4



Gery De Smet


° Merksem, 1961


De grote stamboom


[illustratie: tekening van de 'stamboom']


[intro]

In 1999 verwierf Gery De Smet een postgebouw uit de jaren vijftig in het centrum van Sint-Amandsberg bij Gent. Hij schoof het achtergebleven meubilair in de sorteerzaal opzij en creëerde zo een helder atelier met lange muren voor zijn schilderijen. In de sorteervakken op de gang klasseert hij zijn verzameling tijdschriften uit het Interbellum, oude en nieuwe reglementen en reclame. In deze functionele ruimte groeit zijn oeuvre dag na dag aan tot een stevige boom met de schilderkunst als hoofdtak en grafiek, videokunst, happening en poëzie als zijtakken.


[tekst interview]

In Duitsland krijg ik soms het predikaat 'Flemische Künstler' opgekleefd. Dat heeft allicht iets exotisch en het verband met de oude Vlaamse schilderkunst is zo gelegd. Iedereen kent Van Eyck, Rubens of Ensor. Maar verder dan een makkelijke associatie reikt het niet. Wat betekent Vlaanderen trouwens? Straks is het niet meer dan één grote stad in Europa. Hier leven is functioneel, meer niet. Toch verkies ik de notie Vlaanderen boven de notie België, al wordt de notie Vlaanderen soms misbruikt. België heeft iets onwezenlijks. Het is een 19de-eeuws concept voor een tijdelijk verband. Belgen hebben nauwelijks het besef van een natie. Het 'wij-gevoel' is ons vreemd. Belgische kunstenaars hebben volgens mij dan ook slechts één gemeenschappelijke eigenschap: ze willen allemaal anders zijn. Iedereen is individueel bezig en wat we doen is niet onder één noemer te brengen.


Ik hou niet van het woord 'kunstenaar'. Het is de maatschappij die je dat statuut geeft, bijvoorbeeld door je te vragen voor een tentoonstelling. Ik werk hard en ik kan behoorlijk leven van wat ik doe. Nu toch. Vroeger woonde ik op een klein kamertje zonder verwarming. In de winter nam ik mijn verf mee in bed zodat de acryl niet zou bevriezen. Het enige wat ik wou doen was kunst maken. Werken op je eigen tempo en volgens je eigen normen. Pas als het werk af is, wordt het een product om te verkopen. Ik werk niet op bestelling.


Orde in de chaos


Het interesseert me niet om telkens weer hetzelfde te maken. Ik heb geen boodschap aan een eenduidig imago of een merknaam. Kunstenaars hoeven zich niet te beperken. Daarom bewonder ik bijvoorbeeld de beelden van Per Kirkeby, die vooral bekend is als schilder.

Bij mijn schilderijen werk ik in reeksen die vaak erg van elkaar verschillen, omdat ze een ander concept uitdiepen. Ik werk lang aan zo'n reeks. Met 'Studie der ideologieën', bijvoorbeeld, ben ik in 1988 gestart en ik heb er tien jaar aan gewerkt. De reeks bestaat uit 100 vierkante schilderijtjes die verschillende aspecten onderzoeken van de beeldtaal van machtstructuren. Of de reeks 'Wijzen van wonen': 24 schilderijen met als vertrekpunt een idyllische heimatfoto van een landhuis in de bergen. Een vreedzame foto met daaronder het ontstellende bijschrift dat op die plek voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog tientallen psychiatrische patiënten werden omgebracht met een dodelijke injectie.


De verschillende reeksen zijn de twijgjes aan de takken van de grote stamboom waaraan ik elke dag werk. De werken uit de verschillende reeksen confronteer ik ook met elkaar in wisselende combinaties. Uit die confrontaties ontstaan dan weer nieuwe betekenissen, nieuwe inspiratie. Elke reeks heeft een duidelijke structuur, gebaseerd op mythische of symbolische getallen. Zo bezweer ik mijn eigen chaos. Binnen een reeks ontstaat een vorm van competitie die me stimuleert. Als ik een goed werk heb gemaakt, moet het volgende van de reeks minstens even goed worden.


Echte kunst en volkskunst


Ik weet dat niemand zit te wachten op wat ik doe. Niemand zit te wachten op kunst in het algemeen. Alleen enkelingen hebben echt iets aan kunst. Toch zoek ik soms de directe confrontatie met een groot publiek op. Zo organiseerde ik enkele jaren geleden op een vierkant veld een voetbalmatch met zelf ontworpen spelregels. Ik amuseerde me enorm met de praktische voorbereiding ervan. De spelers waren mannen uit de plaatselijke voetbalploeg. Ze begrepen er niets van en voelden zich eerst bij de neus genomen, maar toch hebben ze de match met overgave gespeeld. Het evenement ging uitvoerig over de tong en het kwam in de kranten. De stad Hannover heeft toen het schilderij van het vierkante voetbalveld aangekocht. Ze wilden het gebruiken als logo voor hun voetbalploeg... Met dergelijke populaire happenings bereik ik veel meer mensen dan met mijn schilderijen. Maar is dat kunst voor het volk? Heeft het zin? Geen enkele voetballer is komen kijken naar de video van hun match toen die in het MUKHA werd voorgesteld.


