
Het eerste grote poëziefestival in de Nederlanden vond plaats op 28 februari 1966 in Amsterdam en heette ‘Poëzie in Carré’. Deze concertzaal was op een maandagavond tot de nok gevuld met tweeduizend man die vier uur lang naar vijfentwintig dichters luisterde. Het werd een groot succes: alle kranten berichtten erover, hoofdzakelijk lovend, de radio nam het op en zond later fragmenten uit, de televisie wijdde er een nieuwsitem aan en nog jaren later vermelden verschillende dichtersbiografieën hun aanwezigheid. Voor jonge dichters als Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn en Jules Deelder was het een eerste doorbraak, voor een oudere dichter als Cees Buddingh’ begon een heropbloei van zijn carrière en voor de toen al 78 jaar oude Adriaan Roland Holst was de erkenning van het publiek (in een enquête achteraf wezen ze hem als de beste dichter van de avond aan) een bekroning voor zijn dichterschap. Dit evenement is onvergetelijk geworden dankzij… de uitgave van een boek ‘Poëzie in Carré’, dat gedichten, foto’s, krantenknipsels en alle openbare brieven van de organisatoren bevat.
De poëzievoordracht neemt, mede door zijn tijdelijkheid, een dubieuze plaats in binnen het denken over poëzie. Ze lijken geen invloed te hebben op de poëzietheorieën.
Ongeveer iedere dichter schrijft op papier, en bijna alle dichters lezen wel eens voor op een podium. Het podium en het papier is niet het doel van de dichter, maar de weg waarlangs het gedicht naar een lezer/luisteraar gaat. Het verschil tussen podiumdichter en papierdichter is een verschil in medium: de poëzie bereikt een persoon ofwel via papier, ofwel via het lichaam. Het afwijzen van een medium op zich, kan nooit verantwoord worden.
Auteur: X. Roelens