Voorpagina

Contact
Nieuw
Jaargang 2011
Jaargang 2010
Jaargang 2009
Jaargang 2008
Jaargang 2007
Jaargang 2006
Jaargang 2005
Jaargang 2004
Recente nummers
Nummers bestellen
Abonnement
Adverteren
Colofon

Goudkoorts : verzamelavonturen in de outsiderkunst (fragment)
Om ‘art brut’ te vinden moet men op pad. Zo is het ‘avontuur’ van de art brut, zoals Lucienne Peiry het noemt, ook begonnen, toen de Franse kunstenaar Jean Dubuffet in de zomer van 1945 afreisde naar Zwitserland en daar, min of meer op goed geluk, psychiatrische inrichtingen bezocht. In Waldau kreeg hij het werk van Adolf Wölfli onder ogen, op de terugweg vond hij Louis Soutter in oudemannenhuis in een afgelegen dorpje. Eenmaal begonnen groeide het netwerk van contacten en tipgevers gestaag: een psychiater kende een plattelandsdokter die een patiënt had die…, twee dorpen verderop woont iemand die.., ik heb een neef die…, enzovoorts. Dubuffet ging van adres naar adres, en wie hij niet op kon zoeken werd aangeschreven.

Dubuffet zocht niet speciaal psychiatrische kunst. Het ging hem om art brut, om ‘rauwe kunst’ gemaakt door mensen die ‘immuun zijn voor de artistieke cultuur’, wier creaties niets van doen hebben met de door kameleons en na-apers beheerste ‘culturele kunst’, maar geheel en al ontspringen aan innerlijke bronnen. En dat kon volgens hem iedere ‘homme commun’ zijn die zich verre hield van het vermaledijde kunstbedrijf. Na een eerste tentoonstelling in 1947 kreeg hij hulp van vrienden die zich opwierpen als prospecteur en die in 1948 een Compagnie de l’art brut vormden om verder te zoeken naar geïsoleerde, vervreemde, onaangepaste, excentrieke, autodidactische of rebelse scheppingen. Zo vormde zich de fameuze Collection de l’art brut, sinds 1976 gehuisvest in Lausanne.

Ook anderen gingen op zoek, soms geheel onwetend van Dubuffets project. De Franse architect Alain Bourbonnais, bijvoorbeeld, legde in de jaren zestig een collectie aan die in 1983 in Dicy-sur-Yonne opging voor publiek. Gevraagd naar het ontstaan van de verzameling vertelde zijn vrouw hoe zij eens, terugkomend van een bouwplaats, in een landelijk cafeetje in midden-Frankrijk belandden, waar op een plank de meest fantastische diersculpturen stonden. Navraag bij de herbergier leidde tot de ontdekking van een heel oeuvre. Daarop ontwikkelden de Bourbonnais een even eenvoudige als effectieve techniek om gelijksoortige oeuvres op te sporen: ‘Na ieder bezoek aan een bouwplaats en tijdens onze vakanties gingen we naar cafés en landelijke restaurantjes en daar legden we dan een niet te verdraaien zin voor: “We hebben horen zeggen dat hier in de buurt een man of vrouw is, we weten het niet precies, die dingen maakt die je nergens anders ziet”.’ Die formule leidde steevast tot aanwijzingen. ‘We kwamen vaak zomaar aan bij de scheppers, opgesloten in hun solitaire droomuniversum, en Alain opende dan gewoon de deur en begon te praten...’, meestal met gunstig resultaat.'

Auteur: Jos ten Berge