Wijding aan mijn vader
o Gij, die kommrend sterven moest, en Váder waart,
en míj liet leven, en me teeder léerde leven
met uw zacht spreken, en uw streelend hande-beven,
en, toen ge stierft, wat late zon op uwen baard;
- ik, die thans ben als een die in den avond vaart,
en moe de riemen rusten laat, alleen gedreven
door zoele zomer-winden in de lage reven,
en die soms avond-zoete water-bloemen gaêrt,
en zingt soms, onverschillig; en zijn zangen glijden
wijd-suizend over 't matte water, en de weiden
zijn luistrend, als naar eigen adem, naar zijn lied....
Zóo vaart mijn leve' in vrede en waan van dóod begeeren,
tot, wijlend in de spiegel-rust van dieper meren,
neigend, mijn aangezicht uw aangezichte ziet.
Voor-zang
Het huis mijns vaders, waar de dagen trager waren,
was stil, daar 't in de schaduwing der tuinen lag
en in de stilte van de rust-gewelfde blaêren.
- Ik was een kind, en mat het leven aan den lach
van mijne moeder, die niet blij was, en aan 't waren
der schemeringen om de boomen, en der jaren
om 't vredig leven van den roereloozen dag.
En 'k was gelukkig in den schaduw van dit leven
dat naast mijn droomen als een goede vader ging....
- De dagen hadden mij de vreemde vreugd gegeven
te weten, hoe een vlucht van groote vooglen hing,
iederen avond, in de teedre zomer-luchten
die zeegnend om de ziel der needre menschen gaan,
als de avond daalt, en maalt in avond-kleur de vruchten
die rustig-zwaar in 't loof der stille boomen staan.
... Tóen kwaamt gíj zacht in mij te leven, en we waren
als schaemle bloemen in den avond, o mijn kind.
En 'k mínde u. - En zoo 'k véle vrouwen heb bemind
sinds, dien, met moeden geest of smeekende gebaren:
ú minde ik; want ik zag uw kinder-oogen klaren
om schuine bloemen in de tuine', en uw aanschijn
om mijn eenzelvig doen en denken tróostend zijn,
in 't huis mijns vaders, waar de dagen tráge waren....
Verzen eener liefde
'k Ben eenzaam-droef, in 't geel-teêr avond-dalen....
Door 't open venster hoor 'k den donzen val
van klamme bloemen in krystallen schale....
- En 'k weet niet of ik haar beminnen zal,
in 't stil en licht bewegen harer leden,
en hare goedheid in mijn vreemd bestaan....
'k Ben droef, en 'k hoor haar stille voeten gaan,
en haar zacht neuren, in den tuin, beneden.
Wie weet en zal mijn liefde in u niet dalen, kind,
vreemd, kalm, en simpel-teêr als de' avond om de graven....
Want wie, die in gelatenheid zijn tocht begint,
wie weet de vrouw die langs de baan zijn lip zal laven
met blijde vruchte' en vredig-milde liefde-gaven?
Want zie, ik denk aan u, al zijt ge vreemd me, al staat
ge, simpel-teêr, kalm in mijn geest te leven,
met stillen aêm waarin géen liefde-schroom komt beven,
en zonder éen gebaar dat naar míjn leven gaat:
ik denk aan uw grijs oog, zacht in uw wit gelaat.
Hoe zal mijn woord uw stil bewegen streelen,
mijn torve mond uw zacht-streelende daên?...
- Op de effen lente-Leie zie 'k, blad-weemlend, gaan
't verduisterd even-beeld van roerelooze abeelen
om 't matte wit en eêle geel der vele water-leel'en
die, bij 't gewieg van tragen avond, kallem staan
en teêr-aan neigen in het zilver-stil getaan
van schuine zonne-glanze' in bevend schaaûwe-spelen....
- Hoe zal 'k uw leden streelen, ik die treurig ben
en, vreezend, in mijn leven slechts de liefde ken
voor mijn vreemd eigen-beeld, weêrkaatst in moe dood water;
('t beeld der abeelen speelt in 't zilver-gele water)
- hoe smaakt mijn torve mond den wrangen, armen waan
dat zijne liefde om uw stil wezen kunne gaan?...
Gij zijt de goede vrouw ten drempel mijner dood, -
gij die me uw oogen als een zomer-nacht ontsloot
vol wondre lichten en vol rust'ge duisterheden;
gij die me uw leden als de rijkste herfsten bracht,
en, schooner dan een schemering, de zéekre kracht
van vredig leven en zich goed bemind te weten.
