Vrijheid in tijden van smeltende poolkappen

 

‘Ik ken de oplossingen voor het klimaatprobleem. Alleen weet ik niet hoe ik daarna nog herkozen raak.’ Het was toenmalig minister van Leefmilieu Bruno Tobback die zich deze uitspraak in februari 2007 liet ontvallen toen gepeild werd naar een reactie op een alweer alarmerend rapport van het IPCC-klimaatpanel.

Hoewel valt te betwijfelen of Tobback dé oplossingen kende, drukt zijn uitspraak heel treffend de algemene teneur omtrent de klimaatproblematiek uit. Het besef dat er een klimaatcrisis heerst, is intussen wijdverspreid. Maar niemand lijkt in staat te zijn dat op een doeltreffende manier op de maatschappelijke agenda te plaatsen. Jaar na jaar mislukt de – telkens ultieme – internationale klimaattop, en Doha zal daar geen uitzondering op vormen. Als er al een consensus wordt bereikt, dan zal die weinig concreet zijn. Je kunt je daarbij afvragen hoeveel laatste kansen de klimaatonderhandelingen nog moeten krijgen voor het besef doordringt dat deze consensusformule politiek volledig is uitgehold.

Bovengrens

Als de politiek faalt, dan kan de burger zijn stem gelukkig nog doen horen, moet mediafiguur Nic Balthazar gedacht hebben. In samenwerking met 11.11.11 en de Klimaatcoalitie bracht hij eind september 80.000 mensen op de been om een lied te zingen voor het klimaat. Sing for the Climate, want zo heette de actie, werd daarbij overgoten met een retoriek van dreigende rampspoed en smeltende poolkappen. Als de wanhoop nabij is, wordt de milieubeweging blijkbaar heen en weer geslingerd tussen de aandrang tot het prediken van de apocalyps en het zingen van een lied.

Wie heeft een probleem? Wat is dat probleem? Wie moet het oplossen? Het zijn vragen die onvermijdelijk rijzen bij beluistering van de klimaatsong ‘Do It Now’. Als dit al een protestsong is, dan wel één die uitblinkt in politieke ledigheid. De eis die uit de actie sprak, bleef zo vaag dat hij net voor de gemeenteraadsverkiezingen dan ook vlotjes gerecupereerd werd door zowat alle democratische partijen. ‘Do It Now’ klonk dat weekend niet alleen uit groene kelen; ook rood, oranje, blauw en zelfs geel lieten zich muzikaal niet onbetuigd. Het brede draagvlak voor een doortastend klimaatbeleid dat enkele waarnemers in het massale succes van de actie meenden te zien, is er dan ook één van een ondraaglijke breekbaarheid.

En zo lijkt de klimaatimpasse compleet. Zowel in de politieke regionen als in de publieke sfeer heerst een gevoel van machteloosheid als het erom gaat op te komen voor het klimaat.

Nu hang dit alomtegenwoordige gevoel van onmacht nauw samen met een toenemend besef dat er in een eindige wereld een bovengrens is aan wat de markt en de technologie kunnen bereiken zonder aan onze levensstijl te raken. De overtuiging dat economische groei en milieubescherming verzoenbaar zijn mits een combinatie van technologische innovatie en marktwerking komt steeds meer onder druk te staan. Vijftien jaar voor Bruno Tobback zich liet betrappen op dit inzicht had de Amerikaanse president Bush senior dat al met zoveel woorden gezegd op de eerste milieutop in Rio: ‘Our lifestyle is not negotiable.’ Ongewild sloeg hij daarmee de nagel op de kop: in wezen gaan de klimaatonderhandelingen niet over CO2-reducties, maar over levensstijl. Maar niemand lijkt daar vandaag aan te kunnen of te durven raken, uit vrees het verwijt van het ‘groene vingertje’ naar het hoofd geslingerd te krijgen.

Hoezeer het ‘groene vingertje’ vanuit conservatieve hoek ook is ingezet als moraliserend instrument om het groene gedachtegoed monddood te maken, toch is het goed dat populaire verwijt ernstig te nemen. Vanuit groene hoek werd het publieke verzet tegen gedragsverandering doorgaans begrepen als het gevolg van een gebrek aan kennis van de klimaatproblematiek bij de gewone burger. Zich vastklampend aan het idee dat de rationele mens eerst overtuigd moet worden van de ongemakkelijke waarheid, nam men in toenemende mate zijn toevlucht tot het prediken van de apocalyps.

Maar mensen zijn geen zuiver rationele wezens. De hardnekkige weerstand wordt volgens mij dan ook beter begrepen als een verkrampte reactie tegen het verstikkende gevoel dat mensen hebben dat hun vrijheid bedreigd wordt. En hoe grotesker de bedreiging – lees: ‘Wij moeten onze CO2-uitstoot met 90 procent reduceren als we een wereldwijde catastrofe willen vermijden’ – hoe verkrampter de reactie – lees: ‘Dat hele klimaatprobleem is verzonnen’.

