Informatie - Geweld
 

Adviezen | Advocaat | Bank | Belastingen | Bestaansmiddelen | Detective | Deurwaarder | Echtelijke woning
Echtscheiding door onderlinge toestemming | Erfenis | Gezinnen | Gezinswoning | Gevoelens | Gevolgen echtscheiding
Geweld | Hulpverlening | Huwelijksplichten | Huwelijksstelsel | Jongeren na echtscheiding | Jurisprudentie Justitiehuizen | Kerk | Leven na scheidingNieuwe gezinsvormen | Nieuwe relatie | Nieuw-samengestelde gezinnen
Notaris | Omgangsrecht | Onderhoudsgelden | Onderwijsaangelegenheden | Ouderlijk gezag | Ouder-naam
Ouderschapsbemiddeling | Overlijden | Overspel | Procedure | Relaties | Samenwoning | Scheidingsbemiddeling Vaderschap bij scheiding | Vereffening en verdeling | Wetgeving | Woonstvergoeding

De deugd / de moed heeft het geweld overwonnen

Wapenschild van de stad Haarlem

Het wapen bestaat uit een rood veld met daarin een zilveren zwaard met een handvat van goud, daarboven een kruis en geflankeerd door vier zespuntige zilveren sterren. Verder bestaat het wapen uit een dorre boom met hieraan twee hangende Damiate klokjes. Aan weerszijden van het wapen staan twee gouden leeuwen als schildhouders. Het wapenschild is gedekt met een gouden kroon. 'Vicit vim virtus' is de wapenspreuk, Latijn voor
'De deugd of de moed heeft het geweld overwonnen'.
De dorre boom in het wapen verwijst naar de Haarlemmerhout

 

Artikels :
- Video: ook mannen slachtoffer van huiselijk geweld
- Ervaringen van mannen en vrouwen met psychologisch, fysiek en seksueel geweld
- Het echtelijk geweld - artikel van de Canadese psycholoog Yvon Dallaire /
La violence conjugale - article par le psychologue Canadien Yvon Dallaire / 8-12-2008

- Folder over huiselijk geweld
- In 2007 baanden we de weg voor een hervorming op de wetgeving tegen huiselijk geweld -
Bericht uit de V.S. vanwege Radar* 2-1-2008

-
Mannen agressief? Kijk ook eens naar vrouwen - Wim Orbons in NRC 14 april 2007
- Kerstmis, een tijd van spanning en geweld in gezinnen - Christmas, a time of tension and violence
- Reactie uit Canada van deskundigen op de desinformatie over huiselijk geweld 3 nov. 2006 - Group Opposes False Family-Violence Stereotyping and Statistics 3-11-2006
- Vrouwen zijn gewelddadiger - 13 augustus 2005
- Definitie partnergeweld goedgekeurd
- Geweld en misbruik in de privé-sfeer: verschillende vormen van psychisch geweld op mannen - Lic. Ellen Goovaerts - eindwerk Sociale agogiek VUB 2004-2005
- La vérité sur les violences conjugales / De waarheid over huiselijke geweldpleging - Elisabeth Badinter in L'Express van 20 juni 2005
- Geweld na scheiding groter dan ervoor - Wim Orbons in Nederlands Dagblad 7 juni 2004
- Waarom beschermen we de kinderen niet ? W. Orbons in Rotterdams Dagblad 19-10-04
- De Nederlandse Justitieminister heeft plannen voor een huisverbod voor plegers van huiselijk geweld
- Over de scheefgetrokken voorstelling van huiselijk geweld in Nederland en het wetenschappelijk onderzoek over huiselijk geweld
- Moordwijven - Vrouwen zijn thuis agressiever dan mannen - artikel van Theo Richel in HP- De Tijd
- Een nieuwe wet op het huiselijk geweld van kracht in België (februari 2003)
- Belaging of stalking
- Huiselijk geweld tegen mannen
- Men and Domestic Violence : What Research Tells Us (Nederlandse en Engelse versie/Dutch and English version)
- Fysiek geweld bij scheiding
Omhoog
 

VIDEO. Ook mannen slachtoffer van huiselijk geweld

Met een verborgen camera wordt een koppel in een Londens park gefilmd waarbij eerst de vrouw, en daarna de man slachtoffer wordt van huiselijk geweld. Opvallend is hoe anders voorbijgangers reageren. In het tweede geval grijpt niemand in. Er wordt zelfs gegniffeld.
‘Ook mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld moeten het gevoel hebben dat ze serieus genomen worden’, zegt voorzitter Mark Brooks van ManKind Initiative over de bewustmakingscampagne aan de Britse openbare omroep BBC.
In het Verenigd Koninkrijk zijn 40 procent van de slachtoffers van huiselijk geweld mannen. ‘Geweld is geweld, het maakt niet uit tegen wie het gericht is.’ Vorig jaar waren er 720.000 mannelijke slachtoffers.

Bekijk de VIDEO
http://www.flair.be/nl/psycho/288584/ook-mannen-slachtoffer-huiselijk-geweld

De video werd al bijna 4 miljoen keer bekeken (30-5-2014).


 
Omhoog
 

'Ervaringen van mannen en vrouwen met psychologisch, fysiek en seksueel geweld'

Presentatie van het onderzoeksrapport

Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen

Auteurs: Jérôme Pieters, Patrick Italiano, Anne-Marie Offermans, Sabine Hellemans

Publicatiedatum: juni 2010.

Voor het volledige rapport: klik hier


Uit het Voorwoord

Sinds een aantal jaar concretiseert België zijn engagement in de strijd tegen partnergeweld
door middel van een nationaal actieplan, waarbij zowel de Federale Staat als de Gemeenschappen
en de Gewesten zijn betrokken. Dit nationaal actieplan, dat vanaf het begin werd
gecoördineerd door het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen (IGVM), ontwikkelt
zich rond verschillende doelstellingen.

In dit kader is het ontwikkelen van kennis en het verbeteren van begrip omtrent deze problematiek
van essentieel belang om een aangepast beleid te waarborgen inzake de strijd
tegen het partnergeweld. Bovendien worden op Europees en internationaal niveau de intensivering
van onderzoeksinspanningen en de bevordering van gegevensverzameling in
het domein van partnergeweld regelmatig naar voren geschoven en geformuleerd in allerhande
resoluties en aanbevelingen.

Sinds de inwerkingtreding in 2006 van twee richtlijnen van strafrechtelijk beleid, is de registratie
van partnergeweld verplicht op het niveau van de parketten en de politiediensten. Op
die manier worden gegevens verzameld door deze sectoren, die toelaten om het fenomeen
op een coherente en ononderbroken manier waar te nemen. Maar omdat het onvoldoende
wordt aangegeven, blijft partnergeweld ondervertegenwoordigd in de officiële statistieken,
die dus geen totaalbeeld geven van de reële omvang van het fenomeen. Om een doeltreffend
geweldbestrijdingsbeleid te kunnen voeren, is het dus onontbeerlijk om studies uit te voeren
naar het geheel van de daden die niet worden aangegeven bij de overheden en bijgevolg
niet zijn opgenomen in de statistieken.

In België werden reeds twee studies uitgevoerd naar de prevalentie van geweld tegen vrouwen
(en mannen). De eerste studie uit 1988 analyseerde het voorkomen van geweld bij vrouwen.
In een tweede onderzoek in 1998 werd dit uitgebreid naar mannen.

Om die reden wilde het IGVM, tien jaar later, een nieuwe grootschalige studie laten uitvoeren
over de ervaringen van vrouwen en mannen met gendergerelateerd geweld. De doelstelling
ervan is niet alleen om een beter inzicht te krijgen in het voorkomen, de vormen en
de ernst van gendergerelateerd psychologisch, fysiek en seksueel geweld, maar ook in de
risico- en beschermingsfactoren die daaraan zijn verbonden.
In deze publicatie wil het IGVM de nieuwe cijfergegevens ter beschikking stellen om op die
manier de problematiek nauwkeuriger en meer diepgaand te begrijpen, en om het beleid
dat op de verschillende machtsniveaus wordt gevoerd te verbeteren.


Doelstelling en onderzoeksvragen

De algemene doelstelling van dit onderzoeksproject is om door een actualisering van de
gegevens over gendergerelateerd geweld een beter begrip te krijgen van het voorkomen,
de vormen en de ernst van psychologisch, fysiek en seksueel geweld dat door vrouwen en
mannen wordt ervaren, evenals van de risico- en protectieve factoren ervan. Daarnaast
willen we inzicht krijgen in de doeltreffendheid van het gevoerde beleid ter zake.

Deze algemene doelstelling wordt vertaald in tien onderzoeksvragen:
1 In welke mate ervaren vrouwen en mannen in België psychologisch, fysiek en seksueel
geweld?
2 In welke mate zijn vrouwen en mannen in België getuige van psychologisch, fysiek en
seksueel geweld?
3 Hoe evolueert de prevalentie door de tijd heen?
4 In welke mate zijn slachtoffers bereid om geweldfeiten te melden?
5 Wat is de relatie tussen het slachtoffer en de dader en, desgevallend, tussen getuige en
slachtoffer?
6 Wat zijn de vormen, de ernst en de duur van het ervaren geweld?
7 Wat zijn de risicofactoren en de protectieve factoren voor het ervaren van geweld?
8 Hoe staan slachtoffers tegenover psychologisch, fysiek en seksueel geweld?
9 Wat zijn de gevolgen van psychologisch, fysiek en seksueel geweld?
10 Is het Belgische beleid om geweld te bestrijden, specifiek de primaire en secundaire
preventie van geweld, doeltreffend? Hebben slachtoffers van geweld in voldoende mate
toegang tot advies, ondersteuning en hulpverlening?

In deze studie beperken we ons tot interpersoonlijk geweld.


Definitie van geweld

De definitie van gendergerelateerd interpersoonlijk geweld evolueerde aanzienlijk de afgelopen
decennia. De definitie van geweld is, zoals Bruynooghe et al. benadrukken,4 evolutief;
geweld wordt steeds meer beschouwd als een veelvormig en complex verschijnsel. We vermelden,
niet-exhaustief, enkele definities.

- De Raad van Europa omschrijft geweld als “iedere daad of nalatigheid gepleegd door een
persoon (of een groep) als hij schade berokkent aan het leven, aan de lichamelijke of fysieke
integriteit of aan de vrijheid van een persoon (of van een groep) of de ontwikkeling van zijn
persoonlijkheid ernstig in gevaar brengt en/of zijn financiële zekerheid benadeelt”.5
Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie wordt geweld tussen partners gedefinieerd als
“iedere daad van geweld binnen een intieme relatie die een nadeel of fysiek, psychologisch
of seksueel leed veroorzaakt voor de personen die er deel van uitmaken”.6 Ook de dreiging
met dergelijke daden, dwang of willekeurige vrijheidsberoving, ongeacht of dit plaatsvindt
in de openbare ruimte of in het privéleven, worden hierin beschouwd

- Het Belgische Nationaal Actieplan inzake de strijd tegen het partnergeweld, lopende acties
en perspectieven, goedgekeurd op de interministeriële conferentie van 8 februari 2006 definieert
geweld in intieme relaties als “een geheel van gedragingen, handelingen en houdingen
van een van de partners of ex-partners die erop gericht zijn de andere te controleren en
te domineren. Het omvat verbale, fysieke, seksuele en economische agressie, bedreigingen
en geweldplegingen die zich herhalen of kunnen herhalen die de integriteit van de andere
en zelfs zijn socio-professionele integratie aantasten.”

- In het kader van deze studie verwijzen we naar het begrip “aantasting van de fysieke of
geestelijke integriteit van de persoon”. Zoals Jaspard et al. vermelden is “de aantasting van
de persoon een ethisch concept met universele waarde dat een brede consensus vindt” in
lijn met het respect voor de rechten van de persoon.8 Hoewel dit begrip operationeel lijkt
op juridisch, politiek en heuristisch vlak, is het voor de kwantificering van het verschijnsel
belangrijk om rekening te houden met de complexe en heel gediversifieerde realiteit die
het omvat. De verschillende vormen van geweld – verbaal, psychologisch (of emotioneel),
economisch (of financieel), fysiek, seksueel – en de levenssferen (intieme relaties, familiale
context, naaste omgeving, openbare ruimte) waarin ze kunnen voorkomen, zullen in aanmerking
worden genomen in de vragenlijst.

Verbaal geweld (beledigingen, kritiek, kleinering om daden en woorden) komt veruit het
meest voor, en mannen zijn hiervan vaker dan vrouwen slachtoffer. Omgekeerd is de prevalentie
aanzienlijk hoger bij vrouwen wat betreft het worden opgesloten betreft of aan de deur
gezet, en voor seksueel geweld (gedwongen/ongewenste seksuele aanrakingen of betrekkingen).
Voor de andere vormen is er geen significant verschil naargelang geslacht.

Een tweevoudige enquête werd voor dit onderzoek opgezet: telefonische bevraging en online invullen van een lijst.

Gezien de vastgestelde verschillen in meting tussen de twee enquêtes, lijkt het weinig relevant
andere vergelijkingen te maken per leeftijdscategorie, of andere categorieën. Algemeen
onthouden we, voor wat de feiten ervaren in de loop van het leven betreft, dat zowel
in 1998 als in 2009 seksueel geweld bijna uitsluitend vrouwen treft, terwijl mannen beduidend
vaker slachtoffer zijn van fysiek geweld, als de levenssferen in het geheel worden beschouwd.


Samenvattingen in de hoofdstukken van de onderzoeksresultaten

Geweld ervaren na de leeftijd van 18 jaar:samenvatting

■ In totaal verklaart 55,1% van de vrouwen en 49,3% van de mannen geen enkele vorm
van geweld te hebben ervaren sinds de leeftijd van 18 jaar, ongeacht de context en
de dader. Indien verbaal geweld hierin niet wordt meegerekend, blijkt 71,1% van de
vrouwen en 67% van de mannen geen geweld te hebben ervaren op volwassen leeftijd.
■ Verbaal geweld komt veruit het meest voor (41,5%), gevolgd door intimidaties (22%),
en door slagen of klappen (15%). Seksueel geweld treft vooral vrouwen (5,6%, tegenover
0,8% mannen), en zij worden ook het meest opgesloten of aan de deur gezet
(5,9%, tegenover 2,7% mannen).
■ De methodologische keuzes die in het kader van onderhavig onderzoek werden gemaakt
zijn van aard dat vergelijkingen met de cijfers uit het Belgische prevalentieonderzoek
van 1998 moeilijk te maken zijn, en dat conclusies over een evolutie in de
prevalentie van geweld met omzichtigheid moeten worden benaderd.
■ We merken op dat de oudste respondenten verklaren minder geweld te hebben ervaren
in de loop van hun hele leven. Deze vaststelling wordt veeleer geïnterpreteerd
als een geheugeneffect, wat niet te verwaarlozen is in de algemene conclusies
over de prevalentie in de loop van het leven. Zo kan ook een grotere prevalentie van
geweld bij de hoogst gediplomeerden, vooral bij mannen, worden gezien als een
gevolg van de interpretatie, door het slachtoffer zelf, van wat al dan niet geweld
vormt. Vooral verbaal geweld en intimidaties nemen toe naarmate het niveau van
het diploma hoger is. Het geloof in een religie gaat dan weer, vooral bij vrouwen,
samen met een mindere blootstelling aan fysiek geweld.
■ De gezondheidstoestand van slachtoffers van geweld is minder goed dan die van
de andere respondenten voor wat betreft slaapproblemen, angstaanvallen, het nemen
van geneesmiddelen of drugs, en stress. Zelfmoordpogingen komen twee keer
meer voor bij slachtoffers van geweld, vooral bij vrouwelijke slachtoffers van fysiek
geweld (3,4%, tegenover 0,9% bij vrouwelijke niet-slachtoffers). We stellen echter
vast dat het alcoholgebruik niet wordt beïnvloed. Slachtoffers doen ook meer een
beroep op psychologische begeleiding. De wittelintjescampagne is echter nauwelijks
beter gekend door slachtoffers dan door niet-slachtoffers.
■ Als de ergste of de belangrijkste feiten nauwkeuriger worden geanalyseerd, dan
blijkt verbaal geweld nog steeds 46% te vertegenwoordigen van alle vormen van
geweld, en het komt soms voor samen met andere feiten. Algemeen genomen noteren
we een zekere spreiding van de soorten daders. Bij vrouwelijke slachtoffers
komt geweld gepleegd door de partner echter het meest voor (30,8%), terwijl bij
mannen de daders meestal onbekenden zijn (40,4%). De feiten die door mannelijke
slachtoffers als de ergste worden weerhouden, zijn meestal alleenstaande feiten,
terwijl vrouwen meer het slachtoffer worden van herhaalde geweldsituaties, die
vaker worden gepleegd door de naaste omgeving dan door onbekenden.
■ Mannen praten minder vaak met derden over het geweld dat ze hebben ervaren
dan vrouwen (68,7%, tegenover 81,7%). Dat geldt des te meer wanneer het gaat om
partnergeweld. Op basis daarvan zouden we kunnen veronderstellen dat de onderschatting
van geweld nog groter is bij mannen dan bij vrouwen. Slechts in een
minderheid van de gevallen wordt klacht ingediend door slachtoffers van geweld:
13,9% van de vrouwelijke slachtoffers en 9,8% van de mannelijke slachtoffers doet,
ongeacht de dader, aangifte bij de politie. Geweld gepleegd door familie wordt het
minst aangegeven (6,2%), terwijl partnergeweld (17,9%) en geweld gepleegd door
onbekenden (21,1%) relatief gezien het vaakst worden aangegeven.


