|
Een
groot Gents industrieel, gehaat door de Engelsen, op handen gedragen
door de Fransen.
|
||||||||||
|
LIEVEN BAUWENSPLEIN
|
||||||||||
|
Website
gesponsord door Reiscafé
Mosquito Coast - Hoogpoort 28 - 9000 Gent
|
|
Webdesign
door Adix - Foto's ®
Adix
|
Standbeeld van Lieven Bauwens
(Gent 14.06.1769 - Parijs 17.031822), opgericht in 1885.
Hij was de grondlegger van de mechanische textielnijverheid in Gent. Rond
1798 liet hij onderdelen van een mechanische spinmolen, de Mull
Jenny,
vanuit Engeland naar Parijs smokkelen, alwaar hij zijn eerste
katoenspinnerij oprichtte (in Gent spreken ze van de Mule Jenny).
In 1799 volgde de Gentse fabriek. Het was de aanzet van een
bloeiende periode voor de Gentse textielindustrie, die maar een 15-tal jaar
duurde...
Lieven Bauwens is geboren in de Waaistraat (nabij
de Vrijdagmarkt). Een gedenkplaat naast het socialistisch huis geeft de plaats
aan
waar het geboortehuis van Lieven Bauwens heeft gestaan (zie foto onderaan).
Reeds in 1849 dacht men er aan hem een standbeeld te geven. In 1866 plaatste
men een ontwerp in plaaster op de huidige plaats. Uiteindelijk kwam in 1885
het huidige bronzen standbeeld.
Het leven van Lieven
Bauwens :
Er gaan vele verhalen van Lieven Bauwens. Door de ene opgehemeld tot held,
en weldoener voor de Gentse bevolking, maar door anderen bestempeld als collaborateur
en zakkenvuller...
Hij was een gewiekst zakenman die met veel geld, veel gedaan heeft om zijn
eigen te verrijken, maar ondertussen had de bevolking ook werk.
Lieven was de oudste van 12 kinderen. Zijn vader was een rijke handelaar (wijnkoopman
en vrije huidenvetter). Op vraag van zijn vader moest de 13-jarige Lieven
de school verlaten om te werken als leerlooier in het bedrijf. Op zijn 17de
ging hij voor 3 jaar naar Engeland om er de nieuwste technieken van het leerlooien
te leren.
Na zijn terugkeer richtte hij in het Nieuwland in een oud klooster van de
predikheressen een modelbedrijf op met 550 looikuipen en 200 werklieden. De
werktijd om tot mooi leder te komen, werd nu gedaan in 6 weken in plaats van
6 maanden. Hij kon zelfs concurreren met Engeland en maakte daarom vele reizen
naar Engeland (als industrieel spion). Tijdens zijn verblijf merkte hij het
grote belang van de katoenspinnerij in de Engelse industrie op. Toen hoorde
hij spreken over de Mull-Jenny, een spinmachine. Deze machine verzekerde Engeland
van het monopolie van de katoennijverheid.
Het ging de familie Bauwens voor de wind en het geheimhouden van de nieuwe
leerlooitechnieken leverde hen rijkdom op. Toen vader stierf, namen Lieven
en zijn broer François de zaken over. Ze richtten nieuwe bedrijven
op, o.a. een handel in Engeland in koloniale waren (Indisch katoen, koffie,
suiker), die als dekmantel diende om stukken van de Mull-Jenny te smokkelen
van Engeland naar het vasteland. Deze stukken had hij via een stroman gekocht
bij de Constructeur Adam Parkinson in Manchester, onder het voorwendsel dat
hij elders in Engeland een bedrijf ging oprichten. Dit was een riskante onderneming,
omdat de Engelsen met de doodstraf dreigden voor iedereen die het geheim van
deze mekaniek zou verklappen.
In 1794 viel het Franse
leger voor de tweede keer Gent binnen. De haat tegen de bezetters was groot.
Maar de gebroeders Bauwens waren gewiekste zakenmensen en sloten met het Franse
leger zeer gunstige contracten af. Zo mochten ze schoenen en laarzen leveren.
De Gentenaars beschouwden hen dan ook als collaborateurs van het zuiverste
gehalte. Met de grove winsten kochten ze in 1796 het klooster van de Minderbroeders
in Passy en het Hôtel Richelieu in Parijs. In 1798 kochten ze het Kartuizerklooster
in Gent en het Norbertijnenklooster in Drongen.
Toen het in Gent te warm werd voor beide broers, en ze vreesden voor represailles,
vertrokken ze naar Parijs.