Want gij, die weet hoe iedre vreugde tanen moet,
gij mínt me; - en 'lijk een god de dood der zon begroet
met stille liefde, al heeft hij vreugde-vol geschapen
die zon: zoo mint ge in mij wat ge in u-zelf voelt slapen
en dat in mij voor eeuw'gen slaap moe de oogen sloot,
- ons moede liefde, o vrouw, ten drempel mijner dood.
Kom, laat ons gaan door 't land der herfsten... Ooft-beladen
glooit, in haar vruchten-rust, naar 't laatste dage-rood,
glooit de Aarde, in 't plooiën-kleed der goud-zwaar' herfstgewaden,
moede als een moeder is van voede' en van verzaden,
zóo, moede en blijde, in de armen van den dood, -
in de open armen van den dood, zoet als de haven,
waar zware tochten zich aan hope komen laven;
in de open haven, zalig als een moeder-schoot....
Kom, laat ons gaan door 't land der herfsten... Zomer-dagen
laaiën hun laatsten brand van zwaar gebroei.... - o Kind
dat vóor mijn weze' uw wijze liefde hebt gedragen,
en al de sterren weet die we in veel nachten zagen,
en de' adem van den Tijd door de' adem van den wind:
zomer laait uit nu, kind, in 't staêge licht-vervagen;
de aard laat de barens-daad in vlije rust vertragen,
en 'k voel dat de eeuwigheid in deze' avond begint....
We zullen gaan door 't land der herfsten, en, verloren
in herfstige eenzaamheid, zal ons véel vrede zijn.
Zie, de avond graaft in de aard zijn laatste zonne-voren;
en wij, - ons liefde werd in wétens-ernst geboren, -
't geweten van den herfst zal om ons leden zijn....
Ons liefde is moe van lam gezeur en mooie logen....
We gaan door 't land van herfst, - o, sluit uw lévende oogen, -
we gaan ten zoeten dood in 't kallem aard-gedein.
Herinneringen zingen, kind, uw wit gelaat,
en 't zoet verhaal van úwe dage' en míjne dagen
die vredig in ons leve' als stille tuinen lagen
in 't teêre licht van late schemering gebaad,
wijl d'hemel is om tuine-groen een stil gewaad
van trage, kalme schaaûwen, en de boomen dragen
een laatste vogel-stem van lang-verglooiënd klagen
dat kwijnt en weêre wast en weêre kwijnen gaat....
Thans, o mijn kind, en leeft geen lied om ons, en leven
geen vrede-dage' als stille tuinen om ons heen;
geen scheemring bleef om ons veréenden droom geweven,
en dróeve schaaûwen schuive' om ons gescheíden leên....
En in den nacht zie 'k, laatste troost, alleen nog beven
de matheid van uw wit gelaat, in stil geween.
Thans is het uur dat schaaûwen neigen,
en de avond, als een teeder lied,
om huize' en zielen zacht komt zijgen,
en moede durend, stil vervliet
in de open schoot van 't schemer-zwijgen....
Thans is in al de zielen vreê,
en dank-gebed in al de huizen;
en zelfs wie wránge dagen leê
voelt in zijn wezen kalmte suizen
als een slaap-zware zomer-zee....
- o Pijn van hér-doorleefde pijnen....
Alleen voor óns is vrede niet,
o mijn vér kind, in 't trage deinen
van 't kallem-durend avond-lied
over de dankende avond-pleinen.
Verzen eener ziekte
De luchten hangen vol dagen, -
de dagen hangen vol smart....
Ik zal te zwak zijn, om te dragen
wat mij de wereld tegen-sart;
ik zal te ziek zijn, om te wezen
wat uw wil star me tegen-slaat,
o mijne dade': alleene weezen
die door 't gewoel bang henen gaat.
Ik, die te trotsch ben om te leven
in stalen palen enklen tijd:
ik zal te moe zijn om te weven
het pal werk van een eeuwigheid....
En mijn leede armen moeten schragen
de buischende onmacht die me tart
uit luchten, dreigend vol dagen,
veel dagen hangend vol smart.
- Ziekte, oude Troosteres, wier woorden wégen...,
- ‘O Gij, mijn zoon, die duldig leven mag
van 't glooiënd denken aan een verren liefde-lach:
ik zie hoe in uw oog droomen als zwanen zegen.’