Seksueel geweld ervaren vóór de leeftijd van 18 jaar: samenvatting

■ 8,9% van de vrouwen en 3,2% van de mannen heeft gedwongen seksuele aanrakingen
of betrekkingen ervaren vóór de leeftijd van 18 jaar, wat hoger is dan de prevalentie
van dezelfde feiten na 18 jaar.
■ De grote meerderheid van het seksueel geweld vóór 18 jaar is gebeurd door iemand
uit de naaste omgeving of door familieleden, vooral indien het vrouwelijke slachtoffers
betreft. Slechts zelden gaat het om seksueel geweld gepleegd door de partner.
In de helft van de gevallen betreft het alleenstaande feiten, vooral wanneer de dader
geen verwante is.
■ 80% van de slachtoffers ervaart de gerapporteerde feiten als “vrij erg” of “heel
erg”.
■ Slechts 60% van de mannelijke slachtoffers, tegenover 77% van de vrouwelijke
slachtoffers, heeft over deze feiten gesproken met iemand.
■ De gevolgen van seksueel geweld ervaren op minderjarige leeftijd voor de actuele
gezondheid zijn nog groter dan die van geweld ervaren op volwassen leeftijd, en
dat in termen van depressie, slapeloosheid en in het bijzonder zelfmoordpogingen.
Deze slachtoffers doen ook vaker een beroep op psychologische hulp.

Geweld binnen het koppel en door de expartner– algemene cijfers: samenvatting

Partnergeweld, ervaren gedurende de laatste 12 maanden, werd in het kader van
onderhavig onderzoek uitgebreid met geweld ervaren door de ex-partner.
■ 12,5% van de respondenten heeft verklaard minimum één daad van geweld te hebben
ervaren door hun partner of hun ex-partner gedurende de afgelopen 12 maanden
(14,9% van de vrouwen en 10,5% van de mannen).
■ Vrouwen zijn vaker dan mannen slachtoffer van “ernstig” en “heel ernstig” partnergeweld.
Het verschil tussen mannen en vrouwen ligt dus veeleer in de ernst van de
ervaren daden (gekoppeld aan de frequentie en de vorm van geweld) dan in het feit
al dan niet geweld te hebben ervaren.
■ Als de verschillende partnersituaties worden vergeleken, dan merken we op dat
vrouwen met een partnerrelatie het minst worden getroffen door partnergeweld:
87,7% van hen heeft geen geweld ervaren. Vrouwen die de afgelopen 12 maanden
zijn gescheiden of een relatiebreuk hebben meegemaakt en vrouwen die in contact
stonden met hun ex-partner hebben in respectievelijk 81,8% en 75,4% van de gevallen
geen partnergeweld ervaren.
■ L eeftijd blijkt bij vrouwen noch bij mannen een effect te hebben op het ervaren van
partnergeweld. Niettemin merken we op dat de jongste vrouwen (tussen 18 en 25
jaar) beduidend meer partnergeweld hebben gerapporteerd (22,1%) dan de andere
categorieën.
■ E en analyse in termen van de vorm van ervaren geweld toont dat de gangbare term
“geslagen vrouwen” geen rekenschap geeft van de totaliteit van het partnergeweld,
aangezien vooral psychologisch geweld voorkomt: psychologisch of verbaal geweld
betreft bijna 11% van de respondenten, terwijl fysieke agressie 1,3% van de respondenten
betreft.
■ De geweldsituatie duurt in meer dan 90,2% van de gevallen minder dan één jaar.

Geweld binnen het koppel en door de expartner– geweldervaringen toevertrouwen
aan derden: samenvatting

■ Vrouwelijke slachtoffers van partnergeweld praten vaker dan mannelijke slachtoffers
met derden over hun ervaringen: 67,4% van de vrouwen sprak erover, tegenover 44,9%
van de mannen.
■ Wat betreft leeftijd, vertrouwen de jongste slachtoffers (18-24 jaar) opvallend meer dan
de andere leeftijdscategorieën hun verhaal toe aan derden: 82,9% spreekt erover, terwijl
het gemiddelde rond 57% ligt.
■ S lachtoffers zwijgen opvallend vaker over geweld dat wordt gepleegd binnen de huidige
relatie: minder dan de helft (46,9%) van de slachtoffers met een relatie en die samenwonen
met hun partner spreekt erover. Voor getrouwde personen vinden we een nagenoeg
identiek percentage (46,4%).
■ S lachtoffers van partnergeweld praten vooral met familie, vrienden, buren en collega’s
(de zogenaamde informele sfeer) over hun ervaringen van partnergeweld. Dat geldt zowel
voor vrouwen als voor mannen. Vrouwen wenden zich opvallend vaker tot een arts,
een psycholoog of een hulpverleningsdienst (de medische / psychosociale sfeer): 23,6%
van de vrouwelijke slachtoffers doet haar verhaal aan een arts of een psycholoog, tegenover
slechts 6,8% van de mannen.
■ Algemeen genomen spreken Vlaamse slachtoffers van partnergeweld vaker over hun
ervaringen dan Waalse slachtoffers. Het verschil situeert zich echter vooral in de informele
sfeer.
■ Wat de mate van tevredenheid van de slachtoffers van partnergeweld over de gekregen
hulp betreft, stellen we een significant verschil vast tussen mannen en vrouwen, en dat
voor drie categorieën van betrokken “hulpverleners”: artsen, psychologen en politie,
waaraan mannen altijd een lagere tevredenheidsscore toekennen dan vrouwen. Dit zou
kunnen worden verklaard door de onervarenheid en het gebrek aan kennis van bepaalde
professionals inzake de dynamiek van partnergeweld.


Geweld binnen het koppel en door de ex-partner – gevolgen van partnergeweld
en houding van het slachtoffer tegenover geweld: samenvatting

■ Vrouwen rapporteren meer psychologische gevolgen van partnergeweld te hebben
ervaren dan mannen. Ten gevolge van partnergeweld voelt 40,7% van de vrouwelijke
slachtoffers zich minder zelfzeker, 25,7% voelt zich schuldig of beschaamd en
23,9% zegt agressiever te zijn geworden, tegenover respectievelijk 16,1%, 7% en
9,2% van de mannelijke slachtoffers.
■ Vrouwen die slachtoffer zijn van partnergeweld raken vaker lichamelijk gewond dan
mannelijke slachtoffers: 15,7% van de vrouwelijke slachtoffers zegt gewond te zijn
geraakt, tegenover slechts 1,1% van de mannen.
■ E en synthetische indicator inzake de gevolgen van partnergeweld toonde aan dat
de gevolgen van seksueel partnergeweld veel ernstiger zijn dan die van verbaal of
psychologisch en van fysiek partnergeweld.


Risicofactoren

Inleiding

Geweld is een sociaal-maatschappelijk probleem dat een impact heeft op de ganse bevolking.
Het vindt plaats op alle niveaus: in de openbare ruimte, in de werksfeer, in de privésfeer,
en zelfs op individueel niveau. Het voorkomen van geweld leidt steeds weer tot de
vraag: waarom? Wat leidt ertoe dat mensen gewelddadig gedrag stellen of slachtoffer worden
van geweld? Reeds heel wat onderzoek is verricht naar de verschillende factoren die
de kans op gewelddadige handelingen verhogen (risicofactoren), en factoren die de kans op
het voorkomen van geweld doen dalen (protectieve factoren). Niettegenstaande een groot
aantal studies herhaaldelijk heeft aangetoond dat bepaalde factoren samengaan met geweld,
beschikken we slechts over beperkte informatie rond causaliteit.57 Meer specifiek
houdt dit in dat de aanwezigheid van een risicofactor of protectieve factor het al dan niet
voorkomen van geweld moeilijk kan voorspellen. Het is niet omdat bepaalde factoren vaker
dan bij toeval kan worden aangenomen, samengaan met geweld, dat deze factoren geweld
ook uitlokken. Bovendien kunnen sommige factoren, zoals verder zal blijken, zowel een
risicofactor als een gevolg zijn van geweld. Toch is uit onderzoek gebleken dat de aanwezigheid
van meerdere risicofactoren samen de kans op het voorkomen van geweld verhoogt.58
In wat volgt, ligt de focus op partnergeweld. In tegenstelling tot wat iedereen wenst, biedt
een partner niet altijd de veiligheid die men verlangt. Zoals hiervoor werd aangetoond, lopen
net in deze sfeer veel mensen het risico om slachtoffer te worden van fysiek, psychologisch
en/of seksueel geweld.59 In dit hoofdstuk willen we een overzicht geven van de risicofactoren
die een rol kunnen spelen bij (ex-) partnergeweld. Veel wetenschappelijk onderzoek en
internationale studies die peilen naar partnergeweld hebben reeds een groot aantal risicofactoren
in kaart gebracht. Concreet zullen we aandacht besteden aan verbanden tussen
geweld en bepaalde opvattingen, het sociale netwerk, het opleidingsniveau, de werksituatie,
het gezinsinkomen, religie, leeftijd, de relatietevredenheid, stress, de aanwezigheid van
kinderen, scheiding, alcohol- en druggebruik, zwangerschap, confrontatie met geweld in de
kindertijd en persoonlijke ervaringen. Gezondheidsgerelateerde aspecten, zoals angst en
depressie, werden eerder besproken, omdat zij evenzeer kunnen optreden als gevolg van
partnergeweld.

Risicofactoren: samenvatting

Partnergeweld, ervaren gedurende de laatste 12 maanden, werd in het kader van
onderhavig onderzoek uitgebreid met geweld ervaren door de ex-partner.
■ E en multifactoriële, veeleer dan een unifactoriële benadering is aangewezen om de
geweldproblematiek te begrijpen. Vertrekkend vanuit de complexiteit van het thema
wordt er vanuit gegaan dat meerdere factoren samen op verschillende niveaus een
invloed uitoefenen.
■ Vrouwen en mannen die meer akkoord gaan met stellingen die verwijzen naar traditionele
opvattingen met betrekking tot het bespreekbaar maken van familiale
problemen en het uitlokken van geweld werden de afgelopen 12 maanden vaker
slachtoffer van partnergeweld.
■ Vrouwen en mannen die het subjectieve gevoel hebben te weinig contact te hebben
met familie en vrienden zijn de afgelopen 12 maanden vaker slachtoffer geworden
van partnergeweld.
■ Vrouwen en mannen met een lager opleidingsniveau of die werkloos zijn, werden de
afgelopen 12 maanden niet vaker slachtoffer van partnergeweld dan anderen. Dit
is in strijd met frequente bevindingen in de literatuur, maar kan mogelijk worden
verklaard door het beperkte aantal slachtoffers van partnergeweld gedurende de
laatste 12 maanden.
■ Jongere vrouwen en mannen werden de afgelopen 12 maanden vaker slachtoffer
van partnergeweld dan oudere vrouwen en mannen.
■ Vrouwen en mannen met een religieuze overtuiging werden de afgelopen 12 maanden
minder vaak slachtoffer van partnergeweld dan vrouwen en mannen zonder
religieuze overtuiging.
■ Vrouwen en mannen die de afgelopen 12 maanden slachtoffer werden van partnergeweld
rapporteerden een lagere relatietevredenheid en een minder goede relatiekwaliteit.
■ In gezinnen met kinderen is er niet meer sprake van partnergeweld dan in gezinnen
zonder kinderen. Wel blijkt de aanwezigheid van kinderen jonger dan 7 jaar samen
te gaan met de aanwezigheid van meer psychologisch partnergeweld in de afgelopen
12 maanden.
■ De aanwezigheid van stress houdt verband met het voorkomen van geweld gedurende
de laatste 12 maanden.
■ Vrouwen en mannen die gescheiden zijn, werden de afgelopen 12 maanden vaker
geconfronteerd met partnergeweld dan niet-gescheiden koppels.
■ Recente literatuur heeft aangetoond dat zwangerschap een risicofactor vormt voor
vrouwen om slachtoffer te worden van partnergeweld. In onderhavige studie werd
echter geen verband gevonden tussen zwangerschap en partnergeweld.
■ Personen die gedurende hun kindertijd slachtoffer waren van seksueel geweld werden
de afgelopen 12 maanden vaker slachtoffer van partnergeweld. Personen die
vanaf de leeftijd van 18 jaar ervaringen hebben gehad met geweld, zijn de afgelopen
12 maanden eveneens vaker slachtoffer geworden van partnergeweld.
■ Partners van slachtoffers van partnergeweld in de afgelopen 12 maanden hebben
sinds ze hem/haar kennen vaker contact gehad met de politie omwille van agressief
gedrag en waren vaker getuige van geweld tussen de ouders dan partners van nietslachtoffers.
■ In termen van geweldpreventie is het belangrijk om na te gaan of de partner gewelddadig
gedrag vertoont buiten de familiale sfeer, of een persoon sociaal geïsoleerd is
en of de relatiekwaliteit laag is. Deze drie factoren blijken immers de beste “voorspellers”
te zijn van heel ernstige vormen van partnergeweld.

Geweld van familie en naaste omgeving: samenvatting

■ Geweld ervaren vanwege familieleden of vanwege iemand uit de naaste omgeving
gedurende de laatste 12 maanden is dermate zeldzaam dat het niet erg diepgaand
kan worden onderzocht in het kader van voorliggend onderzoek.
■ Het betreft in de eerste plaats verbaal geweld (13% van de respondenten kreeg hiermee
te maken), waarvan vrouwen iets vaker dan mannen slachtoffer zijn.
■ De geweldfeiten ervaren in de familiesfeer of de naaste omgeving worden slechts
zelden aangegeven bij de politie.
■ We hebben het specifieke verschijnsel van ouderenverwaarlozing of -mishandeling
niet kunnen bestuderen, in die zin dat de leeftijdsgrens die in de enquête werd vastgelegd
(75 jaar) wellicht van aard was om het werkelijke probleem niet te kunnen identificeren, en bijgevolg een onvoldoende aantal gevallen werd gerapporteerd.

G eweld in de openbare ruimte: samenvatting

■ Mannen en vrouwen zijn in vergelijkbare verhoudingen slachtoffer van verbaal geweld
in de openbare ruimte (12,9%), maar het betreft meestal geïsoleerde feiten.
■ Mannen worden twee keer meer blootgesteld aan fysieke agressie (2,5%) dan vrouwen,
terwijl voor (poging tot) diefstal met dreiging of gebruik van geweld het verschil
in slachtofferschap tussen mannen en vrouwen verkleint.
■ Vrouwen hebben meer te maken met het worden achtervolgd op straat (4%) en met
seksueel geweld, dat echter uitzonderlijk blijft (0,5% van de vrouwen is slachtoffer
van exhibitionisme of ongewenste aanrakingen).
■ Jongeren worden het meest blootgesteld aan geweld in de openbare ruimte, in het
bijzonder in de leeftijdscategorie jonger dan 25 jaar, waar het slachtofferschap dubbel
zo groot is als in de andere leeftijdscategorieën.
■ De ergste feiten waarvan vrouwen en mannen slachtoffer werden, werden in de
helft van de gevallen gepleegd door iemand die hij/zij kent; de dader is negen op tien
keer een man.
■ Geweld in de openbare ruimte wordt vaak toevertrouwd aan derden (acht op tien
keer), en er wordt relatief gezien ook vaak klacht neergelegd bij de politie (bijna
twee keer op tien). Wanneer het diefstal met geweld betreft, wordt in meer dan 60%
van de gevallen klacht neergelegd bij de politie.

