Nooit meer Oorlog!

 

 Industrialisatie op leven en dood

 door Guido Deseijn
klik op de foto voor de volledige tekst klik op de foto
voor illustraties

Slideshow van de tentoonstelling in de Hoofdbibliotheek Evergem zien? Klik hier.

Get the Flash Player to see this player.


VÓÓR DE TANK: DE PANTSERAUTO
 
Net als nadien bij de tanks, kende de nog prille “automobiel” vanaf het begin van de Eerste Wereldoorlog een versnelde metamorfose van “koets zonder paarden” naar een gepantserde vechtmachine (“automitrailleuse”), aanvankelijk bedoeld was als steun voor de cavalerie maar al vlug door haar wendbaarheid en veelzijdigheid onafhankelijk werd ingezet door het uitrusten met een machinegeweer, bijvoorbeeld bij het afweren van luchtaanvallen van een andere geduchte nieuwkomer: het vliegtuig. De pantserauto als voorloper van de tank maakte van WW 1 een ‘bewegingsoorlog’, maar raakte door de komst van deze vlug voorbijgestreefd.

De Eerste Wereldoorlog werd van in het begin al een “moderne materiaalslag” genoemd. Het was een conflict waarbij techniek en industrie de eerste rangrol speelden. De auto-industrie in volle expansie, en niet in het minst de Belgische, speelde vlug in op de nieuwe behoeften van de bewapeningsindustrie. Belgische automerken zoals Minerva en Sava waren in 1914-1915 zelfs leidinggevend.
Franse, Engelse, Duitse en zelfs Amerikaanse “war cars” bestonden evenwel al vóór WW 1 en waren bv. al rond 1900 tijdens de Boerenkrijg in Zuid-Afrika ingezet.
 

VAN STOOMTRACTOR TOT RUPSTANK
 
Om de uitzichtloosheid van het vastgelopen westelijk front te doorbreken werd tussen 1915 en 1918 de Mark I, ‘Mother’ - de moeder van alle tanks – of ‘Big Willie’ (midden onder) tot IX, en de Medium Mark A, B en C tankserie ontwikkeld, waarvan vele duizenden door Engeland geleverd. Ook werden
over het Kanaal nog prototypes van tanks getest o.a. een Caterpillar tractor voor opruiming van prikkeldraad (1915) en een pantserauto-mitrailleuse ‘windwagon’ met vliegtuigmotor (1915). In de USA experimenteerde men ondertussen met o.a. de Best Cie tank ‘Tracklayer’ uit 1917 (midden boven).

Van de ‘Little Willie’ (midden links), in 1917 bruikbaar voor transport van kannonen en begeleider van de Mark tanks, zijn slechts 48 stuks gebouwd.
De Mark IX (midden rechts), een tank eerder bedoeld voor veilig infanterietransport dan als afschrikkend aanvalswapen. Door zijn grote lengte kon hij gemakkelijker loopgraven overbruggen. Alhoewel er 35 exemplaren eind 1918 operationeel waren, zijn ze nooit ingezet vóór het einde van de oorlog).

In totaal stonden de Geallieerden op het einde van de oorlog meer dan 6000 tanks ter beschikking, alle types door elkaar, bepalend voor de eindslag.In 1916 werden de eerste Franse Schneider (links onder) en Saint Chamond (rechts onder) tanks ingezet op het slagveld. Alhoewel er van beide types een kleine 400 werden geleverd, moesten zij echter al vlug plaats ruimen ten voordele van de efficiëntere en meer wendbare Renault FT-17 tanks.
 

OORLOGSPROPAGANDA & TEGENPROPAGANDA
 
Veroverd oorlogsmaterieel, zelfs zwaar geschut op spoorweg wagons, is als propagandamiddel tentoongesteld. Hetzelfde gebeurde met de eerste veroverde Engelse Marks aan Duitse, of met de Duitse A7V tanks aan Geallieerde zijde, die triomfantelijk als oorlogsbuit zijn binnengehaald. Daarvan zijn aan beide zijden fotopostkaarten in grote getale verspreidt.

Door de Duitse troepen buitgemaakte tanks werden ingezet tegen de Geallieerden, maar kenden om dezelfde onhandelbaarheid die deze hinderden, hetzelfde lot: zij werden spoedig uitgeschakeld.
Slechts in 1918 slaagden de Duitsers erin operatieve eigen tanks, de Krupp A7V (afkorting van ‘Algemeines Kriegsdepartement 7 Verkehrs Abteilung’), in te zetten. De ontwikkeling van andere
prototypes werden door het einde van de oorlog verhinderd.
 
 
DE ENGELSE “MARK” SERIE :
DE TANK DIE DE KANSEN AAN HET FRONT KEERDE
 
In Engeland werden de eerste zware Mark tanks of ‘landships’ gebruikt als middel voor de werving van oorlogsfondsen, de “Tank Bank” (boven) en in de Verenigde Staten als propaganda (midden) om deze te overhalen tot deelname aan het oorlogsgebeuren (“Amerika at War”). Om de propagandamolen te laten draaien werden bij gebrek aan echte tanks op het platteland bij optochten desnoods houten namaak tanks opgevoerd. Na hun bijdrage, de Caterpillar ofte rupsketting, experimenteerden de USA in 1918 met een 50 ton zware ‘stoomtank’ gebaseerd op Mark tanks, maar ze zijn nooit in productie gebracht (midden onder).
 