- Ja, ik ben goéd. Maar 'k wilde vrédig zijn....
- ‘Mijn leéuwrik! Gij, die door de nachten heen-gedrongen,
de vreugd van de eenig-eeuw'ge zonne hebt gezongen,
draagt ge de rúst niet meer van de' een'gen zonne-schijn?’
- Maar ik ben moé: 'k wou in uw woorden slápen....
- ‘Mijn loome bloem in avond-water; o mijn kind;...
ik zal u sussen; gij zult rusten; gij zúlt slapen,
gij, die de Liefde draagt die niemand heeft bemind.’
Koorts-deun
't Is triestig dat het regent in den herfst,
dat het moe regent in den herfst, daar buiten.
- En wat de bloemen wégen in den herfst;
- en de óude regen lekend langs de ruiten....
Zwaai-stil staan graauwe boomen in het grijs,
de goede sidder-boomen, ritsel-weenend;
- en 't is de wind, en 't is een lamme wijs
van kreun-gezang in snakke tonen stenend....
- Nu moest me komen de oude drentel-tred;
nu moest me 't oude vreê-beeldje gaan komen,
mijn grijs goed troost-moedertje om 't diepe bed
waar zich de warme koorts een lícht dierf droomen,
en 't wegend wee in leede tranen berst....
... 't Is triestig dat mijn droefheid tháns moest komen,
en loomen in 't atone van de boomen;
- 't is triestig dat het regent in den herfst....
Gezichten mijner dood, ik draag in mij
de klare blikken van uw teedre heerschappij,
en 't warme streelen van uw glijdende gewaden....
Ik ken u niet, maar ben in u verblijd,
want gij blijft jeugdig door de tijden, en de tijd
breidt om uw haren heen de zachtste dageraden.
Ik min u. Ge zijt mijn; ik leef, ik léef van u,
gij, die mijn dagen als een bed spreidt, en zoo luw
de' aêm van uw nadering laat waren om mijn slapen...
- Ik wilde rústen; maar ik zie uw oogen staan
zóo onbegrepen-goed met droeve vreugd belaên
dat ik voor éeuwig in uw vrede nú wou slapen....
Gij komt. Ge zijt de beelden van mijn záchten dood....
Hoe jóng ge zijt! Ik zie hoe zich uw mond ontsloot
voor 't simpel woord dat deze nieuwe vrede beidde....
Ik ben zoo lícht. Ik ben een knaap die needrig gaat
in 't zoete wenken van uw goêlijk-wijzen raad;
en mijne nieuwe jeugd die ademt aan uw zijde.
Venus en Adonis (Tusschen-zang)
Adonis
Deze avond is gelijk een stil-verlicht paleis,
o wondre vrouw, in 't trage schaaûwe-gaan der boomen....
- Ik ben beklemd in vréemden slaap; hoor gaan en komen
uw stem, o vrouw, gelijk een sussend-zoete wijs
die ik eens hoorde in vader's tuinen, grijs van peis....
Venus
Adonis, uw effen haren zijn als zacht-neigende bronnen....
Ik weet niet hoe mijn mond uw teêr lijf streelen moet....
De avond is wíjd.... Ontwaak, en toon den doffen gloed
van uw jonge oogen, goude' als mat-gedoofde zonnen. -
Ik weet niet hoe mijn hand uw leden streelen zal,
Adonis....
Adonis
- - Een ver, stil lied, in 't vaderlijke vrede-dal;
het wast, en sterft, in smachtend-stille en hell're klanken....
- Vrouw, ge zijt vreemd; ik vind u vréemd. Als roze-ranken
om jonge boomen, zijn uw woorden om mijn hoofd
met kleine blijde wonden... Was het waar? 'k Geloofd'
in vreemden slaap dat mijne moeder zacht me streelde....
Ik slaap vréemd...
Venus
- De avond is gróot van ongeweten liefde-weelde,
nú dat mijn lijf dit jonge lijf beminnen gaat. -
Adonis, als een rechte bloem is uw gelaat,
en stille vruchten voor mijn mond zijn uwe leden....
Ik wou de nieuwe blijheid uwer liefde lijden,
o lieve Adonis, die uwe oogen open laat
als schemeringen naar een liefde-dageraad;
o mijn Adonis, dien ik moet... dien 'k wóu beminnen,
o Adonis....
