De Tunnel  => 

L. Geloen

1. Zonsopgang

Pottenbakker

 

Van klei maak ik een tunnel.

(Het vuur verwacht hem al.)

De hitte is een harnas.

(Warm je alleen van verre.)

 

Het licht is een visitekaartje.

(Kijkend kom je op bezoek.)

 

Kerend kom ik tot kneden,

De mal is mijn bed en

Traag kom ik tot plooien.

(Van droogte groeit mijn schild

En foetushouding.)

 

Emaillerend overvloei ik mezelf.

(De aarde eet ik op.)

Foetus

 

De tunnel is in zicht.

(Ik hoor de branding al).

 

Onomkeerbaar erken ik een warme nauwte.

(Een open labyrint zuigt me vol wegwijzers).

 

Ik kan stuur- noch bakboord in dit spelonkachtige sop.

(De kapitein vergat ergens zijn roer).

 

Doorzichtig weet ik nog van niets,

Een wijdse droom bevolkt me,

Ik fascineer mezelf.

(De verbeelding fantaseert de werkelijkheid).

 

Ik vertrek, ik kom eraan!

(De aarde adopteert me).

 

Boodschapper

 

Stokoud en foetaal gekrompen
lig ik in mijn kribbe,
mijn moederbaar
en overzie mijn gang
van ginder naar hier,
mijn terugkeer
vanwaar ik kom
en lig nu weer
waar ik begon.

Mijn getelde dagen
zal ik in weeënsnood
zwanger baren :
ik verwacht
mezelf.

 

 

 

Copyright 2005 L. Geloen

Niets van deze pagina (en de pagina's waarheen de links naartoe verwijzen) mag gebruikt, gecopieerd of gedeeltelijk worden overgenomen zonder toestemming van de auteur.