Getuigen van geweld: samenvatting

■ In meer dan 40% van de situaties van partnergeweld is minstens één kind getuige
geweest van de gewelddaden, gepleegd op een van zijn of haar ouders. Personen uit
de naaste omgeving en andere personen zijn getuige van respectievelijk 23,3% en
15,3% van de situaties van partnergeweld.
■ 48,8% van de geweldsituaties tussen partners die als ernstig worden omschreven,
wordt gehoord of gezien door een of meerdere kinderen. Voor de als heel ernstig
omschreven situaties van partnergeweld betreft het 43,2%.
■ De aanwezigheid van kinderen als getuige van geweld is sterk verbonden met de
partnersituatie: meer dan de helft van de geweldsituaties tussen ex-partners wordt
gehoord of gezien door een of meerdere kinderen. Voor de geweldsituaties van partners
met een relatie (die al dan niet samenwonen), betreft het 38,4%.
■ Als alle vormen van geweld in aanmerking worden genomen en dat in alle levenssferen
(partnerrelatie, familie/naaste omgeving, openbare ruimte), dan blijkt dat
mannen vaker getuige zijn van verbaal en fysiek geweld dan vrouwen.

Aanbevelingen voor de preventie en opvang van het geweld

Vanuit twee focusgroepen van professionals

De slachtoffers zijn vooral vrouwen, maar er is geen specifieke sociale karakterisering.
Ruw geschat betreft het 20% slachtoffers uit sociaal minder bevoorrechte milieus, 20% uit gegoede kringen en 60% uit de middenklasse.

2.1.1 Psychologisch geweld

De deelnemers vestigen vooral de aandacht op het grote aandeel psychologisch geweld,
naast de gevallen van duidelijk fysiek of seksueel geweld, wat als heel ernstig wordt beschouwd,
maar waarvoor reeds instrumenten bestaan. Het belang van psychologisch geweld
wordt bevestigd in de prevalentiecijfers zoals die naar voren komen uit de enquête; in
het bijzonder deze vorm van geweld wordt onderschat.

De slachtoffers van psychologisch geweld waarmee de deelnemers te maken krijgen, bevinden
zich vaak in een gevorderde toestand van psychologische ontreddering, zodat de
bestaande instrumenten ondoeltreffend blijken. Dit resulteert uit het feit dat deze situaties
te laat aan het licht komen, als de schade al is gebeurd. Een langdurige blootstelling aan
psychologisch geweld kan onomkeerbare gevolgen hebben voor het slachtoffer. Slachtoffers
doen er vaak heel lang over om te beseffen dat ze psychologisch geweld ervaren, wat
ruimte laat voor ernstige gevolgen.

Het gebeurt niet zelden dat deze situaties pas aan het licht komen via de omweg van klachten
voor fysiek geweld, waaruit vaak psychologisch geweld volgt, en dat zo een soort toegangspoort
vormt voor de diagnose van zwaar ontaarde situaties.

De deelnemers zijn het ermee eens dat mannen minder gemakkelijk spreken over het geweld
dat ze ervaren, en dat ze, zoals blijkt uit de onderzoeksresultaten, vaker slachtoffer
zijn van geweld dan de bezoekpercentages aan hun diensten laten uitschijnen.

Een grote moeilijkheid, zowel voor de diagnose als voor de interventie, is de opsporing en
de afbakening van manipulatie en overwicht, basismechanismen van psychologisch geweld.
De grenzen van de ernst van dit gedrag zijn moeilijk te bepalen. Het is een uitdaging op het
vlak van sensibilisatie van de professionals, maar ook een probleem van juridische categorieën
voor zover de rechtbanken de neiging hebben deze feiten niet te erkennen omdat ze
niet voorzien zijn in de wetgeving. Psychologisch geweld wordt vaak niet vroeg genoeg in
aanmerking genomen vanwege de moeilijkheid om het te objectiveren. De dader kan vaak
een “pervers” en/of “verleiders”profiel hebben, waardoor zelfs de steun van de familie aan
het slachtoffer ontbreekt.

Vanuit het standpunt van de politie of de gerechtelijke geneeskunde, bemoeilijken deze dimensies
van geweld de taak om verslagen of certificaten die getuigen van fysiek of seksueel
geweld door te geven, voor zover het de patiënt is die de gegevens zelf doorgeeft. De arts
kan dus voor een gewetenskwestie staan als hij/zij de bewijselementen van geweld heeft,
maar het slachtoffer onder de invloed is van de dader en geen klacht wil neerleggen.
We moeten echter opmerken dat deze stelling mogelijk tegenstrijdig is met de aanbeveling
dat het slachtoffer een actieve rol moet krijgen om zo zijn/haar herstel te bevorderen. De
mate van gevaar en de gevorderde staat in de bewustwording met het oog op een herstel
zijn misschien de scheidingslijnen tussen deze twee standpunten.

De aanbevelingen die we hierover kunnen formuleren, zijn dus:

■ Het nut van een sensibilisering van professionals voor fenomenen van manipulatie en
overwicht.
■ Verspreiding van informatie over de gewelddadige aard van dit soort gedrag.
■ Bezinning over de mogelijkheden voor de arts om aan het parket inlichtingen door te
geven over situaties van ernstig geweld, in het bijzonder op psychologisch vlak. De professionals
benadrukken de noodzaak van een afspraak tussen de medische en gerechtelijke
ordes om een kader te vinden voor dergelijke acties die niet op initiatief van het
slachtoffer zelf zouden worden ondernomen. Met name het morele en filosofische probleem
stelt zich van de mogelijkheid om “het slachtoffer te bevrijden tegen zijn of haar
wil”.
■ Meer aandacht voor geweld ervaren door mannen, in zoverre het nog vaker verborgen
blijft. Dit kan zowel richting geven voor preventiecampagnes als voor de sensibilisatie
van eerstelijnshulpverlening voor een vroegtijdige opsporing.


Nog steeds in datzelfde kader wordt het Nationaal Actieplan inzake het partnergeweld
streng beoordeeld, in die zin dat het “onleesbaar” is en “enkel algemeenheden bevat”. Verschillende
deelnemers stellen de doeltreffendheid van dit plan in vraag: Wat zijn de gevolgen
ervan? Welke plaats verleent het aan de samenwerking tussen de diensten? Is het zelfs
mogelijk om het te beoordelen?

We formuleren op basis hiervan volgende aanbevelingen:

■ De noodzaak, in de basisopleiding en de voortgezette opleiding van huisartsen en advocaten,
om de instrumenten in te voeren die worden gebruikt om intrafamiliaal geweld
vroegtijdig op te sporen en te weten hoe te reageren op de signalen ervan.
■ De huisartsenpraktijk toevoegen aan de netwerken die geweld opvangen om de informatie,
zowel de generieke als de patiëntspecifieke, te laten circuleren.
■ Sensibiliseringsacties voor lichte vormen van geweld richten op jongeren, om de escalatie
te stoppen, hen te helpen negatieve emoties zoals frustratie, kwaadheid, enzovoort die
kunnen uitmonden in geweld, onder woorden te brengen, en sensibiliseren over het verschil
tussen gewelddadig gedrag en conflict.
■ De noodzaak om te investeren in onderzoek op het vlak van preventie en op het vlak van
hulpverlening om aan te tonen welke interventies het meest doeltreffend zijn.


2.3 Contexten van breuk of scheiding en de kinderen

De contexten van breuk en scheiding zijn zowel geprivilegieerde momenten van onthulling
van geweld als momenten waarop dit geweld kan voortduren en verergeren. We moeten
echter, bij wijze van nuancering, opmerken dat de onthulling van partnergeweld niet
noodzakelijk leidt tot een scheiding, en dat men ook koppels moet kunnen helpen om deze
situatie te overstijgen door eventueel samen te blijven. Anderzijds ziet men ook dat er in
het geval van de vorming van een nieuw koppel, binnen dit koppel vaak een dynamiek kan
worden ontwikkeld van stigmatisering van de ex-partner door de nieuwe partner om het
gewicht van de ervaren mislukking te dragen.

Een grote inzet in dit soort omstandigheden is het frequente gebruik van de kinderen in het
kader van geweld gericht op de (ex-)partner. Er wordt benadrukt dat de kinderen specifieke
aandacht nodig hebben met het oog op hun bescherming als men te maken heeft met
geweld tussen (ex-) partners. De nieuwe wet op de echtscheiding, waarvan de rechters
gebruik maken om standaard co-ouderschap toe te kennen, heeft tot gevolg dat deze formule
in het geval van geweld de gevaarlijkste is voor het kind, voor zover het kind in deze
omstandigheden kan blijven worden gebruikt als geweldmiddel. Deze precaire positie van
kinderen als getuige van geweld tussen partners wordt weinig erkend door de rechtbanken.


Aanbevelingen voor de preventie en de opvang van geweld

Met betrekking hiertoe benadrukken verschillende professionals de verschillen in beoordeling
tussen de gerechtelijke diensten en de hulpdienst voor jongeren. Deze wordt ervan
beschuldigd de risico’s voor het kind te onderschatten ten voordele van een prioriteit van
behoud in het gezin, en een slechte communicatie te hebben met de andere betrokken diensten.

De aanbevelingen voor deze punten zijn:
■ “Utopisch” gezien dient een preventieve ouderbemiddeling te worden gecreëerd in het
geval van scheiding, die de risico’s voor het kind kan opsporen en beheren. In elk geval
zou er specifiek aandacht moeten worden besteed aan de psychologische gevolgen voor
de kinderen die getuige zijn van geweld tussen partners.
■ Een evaluatie van de wet op de echtscheiding die de standaardkeuze voor co-ouderschap
opnieuw onderzoekt en die toestaat de risico’s ervan op te sporen, teneinde coouderschap
uit te sluiten in het geval van partnergeweld.
■ Werk maken van de intentie om een familierechtbank te creëren die toelaat de tegenstrijdigheden
tussen strafrechtelijke en burgerlijke vonnissen op te lossen.

Er wordt vastgesteld dat, hoewel de meeste spelers al in een netwerk werken, deze netwerken
relatief beperkt zijn per soort professionals, en weinig transversaal communiceren. Zo
vindt men psychosociale, gerechtelijke, medische, … netwerken die naast elkaar opereren.
De noodzaak om de samenwerking tussen de diensten te verbeteren werd langdurig besproken
in de Nederlandstalige focusgroep. Volgens de deelnemers zijn er te veel initiatieven
die gebeuren zonder overleg. Men moet in de eerste plaats een structureringsinspanning
doen op alle niveaus: van het beleid tot de spelers op het terrein. Er wordt benadrukt
hoe nadelig het gebrek aan communicatie van gegevens tussen deze sferen kan zijn. Een
voorbeeld daarvan is dat de beslissing tot vrijlating van een gedetineerde dader van geweld
niet wordt meegedeeld aan het slachtoffer noch aan de diensten die hem opvolgen, waardoor
de kans bestaat dat het slachtoffer hem (haar) tegen het lijf loopt. Men vindt het nuttig
dat het slachtoffer op de hoogte wordt gehouden van de gevolgen die aan de klacht worden
gegeven. Men ziet in het bijzonder in het geval van seksueel geweld op minderjarigen dat
klacht indienen meer nadelig dan nuttig kan blijken voor het slachtoffer als zijn/haar woord
in twijfel wordt getrokken, als er geen vervolg is of als de periode van behandeling van de
klacht te lang is.

De aanbevelingen in termen van organisatie van de hulpdiensten kunnen dus zijn:
■ Een vorm van netwerkverbinding creëren tussen de medische, psychosociale, politionele
en gerechtelijke sferen, door eerstelijnsactoren als huisartsen of paramedici in te
lassen. Volgens de Franstalige deelnemers wordt deze integratie meer gestimuleerd in
Vlaanderen dan in de Franse Gemeenschap. De Nederlandstalige experts delen deze
visie echter niet of vinden minstens dat de integratie en de samenwerking tussen de
diensten in Vlaanderen nog beduidend onvoldoende is. Ze maken er zelfs hun eerste
aanbeveling van om het aantal gevallen van partnergeweld te verminderen en de opvang
van slachtoffers te verbeteren.
■ Plaatsen voor de uitwisseling van goede praktijken inrichten om positieve ervaringen
ingevoerd in bepaalde regio’s of steden bekend te maken en uit te breiden naar andere
zones.
■ Het toezicht van de verschillende professionals vereenvoudigen of op elkaar afstemmen.
■ Een gestandaardiseerd medisch certificaat tot vaststelling van geweld ontwikkelen.
■ De beschikbaarheid van verblijfsoplossingen voor noodgevallen vergroten door vooruit
te handelen, om gemakkelijker de integratie toe te laten van andere verblijfplaatsen na
de urgentie en zo de bestaande plaatsen sneller vrij te maken.

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

De lichamelijke en psychische gevolgen van seksueel geweld zijn veel groter dan die van
fysiek geweld, en fysiek geweld heeft meer gevolgen dan psychologisch of verbaal geweld.
Vrouwen rapporteren ook veel meer gevolgen van partnergeweld dan mannen.
Hoge risicofactoren voor ernstige vormen van partnergeweld zijn sociaal isolement, het feit
dat de partner buitenshuis gewelddadig gedrag vertoont en een lage relatiekwaliteit.
Voor wat geweld in de openbare ruimte betreft, zijn vrouwen en mannen ongeveer even vaak
slachtoffer van verbaal geweld; mannen worden twee keer meer blootgesteld aan fysieke
agressie (2,5%) dan vrouwen. Bij (poging tot) diefstal met dreiging of gebruik van geweld is
het verschil in slachtofferschap tussen mannen en vrouwen minder groot. Seksueel geweld
op straat treft vooral vrouwen, maar blijft uitzonderlijk (0,5% van de vrouwen is slachtoffer
van exhibitionisme of ongewenste aanrakingen). De ergste feiten waarvan vrouwen en mannen
slachtoffer werden in de openbare ruimte, werd in de helft van de gevallen gepleegd
door iemand die het slachtoffer kent; de dader is negen op tien keer een man.
In meer dan 40% van de situaties van partnergeweld is minstens één kind getuige geweest
van de gewelddaden, gepleegd op een van zijn of haar ouders. Bij ernstige of heel ernstige
geweldsituaties ligt dat percentage zelfs nog hoger. Personen uit de naaste omgeving en
andere personen zijn getuige van respectievelijk 23,3% en 15,3% van de situaties van partnergeweld.

De enquête biedt een fotografische opname van een situatie, in veeleer epidemiologische
termen, een vaststelling van prevalenties in verschillende domeinen. We hebben de taak
om aanbevelingen te bieden toevertrouwd aan experts, verzameld in twee focusgroepen,
die substantiële voorstellen hebben verstrekt. Deze worden behandeld in hoofdstuk 8. We
kunnen, op basis van het onderzoek, vrij weinig zeggen over de omstandigheden voor de
opvang van slachtoffers. We hebben in het algemeen gezien dat de slachtoffers meer psychosociale
hulpdiensten raadplegen dan de niet-slachtoffers. Als er een gegeven is van het
onderzoek dat we hier kunnen benadrukken, is het dat mannen, behalve dat ze hun verhaal
minder doen, ook minder derden raadplegen dan vrouwen en minder tevreden blijken over
de gekregen steun. Dit vormt misschien een eerste aanbeveling, voor het curatieve gedeelte,
met name een specifieke opvang voor mannen te ontwikkelen. Experts vermelden
trouwens dat ze heel weinig mannen zien in hun praktijk. De “geslagen vrouwen” zijn, zoals
we hebben gezegd, een groep waar ernstig geweld ravages aanricht; de gevolgen die ze
ervaren beklemtonen de noodzaak van opvang, maar de diensten bestaan, de kenmerken
ervan zijn gekend, en de voorwaarden tot verbetering van deze opvang worden het best uitgedrukt
door de professionals. We verwijzen de lezer naar dit hoofdstuk.

Wat de thema’s betreft, vestigt het onderzoek onze aandacht, meer dan op slagen en fysieke
agressie, op psychologisch geweld enerzijds, en op seksueel geweld anderzijds. Deze twee
thema’s zouden zeker centraal moeten staan in preventie-initiatieven. Psychologisch geweld,
omdat dit het minst zichtbaar is, minder wordt herkend door de slachtoffers en door
de hulpverleners, vaak het logische gevolg is van andere vormen van geweld, maar ook veel
frequenter is dan fysiek geweld. Het lijkt nuttig hierover te communiceren zodat de hulpverleners
het opsporen en de slachtoffers het herkennen als geweld en het niet als normaal
gedrag beschouwen. Voor zover het zowel mannen als vrouwen treft, zou het nuttig zijn de
communicatie over dat onderwerp niet uitsluitend tot vrouwen of mannen te richten. Er
zouden materiaal en campagnes kunnen worden ontwikkeld, zowel voor het grote publiek
als voor de medische en juridische hulpverleners.