Adonis
- Ik weet niet, hoe uw woord in mij doet angst beginnen,
vrouw, daar 'k u niet versta.... Deze avond is
gelijk een stervens-huis, hoog-stil in treurenis....
Zóo wist ik huizen, en de vrouwen hadden tranen
in zwijgend oog, - en ik was vréemd als thans. - -
Venus
o Wanen,
Adonis, wanen dat we zijn in eeuwigheid
de éenige liefde, 'lijk gij de éen'ge lieveling zijt,
en dat we heel den Tijd in onze min doorbranden.
- Adonis, vlei mijn slapen, vlei mijn handen;
Adonis, raak mij aan; ik word gelijk een groot vuur....
Adonis
Vrouw, vrouw, gij maakt mij báng....
Venus
- Het schravend uur
is loom van al het bloed dat liefde-menschen droegen
in zware slagen die door hunne borsten ploegen
als groote mokers.... - o Adonis, voelt ge niet
hoe 'k, zónder uwe min, bezwijk; hoe 't leven vliedt
van haar die mensch werd om te minnen als de goden?...
Adonis....
Adonis
Vrouw, ik ben zeer bang....
Venus
Zie hoe mijn lijf u wacht en trilt op koele zoden;
- en deze nacht zal zijn als de' eérste liefde-nacht.
- Kom, mijn Adonis, wíjd is de avond, en de pracht
van ál de zomer-dagen rust in deze schonken.
Gij zult gelúkkig zijn, Adonis, stil gezonken
in dezen schoot, Adonis, die uw min verbeidt
en lijdt van sneller drift en noest-brandend verbeiden....
- Adonis, leg uw handen op mijn heete zijden
en voel hoe ik u hebben móet....
Adonis
o Vrouw, ik ben zoo báng...
Venus
Zie, ik gevoel hoe ik moet sterve' in mensche-dood
als gij niet zijt van mij, Adonis, o mijn lijden....
o Kom, ik moet u hebben, 'k móet u....
Adonis
Vrouw, vrouw, zijt gij de Dood?
Verzen aan eene vrouw
Gij die gebaard hebt, en in moeder-smart gestaan,
hoe ben ik als een tuin voor uw gepijnd verlangen?
Hoe gaat ge in barre hoop, hoe draagt ge onvruchtbren waan,
en heeft uw liefde een liefde om mijn gelaat gehangen?...
Al slaat in mijn moe hoofd uw zware zomer-geur,
vergéefs zult ge, als een roos, uw adem míj-waarts keeren;
want, ben ik úw door al de macht van uw begeeren,
gij kunt niet míj zijn, daar 'k om eigen liefde treur.
Wees stil; kunt ge niet zijn gelijk een móeder is?...
Uw mond is als een beek voor duizend kinder-vragen....
De bijën zingen bij uw diepste treurenis;
en - heb ik niet, als gij, mijn glimlach móe gedragen?
Wees als een goede vrouw en die geen vreugde wensch'.
Zal 'k u bemínnen? - God zal mijne dagen leiden....
Wees stil. De hoogste liefde is stilte. - En wees een mensch
gelijk een mensch die líjdt, gelate' om méerder lijden.
Wat baat het aan den dag dat ik beminnen mocht?
- De herinn'ring is een licht in laaië zomer-landen....
Heb ik geleden? Zie: ik heb mijn leed door-wrocht,
en geene roos is schoon als deze noeste handen.
Ik heb mijn smart gemaakt een zwaren zomer-zang.
Ben ik niet blijde? - Ik heb toch óok mijn pijn geleden....
Wees vredig, o mijn vrouw, en wisch op iedre wang
de leede en teedre traan die trage heeft gegleden.
Thans zijt ge béter, daar ge vredig zijt, en kuisch,
gelijk de dorpel van een frisch en duister huis.
En zijn uwe oogen droef, zij hebben kláar gesproken:
ik heb de doornen van uw liefde-boom gebroken....
- Zóo is het góed, dat ge in mijn kálleme armen rust.
Een nieuwe lent kan thans om uw gebaren groenen....
En zoo ge nóg mijn mond, herdénken-lievend, kust:
gij kust een schoonen dood, de zoon van onze zoenen.
Ik zal u niet beminnen,
gij, die in vreê-gewaad
voorbij mijn torve zinnen
langs-heen mijn leven gaat.