 
DE LICHTE RENAULT FT-17 : DE MEEST “SUCCESVOLLE” FRANSE TANK
 
De populaire Renault FT-17 lichte tank bewapend met een 8mm machinegeweer (‘eerste generatie’ tot 1917) en aanvankelijk bedoeld als commando tank als begeleiding van de infanterie of van de zwaardere Schneider of Saint Chamond tanks. Nadien ging de FT-17 als voornaamste Franse tankmodel in productie voorzien van een 37 mm kanon (‘tweede generatie’ tot 1918).

De Franse tanks Renault FT-17 bewezen hun superioriteit in de lente van 1918 bij de veldslagen van Hamel en Villers-Bretonneux, en aangevoerd op vrachtwagens, tijdens de finale aanval op de Hindenburg Linie, wat het einde van de oorlog bespoedigde.De Renaulttank haalde zelfs de overzijde van de Atlantische oceaan, waar hij onder licentie werd aangepast en verbeterd.

De FT-17 (naar het jaar van eerste inzet: 1917) bleef de meest succesrijke Franse tank tot ver in het Interbellum, in gebruik als oefentank (Franse legerkampen van Coetquidan, Mailly, Larzac),  en aangepast, ook in de USA (Fort Meade). Zelfs in het Belgische Beverlo (Leopoldsburg) waren er een aantal Renault FT17 tanks voor oefeningen in gebruik, waarna zij rond 1950 in de bossen
aldaar zijn gedumpt om uiteindelijk te worden verschroot.
 
 
INZET VAN ENGELSE MARK TANKS MOEST VANAF 1916
DE OORLOGSKANSEN KEREN
 
Een Britse Mark V type ‘male’ (geschutstoren met één zwaar kanon) en ‘female’ tank (geschutstoren met twee lichtere kanonnen) in volle actie, op het ‘kritiek moment’ net voor de “topping”, het balanceren boven een loopgracht of bomkrater: dit beeld liet zo’n diepe indruk na op de soldaten in de loopgraven dat het tot een icoon is uitgegroeid in Interbellum illustraties, publiciteit en op affiches.


Van de Mark I (‘Mother’) tanks zijn een 100-tal vervaardigd. Zij werden voor het eerste ingezet tijdens de slag aan de Somme in 1916. Hun succes -hoe beperkt ook- was overtuigend genoeg om de reeks verder te zetten en te verbeteren. Vooral de Mark IV en V zouden in grote hoeveelheden worden ingezet aan het front. Zij wogen zo’n kleine 30 ton en werden bewogen door een 100 PK Daimler motor – merkwaardigerwijze het fabricaat dat nadien ook de vijandige tanks zou aandrijven.
 
 
INZET VAN ENGELSE MARK TANKS MOEST VANAF 1916
DE OORLOGSKANSEN KEREN (2)
 
Er werden hoge verwachtingen gesteld in de Mark tanks. De eerste inzet tijdens de slag aan de Somme in het najaar van 1916 was wereldnieuws: “Mysterious Monsters on the Muddy Somme” blokletterden alle kranten. De tanks – “land battleships” (omdat Churchill ze onderbracht bij de Royal Navy), “iron clads”, “devil’s chariots”, “Panzerdrachen” zouden voor altijd in het collectief geheugen gegrift blijven. En vooral het ‘kritiek moment’ waarbij de tank “over the top” ging - op de rand van een loopgracht balanceerde - en de soldaten doodsangst bezorgde.

Toen het technische concept van de machine vorm kreeg, werd de equipe verantwoordelijk voor het prototype in december 1915 met de schuilnaam “Section for the installation of tanks” aangeduid, omdat het vooral metaalbewerking betrof: smederij, plaatslagerij, klinkerij en ijzerdraaierij. De benaming “tank” was geboren gezien de gelijkenis met de mobiele waterreservoirs die destijds door het Engels leger in het Nabije Oosten in haar strijd tegen de Turken waren vervaardigd.
 
 
HET “DAGELIJKS LEVEN” OP HET SLAGVELD
 
“Ik wacht tot de tanks en de Amerikanen hier zijn…” waren de gevleugelde woorden van de Franse maarschalk Pétain). Maar de Duitsers ontdekten, na het overwinnen van hun angst, al vlug de zwakke punten van deze “monsters” en organiseerden tactieken en bewapening om hen te immobiliseren, en sommige zelfs te kapen en tégen hun vroegere eigenaars te hergebruiken. De soms felle camouflagekleuren waarin de eerste tanks aanvankelijk waren geschilderd – zgn. “dazzling colors” – werden algauw achterwege gelaten, zinloos zijnde in de modder van de slagvelden.