Maar in die tijd was het ook oorlog tussen de Fransen en de Engelsen. Van
de Fransen had hij portvrijstelling bekomen voor al zijn goederen. Met veel
listen en met veel goud, kocht hij brokken en stukken van de Mull-Jenny, die
hij dan in kisten suiker of in balen koffie naar het vasteland zond. Het ging
hem niet enkel om machines. Hij moest ook mensen vinden met de nodige kennis
en de ervaring om ze te monteren en om ermee te werken. Het werven van deze
mensen kostte Lieven Bauwens heel wat moeite. Vooreerst moesten zijn vertegenwoordigers
in Londen al hun overtuigingskracht aanwenden om de Engelse arbeiders met
mooie beloftes naar Hamburg of Schotland te lokken. Hij beloofde hen dat wanneer
ze op zijn voorstellen ingingen, ze financieel een paar jaar op rozen zouden
zitten. Velen hebben zo hun familie in Engeland achtergelaten zonder te beseffen
dat ze zich met industriële spionage bezighielden en er voor hen geen
terugkeer mogelijk was. Daarbij komt nog dat hij hen op tijd en stond aan
de kant zette, nadat ze goedkopere autochtonen hadden opgeleid. Maar op 12
nov 1798 liep het grondig fout. De laatste stukken waren ingeladen en hij
had een 40-tal Engelse spinners, meestergasten en mekaniekmakers aangeworven,
met de idee om met hen in Gent een nieuw spinnersbedrijf op te richten. Maar
de echtgenote van een werkmeester verklikte de zaak aan de politie. Lieven
had nauwelijks de tijd om in te schepen naar Hamburg. Zijn schip werd gevolgd
door verschillende Engelse schepen. Zelfs in Hamburg lieten de Engelsen niet
los. Ze eisten zijn uitlevering en alleen door omkoop met veel goud kon hij
opnieuw vluchten. In Engeland werd zijn huis doorzocht, er werd een prijs
op zijn hoofd gezet en zijn koopwaren verbeurd verklaard. De medeplichtigen
werden veroordeeld tot gevangenis en boetes.
Toch kreeg hij door eigen
vinding en kennis de Mull-Jenny aan het draaien. De productie kon beginnen.
Ondertussen produceerde zijn broers fabriek in Parijs méér dan
2.000 Mull Jenny's.
Ondertussen hadden de zussen van Lieven ook niet stilgezeten. Ze trouwden
met andere industriëlen en het is alzo dat Lieven terug naar Gent kwam.
Kort na 1800 opende hij in Gent een mechanische katoenspinnerij in het Kartuizerklooster
(heden instituut Sint Jan de Deo aan het Fratersplein). Al gauw vervaardigden
3.000 werklieden bij hem katoen, bazijn, percale, piqué en batiste.
Lieven verkocht zijn machines aan de industriëlen die met een zus van
hem getrouwd waren : Heyndrickx, Guinard, Heyman, de katoendrukker De Vos
die in het
Victorinenklooster aan de Groene Briel een fabriek opstartte. Maar
ook aan anderen, zoals aan Rosseel en Lousbergs verkocht hij zijn machines
. Deze laatste gebruikte het Capucinessenklooster aan de Reep (de huidige
Sint Bavoschool). Zo werd Gent in korte tijd het Belgisch Manchester. De sinds
2 eeuwen ingedommelde stad herleefde en haar bevolking groeide zeer spoedig...
De Franse regering wilde zulke verdienstelijke man aan zich hechten. Consul
Bonaparte benoemde Bauwens op 15.06.1800 tot meier (burgemeester) van zijn
geboortestad, maar hij legde deze functie al op 28.04.1801 neer. Hij hield
zich liever bezig met nijverheidsondernemingen.
Ondertussen
(1802) had hij het zelfs gedaan gekregen dat de 7 à 800 gevangenen
in het Rasphuis (provinciale gevangenis aan de Coupure) voor hem werkten (tegen
water en brood). Hetzelfde gebeurde in Vilvoorde en in Hemiksem bij Antwerpen..
In 1805 richtte hij in de oude abdij van de Norbertijnen te Drongen een 3de
katoenspinnerij in, doch ditmaal met toepassing van de stoommachine. Ook in
Dinant had hij een fabriek.
Op 22 mei 1805 kreeg hij een gouden medaille van de stad Gent. Hij werd door
Napoleon op 09.05.1810 gedecoreerd met het kruis van het Erelegioen. Hij was
lid van de algemene raad van het Schelde-departement en luitenant-kolonel
van de erewacht te paard.
Tot 1811 ging alles goed, maar de Continentale blokkade deed zich gevoelen.
Het ging met de katoenindustrie steeds minder goed. Bauwens
had weinig financiële reserve, want alles was geïnvesteerd in machines
en gebouwen. Bauwens incasseerde verliezen en hij moest de helft van
zijn arbeiders ontslaan. De val van het keizerrijk van Napoleon sleepte Bauwens
met zich mee. Hij poogde nog vruchteloos de hulp van de Prins van Oranje in
te roepen, maar die kwam te laat en Bauwens ging failliet. Hij liet zijn fabrieken
over aan zijn schuldeisers en trok zich terug in Parijs.
Daar, in 1819 ontdekte hij een nieuwe manier om flokzijde te verwerken. Hij
verkocht zijn brevet met een jaarlijkse rente aan baron d'Idelot. Hij kon
weer denken aan een herstel van zijn fortuin, maar op 17 maart 1822 komt hij
plots te overlijden. Hij werd 53 jaar. Hij ligt begraven op het Père-Lachaise
kerkhof te Parijs.
Permanente tentoonstelling: "Ons industrieel verleden, 1900-2000. De vrouw achter de schermen en op de barricades. De evolutie van de samenleving bekeken vanuit een vrouwelijke invalshoek aan de hand van voorwerpen, machines, interieurs en evocaties van vroegere nijverheden."
Minnemeers 9
B-9000 Gent
Open 10.00 - 18.00 uur
Gesloten op maandag
Toegang 2002 :
Volwassenen: 2,48 euro
-26/ +55j: 1,24 euro
-12j: gratis
groepen +15 pers.: 1,24 euro
Gentenaars: gratis