Zoals ook de experts hebben vermeld, zouden de (publieksgerichte) initiatieven op dat vlak
zich in het bijzonder moeten richten tot jongeren. Het is zeker gepast te sensibiliseren voor
gewelddadige handelingen die als normaal zouden kunnen worden beschouwd, zowel door
de slachtoffers als door de potentiële daders. De moeilijkheid, maar ook de inzet, is uiteraard
te bepalen vanaf welke grens een min of meer onschuldig gedrag psychologisch geweld
wordt. (Hoofdstuk 9)

Voor het volledige rapport: klik hier



 
Omhoog
 

Het echtelijk geweld - artikel van de Canadese psycholoog Yvon Dallaire /
La violence conjugale - article par le psychologue Canadien Yvon Dallaire / 8-12-2008

Nederlandse versie

Het echtelijk geweld

Het thema van het echtelijk geweld aansnijden is uitermate delicaat, want dat roept krachtige reacties op, reacties die ons dikwijls beletten de ware realiteit te zien. Die reacties worden sterk beïnvloed door het vooroordeel “de man is gewelddadig, de vrouw is het slachtoffer” en door het sociaal ondenkbare “de man is het slachtoffer, de vrouw is gewelddadig”.

door Yvon Dallaire, psycholoog – Speciale bijdrage



© Journal de Montréal - Archieffoto

Laten we elkaar goed begrijpen : er is geen sprake van het geweld tegenover vrouwen te minimaliseren :  als er ook maar een enkele persoon (vrouw, man of kind) wordt geslagen in Quebec, dan is dat één persoon teveel. Mijn doel: beter te begrijpen wat er op het spel staat bij echtelijk geweld om beter tussen te komen.

De statistische werkelijkheid

Als je je baseert op de politierapporten zouden er twaalf tot vijftien vrouwen worden geslagen tegenover één man. Die rapporten zijn maar ten dele geloofwaardig. De mannen lopen niet naar de politie of gaan niet naar de raadplegingen voor echtelijk geweld: zij zijn met reden bang niet geloofd te worden, belachelijk te worden gemaakt of beschuldigd te worden dat geweld te hebben uitgelokt.
Nochtans zouden ze dat wél moeten doen.

Tientallen onderzoeken tonen een andere werkelijkheid rond echtelijk geweld: er zouden bijna evenveel mannen fysiek geslagen worden als vrouwen. Een studie uitgevoerd door het Instituut voor de Statistiek van Quebec besluit  “ dat het geweld van een echtgeno(o)t(e) of ex-echtgeno(o)ot(e)  één man op 24 en één vrouw op 19 treft.”
Een andere statistiek die nog meer verbazingwekkend is, gerapporteerd door de Gazette des Femmes (nov.-dec. 2005, p. 27): “Volgens Statistique Canada is de hoeveelheid echtelijk geweld bij de homoseksuelen het dubbele dan dat wat aangetroffen wordt bij heteroseksuelen (15 % tegen 7 %)”. Karol O’Brien, medestichtster van de Groep tussenkomst bij echtelijk geweld bij de lesbiennes van Montréal schat deze omvang eerder op 22 tot 24 %.
We staan ver vandaan van de man altijd beul en de vrouw altijd slachtoffer, die slechts gewelddadig wordt uit wettige zelfverdediging. De werkelijkheid is in 50 tot 70 % van gewelddadige koppels dat beiden dat zijn. En in de gevallen waar één enkele het geweld pleegt, is dat evenveel of ongeveer evenveel het geval vanwege vrouwen als vanwege mannen.

Van liefde naar haat

Het belangrijkste is niet te weten wie de meest gewelddadige is, maar eerder te begrijpen hoe twee wezens die van elkaar houden ertoe komen erop los te kloppen. Buiten enige normale strijd om de macht tussen de twee partners is het echtelijk geweld in feite het gevolg van een dynamiek van actie-reactie waarin het antwoord van één van de partners ten opzichte van het gedrag van de andere antwoorden meebrengt die hoe langer hoe meer ongepast zijn.

Die escalatie of complementaire schismogenese ontstaat omdat de mannen en de vrouwen verschillende gevoeligheden hebben, omdat ze gepaalde relationele vaardigheden niet hebben ontwikkeld zoals inlevingsvermogen, openheid, communicatie… en omdat zij de anderen verantwoordelijk stellen voor hun behoeften, hun emoties en hun frustraties. Het gedrag wordt gewelddadig, maar de persoon, die lijdt.

Geen enkele therapie kan worden ingezet voor de persoon de volle verantwoordelijkheid opneemt voor zijn acties en reacties en ermee ophoudt de andere te beschuldigen dat hij ervoor verantwoordelijk is. Waarom is het zo moeilijk te aanvaarden dat er gedeelde verantwoordelijkheid is van de echtgenoten in het opzetten van een situatie die onverbiddelijk leidt naar een emotionele en fysieke explosie? Hoe anders te verklaren dat mannen en vrouwen elkaar altijd weer tegenkomen in gewelddadige relaties?

Elk is verantwoordelijk om geen geweld te plegen en om niet te aanvaarden dat geweld gepleegd wordt tegenover hem of haar.

www.coupleheureux.com

Hoe zou u reageren als..

u een vrouw een man een oorveeg zag geven?

… als u een man en een vrouw zou zien die bezig zijn elkaar te slaan?

… een mannelijke vriend u zou zeggen dat diens vrouw hem slaat?

… een koppel vecht in het appartement naast u?

… een politieman een man arresteert terwijl de vrouw de aanvalster is?

… uzelf een man is die door zijn vrouw geslagen wordt?



Vertaling uit het Frans Ghislain Duchâteau 11-12-2008.  

 


Franse versie - Version Française

La violence conjugale

Aborder le thème de la violence conjugale est extrêmement délicat, car cela soulève de fortes réactions émotives, réactions qui nous empêchent souvent de voir la vraie réalité. Ces réactions sont fortement influencées par le préjugé de «l’homme violent, la femme victime» et de l’impensable social: «l’homme victime, la femme violente».

Par Yvon Dallaire, psychologue - Collaboration spéciale

© Journal de Montréal – Photo d’Archives

Comprenons-nous bien: il n’est pas question de minimiser la violence faite aux femmes: il n’y aurait qu’une seule personne (femme, homme ou enfant) battue au Québec que ce serait déjà une personne de trop. Mon objectif: mieux comprendre ce qui est en jeu dans la violence conjugale pour mieux intervenir.

La réalité statistique

Si on se base sur les rapports de police, il y aurait de douze à quinze femmes battues pour un homme. Ces rapports sont véridiques, mais… partiels. Les hommes ne vont pas à la police ou ne consultent pas pour violence conjugale: ils craignent, avec raison, de ne pas être crus, d’être tournés en ridicule ou d’être accusés d’avoir provoqué cette violence. Pourtant, ils le devraient.

Des dizaines de recherches démontrent une autre réalité de la violence conjugale: il y aurait presque autant d’hommes battus physiquement que de femmes. Une étude faite par l’Institut de la statistique du Québec conclut que «la violence du conjoint ou d’un ex-conjoint atteint un homme sur 24 et une femme sur 19».

Autre statistique encore plus surprenante rapportée par la Gazette des Femmes (nov.-déc. 2005, p. 27): «D’après Statistique Canada, le taux de violence conjugale chez les homosexuelles est le double de celui déclaré par les hérérosexuelles (15 % contre 7 %)». Karol O’Brien, cofondatrice du Groupe d’intervention en violence conjugale chez les lesbiennes de Montréal, estime plutôt ce taux à 22 ou 24 %.

Nous sommes loin de l’homme toujours bourreau et de la femme toujours victime qui ne devient violente que par légitime défense. La réalité est que, dans 50 à 70 % des couples violents, les deux le sont. Et dans les cas où un seul émet de la violence, c’est autant ou presque le fait des femmes que des hommes.

De l’amour à la haine

L’important n’est pas de savoir qui est le plus violent, mais plutôt de comprendre comment deux êtres qui s’aimaient en arrivent à se taper dessus. Au-delà d’une certaine lutte normale pour le pouvoir entre deux partenaires, la violence conjugale est en fait la conséquence d’une dynamique action-réaction dans laquelle la réponse de l’un des partenaires au comportement de l’autre entraîne des réponses de plus en plus inappropriées.

Cette escalade, ou schismogenèse complémentaire, se produit parce que les hommes et les femmes ont des sensibilités différentes, parce qu’ils n’ont pas développé certaines habiletés relationnelles (empathie, ouverture, communication…) et parce qu’ils rendent les autres responsables de leurs besoins, de leurs émotions et de leurs frustrations. Le comportement est violent, mais la personne, elle, est souffrante.

Aucune thérapie ne peut débuter avant que la personne ne prenne l’entière responsabilité de ses actions et réactions, et cesse d’accuser l’autre d’en être responsable. Pourquoi, lorsqu’il s’agit de violence conjugale, est-ce si difficile d’accepter une coresponsabilité des conjoints dans la construction d’une situation qui mène inexorablement à l’explosion émotive et physique? Comment expliquer autrement que des hommes et des femmes se retrouvent toujours dans des relations violentes?

Chacun est responsable de ne pas émettre de violence et de ne pas accepter que de la violence soit émise à son endroit.

www.coupleheureux.com

 

Comment réagiriez-vous si…


… En public vous voyiez une femme gifler un homme?

… Vous aperceviez un homme et une femme en train de se battre?

… Un ami homme vous disait que sa femme le bat?

… Un couple se battait dans l’appartement d’à côté?

… Un policier arrêtait l’homme alors que c’est la femme l’agresseur?

… Vous étiez un homme battu par votre femme?

Bron | Source:

ELLE ET LUI 8-12-2008


 
Omhoog
 

Folder over huiselijk geweld

02/02/08



In Nederland verscheen zopas een folder over huiselijk geweld. Hij is bestemd voor ouders en ook voor Vlaamse ouders interessant. Hij is kosteloos te downloaden.



Samenvatting: De impact van huiselijk geweld op kinderen is veel groter dan gedacht. Ouders kunnen in deze gratis folder lezen wat de gevolgen van huiselijk geweld voor kinderen zijn en hoe zij hulp kunnen bieden en zoeken. De folder is gratis te downloaden en kan op papier besteld worden tegen verzendkosten via www.movisie.nl.

Geweld in huis raakt kinderen : informatie en advies voor ouders / B. Vissers; T. van Harten, MOVISIE. - Utrecht, 2007

PdfVolledige publicatie (PDF-bestand - 154 kB)

Bron: Nederlands Jeugdinstituut

Vlaamse ouders die hulp bij huiselijk geweld, ook intrafamiliaal geweld genoemd, wensen kunnen zich richten tot de Vertrouwenscentra Kindermishandeling en/of tot een Centrum voor Algemeen welzijnswerk (CAW). De hulpvraag wordt in alle discretie behandeld.

 
Omhoog
 

In 2007 baanden we de weg voor een hervorming op de wetgeving tegen huiselijk geweld -
Bericht uit de V.S. vanwege Radar* 2-1-2008

Nederlands:

In 2007 gingen campagnes rond huiselijk geweld door met valse beschuldigingen aan te moedigen, gezinnen te ondermijnen, kinderen in eenoudergezinnen te duwen, de burgerrechten te miskennen van vals beschuldigden en mannelijke slachtoffers te discrimineren.

En zoals het speciale rapport van RADAR "Why Have Domestic Violence Programs Failed to Stop Partner Abuse?" (Waarom campagnes tegen huiselijk geweld er niet in slaagden partnergeweld te stoppen?) aantoont, zijn die campagnes opvallend ineffectief geweest de cijfers inzake huiselijk geweld te verminderen - en in een aantal gevallen hebben ze slachtoffers blootgesteld aan een groter risico voor geweld.

Als antwoord daarop zijn RADAR en de VAWA**Reform Coalitie verder gegaan met te strijden voor een wetswijziging. Hoogtepunten van die strijd in het voorbije jaar vind je hieronder. (Klik op de koppelingen).

2007 was nog maar een begin van de actie van RADAR

Tijdens de presidentiële campagne in 2008 in de V.S. moeten de kandidaten van iedereen horen dat een hervorming van de wetgeving op het huiselijk geweld noodzakelijk is - in het bijzonder moeten ze de agenda van de VAWA-hervorming kennen.

Engels:

In 2007 domestic violence programs around the country continued to encourage false allegations, undermine families, force children into single-parent households, ignore the civil rights of the falsely accused, and discriminate against male victims.

And as RADAR's Special Report "Why Have Domestic Violence Programs Failed to Stop Partner Abuse?" reveals, these programs have been flatly ineffective in reducing abuse rates – and in some cases placed victims at greater risk of violence.

In response RADAR and the VAWA* Reform Coalition continued to make the case for reform. Highlights of the year included:

  1. Expansion of the VAWA Reform Coalition to about 90 organizations in 32 states: http://www.mediaradar.org/docs/VAWA-Reform-Coalition-Declaration.pdf
  2. Sponsorship of 5 high-profile campaigns:
  3. Extensive media activities:
  4. Release or updating of 6 Special Reports that document the problems: http://www.mediaradar.org/radar_special_reports.php
    • Has VAWA Delivered on its Promises to Women?
    • A Culture of False Allegations: How VAWA Harms Families and Children
    • Why Have Domestic Violence Programs Failed to Stop Partner Abuse?
    • Education for Injustice
    • Justice Denied: Arrest Policies for Domestic Violence (update)
    • VAWA Programs Discriminate Against Male Victims (update)
  5. Release of the Agenda for VAWA Reform: http://www.mediaradar.org/docs/RADARdocument-Agenda-for-VAWA-Reform.pdf
  6. Freedom of Information Act request revealing a widescale lack of services for male victims: http://www.mediaradar.org/ovw_foia_data.php
  7. Major expansion of information on the RADAR website
  8. Sustained lobbying presence on Capitol Hill

But 2007 was just the beginning.

2008 is a presidential election year and the candidates need to hear from everyone about the necessity to reform domestic violence laws - they especially need to know about the Agenda for VAWA Reform: http://www.mediaradar.org/docs/RADARdocument-Agenda-for-VAWA-Reform.pdf

Get involved in the critical effort to protect families and children. We will make a difference in 2008.

____________

* R.A.D.A.R. – Respecting Accuracy in Domestic Abuse Reporting – is a non-profit, non-partisan organization of men and women working to improve the effectiveness of our nation's approach to solving domestic violence. http://www.mediaradar.org.

R.A.D.A.R. - Respecting Accuracy in Domestic Abuse Reporting - is een organisatie zonder winstoogmerk en niet partijgebonden van mannen en vrouwen die zich beijveren voor een verbetering van de doeltreffendheid van de benadering door de Amerikaanse natie van de aanpak van huiselijk geweld. Hun website http://www.mediaradar.org

** VAWA Violence Against Women Act:
http://en.wikipedia.org/wiki/Violence_Against_Women_Act  

 
Omhoog
 

Mannen agressief? Kijk ook eens naar vrouwen - Wim Orbons

In Nederland is nog nooit onderzoek gedaan naar kindermishandeling

De dader was in veel gevallen een gescheiden moeder

Overheidsambtenaren, geholpen door cultureel correcte organisaties als SIRE, zien de man als te bot of te machtsbelust om in te schikken. Daarmee wordt de werkelijkheid geweld aan gedaan