Tentoonstellingen zijn belangrijk voor een kunstenaar, ook al kun je de reacties van het publiek nooit echt achterhalen. In elk geval hou je aan een tentoonstelling iets tastbaars over: uitnodigingen, foto's, een aanvulling van je curriculum. Dat is interessant voor galeriehouders: die kijken vaak eerst naar het c.v. voor ze het werk bekijken.

De kunst wordt van twee kanten gebruikt. Enerzijds door de kunstenaar om te overleven en zich te amuseren zonder te moeten gaan werken. Anderzijds door de bourgeoisie als investering, behangpapier of decoratie om zichzelf een identiteit aan te meten. Het is een mythe om te stellen dat de kunstenaar macht bezit. Hoogstens de macht van de nar. Je komt aan huis bij de rijkste en machtigste mensen, omdat ze kunstenaars exotisch vinden.


Of wat ik doe nu kunst is of niet, daar lig ik niet van wakker. Het is niet aan mij om dat te zeggen. Geef mij maar de schemerzone. Ik heb alleen de behoefte om iets te maken. Iets dat niemand nodig heeft. Iets dat buiten mij staat. Het is een soort manie, een vloed die opkomt. Altijd opnieuw iets maken, verder zoeken, dieper gaan. Soms is mijn werk autobiografisch, maar toch is het geen therapie. Bepaalde beelden of woorden dringen zich op en daarmee werk ik dan. Het resultaat verrast me vaak zelf. Soms schrik ik van mijn eigen werk.


Taal en beeld


Natuurlijk is er een parcours, zijn er keuzes gemaakt. Tussen tekst en beeld, bijvoorbeeld. Vanaf mijn vijftiende schreef ik gedichten. Ik won er zelfs een paar prijzen mee. Maar ik vond mezelf niet erudiet genoeg. En ik kon goed schilderen. Als ik in een museum schilderijen zag, dacht ik: dit kan ik ook, ik heb iets te vertellen in de schilderkunst. Dus ging ik les volgen aan verschillende academies. Toen sloeg de balans op een gegeven moment over van schrijven naar schilderkunst. Als schrijver ben je veroordeeld tot het eigen taalgebied of tot vertalingen. En die vind ik vaak triest, zeker bij poëzie, omdat er zoveel verloren gaat. Als schilder kun je meteen weg. Je hoeft niet te wachten op een vertaling om naar het buitenland te gaan. De schilderkunst is internationaal.


Toch heb ik me nooit helemaal losgemaakt van de taal. Beeld en tekst putten uit twee verschillende geheugens: het visuele en het verbale. Ik hou van de bevreemdende confrontatie tussen beide binnen één schilderij. Ik hou van de romantische landschappen van Caspar David Friedrich en van archaïsche opschriften en slagzinnen. Ze spelen elk op hun manier met clichés en symbolen. En ik hou van de kracht van typografie, waar letters tekens worden. Mijn eigen oude dichtbundels heb ik indertijd zelf gezet. Mijn grote voorbeeld was 'Bezette stad' van Paul Van Ostayen. Ik verzamel alles wat ik maar over Van Ostayen kan vinden: eerste drukken, artikels die over hem zijn verschenen. Van Ostayen was tegelijk heel Vlaams en heel internationaal. Een katholieke achtergrond en een socialistisch perspectief. Boeiende paradoxen die hem in mijn ogen tot een grote vernieuwer hebben gemaakt.


Historisch perspectief


Op de Antwerpse linkeroever, waar ik als kind woonde, was er niets dan nieuwbouw en zand. En in de verte de masten van de schepen op de Schelde. Alles wat mijn ouders bezaten, was nieuw — 'sixties' nieuw — : de radio, de auto, het salon... Wat oud was, moest weg. In de hele buurt was het zo. En dan ging ik met mijn ouders door de tunnel naar de oude stad. Dat was een andere wereld. "Niets aanraken", zei mijn moeder. "Het is hier vuil..." Ik vond die oude gebouwen juist buitengewoon. Hun anachronisme was voor mij een openbaring.