Ik zie uw rústige oogen,
en 'k weet hoe góed ge zijt:
úw teederheid, gebogen
over míjne eenzaamheid.
En 'k heb u niets verborgen
van blijheid, drift en leed,
en hoe uw plegend zorgen
me in stilte weenen deed.
Maar - 'k zal u niet beminnen,
met brandend hart en brein;
ik wíl u niet beminnen:
ik wil gelúkkig zijn.
Als, bij moe-tanend avond-lichten,
angst daalt in onze aanwezigheid,
zijt gij 't, die voor onze aangezichten
de vreê der avond-lampe breidt.
Wij zitten, en ons leden wegen,
zwaar van stil-naedre dage-dood;
gíj hebt zacht woorden die verplegen,
en breekt het vredige avond-brood.
En wij, die uwe gaven eten,
wij rusten in uw blijden haard,
en zien, ons leed bijna vergeten,
uw hand die stil de kruimels gaêrt;
en slapen in uw teêre zorgen,
en raden, niet hoe, troost-gewijd,
gij, voor u-zelf misschien verborgen,
van lijde' een béetre liefde zijt.
Verzen aan de terug-keerende
October draagt in vreê wie sober heeft genoten
de zomer-vruchte', in lustelooze rustigheid.
Maar ik, wiens dagen als een vlucht van vooglen vloden,
steeds onvoldaan, naar u die de een'ge Zomer zijt,
mij heeft de rille Herfst zijn wrangsten wijn gegoten....
Zult ge thans keeren?... Mijn bezweren is te moe
dat het de laatste reize om uwe liefde doe.
- Misschien, misschien?... Ik voel in mij den tróost bezinken
dat beiden wij misschien, gesluiërd, de oogen toe,
denzelfden schampren wijn terzelfde schale drinken.
Wees niet de schroom'ge, die, in loomer avond-komen,
herdenken zwijgen doet;
ben ík de pleger niet, die met zijn eigen droomen
zijn eigen treurnis voedt?
- Treed nader, zie mij aan, en hoe mijn oog, gelaten,
géen liefde vraagt, o kind;
- ik heb de zeilen van 't verlangen neêr-gelaten
bij liggende' avond-wind....
En weder teeder in uw deinend over-peinzen
van ons geschéiden wee,
zal ons veréende droom misschien ten einder deinzen
der zélfde vrede-zee.
Want, kwam nog, wijlend in uw kommrend oog gegleden
de schaduw van mijn vróeger lied, -
draag ík dan, rústig, 't lévend leed van ons verleden
niet, niet?....
- - Wees niet de schroom'ge....
Gij kúnt niet wijken; en ik zie uw lippen prijken
glans-vochtig als een vrucht in prillen morgen-tijd....
Gaat thans niet, schóone, onze aarzel-vrome schuchterheid
't lach-teedre doen van vreemde kinderen gelijken?
- o Ween niet meer: we zullen sámen treurig zijn
tot ons een nieuwe vreugde in stilte moog' genaken.
En hoop. Misschien wordt ons een liefde-nieuw festijn
't herdenken dat we traan aan traan gezámen zullen smaken.
Gij zult me niet meer kennen, die me kende'....
Noch, gij, die weet hoe 'k mijn begeeren wond en wendde
om uw onachtzaam-reede of toeë schoonheid, 'lijk
een welk'ge winde rankt om een bezónden eik;
vreemde geliefden van mijn drift, bestemde vrouwen
die voert in uw gelaat 't verholen merk gehouwen
dat mijn verlangen brandde uit iedren wrangen blik;
zware, ongesmaakte en duistre vruchten-pracht, die ik,
droef-moede beedlaar, in géen avond-tuin genaakte;
o menigvoud'ge vrouw die, dicht-omwaadde of naakte,
herinn'ring aan mijn trots of mijn begeerte draagt,
en rilt wellicht bij 't beeld dat ge in mijn oogen zaagt
van schrik om vreugde en nijd om ongeleden pijnen;
en gíj die, onbezeten-schoon, in u voelt schrijnen
spijt om versmade, zomer-rijpe manlijkheid:
vrouwen die zoenen-loom of bitter-wachtend zijt,
nu lamme zomer óp naar torven herfst wil deinen,
gij zult me niet meer kennen, vrouwen....
Noch gíj, noch gíj, die mij bemínt, die mij bemínt....