Wim Orbons

Gezondheidseconoom en voormalig bestuurder van zorgorganisaties

De spotjes die de Stichting Ideële Reclame (SIRE) uitzendt over huiselijk geweld suggereren dat vaders daar steeds de daders van zijn. Maar is dit wel juist? Het is niet de eerste keer dat SIRE (en ook overheidscampagnes, zie kader) het beeld uitdraagt van de man als bruut. Dat was ook het geval in de tv- en radiocampagne ‘Kort lontje’ (2006), waarin alleen mannen worden neergezet als in drift exploderende botteriken. 
Recent startte SIRE een campagne tegen verwaarlozing, mishandeling en misbruik van kinderen. Een goede zaak. Alleen wordt onzorgvuldig met de cijfers omgesprongen, en wordt in drie van de vier radiospotjes gesuggereerd dat de vader (of oom) de dader is van huiselijk en seksueel geweld en wordt de grootste oorzaak van armoede, kindermishandeling, verwaarlozing en misbruik, miskend, althans verzwegen. Die oorzaak is (echt)scheidingen.
“… en het is zwart …” zegt een kinderstem op de radio. Hij vervolgt: “Het is de zwarte zonnebril die mama draagt, zodat niemand kan zien dat pappa haar weer geslagen heeft.” Als gezegd wordt met de spotjes gesuggereerd dat pappa steeds de dader is van huiselijk geweld. Maar dat is volgens veel onderzoeken onjuist. Volgens de Californische hoogleraar psychologie Martin Fiebert blijkt uit 196 wetenschappelijke studies dat ongeveer evenveel mannen en vrouwen dader én slachtoffer zijn van partnergeweld (Google: Fiebert violence, zie ook www.huiselijkgeweld.info).
Naast deze suggestieve spotjes worden op de website van SIRE ook onjuiste cijfers genoemd en worden schattingen over kindermishandeling op basis van één buitenlands onderzoek tot feiten verheven. Dat geeft niet alleen een vertekend beeld, maar draagt ook niet bij tot een oplossing van het probleem.
SIRE vraagt aandacht voor de ‘honderdduizenden’ slachtoffers per jaar. De spotjes worden afgesloten met: ‘Wanneer openen we onze ogen?’ Die vraag geldt ook voor SIRE. Volgens de stichting is sprake van 80.000 kinderen die worden mishandeld (fysiek, psychisch, emotioneel en verwaarlozing) en groeien daarnaast 450.000 kinderen op in armoede. Dit geeft een vertekend beeld. In de eerste plaats omdat onder de 450.000 kinderen zich ook een groot aantal kinderen bevindt dat al bij de cijfers van de kindermishandeling is meegeteld. In de tweede plaats is het getal van 80.000 een schatting op basis van een onderzoek in de VS dat geëxtrapoleerd is naar de Nederlandse situatie. Kindermishandeling moeten we niet bagatelliseren, maar een vergelijking tussen de VS (met een andere cultuur en veel sloppenwijken) en Nederland is wetenschappelijk onverantwoord. In Nederland is nog nooit onderzoek gedaan naar kindermishandeling. Voormalig staatssecretaris Ross-van Dorp heeft opdracht gegeven voor een onderzoek naar kindermishandeling, maar daarvan zijn de resultaten nog niet bekend. 
Uit onderzoek naar partnergeweld blijkt dat dit veel minder voorkomt dan de media, de overheid en SIRE ons willen doen geloven. De onderzoekers dr. Karin Wittebrood en dr. Vic Veldheer van het Sociaal Cultureel Planbureau meldden in 2005 op basis van twee Intomart-onderzoeken in opdracht van het ministerie van Justitie, dat in de vijf jaar voorafgaand aan deze onderzoeken ‘slechts’ 3,9 procent van de Nederlandse bevolking te maken heeft gehad met partnergeweld. Volgens hen werd bijna 60 procent van het huiselijk geweld gepleegd door niet-familieleden. Geweld tussen (ex-)partners vormt ‘slechts’ een kwart van het huiselijk geweld waarvan de Nederlandse bevolking melding maakt.
Ook uit de aangiften bij politie en de behandelingen bij de Eerste Hulp van ziekenhuizen blijkt dat partnergeweld veel minder voorkomt dan de media ons telkens weer voorspiegelen. De politie registreerde 57.000 incidenten in 2005. In ‘slechts’ 40 procent van de gevallen werd ook aangifte gedaan: 22.800. Hoeveel van die aangiften ook daadwerkelijk tot een veroordeling hebben geleid is niet bekend.
Bij de ziekenhuizen melden zich voor behandeling volgens het Letsel Informatie Systeem (LIS) ongeveer evenveel mannelijke als vrouwelijke slachtoffers van geweld ‘in en om huis’: circa 9500 slachtoffers in totaal per jaar. Opvallend is dat twee derde van de ‘aangeefsters’ bij de politie niet de Eerste Hulp consulteert, en dat slechts een kleine groep van de mannelijke slachtoffers van de Eerste Hulp aangifte bij de politie doet. Waarschijnlijk is dat omdat de mannelijke slachtoffers zich schamen en omdat aangiften bij de politie vooral na (echt)scheiding vaak onjuist zijn (rechtspsychologen, zoals W.A. Wagenaar, spreken over een percentage van minstens 50 procent), maar waarschijnlijk ook omdat bij de instanties hetzelfde vooroordeel bestaat als in de hoofdstroom van de samenleving, namelijk dat bijna altijd vrouwen slachtoffer zijn van huiselijk geweld en mannen de dader. Waar komt dat onuitroeibare geloof in de vrouw als beter mens toch vandaan? Het is net zo idioot als het geloof in de vrouw als minderwaardig wezen.

Volgens SIRE sterft minstens een kind per week aan de gevolgen van verwaarlozing en mishandeling. Dit lijkt helaas een reële schatting. Tijdens de themaweek ‘Geheim Geweld’ bleek uit een uitzending van Zembla dat er tientallen gevallen per jaar van kindermishandeling en verwaarlozing zijn met de dood als gevolg. De dader was in veel gevallen een gescheiden moeder. Kindermishandeling, kinderverwaarlozing en infanticide (het doden van pasgeboren kinderen) komen veel vaker voor in stiefgezinnen en in eenoudergezinnen dan in intacte gezinnen. De kans dat een kind wordt vermoord is volgens enkele onderzoeken tientallen malen groter in een stiefgezin (en een eenoudergezin) dan in een intact gezin. Niet de pedagogische tik waarover zo uitvoerig is gedebatteerd, maar scheiding – volgens het CBS 110.000 per jaar waar bijna 60.000 kinderen bij zijn betrokken – en het isolement van kinderen na scheiding met hun vader, gecombineerd met drank- en drugsgebruik, leiden per jaar in tienduizenden gevallen tot kindermishandeling en in tientallen gevallen tot kindermoord. Rowena, Savanna, Damaris en Daniël uit Tolbert, het Maasmeisje Gessica en Metehan uit Apeldoorn zijn daar bekende voorbeelden van. Kortom, er is alle reden om zorg te hebben over wat er met onze jeugd gebeurt, maar dan moeten we ons wel baseren op gedegen wetenschappelijk onderzoek en niet op populaire clichés.
Overheidsambtenaren, geholpen door cultureel correcte organisaties als SIRE, verspreiden de laatste twintig jaar niet alleen de gelijkheidsboodschap (voor alle sectoren, op alle niveaus, inclusief het huishouden), maar voeden de man ook op in de richting van meer vrouwelijkheid. Als de seksen niet gelijk zijn (zoals de dagelijkse werkelijkheid voortdurend laat zien), dan komt dat doordat mannen te bot of te machtsbelust zijn om in te schikken. Hun agressie moet worden ingetoomd. De vrouwelijke manier van doen is langzamerhand de norm geworden. 

Kader
De beeldvorming in overheids- en SIRE-campagnes is vals.

De Nederlandse overheid en SIRE lijken zich steeds meer tot taak te rekenen om een negatief beeld van de man neer te zetten. Het gaat vooral om beeldvorming via folders, affiches, billboards, radio- en tv-spotjes. De ene overheidscampagne is nauwelijks voorbij of de volgende gaat al van start. In de afgelopen vijftien jaar kreeg de Nederlandse burger te maken met de volgende campagnes:

• ‘Seks is natuurlijk, maar nooit vanzelfsprekend’ (1991) van de ministeries van Justitie, Onderwijs en Wetenschappen, Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur. Thema: de man als oversekste botterik; terwijl een onschuldig ogend vrouwtje de thee binnenbrengt, staat de gnuiverd al met de broek op zijn schoenen.

• ‘Een veilig land waar vrouwen willen wonen’ (circa 1997) van het ministerie van Justitie naar aanleiding van het Intomart-onderzoek naar huiselijk geweld. Dit onderzoek komt tot de conclusie dat er globaal evenveel mannelijke als vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld zijn. Het is gepubliceerd in het rapport ‘Huiselijk geweld’, waarin paginagrote foto’s van een verbeten ranselende man en een met twee kleuters aan de handen vertrekkende vrouw.

• ‘Wie is toch die man die zondags het vlees komt snijden?’ (circa 1997) van SIRE. Over de man die te weinig thuis is. En die, als hij in de campagne wat terug had mogen zeggen, misschien wel had geantwoord: “Vaak de man wiens vrouw hem alleen accepteert als hij door overwerk een hoog inkomen inbrengt.” Deze stelling werd in een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau (‘Hoe het werkt met kinderen’) bevestigd: in bijna alle onderzochte gezinnen werken de vaders fulltime (en de moeders parttime). En die taakverdeling sluit volgens de onderzoekers aan bij de wensen van de moeders.

• ‘Wie doet wat?’ (2002-2003) van het ministerie van Sociale Zaken (Directie Coördinatie Emancipatiezaken). Zou minstens een miljoen euro hebben gekost. Onder andere televisiefilmpjes met man als autist: een sloofje van een vrouw wordt gek van een paar onmogelijke kinderen, terwijl pa onbewogen met zijn rug naar het gezin achter de computer blijft zitten of wat in zijn auto gaat rondrijden met een vriend.

• ‘Mannen worden er beter van en vrouwen ook’ (2003) van het ministerie van Sociale Zaken (Directie Coördinatie Emancipatiezaken). Over de lage participatie van vrouwen in het beroepsleven, die werd voorgesteld als veroorzaakt door de onwil van mannen om mee te doen in het huishouden. Mannen moeten dus thuis vaker de handen uit de mouwen steken.

• De 46 regeringsleiders van de Raad van Europa besloten in 2005 tot een campagne. De poster toont een verkreukelde afbeelding van een vrouw, met de slogan: ‘Het begint met schreeuwen. Maar mag nooit eindigen in stilte.’ Op een Europees seminar (2007) spraken ‘deskundigen’ over wat te doen tegen huiselijk geweld dat bijna gelijk wordt gesteld met ‘man slaat vrouw’. 

• ‘Huiselijk geweld is niet normaal’ (2005-2006) van het ministerie van Justitie. Man zit met een voet op tafel, vrouw naast hem heeft zojuist een oplawaai gekregen. Dat is inderdaad niet normaal. Toch zijn niet alleen mannen plegers van huiselijk geweld. Ook vrouwen zijn gewelddadig, zowel tegen hun mannen als tegen hun kinderen.

• ‘Kort lontje’ (2006), tv- en radiocampagne van SIRE, waarin alleen mannen worden neergezet als in drift exploderende botteriken.

• ‘Ik zie, ik zie wat jij niet ziet’ (2006-2007), radiospotjes van SIRE waarin mensen worden opgeroepen om in hun omgeving beter te letten op huiselijk en seksueel geweld tegen vrouwen en kindermishandeling en dit vervolgens bij de autoriteiten aan te geven. Met wederom mannen in de rol van dader, als het om geweld en misbruik gaat. (WO)  

NRC Handelsblad, Opinie & Debat, zaterdag 14 april 2007
(Toegezonden door de auteur Wim Orbons)

 
Omhoog
 

Kerstmis, een tijd van spanning en geweld in gezinnen -
Christmas, a time of tension and violence

Nederlandse versie

Districtsrechter Stephen Gerlis

Stephen Gerlis is districtsrechter aan de rechtbank Barnet County Court - Verenigde Staten

 

In de Verenigde Staten is het Kerstfeest een dag waarop gezinnen zich aan tafel rond de kalkoen en de pompoentaart scharen in een viering van dat waarvoor zij dankbaar moeten zijn gedurende het voorbije jaar. Gezinnen reizen soms over lange afstanden om gelukkig te zijn in de gloed van het huiselijk samenzijn. Het is een hoogtepunt van huiselijk geweld.

In deze Kerstvakantie in dit land bereiken de huiselijke twisten dikwijls een toppunt. Voor de meeste gezinnen is de feestperiode juist dat, maar bij falende en gefaalde relaties  met het uitzicht op een periode die de verwachting oproept een vreugdevolle tijd te zijn, slaat dat om in loutere spanning. Elke januari mondt dat uit bij de rechtbanken in een vloed van verzoeken om gerechtelijke uitspraken ten gevolge van huiselijk geweld.

Zowel alcoholgebruik als gedwongen afzondering met het gezin spelen een grote rol  in een periode dat de sfeer al erg geladen is. Het is moeilijk vrolijk te zijn als er al zwarte wolken aan de horzon staan. Geld wordt uitgegeven op het ogenblik dat er niet genoeg is; tijd om zich te bezinnen kan leiden tot de bedenking dat niet alles zo goed is als het doorgaans was.

Het is voor de rechtbanken duidelijk dat voor Kerstmis sommige breuken aan het daglicht komen. Dat is speciaal van toepassing wanneer de partijen al gescheiden zijn en de vraag naar het contact met de kinderen de lelijke kop opsteekt. December is de maand van het Kerstcontact wanneer partijen die onbekwaam of onwillig zijn hun zaken zelf te regelen naar hun plaatselijke familierechtbank rennen en dat dikwijls op het laatste ogenblik, om de aangelegenheid voor hen te laten regelen. Dat zijn nooit gemakkelijke zaken om af te handelen. De billijkste manier zou zijn regelingen te hebben die elk jaar wisselen – dit jaar bijvoorbeeld mag je de kinderen op Kerstmis bij je hebben, volgend jaar enkel op tweede kerstdag.

Toch is het bereiken van een soort onderhandelde regeling tussen strijdende koppels bijna onmogelijk. Ik ken op zijn minst één rechter die feitelijk een muntstuk opgooit om over de wisselende regelingen te beslissen. Een moeder die standvastig elk jaar weigerde haar ex-man  contact te laten hebben met zijn kinderen op Kerstdagmorgen, zei dat ze alleen zou toegeven “op het ogenblik dat de kinderen niet meer in de Kerstman zouden geloven”.

Dan is er die ouder die het kind op Kerstmis mee naar het buitenland wou nemen en de ander die beweerde dat zij nooit meer zouden terugkeren; de ex-echtgenote die niet wilde dat de kinderen bij “zijn moeder” zouden verblijven of de ex-echtgenoot die “haar vriend” niet in de buurt wilde in de vakantieperiode als de kinderen bij haar verbleven. Zoals ik zei: het is een drukke, frustrerende en onvermijdelijke periode in het jaar.

Welke ook uw regelingen zijn, waar u ook naartoe gaat, waar u ook in gelooft, ik wens u een gelukkig, vredevol en procedurevrij Nieuwjaar.

 
(Vertaling uit het Engels in het Nederlands Ghislain Duchâteau)

English version

District Judge Stephen Gerlis

In the US, Thanksgiving is a day for families to settle round the turkey and pumpkin pie in a celebration of what they have to be grateful for during the past year. Families often travel large distances to luxuriate in the glow of domestic togetherness. It is also a peak time for domestic violence.

In this country, it is over the Christmas holiday period that domestic disputes often come to a head. For most families the festive season is exactly that, but for failing or failed relationships the expectation provided by an occasion that is supposed to be joyful merely exacerbates tension. As a result, the family courts tend to see a surge in requests for injunctions as a result of domestic violence every January.

Alcohol consumption plays a large part, as does enforced sequestration with the family at a time when the atmosphere is already charged. It is hard to be merry when there are black clouds on the horizon. Money is spent when perhaps there is not enough; time for reflection may lead to a realisation that things are not as good as they used to be.

For the courts, it is clear before Christmas that some of the cracks are showing. This particularly applies where the parties are already separated and the question of contact with the children rears its ugly head. December is Christmas Contact Month as parties, unable or unwilling to sort matters out for themselves, rush to their local family court, often at the last moment, to make the decision for them. These are never easy matters to deal with. The fairest way would seem to be to have arrangements that alternate with each year – this year you might get the kids on Christmas Day, for example; next year only on Boxing Day.

However, achieving some sort of negotiated arrangement among warring couples is almost impossible. I know of at least one judge who actually tosses a coin to decide the alternate arrangements. One mother, who had steadfastly refused each year to let her ex-husband have contact with the children on Christmas morning, said she would only relent "when the children stop believing in Santa Claus".

Then there is the parent who wishes to take the child abroad for Christmas and the other who claims that they are never coming back; the ex-wife who doesn’t want the kids to stay with "his mother" or the ex-husband who doesn’t want "her boyfriend" around over the holiday period while she has the kids. As I said: a busy, frustrating and often avoidable time of year.

Whatever your arrangements, wherever you are going, whatever you believe in, I wish you a happy, peaceful and litigation-free New Year.

Law Comment - Times Online - December 22, 2006.

 
Omhoog

Reactie uit Canada van deskundigen op de desinformatie over huiselijk geweld 3 nov. 2006

RADAR Canada Statement Nov 2006-11-03
Group Opposes False Family-Violence Stereotyping and Statistics

Because November is widely designated as Domestic Violence Awareness Month, we wish to announce to readers of this newspaper the recent formation of a group of academics and professionals with an alternative vision on this issue, and to present some reasons why we feel it is essential for us to speak out.

RADAR-Canada ("Respecting Accuracy in Domestic Abuse Reporting") is a Canadian organization, informally linked to similar ones in other countries, that has been formed to present important facts to government and the media regarding abuse in the family. Our members have spent years in scientific research or other professional involvement with this s erious societal problem. 

 Even though research has established fundamental facts on this subject, publicity and policy have for years been driven, and are still being driven by stereotypes and by ideologically biased information. Instead of the facts, the public is constantly presented with the stereotype that only men are violent in the family; women and children are victims. The consequences of this view are very serious for individuals and for society as a whole; it must not be allowed to continue.