Sindsdien ben ik me enorm bewust van de tijd en bekijk ik onze cultuur met de ogen van een antropoloog. Doorheen het patina en de transformaties probeer ik de verbanden te zien met de oerculturen die aan de basis liggen van onze huidige cultuurvormen. Zo kwam ik onlangs langs een grasveld in een landbouwgebied. Daar hadden ze drie oude bomen omgezaagd, die in een driehoeksvorm waren geplant. Zoiets vind ik erg. Niet alleen om het verlies van de bomen, maar ook omdat hiermee wellicht een oud zinnebeeld werd vernietigd. Cultuur speelt zich af in de diepte, in de gelaagdheid. Het belang van wortels manifesteert zich duidelijk bij zigeuners en joden, volkeren die niet aan één plek zijn gebonden. Desondanks blijven ze bestaan, doordat ze zich meer dan sedentairen bewust zijn van hun wortels en die ook koesteren.


Enkele jaren geleden verzeilde ik tussen een groepje studenten die werden rondgeleid in een kerk. Ik toonde ze de mogelijke verbanden tussen de beeldtaal van het christendom en die van oude culturen: tussen de gothische rosassen en het zonnerad uit de Indo-Europese cultuur, tussen de drievuldigheid en de symboliek van de drie zonnen, tussen moeder Maria en moeder aarde... De gids die met hen meeging was allerminst opgezet met mijn 'heidense' uitleg. Uit zijn reactie sprak de overtuiging dat de christelijke symboliek op zich stond, onaantastbaar en uit het niets gecreëerd door het christendom zelf. Zo'n gebrek aan historisch perspectief stoort me en ik vind het ook gevaarlijk. Zoals ik het ook gevaarlijk vind dat er altijd maar minder over geschiedenis wordt verteld in het onderwijs. Ik zie dat als een doelgerichte manipulatie om van de wereld een ongedifferentieerd geheel te maken. Het kapitalistische systeem heeft daar baat bij: zo kunnen ze elk product aan iedereen slijten, waar ook ter wereld.


De gelaagdheid van beeldtaal


Mijn werk gaat over het zenden, het leiden, het verleiden, het misleiden en het redden van mensen. Ik onderzoek hoe godsdiensten, goeroes of ideologieën mensen de redding op aarde voorspiegelen. Hoe ze mensen voor zich winnen met een heilsboodschap en ze daarna gebruiken als zendeling voor die boodschap. De beeldtaal die de macht hiervoor hanteert, grijpt ons diep aan, vaak dieper dan we zelf willen. Het is een beeldtaal die speelt met de ankers en rituelen waaraan mensen nood hebben. Die nood is overal zichtbaar. Kijk maar naar onze bedevaartskapellen vol ex voto's, de populaire triomf van wielrenners of de massale mobilisatie voor voetbal of rockconcerten. Of naar het gebruik van uniformen of andere symbolische kledij.


In Beieren hebben alle warenhuizen een afdeling volkskledij. Zelfs jonge mensen lopen daar op straat in pakjes van traditionele snit. Ze zijn er fier op. Wellicht omdat ze zich op die manier kunnen onderscheiden van de massacultuur. Die kledij lijkt nogal artificieel, maar ik waardeer de poging tot differentiatie. Ik zou het erg vinden als de verschillende culturen in één brij zouden versmelten, met het Engels als algemene voertaal. Ik hoop dat Europa kan evolueren naar een entiteit die de interne culturele verscheidenheid erkent. Misschien ontstaan er dan nieuwe verbanden: ik verwacht dat Vlaanderen meer gaat samenwerken met Nederland en Wallonië met Frankrijk.


Het patina van de tijd gebruik ik in mijn schilderkunst. Als ik me baseer op hedendaags beeldmateriaal, bewerk ik het op zo'n manier dat het de uitstraling krijgt van iets uit het verleden. Maar vaak vertrek ik van fotomateriaal uit het Interbellum, de dubieuze iconografie van het avondland. Ik gebruik dat materiaal om te kijken hoe betekenissen verschuiven en hoe die verschuivingen in dienst staan van de macht. Hoe macht zich manifesteert in beelden en met die beelden mensen manipuleert. Macht fascineert me. Dat is de dubbele bodem in mijn werk.


Tijdloos


Ik wil werk maken dat tijdloos is, dat over honderd jaar nog overeind staat. Gelaagd werk dat, als je er langer naar kijkt, gaat zinderen en nieuwe betekenissen loslaat. Soms wil ik dat het een tijdbom is: een beeld dat na een tijd onverwacht ontploft.





Het interesseert me niet om telkens weer hetzelfde te maken. Ik heb geen boodschap aan een eenduidig imago of een merknaam.


Ik weet dat niemand zit te wachten op wat ik doe. Niemand zit te wachten op kunst in het algemeen.


Of wat ik doe nu kunst is of niet, daar lig ik niet van wakker. Het is niet aan mij om dat te zeggen.


Doorheen het patina en de transformaties probeer ik de verbanden te zien met de oerculturen die aan de basis liggen van onze huidige cultuurvormen.


Mijn werk gaat over het zenden, het leiden, het verleiden, het misleiden en het redden van mensen.