
Trein Nijmegen, Waal!
Op 6 juni 1951 genoot de negen en zestigjarige Nescio eens te meer van de natuur. Zoals zo vaak vanuit de trein en de bus. Hij had de nacht doorgebracht in Elten bij Emmerich. (Het deels op de 82 meter hoge Elterberg gelegen Elten was na de Tweede Wereldoorlog ingelijfd bij Nederland, maar al in 1963 werd dit prachtige, onhollandse gebied weer afgestaan aan Duitsland.) Die dag reisde Nescio met een grote omweg terug naar Amsterdam: over Arnhem, Nijmegen, Den Bosch en Eindhoven. Zodoende bracht de trein hem voor de zoveelste keer over de spoorbrug naar Nijmegen, de stad op de zuidelijke oever van de Waal waarop hij al vijfenvijftig jaar verliefd was.
Waarover men niet spreken kan, daarover moet men schrijven. In zijn Natuurdagboek, slechts voor zichzelf bedoeld, had Nescio genoeg aan bovenstaande drie woorden, een komma en een uitroepteken. In Dichtertje, een ook voor anderen bestemde transpositie van zijn persoonlijke ervaringen, verwoordde hij het onzegbare literair. Hij laat Eduard (zeg maar Ee) in het begin van de twintigste eeuw zijn schoonzusje Dora met de trein wegbrengen naar een vriendin bij Berg en Dal. Dora is ’een echte’ en ‘zoo mooi als een renpaardje’. Zij heeft de pest aan Hollands-deftige burgerheertjes als Bovenkerk junior ‘die bij den weg naar nix anders kijkt dan of i ook een kennis tegen komt’. Hoe anders is Ee: een dichter, ‘een man als een zee’. Althans in haar ogen; in werkelijkheid heeft zijn dichterschap meer van een glas water en zelfs de storm die daarin ooit gewoed heeft, is van lieverlee, zij het gelukkig voor de lezer niet definitief, gaan liggen. Als zij blozend bekent dat zij het liefst zou ‘kijken… en denken… en schrijven’, glimlacht hij akelig wijs en houdt haar voor dat ’t stomste vee ’t beste af is. Wie bewust wil leven tart nu eenmaal het lot. ‘Die op den top is geweest, slijt zijn dagen in verdriet’. Zij schudt zijn pessimisme van zich af: ‘Ik leef altijd op den top’. Dan ziet zij door het open raam van de trein de Waal en verzucht: Mooi hè?
En ineens stond ze op, nam haar hoed uit ’t rek, stak er vlug de pennen door en met haar beide handen aan haar hoed, de voeten wat van elkaar om stevig te staan, lachte ze ineens overmoedig met al haar tanden, als een kwaaie meid, haar oogen in de zijne: ‘Aan mijn lijf geen Bovenkerk.’ Toen leunde ze haar bovenlijf uit ’t raampje en keek naar Nijmegen, dat daar lag op de heuvels aan de rivier, zoo on-Hollandsch, zwak romantisch, huizen boven huizen en boomen boven boomen, en zong tegen den wind en ’t gerammel van den trein over de brug.
Voor wie een eeuw later in Nescio’s spoor Nijmegen (her)ontdekt, is er veel veranderd maar ook veel gebleven. Zo verwelkomt Nijmegen de bezoeker nog steeds op haar mooist als hij haar over de spoorbrug, zeg maar de Nesciobrug, benadert. In Nescio’s jonge jaren was ook het vervolgwelkom, een paar minuten later op het station, prachtig. Al maakt de schrijver daar geen melding van. In Dichtertje laat hij zijn personages zonder overgang koffie drinken in Lent, ‘over ’t water, in ’t gezicht van de stad en de heuvels’. Zijn lezers, die niet alleen Nijmegen willen zien met zijn ogen maar die ook door te wandelen in zijn Nijmegen dichter willen komen bij het ritme en de betekenis van zijn teksten, moeten ook de stappen zetten die Nescio heeft verzwegen. Zij komen aan op of lopen even binnen in het station en betreuren dat dit, ook na de zoveelste renovatie, het niet haalt bij het vroegere station zoals ze dat kennen van oude foto’s en waarvan ze weten dat het tijdens het bombardement van 1944 verwoest werd. Natuurlijk weten zij dat Nescio zijn hele, zowel reële als literaire, leven talloze Hollandse en onhollandse landschappen bewonderde, maar slechts zelden oog had voor gebouwen, eigenlijk alleen als onderdeel van een stadslandschap. Toch blijft de vraag hangen waarom hij in 1951 geen gebenedijd woord schreef over de verwoesting van het station. Het antwoord lijkt simpel: Nescio maakte maar heel weinig woorden vuil aan de oorlog. Schijn bedriegt echter: wie Nescio indringend leest, komt tot het inzicht dat de oorlog, zoals tal van andere facetten van de sociale werkelijkheid, in zijn verhalen ondergedoken is. Een enkel woord, een terzijde, een motto verraadt de verborgen aanwezigheid ervan.
Boven zijn verhaal Dichtertje plaatste Nescio het motto: ‘In ’t derde oorlogsjaar. Bellum transit, amor manet’. De oorlog gaat voorbij, de liefde blijft. Op het eerste gezicht benadrukt Nescio hiermee dat voor hem de oorlog (in het bijzonder de Eerste Wereldoorlog die aan Nederland voorbij ging) van voorbijgaande aard is, in wezen onbelangrijk. Wat telt is de liefde die Dichtertje voelt voor Dora. Nescio lezen betekent echter traag lezen. Afdalen in zijn schijnbaar eenduidige zinnen. De smaak te pakken krijgen van de ondergrondse rivieren. Aanvoelen waarom zij ondergedoken zijn, waarom zij zich slechts gemaskerd kunnen openbaren. Wat zou het: de oorlog gaat voorbij, de liefde blijft? Een ironische lectuur verraadt dat minstens evenzeer het omgekeerde geldt. De oorlog gaat en komt terug en hoe onverwezenlijkbaar en vergankelijk blijkt de liefde steeds weer te zijn. Een mooi doorkijkje naar het beeld dat Nescio had van de liefde is zijn ‘Een woord na’ van 5 januari 1918 bij Dichtertje.
(...)
Auteur: Bert Vanheste