In fact, the data say this; in a national sample in Canada that 94% of men and 93% of women report no repeat abuse victimization by their partners. Of those who do report it, 33% of the men and 66% of the women are injured. Since 1984, federal and provincial governments have implemented over 1000 studies on the incidence and effects of women’s victimization. For men, not one single study has been done. Police, judges and custody assessors are taught to suspect men as the sole source of domestic abuse and risk to children. In fact, women are a greater risk for physical abuse to children than are men. Abusiveness is caused more by someone having a personality disorder than by their gender.

With an exclusive focus on male to female heterosexual violence, other important sources of domestic violence are ignored, including female violence to men, violence toward children and violence in gay relationships.

There is substantial research evidence for these claims and we will be publicly pressing for its recognition over time. The point here is that such facts have been ignored or suppressed for the past 20+ years in Canada. For the sake of scientific, professional and media ethics and for the sake of better stopping family violence, a more honest and accurate set of statistics must be disclosed.

Readers will naturally have doubts. "How could there be so much public misinformation, if there is as much research knowledge as you say?" In a word, the answer is the massive power of ideology over human thinking and behaviour. Despite the last 40 years of consciousness-raising with regard to sexist and racist values and stereotyping, large numbers of people still believe it is all right to stereotype  men as a gender. They generally see it as a part of supporting women to do so, and denounce as anti-woman those who simply want to tell the truth about both genders. And many others knuckle under to their biases to avoid being tarred with that label.
At any given time, examples of this ideology at work can be plucked from the news.
A police chief in London, Ontario declares that “95% of abusers are male”. This is simply not true, not even close to being true. Recently the Queen of Sweden was widely quoted for asking a conference on violence against women not to forget violence against children. Even though children are much more vulnerable, far more attention has for years been paid to women victims. When children are mentioned, it is usually just by using the phrase ‘women and children”.

Among the other consequences we will be calling attention to is the clear statistical evidence of pervasive anti-male bias throughout the justice system. Decisions by custody assessors, police officers and judges should not be based on gender stereotyping any more than racial profiling should influence their decisions.

We welcome contact from readers who want to know more. e-mail us at radar_ca@telus.net

Donald Dutton, Professor of Psychology, University of British Columbia
Kim Bartholomew, Associate Professor of Psychology, Simon Fraser University
Eugen Lupri, Professor Emeritus of Sociology, University of Calgary
Reena Sommer, PhD in Psychology (University of Manitoba), family counsellor
Grant Brown, DPhil (Oxford), LLB (University of Alberta), family law practitioner-
 and numerous others

 

 
Omhoog

Vrouwen zijn gewelddadiger art. prof.dr. René Diekstra


Door René Diekstra

Zaterdag 13 augustus 2005


Sinds enige tijd loopt er in ons land (= Nederland) een campagne tegen huiselijk geweld met als slogan 'Huiselijk geweld is niet normaal'. Tegen zo'n boodschap kun je moeilijk bezwaar maken. Waar je wel bezwaar tegen kunt maken, sterker nog wat ronduit schandelijk is aan die campagne, is dat er uitdrukkelijk de boodschap van uitgaat dat huiselijk geweld uitsluitend het werk van mannen is. Op de posters van de campagne, die ik de laatste weken niet ver van mijn huis op billboards tegenkom, is de agressieveling steevast een man. Afgebeeld met een woedend of dreigend gezicht en zijn handen in de aanslag. Omdat ik niet wist of de posters in mijn buurt alle posters van de campagne zijn, ben ik op onderzoek uitgegaan. Ik ben half Leiden en omstreken afgereden en vond in totaal zes verschillende. Ga er even voor zitten. Op vijf van de zes posters is de agressor inderdaad een man. De ene uitzondering is een poster waarop een vrouw achter haar bejaarde moeder staat met daarbij de tekst 'Mijn moeder haalt het bloed onder m'n nagels vandaan'. Maar ze kijkt daar niet agressief of dreigend bij, hoogstens verdrietig-teleurgesteld. Er komt, kortom, geen enkel dreigend of agressief vrouwengezicht op de posters voor. Helemaal in lijn daarmee zijn alle afgebeelde slachtoffers ofwel vrouw ofwel kind. Weer met één uitzondering. Maar de man die op die poster als slachtoffer wordt uitgebeeld, wordt aangevallen door een andere man.

De boodschap die de campagne er bij de Nederlanders in probeert te rammen, is helder: vrouwen zijn niet agressief of gewelddadig, ze zijn hoogstens teleurgesteld of verdrietig. Het zijn mannen die zich niet normaal gedragen, meestal tegen vrouwen en kinderen en soms tegen andere mannen. Ik ben ook nagegaan hoelang die campagne al loopt. Tot mijn verbijstering blijkt die al bijna twee jaar aan de gang te zijn, zij het dat er voorloper-gemeentes zijn, dat wil zeggen gemeentes die er als een soort van pilot aan begonnen zijn en dat andere gemeentes er pas vorig jaar of dit jaar mee aan de slag zijn gegaan. Maar al twee jaar aan de gang en nog nooit heeft iemand bezwaar gemaakt tegen de misleidende en schadelijke suggestie die ervan gaat! Dat valt alleen maar te verklaren als de meeste Nederlanders, onder wie de minister van Justitie die de campagne steunt en meefinanciert, onder hetzelfde vooroordeel gebukt gaan: dat huiselijk geweld bijna altijd een mannenprobleem is. Want het is een vooroordeel. Uit tientallen onderzoeken, gepubliceerd in gezaghebbende wetenschappelijke tijdschriften, blijkt dat vrouwen in intieme relaties minstens even gewelddadig zijn dan mannen. Hoewel vrouwen uiteindelijk vaker (maar lang niet altijd) de hardste klappen krijgen, zijn zij minstens zo vaak degenen die met geweld beginnen als mannen. Uit de onderzoeken blijkt ook dat vrouwen vaker wapens gebruiken dan mannen. Ze gooien ook vaker met dingen, schoppen en bijten vaker en slaan vaker met voorwerpen dan mannen. Verder blijkt ook de bewering dat vrouwen alleen geweld gebruiken uit zelfverdediging niet te kloppen. In feite blijkt dat een van de minder belangrijke redenen. Vaker gebruiken vrouwen geweld om aan een ruzie een eind te maken, om een bepaald punt kracht bij te zetten of als reactie op een crisis in relatie of gezin. Een probleem is dat mannen zelden aangifte doen van geweld door een vrouw. Uit een onderzoek in Groot-Brittannië enige jaren geleden, bleek dat 14 procent van de door hun vrouwen mishandelde mannen zo erg waren toegetakeld dat ze in een ziekenhuis belandden. Maar geen van die mannen was bereid aangifte te doen. Ik heb inmiddels besloten wel aangifte te doen: tegen een overheidscampagne die schadelijke en schandelijke onjuistheden verspreidt.

René Diekstra


Prof. dr. René Diekstra is ongetwijfeld een van de meest productieve en meest besproken psychologen binnen en buiten Nederland. Hij is productief als wetenschapper, organisatie-adviseur en trainer, publiciteitscolumnist, praktiserend psycholoog en psychotherapeut. Hij is vaste columnist van een aantal dagbladen en van het maandblad “Gezondheidsnieuws”

Rotterdams Dagblad

 

Omhoog

Definitie partnergeweld goedgekeurd


De federale ministers en hun collega's van de gemeenschappen en de gewesten hebben een gelijkvormige definitie van partnergeweld goedgekeurd. Die definitie zal voortaan het referentiekader bepalen van alle Belgische overheden op alle niveaus inzake partnergeweld.

Domineren

De gemeenschappelijke tekst die groen licht kreeg, benadrukt de globale dimensie van partnergeweld.

"Geweld in intieme relaties is een geheel van gedragingen, handelingen en houdingen van één van de partners of ex-partners die erop gericht zijn de andere te controleren en te domineren. Het omvat fysieke, psychische, seksuele en economische agressie, bedreigingen of geweldplegingen die zich herhalen of kunnen herhalen en die de integriteit van de ander en zelfs zijn socio-professionele integratie aantasten", luidt het. "Dit geweld treft niet alleen het slachtoffer, maar ook de andere familieleden, waaronder de kinderen. Het is een vorm van intrafamiliaal geweld. Meestal zijn de daders van dit geweld mannen en de slachtoffers vrouwen. Geweld in intieme relaties in de privé-sfeer is een uiting van de ongelijke machtsverhoudingen die in onze samenleving nog steeds bestaan tussen vrouwen en mannen", gaat de tekst voort.

Omvang fenomeen achterhalen

De definitie is volgens de bevoegde minister noodzakelijk om de omvang van het fenomeen in ons land te kennen en zo een coherente en gecoördineerde actie op touw te kunnen zetten om partnergeweld te bestrijden. Daarom zal ze in de komende weken en maanden verspreid worden door het Instituut voor de Gelijkheid van Vrouwen en Mannen. Daarnaast werd een gezamenlijk actieplan met betrekking tot partnergeweld goedgekeurd. Bedoeling is om een opvolgingsinstrument te creëren waarbij zowel de betrokken administraties als de verenigingen voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de verenigingen die werken rond partnergeweld betrokken zijn.

Commentaar vanwege Goudi:

De definitie van familiaal geweld begint genderneutraal. Maar daarna stelt ze dat de daders van dat geweld meestal mannen zijn en dat vrouwen het slachtoffer zijn. Hoe kan een minister of een ministeriële overheid iets dergelijks beweren, als meer dan honderd wetenschappelijke studies aantonen dat er ongeveer evenveel geweld door vrouwen wordt gepleegd op mannen als dat er geweld van mannen wordt gepleegd op vrouwen? Met kracht protesteren wij tegen een dergelijke eenzijdige voorstelling van de werkelijkheid. (Zie voor de wetenschappelijke bevindingen de voorlaatste tekst in deze rubriek!)

Ghislain Duchâteau

8-2-2006

Omhoog

Geweld en misbruik in de privé-sfeer: verschillende vormen van psychisch geweld op mannen - Lic. Ellen Goovaerts - thesis VUB 2004-2005

Eindwerk in de Agogische wetenschappen, Sociale agogiek
Student: Ellen Goovaerts
Promotor: Prof. Dr. T. Van Loon
Co-promotor: Prof. Dr. D. Verté
Opdrachtgever: Beweging tegen geweld - vzw Zijn
Academiejaar 2004-2005


Over geweld op mannen zowel psychisch als fysiek geweld is in België nog nauwelijks onderzoek verricht. De studie van Ellen Goovaerts maakt daar een reëel begin mee. Wie benieuwd is naar de bevindingen van Lic. Goovaerts kan hieronder klikken op de koppeling die via het pdf-document directe toegang geeft tot de volledige tekst van deze verhandeling.
We geven hier alvast de inleiding tot de studie. Daarna laten we een lang fragment volgen van het artikel van Inge Ghijs in De Standaard van woensdag 3 augustus 2005 onder de titel"MANNEN DIE MISHANDELD WORDEN DOOR HUN VROUW KUNNEN NERGENS TERECHT Psychisch geweld op mannen: meer dan wat pesten""Inleiding

Uit Belgisch onderzoek blijkt dat 13,4 % vrouwen en 2,3 % mannen ooit ernstig partnergeweld hebben meegemaakt. Vanuit de maatschappij is vrouwenmishandeling al langer aangekaart. Mannenmishandeling is echter lang onbesproken, en zelfs onbespreekbaar geweest.

Een groot deel van de sociale instellingen richten zich enkel op vrouwelijke slachtoffers. Zo kent iedereen de vluchthuizen voor vrouwen. Impliciet heeft het vrouw-tegen-man geweld daardoor een soort van maatschappelijke acceptatie, die niet weggelegd is voor man-tegen-vrouw geweld. De maatschappij lijkt het geweld van een vrouw tegen een man te gedogen. Recent is hierin verandering aan het komen. Er ontstaan initiatieven waarnaar mannelijke slachtoffers zich kunnen richten, onder andere de 'Blijf van mijn lijf - huizen' voor mannen in Nederland.

Deze verhandeling heeft als onderwerp 'psychisch geweld op mannen binnen de intieme sfeer'. Het is een onderwerp dat net uit de taboesfeer komt, dat de maatschappij net begint te onderkennen.

In het eerste deel komt de literatuurstudie aan bod. Naast de definiëring van enkele begrippen en het overzicht van de gevoerde onderzoeken, gaan we het onderwerp benaderen vanuit drie invalshoeken, meer bepaald vanuit de gezondheidsbenadering, de morele benadering en de legale benadering. Tot slot ronden we dit deel af met enkele kritische opmerkingen over deze literatuurstudie.

In het tweede deel komt het onderzoek in al zijn aspecten aan bod. Ook hier ronden we af met enkele kritische opmerkingen.

In het laatste deel herhalen we de voornaamste bevindingen en formuleren we onze conclusie.

...Goovaerts interviewde zes slachtoffers en onderzocht 107 gerechtelijke dossiers die te maken hadden met stalking, hoederechtproblemen en bedreigingen. In 62 dossiers was sprake van psychisch geweld. ...,,Het gaat niet om één afzonderlijk feit, maar om een opeenstapeling van feiten, uitspraken, vernederingen'', zegt Goovaerts. ,,Als de mannen die ik gesproken heb, terugkijken op hun huwelijk, dan stellen ze vast dat het psychisch geweld er vanaf het begin was, alleen herkenden ze dat toen niet als zodanig. Zo was er een man die vertelde dat zijn vrouw al tijdens de eerste huwelijksdag huilde om haar moeder en op huwelijksreis elke dag naar haar moeder belde.'' Goovaerts voerde haar onderzoek uit op vraag van de Beweging tegen Geweld-vzw Zijn. Dat is een organisatie die preventief en duidend optreedt tegen geweld en misbruik binnen elke vertrouwensrelatie, zodat de spiraal die van generatie op generatie wordt doorgegeven, wordt doorbroken.

Goovaerts onderscheidt op basis van haar onderzoek 37 vormen en 5 categorieën van psychisch geweld.

Bedreigingen : vrouwen dreigen met zelfmoord, dat ze de boel kort en klein zullen slaan, of zijn boekje eens zullen opendoen bij zijn baas.
Pesterijen : hem uit het bevolkingsregister laten schrappen, weigeren bij de notaris een document te tekenen, het huis leeghalen.
Stalking : voortdurend sms'jes sturen, telefoneren, hem achtervolgen.
Neerhalen : uitlachen, vernederen, zwart maken, seks weigeren, uitspraken doen zoals: jij bent een nietsnut, je hebt geen geld, om zijn zelfbeeld onderuit te halen.
De kinderen gebruiken :,,Mijn dochter zei me: 'Ik zie je graag',en gaf me een kus. Maar ze vroeg om haar fiets los te laten, want als haar mama ons samen zou zien zou ze niet meer mogen gaan skiën, geen nieuwe kleren en schoenen meer krijgen.'' Uit internationaal onderzoek blijkt dat de meest gewelddadige vrouwen jonger zijn dan 30 jaar. Maar die jonge leeftijd is niet de ervaring van de Beweging tegen Geweld. Uit het onderzoek van Goovaerts blijkt dat de vrouwen ouder zijn: gemiddeld 39,5 jaar. Ze mishandelen hun man omdat ze onrealistische verwachtingen hebben en onrealistische eisen stellen aan mannen. Ze kennen perioden van depressie, angst, frustratie en irritatie. Deze perioden schrijven ze toe aan het gedrag van de man terwijl het in feite hun mentale en emotionele staat is. Behandeling weigeren ze. Uit internationaal onderzoek blijkt dat de helft van alle geweld tegen mannen in de intieme sfeer wordt geassocieerd met vrouwen die een borderline persoonlijkheidsstoornis hebben. Die stoornis wordt gerelateerd met suïcidaal gedrag, stemmingsstoornissen, liegen, seksuele problemen en alcoholmisbruik. Vrouwen die mannen mishandelen, leiden vaak ook aan het Premenstrual Sysphoric Disorder, gekenmerkt door zware depressie, irriteerbaarheid en spanning voor de menstruatie. Goovaerts stelt vast dat er weinig opvangmogelijkheden voor deze mannen zijn. ,,Psychisch geweld is de meest onzichtbare en meest onbesproken vorm van geweld. En mannen als slachtoffer van intrafamiliaal geweld vallen al helemaal uit de boot. Ze kunnen wel terecht bij de vereniging Gescheiden Mannen met Kinderen. Maar verder heb ik geen weet van opvangmogelijkheden, ook niet van zelfhulpgroepen, terwijl er in Nederland wel opvanghuizen voor mannen bestaan, naar het model van opvanghuizen voor vrouwen. Toch pleit ze ervoor dat mishandelde mannen naar buiten zouden komen met hun problemen. ,,Ze moeten weten dat ze niet alleen zijn. Door verder onderzoek zullen de opvangmogelijkheden zeker worden uitgebreid.''