Gij weet het, o mijn vreemd en teeder-schromend kind,
en, wetend hoe 'k mijn vreugd aan ándre heb geschonken,
toch treedt uw prille zoen bedeesd mijn lippen naêr....
- Thans zijn mijn leden, in hun moeheid, neêr-gezonken;
ik zie uw rijpen mond, en 't wegen van uw haar,
en 'k min u nóg, en ween, en ríl u te beminnen,
o simpel-schoone vrouw die ongeschonden zijt,
en draagt een liefde naar mijn moede dierlijkheid
en zuivre wanen naar mijn schamper-matte zinnen....
Gij zult me niet meer kenne', o gij, die vroeger waart
de stille vlamme in vaderlijken vrede-haard....
Ik ging: daar was een zón voor mijn begoochelde oogen;
- en thans, dat mijn gelaat, behoond en bloed-bespogen,
herdenkens-strak, naar oude heerden keeren gaat,
voelt het de vlamme naauw die stil het tegen-slaat.
Ik hoor de nacht die nader-zijgt, -
en beider zwijgen....
Ik voel uw hoofd naar mij geneigd,
- zal 't míjne neigen?
Uw aangezicht is vreemdlijk stil
in 't schemer-leven....
Ik zie het laatste dag-geril
in de avond-dreven.
- Is dit een einde of een begin?...
Uw handen glanzen;
uw blik is als violen in
verslenste kransen....
- - Ach, is ons lijf voor eéuwig moe,
en onze zinnen?...
Míj faalt de kracht, te zeggen hoe
'k u durf beminnen.
Het weze dan, dat ik thans weêr uw lief zal wezen,
o spiegel die het beeld van míjnen glim-lach draagt;
en dat mijn liefde, in schroom naar úwen schijn gerezen,
met vroegre woorde' uw liefde in schaamlen eerbied vraagt,
- meêlijdend om haar-zelf, zóo als een vooglaar waagt
met suizend fluite' een kranken vogel te genezen....
Ik ben gewond; ik heb een wonde, en die nog bloedt,
en die ik thans in liefde om úw geluk wou dragen....
- Ik weze uw lief, gij die geduldig zijt, en goed
dat gij mijn vreemden waan met eigen waan wilt schragen,
- meêlijdend om de vooglaars die 't genezen wagen,
met zoet gefluit, van 't vogelken, dat sterven moet.
Wat deert me nieuwe liefdes-tijd;
wat deren waan'ge dagen?
'k Heb mij in bedden neêr-geleid
waar vreemde dooden lagen....
Wat schade aan hergenoten waan?
Misschien zal ik vergeten
hoe doornen langs een liefde-laan
mijn lede' aan stukken reten....
- Ik ben zoo blij, ik ben vreemd blij,
te kunnen stil gelóoven
in nieuw-aanblazend min-getij
door oud-gekende hoven.
De moeder en de zoon
De moeder
Ik draag u aan mijn hart, al ben ik járen-zwaar.
Voelt ge mijn adem als een vlamken op uw haar?...
De zoon
Ach, zwijg: ge zijt een vróuw langs leêge levens-straten....
De moeder
Hoe, heb ik niet mijn zoen op uw gelaat gelaten?
De zoon
Uw zoen is op mijn mond gelijk mijn tranen: zóut....
De moeder
Mijn zoon, mijn zóon; ik ben voor u als duister goud.
Zíet ge mij niet, om u zoo troostloos-droef te wanen?
De zoon
Mijn moeder, 'k zie u vréemd in 't licht van mijne tranen....
De moeder
Bemínt ge mij dan niet, mijn kind?... Zie hoe ge leeft
in iedren tragen traan die in mijne oogen beeft.
Ziet ge niet heel uw leve' in mijn grijze oogen leven?
De zoon
Neen, arme moeder....
De moeder
Noch uw wonder-dolste daên
die vrédig als een herfst over mijn lippen gaan,
mijn zóon?
De zoon
Ik heb mijn wil een hárder beeld gegeven;
een ándre vrouwe leeft voor mijne onsterflijkheid....
Des ben ik droef, o vrouw die mijne moeder zijt.
Kán ik nog de' uwe zijn?
De moeder
Helaas, de schoone dagen
om uwe liefde en vreugde in deemoed stil gedragen;...
- en thans, in úwe aanwezigheid, zoo gansch alléen...
Ziet ge niet dat ik ween?
De zoon
... Ziet ge niet dat ik ween?  |