Vrijheid is relatief

Wil dat zeggen dat het klimaat niets meer in de pap te brokken heeft en dat mensen niet aangesproken kunnen worden op een milieubewuste levensstijl? Niet noodzakelijk. Ik ben immers van mening dat die verkrampte reactie deels is ingegeven door een zeer specifiek en mis begrepen vrijheidsideaal, dat bovendien nauw is verweven met de marktgerichte manier waarop onze maatschappij is gestructureerd.

Vrijheid is een centraal begrip in onze moderne westerse samenleving en bepaalt voor een groot deel ons idee van het goede leven. In de ideale wereld kun je doen en laten wat je wilt en bepaal je in een vrijgemaakte markt zelf wat jij de beste keuze vindt. Vrijheid wordt met andere woorden begrepen als de afwezigheid van invloeden die onze keuzevrijheid inperken. En zo ben je vandaag de dag niet alleen vrij om te kiezen tussen vlees, vis of vegetarisch, je kunt daarbij ook nog eens kiezen uit een nagenoeg onbeperkt assortiment voedingsproducten, die op elk moment van het jaar in zowat elke supermarkt beschikbaar zijn. Maar hoe ‘vrij’ is deze keuzevrijheid? Twee bedenkingen dringen zich op.

Ten eerste is die vrijheid minder vrij dan gedacht. Zo dwingt de ligging en buiteninrichting van een supermarkt je stilzwijgend om toch maar de auto te nemen; de slimme binneninrichting verplicht je dan weer het volledige winkelaanbod te doorlopen, getuige daarvan de impulsaankopen in het winkelkarretje.

Daarnaast zorgt het uniforme aanbod, en de keuzedruk die daarmee gepaard gaat (‘Wat zal ik nu weer koken?’), ervoor dat mensen in de loop van de vier seizoenen makkelijk in hetzelfde voedingspatroon blijven steken. Met ander woorden: de manier waarop de onbeperkte keuzevrijheid van de supermarkt is georganiseerd, duwt de consument als het ware in een soort standaardpatroon. En dat patroon is op zijn beurt bewust afgestemd op een gejaagde levensstijl, waarbij inspanning en genot door middel van een puur instrumentele relatie van elkaar gescheiden worden: werken doe je om te kunnen consumeren, koken om te eten.

Ten tweede kan dat beeld van onbeperkte keuzevrijheid voor de consument alleen maar in stand gehouden worden doordat het volledig is afgeschermd van een veel minder fraai beeld aan de productiezijde. Zo kampt het agroproductiesysteem dat onze winkelrekken dagelijks vult met een aantal hardnekkige ecologische en sociale problemen, en dit langs de wereldwijde vertakkingen van een geglobaliseerde economie. Een gigantisch vleesaanbod dat alleen maar kan bestaan bij gratie van het kaalkappen van het Amazonewoud ter wille van de veevoederindustrie, fruit en groenten die het hele jaar door beschikbaar zijn dankzij energie-intensieve kasteelt en instant ingevlogen producten: het zijn maar enkele van de verdoken waarheden die ons maagdelijke idee van een vrije keuze verstoren.

Dit voorbeeld toont aan dat vrijheid, zoals onder anderen Michel Foucault al betoogde, altijd relatief is. Niet alleen zijn we minder vrij in onze keuze dan we wel denken en ervaren we die zogenaamde keuzevrijheid soms ook als een last. Het voorbeeld toont ook aan dat vrijheid altijd op een welbepaalde manier is vormgegeven via specifieke structurele en materiële ingrepen, in dit geval een geglobaliseerd productie- en distributiesysteem dat in ecologisch en sociaal opzicht niet duurzaam is.

Actief kiezen

De cruciale vraag die het inzicht van de relativiteit van onze vrijheid opwerpt, is dus niet of we meer of minder vrijheid nodig hebben, maar wel wélke vrijheid we willen. Zijn er met andere woorden andere vrijheidsvormen denkbaar, die niet alleen op een sociaal en ecologisch verantwoorde manier georganiseerd kunnen worden, maar die ook levenskwaliteit garanderen? Nog anders gesteld: kan een klimaatvriendelijke levensstijl op een andere manier onderhandeld worden dan via de hoeveelheid CO2 die daarbij wordt uitgestoten?

De mogelijkheid van alternatieve vrijheidsvormen kan worden geïllustreerd aan de hand van het toenemende succes van een aantal kleinschalige ondernemingen die in lokale behoeften voorzien. Het klassieke voorbeeld is dat van lokale voedselsystemen (voedselteams, zelfoogstvelden, enzovoort). Daarbij komt het erop neer dat de consument wekelijks een pakket seizoensgroenten (al dan niet aangevuld met brood en fruit) oppikt die lokaal en biologisch geteeld zijn. Behalve duidelijke milieuwinst biedt de zogenaamde korte keten tussen producent en consument ook de garantie dat je een eerlijke prijs betaalt voor een eerlijk product.