Directe koppeling naar de volledige tekst van de studie


 
Omhoog

La vérité sur les violences conjugales / De waarheid over huiselijke geweldpleging - Elisabeth Badinter in L' Express van 20 juni 2005


Elisabeth Badinter is de Franse filosofe en feministe, die de laatste tijd tegenover het feminisme een controversiële maar betekenisvolle houding is gaan aannemen : zij verdedigt een terugkeer naar de complementariteit van de beide seksen. Dat vinden wij terug in het merkwaardige artikel rond de waarheid over vormen van huiselijk geweld. Heftig reageert zij tegen de eenzijdige campagnes tegen huiselijk geweld van officiële en andere instanties, die steeds de vrouwen als slachtoffers voorstellen van huiselijk geweld met mannen als enige daders daarvan. Wij weten allang dat dit een bewust onjuiste voorstelling is van zaken. Ook de mannen zijn in bijna even sterke mate slachtoffers van huiselijk geweld als de vrouwen. Amerikaanse studies tonen dat overvloedig aan. Badinter treedt dat standpunt bij, gaat er op genuanceerde wijze op in, maar verloochent daarbij toch niet haar feministische overtuiging. Zij pleit voor meer begrip voor het fenomeen en voor een genuanceerde aanpak. Wij kunnen haar als mannen die evenzeer tegen huiselijk geweld zijn en die evenzeer de eenzijdige aanpak aanklagen, grotendeels bijtreden in haar uiteenzetting.

La vérité sur les violences conjugales

Dans les enquêtes et discours sur les violences conjugales, le partage des rôles sonne comme une évidence: les hommes sont coupables et les femmes sont victimes. Un présupposé justifié par les faits, étayé par les statistiques, quand il s'agit des violences physiques, coups, viols, meurtres. Mais, dans la plupart des cas, incantations et travaux mélangent tous les types de violence conjugale, celle des poings et celle des mots. C'est l'addition à laquelle s'est livrée la seule étude sérieuse menée en France sur ce sujet, l' «Enquête nationale sur les violences envers les femmes en France» (Enveff), rendue publique en 2001. De ses conclusions est sorti un «indice global» de la violence conjugale: 10% des femmes s'en déclarent victimes. Ce chiffre effrayant et la terminologie utilisée occultent le fait que les trois quarts de ces «violences» sont des agressions psychologiques - insultes, dénigrement ou harcèlement. Une question se posait: et les hommes, massivement accusés à l'aune de ces agressions psychologiques, ne leur arrive-t-il pas d'en être victimes, eux aussi? Selon l'étude réalisée par l'institut BVA pour L'Express, hommes et femmes se déclarent à peu près également victimes de cette guerre conjugale, qu'on doit hésiter à qualifier de «violence», fléau trop grave pour être abandonné aux mots. Il faut s'en tenir aux faits: c'est le sens du combat mené sur ce sujet par la philosophe Elisabeth Badinter, dont nous publions le discours prononcé lors d'une conférence-débat organisée, le 16 juin, à Lyon, par Amnesty International.Cette enquête est une grande première. Poser aux femmes et aux hommes les mêmes questions sur les tensions qui peuvent exister au sein de leur couple constitue une rupture avec le discours dominant sur les «violences conjugales». Constater qu'hommes et femmes se plaignent à peu près également l'un de l'autre (et, même, que les hommes subissent deux fois plus d'insultes que les femmes) renforce le double malaise que j'ai toujours éprouvé, d'une part à l'égard de la méthode habituellement choisie pour parler des violences faites aux femmes et, de l'autre, à l'égard des conclusions que l'on en tire.D'abord, la méthode revendiquée par la plupart des institutions ou associations est globalisante: la violence des hommes contre les femmes est, nous dit-on, universelle. On lit, par exemple, dans la brochure d'Amnesty International (2004): «Partout dans le monde, des femmes subissent des actes ou des menaces de violence. C'est une épreuve partagée, au-delà des frontières, de la fortune, de la race ou de la culture. A la maison et dans le milieu où elles vivent, en temps de guerre comme en temps de paix, des femmes sont battues, violées, mutilées en toute impunité.»
Cette approche fait un amalgame entre toutes les sortes de violences, pourtant de nature différente: violences en temps de guerre et en temps de paix. Violences d'Etat et violences privées. La violence du mari ou du compagnon, celle du harceleur sexuel ou moral, du soldat ou du trafiquant. Amalgame aussi entre la Parisienne harcelée dans les transports et la petite Nigérienne victime d'un trafic sexuel ou la Jordanienne victime d'un crime d'honneur. Violence psychologique et violence physique. Violence des Etats totalitaires et patriarcaux, et violence des Etats démocratiques.Cette approche admet aussi un continuum des violences en mettant sur le même plan la menace d'une gifle conjugale et la lapidation d'une femme adultère: «La main aux fesses dans le métro, les sifflets dans la rue, les coups, les insultes, les humiliations du conjoint, les mariages forcés, les filles violées, etc.» (Collectif national pour les droits des femmes, 2005). Faute de distinctions, on additionne des actes hétérogènes qui ressemblent à un inventaire à la Prévert, où tout vaut tout: l'agression verbale, les pressions psychologiques et les atteintes physiques.Enfin, il me semble qu'on est peu regardant sur les statistiques utilisées et encore moins sur leurs sources ou leur interprétation. Ainsi, dans l'opuscule d'Amnesty, on lit: «Au moins 1 femme sur 3 a été battue, forcée à des rapports sexuels ou violentée d'une manière ou d'une autre à un moment de sa vie» (Population Reports, n° 11, Johns Hopkins, School of Public Health, déc. 1999). Que signifie «violentée d'une manière ou d'une autre»? Faute de précision, on ne retiendra qu'une chose, à savoir que 1 femme sur 3 est battue ou violée.Pis: sur Internet, on trouve que «près de 50% des femmes dans le monde ont été battues ou maltraitées physiquement à un moment de leur vie par leur partenaire». Selon le Conseil de l'Europe, la violence domestique est, pour les femmes de 16 à 44 ans, la principale cause de mort et d'invalidité, avant le cancer ou les accidents de la route. Propos lancés par les féministes espagnoles en 2003, cités partout, notamment dans le rapport du Conseil de l'Europe. Ai-je été la seule à sursauter en lisant cela? Les statistiques de l'Inserm indiquent que, pour 2001, 2 402 femmes âgées de 16 à 44 ans sont mortes des suites d'un cancer!L'Enquête nationale sur les violences envers les femmes en France (Population & sociétés, janvier 2001) révèle un indice global de violence conjugale à l'encontre des Françaises de 10%, qui se décompose bizarrement ainsi: insultes et menaces verbales (4,3%), chantage affectif (1,8%), pressions psychologiques (37%), agressions physiques (2,5%), dont répétées (1,4%), viols et autres pratiques sexuelles imposées (0,9%). Les journalistes et les politiques traduisent: 10% de femmes sont battues en France. Tous les 8 mars, nous avons droit à cette affirmation erronée, sans que jamais personne ne songe ni à consulter les chiffres ni, évidemment, à les rectifier.Quatrième illustration de l'utilisation publicitaire des statistiques: en 1980, deux chercheuses, Mmes Linda MacLeod et Andrée Cadieux, publient un rapport sur la femme battue au Québec et annoncent les chiffres de 300 000 femmes battues et de 52 femmes assassinées par leur conjoint ou ex-conjoint. Durant vingt-quatre ans, les «300 000» deviennent le leitmotiv des mouvements féministes québécois, jusqu'à ce que l'Institut de la statistique du Québec publie une enquête digne de ce nom, en 2004, qui ne compte plus que 14 209 femmes se disant victimes de violences conjugales. Quant aux 52 Québécoises assassinées par leur conjoint ou ex-conjoint, les chiffres publiés par la Sécurité publique du Québec en 2000-2001 donnent 14 femmes et 7 hommes assassinés par leur conjoint. Linda MacLeod a reconnu son erreur dès 1994. Elle s'est défendue en disant: «Je me sentais sûre de ce chiffre, parce qu'il reflétait une réalité corroborée par ceux et celles qui travaillaient sur la ligne de front. C'était une supposition admise.» Je ne mets pas en doute la bonne foi de ces chercheuses, mais je ne peux m'empêcher de penser que c'est moins la vérité que l'on cherche que la confirmation de présupposés. On charge la barque des violences masculines, on gonfle les chiffres au maximum au point de les défigurer, comme si s'exprimait là le désir inconscient de justifier une condamnation globale de l'autre genre. L'enjeu n'est plus la condamnation des hommes violents, la seule légitime à mes yeux, mais celle des hommes en général.D'où ma stupéfaction devant l'utilisation par les Nations unies, reprise par Amnesty, de l'expression «violence de genre». Expression tirée des travaux des féministes anglo-saxonnes les plus radicales, publiés dans les années 1980-1990. Que signifie «violence de genre»? Faut-il comprendre que la violence est le propre du mâle? Que la masculinité se définit par la domination et l'oppression de l'autre sexe? Que les femmes ignorent la violence?

L'enjeu des termes est considérable. Car, si l'on admet cette notion de «violence de genre», on en revient à une définition duelle et opposée de l'humanité: les bourreaux contre les victimes, ou le mal contre le bien. Je pense, pour ma part, que l'on commet une double erreur. D'une part, le concept de «violence de genre» ne me paraît pas fondé. D'autre part, en globalisant la violence masculine, sans la moindre distinction qualitative, culturelle et politique, on se condamne à n'y rien changer.

Les dérapages de la vie à deux ne suffisent pas à définir le «terrorisme conjugal»

Pour tenter de convaincre que la violence n'est pas le propre d'un genre, je m'en tiendrai aux violences conjugales dans les démocraties occidentales, où l'on est censé avoir une approche plus fouillée et plus scientifique de la question.Premier constat: les enquêtes à notre disposition, tant en France qu'en Europe, notamment celles du Conseil de l'Europe, me semblent trop souvent partielles et donc partiales. Elles sont partielles parce qu'elles ne concernent que les victimes femmes. On a choisi partout, délibérément, d'ignorer s'il y avait des hommes victimes. La justification avancée de cette omission est toujours la même. Elle tient en deux arguments: nous n'avons pas de statistiques, mais nous avons de bonnes raisons de croire que 98% des violences conjugales sont le fait des hommes (cf. Marie-France Hirigoyen dans L'Express du 25 avril 2005: «Les hommes? On ne les a pas sondés. On leur confère par définition le statut d'agresseurs: ils le sont dans 98% des cas»). Quant à la violence des femmes, elle ne serait qu'une légitime défense contre la violence première des hommes.Second constat: faute de travaux indiscutables, les chiffres les plus fantaisistes circulent. Exemple: y a-t-il en France 6 femmes tuées tous les mois par leur conjoint ou ex-conjoint, soit 72 par an, ou 400, comme on l'a dit à l'émission de TF 1 Le Droit de savoir? Et comment évaluer l'ampleur et la signification de ce phénomène quand les statistiques judiciaires et policières ne distinguent pas entre les femmes mortes de violences conjugales et les autres?En attendant, je voudrais montrer que la violence n'a pas de sexe, en mettant en lumière quelques aspects de la violence féminine dont on ne parle que rarement. En ce qui concerne la violence conjugale féminine, comme d'habitude, il nous faut recourir aux travaux du continent américain pour y voir plus clair. En particulier, à la dernière enquête faite pour l'Institut de la statistique du Québec par Denis Laroche, dont les conclusions ont été entérinées par le très féministe Conseil du statut de la femme du Québec en février 2005. A ma connaissance, c'est la première enquête francophone de grande envergure concernant les violences conjugales, qui traite à la fois de la violence masculine et féminine. C'est aussi la première enquête qui distingue violence grave et violence mineure, en dressant une liste de 10 situations de violences physiques qui vont de la menace aux actes. D'où il ressort quatre informations essentielles: dans les cinq dernières années qui précèdent l'enquête, 92,4% des hommes et 94,5% des femmes se sont déclarés exempts de violence physique. En 2002, au Québec, 62 700 femmes et 39 500 hommes se sont dits victimes de violence conjugale (toutes violences confondues). Les actes d'agression subis par les hommes et les femmes ne sont pas exactement les mêmes. Les femmes sont plus victimes de violences physiques graves que les hommes. Parmi elles, 25% ont été battues (pour 10% d'hommes), 20% ont failli être étranglées (4% des hommes), 19% ont été menacées avec une arme (8% des hommes). Sept fois plus de femmes que d'hommes ont été victimes d'agression sexuelle. En revanche, selon les études canadiennes, hommes et femmes sont quasi à égalité face aux «violences» psychologiques.Les Canadiens ont repris du psychologue américain Michael P. Johnson (2000) la distinction, qui me paraît fondamentale, entre deux types de violences conjugales: le «terrorisme conjugal» et la «violence situationnelle».La violence grave qui s'effectue dans un «contexte de terrorisme conjugal» se définit par la volonté d'annihiler le conjoint, de toutes les manières, psychologiquement et physiquement. Cette violence-là provient majoritairement des hommes.Alors que la majorité des hommes victimes de leur conjointe le sont dans un contexte de «violence situationnelle», qui renvoie soit à l'autodéfense de la femme, soit à la violence réciproque, soit à la lutte pour le pouvoir des deux conjoints. Au passage est introduite la notion de «violence interactive», essentielle pour comprendre une bonne partie des violences conjugales.On remarquera donc que, si les femmes sont majoritairement victimes de violences, et en particulier physiques, il leur arrive à elles aussi d'exercer cette violence-là, quand elles sont en position de domination physique ou psychique.Pour s'en convaincre, il faut se pencher sur la violence des femmes à l'égard des plus faibles. D'abord à l'égard des enfants, sujet peu évoqué, quelques études donnent à réfléchir. Le dernier rapport de l'Odas (Observatoire national de l'action sociale décentralisée, dont dépend l'Aide sociale à l'enfance), de décembre 2004, indique le chiffre de 89 000 enfants en danger en France, dont 18 000 enfants maltraités.Le rapport d'activité 2002 de l'Accueil téléphonique pour l'enfance maltraitée indique que 76,2% des auteurs de mauvais traitements sont les parents, dont 48,8% sont les mères et 27,4% sont les pères des tout-petits, chiffres qui sont probablement sous-estimés. Enfin, le rapport de l'Unicef 2003, sur les décès d'enfants des suites de maltraitance dans les nations riches, fait état de 3 500 décès d'enfants de moins de 15 ans par an. Le rapport ne précise pas la proportion de pères et de mères infanticides, mais il serait mal venu d'en accuser un seul des deux sexes.Une enquête épidémiologique est en cours en France, effectuée par l'Inserm. Les premiers résultats révèlent une sous-estimation des morts par maltraitance d'enfants de moins de 1 an, qu'on aurait attribuées à la «mort subite du nourrisson» (cf. Journal de l'Inserm, mai-juin-juillet 2003). Or qui, majoritairement, prend soin des nourrissons dans notre société? Enfin, je me contenterai de mentionner l'existence de la pédophilie féminine, qu'on a semblé découvrir depuis à peine un an avec les procès d'Outreau et d'Angers. Je rappelle que dans ce dernier, on comptait, dans le box des accusés, 29 femmes et 37 hommes. Mais sur cette violence-là, nous n'avons, à ce jour, aucune étude sérieuse.Au demeurant, les enfants ne sont pas les seuls êtres faibles susceptibles de pâtir de la violence féminine. La maltraitance des vieilles personnes est un autre sujet qui implique cette violence féminine. En 2003, le ministre des Personnes âgées faisait état du chiffre de 600 000 qui seraient maltraitées. Maltraitance souvent d'origine familiale, à domicile. Mais, que ce soit dans les familles ou dans les institutions, ce sont les femmes qui s'occupent majoritairement des vieux, comme elles s'occupent majoritairement des plus jeunes.Reste un sujet toujours tabou qui n'a fait l'objet que de très rares et parcellaires travaux - spécialement en France: la violence au sein des couples de lesbiennes. Une étude de l'Agence de santé publique du Canada de 1998 conclut qu'il y a la même proportion de violence dans les couples gays et lesbiens que dans les couples hétérosexuels. Toutes violences confondues, 1 couple sur 4 fait état de violence en son sein.De tous ces chiffres fastidieux mais nécessaires, il ressort qu'on ne devrait pas parler de «violence de genre», mais de «droit du plus fort». Un seul crime est indiscutablement plus propre aux hommes qu'aux femmes, c'est le viol, aujourd'hui puni en France aussi sévèrement que le meurtre. Reste qu'hommes et femmes, lorsqu'ils sont en position de domination, peuvent déraper dans la violence. Les photos d'Abou Ghraib en Irak l'ont démontré, comme l'avait déjà démontré la participation des femmes dans les génocides nazi et rwandais. Que les hommes aient été dans l'Histoire les grands responsables de la violence physique est une évidence. Ils sont, depuis des millénaires, les détenteurs de tous les pouvoirs - économiques, religieux, militaires, politiques et familiaux, c'est-à-dire les maîtres des femmes. Mais, dès lors que l'on assiste au partage des pouvoirs qu'appelle la démocratie, il est inévitable que de plus en plus de femmes, en position de domination, tendent à en abuser, c'est-à-dire à être violentes à leur tour.Par ailleurs, il faut reconsidérer le concept de violence, utilisé aujourd'hui pour désigner n'importe quel acte, hors de tout contexte. Le même mot ne peut pas s'appliquer à un geste déplacé dans un lieu public et à un viol. Ni s'appliquer non plus à de nombreuses situations qui figurent dans les enquêtes de violences conjugales. Une remarque désagréable, une insulte, un acte autoritaire déplacé ou même la menace d'une gifle ne peuvent être, en tant que tels, assimilés à une atteinte destructrice de l'autre. Les dérapages de la vie à deux ne suffisent pas à définir le «terrorisme conjugal», qui est d'une tout autre nature et que de nombreux spécialistes définissent aujourd'hui comme «une dynamique de couple où l'un des partenaires porte atteinte à l'intégrité et à la dignité de l'autre par un comportement agressif, actif et répété dont le but est de le contrôler». Il me semble aussi déraisonnable de mettre sur le même plan la violence contre les femmes observée dans les Etats démocratiques et celle observée dans les Etats patriarcaux, non démocratiques. Dans ces derniers, la violence contre les femmes est une violence fondée sur des principes philosophiques, traditionnels et religieux qui sont à l'opposé des nôtres. Ce sont ces principes qui doivent être combattus. Seules l'éducation des femmes et leur mobilisation finiront par mettre fin à cette aliénation systématique, qui donne tous les droits à un sexe et tous les devoirs à l'autre.En revanche, la violence à l'égard des femmes dans nos sociétés est tout à fait contraire à nos principes. Elle appelle la répression de ses auteurs, mais, contrairement à ceux qui disent que toute société est structurellement violente à l'égard des femmes, je pense qu'elle révèle avant tout une pathologie psychologique et sociale, qui nécessite des soins et une réflexion sérieuse sur nos priorités. L'augmentation de la violence que l'on observe dans les sociétés occidentales, quel que soit l'âge, le sexe, et le contexte social, est peut-être à mettre en relation avec une incapacité de plus en plus grande à supporter la contrainte des devoirs et une propension inquiétante à confondre droits universels et désirs individuels.L'hiver 2005 nous a appris qu'il y avait une forte augmentation de la violence des jeunes, dans les écoles, les collèges et les lycées - jusqu'aux maternelles - et qu'elle touchait toutes les classes sociales. Enervements, incivilités, insultes et coups sont devenus l'expression d'une agressivité banale, y compris à l'égard de ceux qui sont censés nous aider et nous protéger, comme les professeurs ou les médecins. Entre 1999 et 2003, l'Insee indique que le nombre de Français victimes d'agressions (injures, menaces, coups) a crû de 20%. Dans ces conditions, on devrait s'interroger sur notre incapacité de plus en plus grande à supporter les frustrations et à maîtriser notre agressivité.C'est notre éducation qui est en cause, et non nos principes. C'est elle qu'il faut changer. Depuis une trentaine d'années, l'épanouissement individuel et la satisfaction de nos désirs ont pris le pas sur le respect de l'autre et de la loi commune. Cela concerne tant les hommes que les femmes et n'a rien à voir avec ce qui se passe dans d'autres régions du monde où, à l'opposé, la loi est un carcan et où l'épanouissement individuel n'a tout simplement pas de sens. En vérité, nos sociétés ont autant besoin de réapprendre la notion de devoir que les autres, de réclamer leurs droits. En voulant à tout prix confondre les deux contextes, on se condamne non seulement à l'impuissance, mais aussi à l'injustice. A force de crier à la «violence de genre», on se rend coupable d'un nouveau sexisme qui n'est pas plus acceptable que le premier.

