Ludo Geloen
1. Wit
|
Oorkussen Het
laken bleekt in de zon, Groen
is zijn buur. Een
wolk drijft over En
schaduwt een woord In
mijn hersenpan: Kissend
komt het tot Een
punt van koken. Dit
duivelse oorkussen reïncarneert: De
wind weet er geen raad mee. Een
nimbus kleurt.
|
Witte
dagen Mijn ogen zijn Zwarte gaten, Ik voel ze Brandend uitzien Naar verstilde uren, Witte dagen. Het ontsnapt mij Aan geluid en Vallende regen: Een glijdende druppel Tast een hangend blad Af. Grijp ik verlangend naar het niets: Ik hoor de grond.
|
Scheermes Vol
verwondering Zie
ik dat Venus (op
haar kousenvoeten) de
maan een kus wil
geven. Zonder
omarming Strelen
ze Mijn
netvlies. (Een
bugel huilt, een
wolf antwoordt.) Wolken
neigen weg Omwille
van een Maanwit
scheermes.
|
|
Wintermorgen
In de verte Blaast een hond Bellen, de Partituur scheurt Zijn flanken wit. Sneeuwvlokken vallen Als een heidens meisje Met de deur In huis en Vullen mijn kamer In. Haar haar Behaagt de muren en Een tong bewoont al snel Mijn flikkerend haardvuur. Met zand in de ogen Wandel ik ’s morgens De romantuin in, ik Streel een voorbijvliegende Kat.
|
Schilderij
Kaders
staan klein, Ze
tellen plaats En
verdwijnen. (Centimeters
worden stille
oceanen, het
palet zwijgt.) Doorheen
het canvas Komt
een gewassen Muur,
de verf zwemt In
fotonen en maakt Zich
van het wit Los. Het
beeld blijft Eenzaam
achter, het Wandelt
in ons Hoofd.
|
|
Copyright 2005 L. Geloen
Niets van deze pagina (en de pagina's waarheen de links naartoe verwijzen) mag gebruikt, gecopieerd of gedeeltelijk worden overgenomen zonder toestemming van de auteur.