Maar het werkelijk interessante aan deze vorm van voedselvoorziening ligt misschien wel in het bevrijdende effect dat mensen ervaren. Verlost van de sleur om zich telkens weer over te leveren aan het onbeperkte aanbod van de supermarkt, worden ze nu actief uitgedaagd (al dan niet met behulp van meegeleverde recepten) om met een beperkt assortiment groenten aan de slag te gaan. Het eindeloze gemijmer over wat nu weer te koken maakt plaats voor een concrete zoektocht naar een lekker gerecht met deze of gene al dan niet vergeten groente. Toegegeven, koken vraagt in dit patroon meer engagement en creëert een andere tijdsbeleving. Maar deze nieuwe vrijheidsvorm, want daar gaat het hier volgens mij over, ervaren vele mensen als een verbetering van hun levenskwaliteit.

Een soortgelijk verhaal kan verteld worden over hét vrijheidssymbool bij uitstek. Zo stellen heel wat mensen die van een eigen auto overstappen op een systeem van autodelen na verloop van tijd met plezier vast dat ze verlost zijn van de zorglast (onderhoud, verzekering, technische controle, parkeerruimte...) die dat ding met zich brengt. Maar ook hier draait het om een andere tijdsbeleving: autodelers kunnen niet op elk moment overal zijn en dat vinden ze goed zo.

Ik zeg niet dat autodelen en lokale voedselsystemen de enige norm moeten worden. Wel denk ik dat ze aantonen dat ook buiten een strikte consumptielogica nagedacht kan worden over alternatieve, duurzame én kwaliteitsvolle vormen van behoeftevoorziening. Vrijheid en comfort, zo tonen deze en andere voorbeelden, zijn niet zozeer een kwestie van ongeremde keuze, maar veeleer van de mogelijkheid om zich te verhouden tot dat wat ons beperkt.

Bemoeizucht

Het inzicht dat vrijheid altijd actief wordt vormgegeven, ook de keuzevrijheid van de vrije markt, brengt me tot slot tot de suggestie dat het ecologische gedachtegoed niet minder maar betere bemoeizucht aan de dag moet leggen: een bemoeizucht die vrijheid niet inperkt, maar die begrijpt dat vrijheid een actief proces is. Een bemoeizucht, met andere woorden, die niet pleit voor eindigheid uit noodzaak, maar die eindigheid ziet als een begin van levenskwaliteit.

Zoals het voedselvoorbeeld aantoont, kan die bemoeizucht er in eerste instantie in bestaan dat de vanzelfsprekendheid van onze gangbare patronen van wonen, voeding en mobiliteit én de vrijheidsvormen die daarin vervat zitten, in vraag worden gesteld. En dat vanuit een optiek van mondiale duurzaamheid én levenskwaliteit. Een dergelijke bemoeizucht kan volgens mij ook laten zien dat de vooruithollende maatschappij waar we allen in zitten baat zou hebben bij een aantal vertragende ingrepen, niet door de vooruitgang af te remmen, maar door ze daarentegen bewust mee vorm te geven vanuit noties van het goede leven.

In een stad als Kopenhagen, waar de fiets het straatbeeld bepaalt, zie je hoe vertraging vorm kan krijgen op het niveau van het dagelijkse leven. Waar eerst een verkeersdrempel werd aangelegd om het rijgedrag te heroriënteren, werd dat idee opengetrokken naar de materiële vormgeving van de ruimte- en tijdbeleving in de stad.

Op vergelijkbare manier wordt ook in andere domeinen geëxperimenteerd met vertragende ingrepen, die vertrekken vanuit een vraag naar levenskwaliteit. Lokale voedselsystemen, cohousing, autodelen, complementaire muntsystemen: het zijn stuk voor stuk alternatieve vrijheidsvormen die het bestaande ontwikkelingsmodel uitdagen in zijn concreetheid, veeleer dan het onder de nietszeggende noemer ‘neoliberalisme’ weg te zetten als oorzaak van alle kwaad.

Het ware potentieel van deze nichepraktijken moet in eerste instantie dan ook niet gezocht worden in de milieuwinst die ze boeken. De evidente tegenwerping dat die niches ook maar druppels op een hete plaat zijn vertrekt immers vanuit de typische consumptielogica die ze trachten te doorbreken. Veeleer moeten ze beschouwd worden als maatschappelijke experimenten die consumenten trachten aan te spreken op actief burgerschap. En daar schuilt een veel groter potentieel in dan de initieel beperkte milieuwinst doet vermoeden.

Maar experimenteerdrift is uiteraard niet voldoende om dit potentieel aan te boren. Zulke alternatieve vrijheidsvormen zullen ook politiek bepleit moeten worden als ze willen opklimmen tot mainstreamniveau. Net omdat ze ingaan tegen de standaardmanier van doen, zullen ze immers botsen met een aantal gevestigde belangen.

De vraag die zich daarbij stelt voor de milieubeweging is dan ook of ze zich niet beter kan toeleggen op het vormgeven van een maatschappelijke tegenstem vanuit deze en andere experimenten in plaats van op het vormgeven van de collectieve wanhoop.



Essay verschenen in Knack-Extra Klimaat (21/11/2012) onder de titel ‘De vloek van het groene vingertje’

maandag 26 november 2012

 
 
Gemaakt op een Mac

volgende >

< vorige