De (mislukte) Britse tankaanval bij Cambrai in de herfst van 1917 was de eerste échte grote tankslag van de Eerste Wereldoorlog. Hierbij werden maar liefst 476 tanks ingezet. En wat nadien de Duitse zware artillerie niet voor mekaar kreeg, lukte de modder en de met water gevulde bomtrechters op de slagvelden in de Westhoek waar de tanks gewoonweg wegzonken in de moerassige ondergrond en onbruikbaar werden. Het oorlogsgebied lag na enkele maanden bezaaid met achtergelaten en dikwijls ontmantelde tankwrakken.
 
 
CASUALITIES OF WAR…
 
Van het desolaat landschap met kraters en loopgraven aan een hopeloos vastgelopen front, opgeroepen door de Interbellum postkaarten van verwrongen tankwrakken, is de dag van vandaag niets meer zichtbaar. Kerkhoven en monumenten voor de soldaten, als slachtoffers gesneuveld tijdens de onophoudelijke Duitse en Franse offensieven geven ons slechts een steeds verder vervagende herinnering aan de toenmalige gruwel, nu zij die streden voor de illusie van “de oorlog die een einde moest maken aan alle oorlogen” niet meer zijn.

Centraal een beeld representatief voor de ganse Eerste Wereldoorlog: een uitgeschakelde Mark V tank aan de rand van een weg na de slag om Arras in de lente van 1918 als verzamelpunt van een uitgeput Engels soldatencorps temidden van een door bominslagen in een maanlandschap herschapen omgeving. De foto’s erboven en eronder getuigen dat ook de tanks aan het westelijk front uiteindelijk slechts weinig kans maakten tegen de van het onophoudelijk zware artillerievuur.
 
 
“ZWARE” EN “LICHTE” TANKS…
 
Links: de “The International” tank. De Amerikaanse Mark VIII tank, ook bijgenaamd “The Liberty” of “Big Boy” ontwikkeld in 1918 haalde met zijn  40 ton nooit het front “over there”. Honderden nooit in de oorlog ingezette Internationals werden in het Amerikaans legerkamp Fort Meade gedumpt
en uiteindelijk verkocht aan Canada die het gebruikte bij de opleiding van rekruten, maar werden uiteindelijk bij het begin van WW 2 verschroot.

Rechts: de “Whippet” tank. De Engelse 12 ton Medium Mark A tank (ook Tritton Chaser genoemd naar zijn ontwerper) was een licht type tank waarvan 200 exemplaren van de band rolden in de ateliers van William Foster & Co te Lincoln vanaf begin 1917. Zij waren bedoeld voor het platwalsen van prikkeldraad versperringen of ter verdediging van troepen afdelingen die instonden voor infrastructuur werken  – dus nooit offensief.
Een exemplaar bevindt zich in het Legermuseum te Brussel.
 
 
TANK ”TOERISME” IN HET INTERBELLUM
 
Het duurde tot de Tweede Wereldoorlog, en soms nog lang erna, alvorens alle schade van de Eerste Wereldoorlog aan het vroegere westelijk front was hersteld, sommige tot halfweg het Interbellum
onderwerp van “toerisme”, doel van uitstapjes voor ex-soldaten of met familie en vrienden. Eerst verschrootte men de achtergelaten wrakken op in de Westhoek (o.a. het ‘tankkerkhof van Zillebeke en bij Arras, Cambrai, of nabij Reims (La Pompelle). Daarna kwamen de geschutsstanden aan de beurt (o.a. batterij ‘Deutschland’ in Bredene).

Van de vele verdwenen tankwrakken getuigen gelukkig nog ontelbare fotopostkaarten. Slechts enkele WW 1 tanks bleven intact bewaard:
een Mark V en een Whippet tank in het Legermuseum te Brussel, de enige Duitse A7V (‘Mephisto’) bevindt zich in Brisbane (Australië), enkele Marks staan tentoon in de UK (o.a. in het Tankmuseum Bovington), enenkele Renault FT-17 types in Frankrijk en de USA, en het enige bewaarde prototype van de 3 ton Ford in Fort Knox (USA). De Mark Vkreeg zelfs een cameo in de Indiana Jones film ‘The Last Crusade”!
 
 
“HUMOR” IN DE OORLOGSJAREN
 
De gebeurtenissen aan het front, en zeker de ‘tanks’, waren onderwerp voor schrijvers, dichters, grafische kunstenaars, fotografen, journalisten, maar ook voor karikaturisten (Engeland: Captain Bruce Bairnsfather, Duitsland: Heinrich Zille) en ontelbare anoniem gebleven tekenaars van
propaganda en humoristische postkaarten, tot in het Interbellum.

Zowel Engelse tanks (o.a. Brittannia, Iron Duke, Lusitania, Dinnaken, Charlie Chaplin, Clan Leslie, Die Hard, Black Arrow, Hyaena), Franse (Le Tigre, Le Nain Jaune, Le Mousse) als de Duitse (o.a. Wotan, Siegfried, Hagen, Adalbart, Mephisto of Nixe, Gretchen, Lotti, Elfriede, Heinz) kregen ‘troetelnamen’ toebedeeld.