Abdij van Beaupré

De Abdij van Beaupré is een 13de eeuwse omwalde cisterciënzerinnenabdij even buiten het dorpscentrum van Grimminge in het nog steeds weelderige grasland. Vandaar de naam "Bellum pratum" of "Beaupré".  De stichtster was Aleidis van Boelare, een rijke weduwe, die in 1228 een stuk bos en een stuk weide schonk om er een klooster op te bouwen. Ze werd er ook begraven. Reeds  in 1148 voorspelde de Heilige Bernardus de bouw van deze abdij.


 
Geschiedenis


Oprichting
Monialen van de abdij van Ter Kameren stichtten het klooster en leverden de eerste abdis. De kloosterlingen leefden er volgens de regels van de abdij van Cîteaux (Frankrijk), maar waren afhankelijk van de abt van Clairvaux. Beide abdijen vormden, na de abdij van Herkenrode, de voornaamste cisterciënzerinnenabdijen uit de Lage Landen.

Zoals de meeste abdijen uit de streek aanvaardde ook Beaupré dochters uit elke stand, maar er werd voornamelijk uit de betere standen van de bevolking gerecruteerd. De goed bemiddelde ouders van de ingetreden zusters gaven hun dochters een flinke bruidschat mee. De abdij verkreeg door giften en aankopen bezittingen, hofsteden en vooral gronden in 30 gemeenten in de dichte en de verdere omgeving. Reeds in de 14de eeuw bezat de abdij een windmolen op de hoek van de huidige Raspaillebosstraat (voorheen Molenstraat ...) en de Lembosstraat.

Veel geschriften zijn verloren gegaan, er is dus weinig bekend van de verdere geschiedenis van de abdij.
Door godsdienstmoeilijkheden moesten de zusters in de 16de eeuw een bescherming zoeken te Geraardsbergen, nadien in Aat. De abdij kon zich snel herstellen. Tot 1608 behoorde de heerlijkheid Grimminge toe aan Otto II van Edingen. Het was de prins van Arenberg (Charles de Ligne) die ze aan abdis Marie-André verkocht.
In 1515 telde de abdij  zelfs 213 religieuzen.
Ook is bekend dat de abdis Angéline de Lossy (1755-1796) het plan opvatte een compleet nieuwe abdij te bouwen en hiervoor in 1760 aan architect Simoens de opdracht gaf deze te ontwerpen. Van 1760 tot 1764 worden rond een rechthoekig voorplein twee nieuwe vleugels gebouwd, nl. het gastenkwartier en het abdissenhuis. Het front van de éénbeukige abdijkerk, voltooid in 1769, sluit het plein af. De oude kerk werd daarna afgebroken en de conventsgebouwen werden vernieuwd. Het gebouw van de hoofdpoort is klaar in 1780.
Eveneens in die periode geeft de abdis de opdracht tot het bouwen van een nieuwe pastorij. Ook dit plan werd gemaakt door architect Simoens.

De aanwezigheid van de abdij zorgde voor de ontplooiing van Grimminge en omgeving : ontginning van bossen, bijmaken van landbouwgronden en  geven van onderwijs. De eerste meisjesschool uit de streek ontstond in de abdij. Er was een brouwerij, een kerk en een begraafplaats.

Ineenstorting

In 1796 werden de laatste zusters door de Fransen weggejaagd. Een zekere Spitaels kocht de verbeurdverklaarde goederen voor een prijsje op 4 juni 1797, en begon aan een onmiddellijke afbraak van de kerk, het klooster, de brouwerij en het kerkhof, waardoor alleen de toegangspoort (met haar barokke koepel), het kwartier van de abdis, de schuur en de stallingen overbleven.
Tussen 1902 en 1919 werd de tot dan toe verlaten abdij opnieuw bewoond door meestal Franse nonnen (Dames van Nazareth). Men kan de metalen grafkruisjes van de overleden zusters nu nog zien aan de zijgevel van de kerk.

Het poortgebouw kwam op 9 juni 1965 in handen van kunstschilder Herman Vanderlinden (+), nadat ze op 8 april 1965 bij Koninklijk Besluit als monument werd geklasseerd.

Het Abdissenkwartier en de grond eromheen is lange tijd in het bezit geweest van de familie Gaublomme, tot het werd verkocht aan John De Bruycker die de intentie had er een serviceresidentie van te maken. Van dat plan werd afgezien, de residentie werd iets verderop ingeplant op een vrijgekomen terrein in de buurt van het adijgebouw. Hij liet het hoofdgebouw dat in zeer slechte staat was, restaureren en wil het voor de
'Stichting Jules De Bruycker' uitbouwen tot een kunstencentrum. 
In de toekomst zal het gebouw nu dienst doen als expositieruimte. Daarvoor werden op drie niveaus grote zalen gecreëerd. Het gebouw wordt de uitvalsbasis worden van de 'Stichting Jules De Bruycker', genoemd naar de Gentse kunstenaar (1870-1945).
Aldus De Standaard. Van deze plannen is echter tot dusver (2010) nog niets te zien. Begin de jaren 2000 stortte een deel van de muur langs de Klakvijverstraat in. De opening werd door de eigenaar voorlopig gedicht met betonstenen, maar van een echte restauratie van de muur is voorlopig geen sprake.

Branden

De abdij bleef niet gespaard van ongeluk. Op 28 augustus 1965 werd ze een eerste maal gedeeltelijk door brand vernield. Kort hierna werd een comité opgericht die tot doel had de abdij te redden en herop te bouwen. Na jaren van heropbouw sloeg het noodlot echter een tweede maal toe. Begin 1991 stortte het geklasseerd poortgebouw over de aanwezige vijver volledig in. Op de koop toe brak er op 17 maart 1991, enkele weken na de instorting, opnieuw brand uit, ditmaal in het modernere abdissenhuis. Gelukkig bleef het oude, geklasseerde abdissenhuis wel gevrijwaard. Niettemin blijven momenteel door de tand des tijds en twee zware branden enkel de sporen over van de abdij die in Grimminge vroeger een grote bloei kende.

   
De baronnie van Boelare                                       De toegangspoort vroeger .....                      En  nu ...

Aan de ingang van de dreef staat de pas gerestaureerde kapel toegewijd aan Onze Lieve Vrouw van de Rozenkrans. Ze werd gebouwd door de zusters van de abdij in het jaar 1600. Door haar ligging aan de hoofdweg naar Geraardsbergen werd de kapel veel bezocht door voorbijgangers. Een aantal decennia geleden werd jaarlijks een processie georganiseerd vanaf de kerk van Grimminge naar de kapel. Gelukkig werd ze na jarenlang verval gerestaureerd.

Geraadpleegde bronnen : Wikipedia, De Standaard, Geert Van Bockstaele, het boek van Elie De Mol "Een bekoorlijk dorpje langs de Dender: "mijn" Grimminge", 240 blz., Printor, Houteklopwandelgids (Etienne Pauwels), eigen bronnen.