vloek die eindlijk spreekt; vloek over wie hem 't leven gaven maar onthielden; die, 't roode scheppings-bloed onachtzaam-gul geplengd, zijn jong verlangen kuisch met zuinigheid bezielden en hebben van hun teederheid zijn hart verengd; vloek om den talm'gen tocht der fleemende geslachten waar elk zijne elste woede in de eigen telgen doodt; die tot een vroom genot zich-zelven 't keur-vee slachtten maar hm verboden 't heul van 't Menschelijke Brood... - Aldus, ter oudren zaal, en waar de zieke wake van zijne zuster om zijn norsche weelde schreit, - aldus 't verlste kind dat in zijn koene kaken de spieren roeren voelt, en vloekt, en lacht, en bijt. Doch waar, zijne oogen groot, maar de aedren aan het paarsen die heevlen aan zijn hals het logger-kloppend bloed; de mond van 't malen lam der ossen en der vaarzen en beursch het hart dat om zijn beu begeeren boet; waar 't kind, waar het tot mn geworden kind zijn ijlen en broozen kop in zijn verbreede vuisten legt, zijn laatste schoone koorts haar schemer-zang hoort ijlen, maar van geen koen besluit zijn droom tot daad beslecht; - waar 't gretig kind de heete moeheid kent der mannen; waar 't ude kind vergeefs ter be zijn vingren vouwt, vergeefs ter offerand zijn stugge spieren spannen, vergeefs zijn lichaam om de liefde-gave rouwt; - onrustig-moedeloos; door 't woelen der gedachte vergiftigd, die zijn ziel tot machtlooze ijlte zengt; wanneer hij, bittre, door de strakheid zijner nachten de erinnring aan zijn waan door 't felste ontkennen mengt: dn, in de zalen die 't ontgoochelen zou keeren, met nijvren bezem, tot de woon der Eenzaamheid, ten disch, daar ieder maal zijn walgen zag vermeren en elk gelegden dronk door zijne slaap rammeit: dan dwaalt zijn blik atoon over de loome spijzen en 't zure kleed, gedrenkt met schalen woel'gen wijns; hij staart, en zie: van melij zwaar gaan tranen rijzen en zuiverend een zucht naar 't wringen van zijn grijns. Een zcht... - Binnen 't gevang van zijn gevouwen vingren en ziet hij hoe de herfst om zijn geblind torment zijn hallen bouwt, waar om de keelen domen slingren sinooplen loovren door een lucht van orpement; wier zuilen, hyakintsch, staan zinderend als snaren in 't zeven-tonig goud van 't pulvrend stralen-waas, binnen prielen waar als starre spheren klaren het solfer en 't safraan der bolle dahlia's. o Kalme weelde, o teederheid der fulpen tuinen, o vijvers, waar een zilvren rust haar reven viert: hij ziet u niet; hij ziet geen lieve schaawe schuinen die trede aan trede, de uren rond, haar sluier sliert; terwijl de groote zon haar trage-groeiende orbe, den wijd-verzaden wereld om, naar 't Westen schrijft, en ook zjn lippen maalt in 't druipend rood der sorben en na haar dood ng in zijn haren marren blijft... Hij ziet het niet. Hij zucht. Verguurd in winter-kaemren, zijn wil alleen gestut aan zijn ontstentenis, voelt hij de logge doelloosheid zijn hart doorhaemren, schrikt hij in 't schuwe brein voor 't naedren van 't gemis. Och, niet om 't ziek verlies van cierlijk-lieve waantjes die hij als lammren aan een lint te weiden placht; niet om verdriet dat in een regen-boog van traantjes een nukk'gen troost, met kusse' als kersen, tegen-lacht; niet, 'wijl zijn bleeke lief hem deerlijk heeft bedrogen die hem 't profijt van dubbele compassie bood; noch zelfs dat zijne groote moeder vol medoogen hem in het laffe hart een spijt'ge zatheid goot. Hij, die den kop der roodste rossen wist te beuren; wiens vreugd de rimplen rechtte uit hun vernorschten nek, al zou de teugel de okslen van zijn vingers scheuren die scheurden van 't geweld hun bloed-omkwijlden bek; hij, die de puurste vrouw gelijk een paard zou temmen en, waar ze onder den blazende' adem van zijn smaad ontvonkte 'lijk een vuur, zijn eigen drift zou remmen en haren zoen ontving op 't masker van den haat; hij: meester van de min, de machten en de wetten; hij: slooper der gedachte, in 't bad des spots gehard; wiens wil het kille levens-lemmer mocht te wetten op 't marmer van den zelf tot trots verdichten smart; - o bastionnen van genot wier leemen veste den gulz'gen afgrond van het wezen over-spant: hij steeg ten top; zijn oog werd heerscher der gewesten... tot zijne zole schuiven ging aan zompe en zand. Hij zonk; hij zonk... Verzuipend roeien door sargassen; stikkende omarming van de wieren; dze vre: zijn lamheid dra gevest in de effenheid der plassen, en de egen machtlooze effenheid, en zelfs geen wee. Dan: zoet verworden tot een scheidend deel der drabben. o Schalkschheid: liefde is heet gelijk een etter-buil; de vrouw?: haar knie verzwaart van zwellende ontucht-kwabben; en alle schaamte gaat in woest negeeren schuil... Hij zucht. Alleen zijn walg die - ter aan 't peerlemoeren, zijn edle walg als een schakeerend-weeldrig schild over het laf-gelaten aangezicht der moeren, - de moeheid van zijn ziel met bitterheid vermildt; zijn wlg. En dan: te weten dat gn menschen-hulpe hem 't voedsel van zijn eindlijk wroegen ooit beneemt; de wereld storte ineen: hem rest de duistre stulpe waar zelfs geen hulpe Gods hem nog in de ooren fleemt...


Naar boven

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer I

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer II

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer III

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer IV

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer V

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer VI

Karel Van de Woestijne - Bloemlezing & biografie

Karel Van de Woestijne - Wanneer ik sterven zal

Karel Van de Woestijne - De modderhaven

Karel Van de Woestijne - Zeven gebeden

Karel Van de Woestijne - God aan zee

Karel Van de Woestijne - Het bergmeer (bloemlezing)

Terug naar Karel Van de Woestijne - Home

Van Nu en Straks

Vlaamse dichters - Overleden vr 1944

Nederlandse dichters - Overleden vr 1944

Naar Dode-dichterssoos - Nederlandse & Vlaamse dichters


Homepage


Pozieweb-Poetryweb: pageviews since/sinds 21-03-2002: 
Statist. Pozieweb-Poetryweb
  Free counter and web stats       © Gaston D'Haese: 26-12-2005.
Laatste wijziging: 04-12-2014.   E-post:: webmaster