Elisabeth Badinter

 
Omhoog

Geweld na scheiding groter dan ervoor

Relatie tussen ouders van duizenden kinderen na scheiding permanent ontwricht

Is de kwaliteit van een relatie reden voor een scheiding waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn? De nasleep van een echtscheiding is veel ingrijpender dan vaak wordt aangenomen. Het drama in Berghem is daar een voorbeeld van

door Wim Orbons


Nederland is de laatste jaren regelmatig opgeschrikt door bloedbaden na een scheiding. De meeste dagbladen gaven daar recent een overzicht van. Drama's in Berghem, Winschoten, Zwolle, Kerkrade, Eindhoven, etc.

Niet vermeld wordt dat in Tiel recent een afgewezen partner zijn ex, twee van haar metgezellen en daarna zichzelf doodt. Ook niet 'het meisje van Nulde'. De stiefvader vermoordt met medeweten van de moeder haar dochter. Ook niet dat in Nietap een man zijn ex-vrouw wurgt na een valse incestbeschuldiging. De man wordt op grond van de valse beschuldiging door de rechtbank vrijgesproken. Een kleine greep van geweldsdelicten na scheiding, exclusief de kinderontvoeringen.Bij de 40.000 echtscheidingen zijn jaarlijks circa 32.000 minderjarige kinderen betrokken. Volgens een rapport van de Nederlandse Gezinsraad leidt echtscheiding voor meer dan de helft van dat aantal kinderen tot een permanente ontwrichting van de relatie tussen de ouders onderling en tussen vader en kind (exclusief de samenwoonscheidingen).Uit onderzoek door de Universiteit van Iowa (40.000 scheidingen) blijkt dat zaken als alcohol, drugsmisbruik, overspel of huiselijk geweld een volstrekt ondergeschikte rol spelen bij scheiding. Wel de 'kwaliteit' van de relatie: 'we kunnen niet meer communiceren of we zijn uit elkaar gegroeid'. Dit onderzoek sluit naadloos aan bij een grootschalig onderzoek in Nederland. OorlogIs een dergelijk argument reden voor een scheiding waar minderjarige kinderen bij betrokken zijn? De nasleep van een echtscheiding is veel ingrijpender dan in het algemeen wordt aangenomen. Vaak wordt er een oorlog over de hoofden van de kinderen uitgevochten als gevolg van de polariserende echtscheidingswetgeving, stelt hoogleraar gezinsbeleid en gezinssociologie Kees de Hoog.Naast de gezinsdrama's vinden nog jaarlijks circa 1500 zelfmoorden plaats (2001: 999 mannen en 501 vrouwen). Scheiding is niet zelden de oorzaak daarvan. En ook doden in het verkeer (tegen boom of brug) zijn vaak gescheiden mensen.Het lijkt erop dat huiselijk geweld (de drama's) na scheiding veel ernstiger is dan huiselijk geweld (de 'droge' klap) voor scheiding, dus tijdens huwelijk. Dat laatste blijkt ook uit het proefschrift (2002) van de juriste Maria Egelkamp: Kort door de bocht, tegenwoordig heet alles mishandeling (of seksuele intimidatie).Risico moedersHet lijkt er sterk op dat steeds minder mensen in staat zijn hun (huwelijkse) problemen zelf op te lossen. Scheiden is het antwoord, daarbij geholpen door hulpverleners die het individu boven het gezinsbelang stellen, escalerende twee-advocatenprocedures, en vele rechters (en kinderbeschermers) die de wet na echtscheiding niet respecteren. Het is volgens de familierechtadvocaat mr. ir. Peter Prinsen zeker, dat als de moeder in gelijke mate zou delen in de risico's van scheiding, heel wat scheidingen niet zouden worden geëntameerd. En dat zou uiteindelijk leiden tot minder bloedbaden, gezinsdrama's en zelfmoorden.

Wim Orbons is voormalig directeur en secretaris van gezondheidszorgorganisaties en contactpersoon van de expertgroep die voorstellen aan de minister Donner van Justitie heeft gedaan om de echtscheidingswetgeving te veranderen.

Nederlands Dagblad, 7 juni 2004

 
Omhoog

Waarom beschermen we de kinderen niet?

Is de 'kwaliteit van een relatie' reden voor een scheiding waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn? De nasleep van een echtscheiding is veel ingrijpender dan vaak wordt aangenomen.

Nederland is de laatste jaren regelmatig opgeschrikt door bloedbaden na een scheiding. Drama's in Winschoten, Zwolle, Kerkrade, Eindhoven, et cetera. Ook in Tiel waar een afgewezen partner zijn ex, twee van haar metgezellen en daarna zichzelf doodt. En denk aan 'het meisje van Nulde'. De stiefvader vermoordt met medeweten van de moeder haar dochter. Bij 40.000 echtscheidingen zijn jaarlijks circa 35.000 minderjarige kinderen betrokken, bij de verbreking van samenwoonrelaties (naar schatting van het CBS) ook jaarlijks bijna 30.000 kinderen. Volgens een rapport van de Nederlandse Gezinsraad leidt echtscheiding in meer dan de helft van de kinderen tot een permanente ontwrichting van de relatie tussen de ouders én tussen vader en kind. Dit gebeurt ondanks een wet uit 1998, die bepaalt dat ouderlijk gezag doorloopt na scheiding. Maar hoe kun je gezag uitoefenen als er geen contact is? Uit onderzoek door de Universiteit van Iowa naar 40.000 scheidingen blijkt dat zaken als alcohol, drugmisbruik, overspel of huiselijk geweld een volstrekt ondergeschikte rol spelen bij (echt-)scheiding. De 'kwaliteit van de relatie' doet dat wel, want 'we kunnen niet meer communiceren' of 'we zijn uit elkaar gegroeid'. Het onderzoek sluit naadloos aan bij een grootschalig onderzoek in Nederland, waaruit blijkt dat driekwart van de scheidingen 'om 'niets is, zeker in vergelijking met de gevolgen. Mijn vraag is of een dergelijk argument reden is voor een scheiding waarbij minderjarige kinderen betrokken zijn. De nasleep van een echtscheiding is immers veel ingrijpender dan in het algemeen wordt aangenomen. Vaak wordt er een oorlog over de hoofden van de kinderen uitgevochten, mede als gevolg van de polariserende echtscheidingswetgeving vinden de professoren Kees de Hoog (gezinsbeleid en gezinssociologie) en Peter Hoefnagels (familierecht en criminologie). Naast de gezinsdrama's vinden jaarlijks ook circa 1500 zelfmoorden plaats. Scheiding is niet zelden de oorzaak daarvan. En ook doden in het verkeer (tegen boom of brug) zijn vaak gescheiden mensen. Het lijkt er ook op dat huiselijk geweld na scheiding veel ernstiger is dan huiselijk geweld (de 'droge' klap) voor scheiding, dus tijdens het huwelijk. Dat laatste blijkt ook uit het proefschrift (2002) van de juriste Maria Egelkamp. Kort door de bocht: tegenwoordig heet alles mishandeling (of seksuele intimidatie). Steeds minder mensen zijn in staat hun (huwelijkse) problemen zelf op te lossen. Scheiden is het antwoord, daarbij geholpen door hulpverleners die het individu boven het gezinsbelang stellen, escalerende 'twee advocaten'-procedures, en veel rechters (en kinderbeschermers) die de wet na echtscheiding niet respecteren. Het is zeker dat als moeders (circa 80 procent van de scheidingen wordt door hen geïnitieerd) in gelijke mate zouden delen in de risico's van een scheiding, er heel wat scheidingen niet zouden worden geëntameerd. Dat blijkt ook uit onderzoek uit de VS. Het zou mijns inziens uiteindelijk ook leiden tot minder bloedbaden, gezinsdrama's, kindermoorden en zelfmoorden. Minister Donner wil dat bij een echtscheiding altijd de rechter wordt ingeschakeld. Maar het zijn juist de rechters en adviseurs van de kinderbeschermers, die er mede debet aan zijn dat ongeveer de helft van de kinderen na scheiding geen of nauwelijks contact meer heeft met beide ouders. En in het geval dat wel een contactregeling wordt uitgesproken, kan een ouder (meestal moeder) die straffeloos naast zich neerleggen. Dat heeft geregeld geweld of stalking door (meestal) de vader als gevolg, wat wél wordt bestraft; geregeld zonder enig deugdelijk bewijs. De huidige 'twee advocaten'-procedures bij echtscheiding zijn contraproductief, geldverslindend, ongezond en voor veel kinderen mishandelend. De plicht tot bemiddelen -samen aan tafel gaan zitten onder leiding van één deskundige- maakt veel mensen verantwoordelijk, leidt veelal tot bezinning en tot overeenkomsten. Volgens de laatste uitkomsten leiden bemiddelingen steeds vaker tot verzoeningen, tot heil en zegen van het echtpaar en vooral van de kinderen. Maar de overheid kiest nog steeds voor symptoombestrijding in plaats van het aanpakken van de oorzaak met behulp van methodische mediation. De overheid pakt de scheidingscultuur niet aan, evenmin zoals het negeren van gerechtelijke beschikkingen. Deze praktijk vraagt om geweld.

Wim Orbons

Rotterdams Dagblad van 19-10-2004 Pagina 708 Binnenland
(Toegezonden door de auteur)

(Wim Orbons is voormalig directeur en secretaris van gezondheidszorgorganisaties en contactpersoon van de expertgroep die voorstellen aan de minister Donner van Justitie heeft gedaan om de echtscheidingswetgeving te veranderen)


 
Omhoog


De Nederlandse Justitieminister heeft plannen voor een huisverbod voor plegers van huiselijk geweld

Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag Aan de Voorzitter van de Tweede Kamerder Staten-Generaal
Postbus 200182500 EA Den Haag
BezoekadresSchedeldoekshaven 1002511 EX Den HaagTelefoon (070) 3 70 7911Fax (070) 3 70 79 70
http://www.justitie.nl Onderdeel : Directie Jeugd en Criminaliteitspreventie
Datum : 14 juli 2004
Ons kenmerk : 5278327/04/DJC

Onderwerp : Huisverbod plegers huiselijk geweld


Het kabinet heeft in het Hoofdlijnenakkoord ‘Meedoen, meer werk, minder regels’ aangegeven dat een effectievere aanpak van huiselijk geweld nodig is en noemt daarbij als voorbeeld uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld. Namens het kabinet, in het bijzonder mede namens de minister van BZK en de staatssecretaris van VWS, bied ik u hierbij onze visie op de maatregel huisverbod plegers huiselijk geweld aan. Het kabinet is voornemens om een wettelijke mogelijkheid voor een tijdelijk huisverbod aan plegers van huiselijk geweld te creëren, omdat dit een bijdrage kan leveren aan de effectieve aanpak en preventie van huiselijk geweld. De voorgestelde maatregel is mede door u bepleit[1].

Aard en omvang huiselijk geweld

Huiselijk geweld is geweld dat gepleegd wordt door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer en kan de vorm aannemen van partner-relatiegeweld, kindermishandeling en geweld tegen ouderen. Soms doet het zich in specifieke vormen voor, zoals bij eerwraak.

De politie heeft in 2003 gedurende één dag de meldingen van huiselijk geweld handmatig geteld (vanaf 1 januari 2004 vindt standaard registratie plaats). Op basis van die ééndaagse registratie wordt geschat dat zich jaarlijks 8 à 900.000 huiselijk geweld-incidenten voordoen. Slechts 12% daarvan komt onder de aandacht van de politie. De aangiftebereidheid is niet groot, maar neemt wel toe.

Huiselijk geweld vormt voor een groot aantal vrouwen aanleiding om hun huis te ontvluchten en zich aan te melden bij een vrouwenopvangcentrum. In 2002 verbleven 4.422 vrouwen en 4.734 kinderen in vrouwenopvangcentra.

Visie op de aanpak van huiselijk geweld

In de kabinetsnota ‘Privé Geweld – Publieke Zaak’ [2] wordt huiselijk geweld nadrukkelijk gedefinieerd als delict en als een veiligheidsprobleem. Geweld jegens personen en bedreigingen zijn strafbaar. Kernpunt van de nota ‘Privé Geweld – Publieke Zaak’ is dat de overheid dient te streven naar effectieve doorbreking van de geweldsspiraal. Preventie staat daarbij voorop.

De veranderende houding ten opzichte van huiselijk geweld manifesteert zich onder meer in het optreden van politie en het Openbaar Ministerie (OM). Geweld achter de voordeur wordt door de politie niet langer louter als relatie-probleem beschouwd maar als een geweldsdelict met een groot herhalingsrisico. Elke politie-regio heeft inmiddels een aandachtsfunctionaris huiselijk geweld en een specifiek beleid voor de aanpak van huiselijk geweld.
Ook het OM is van mening dat huiselijk geweld een specifieke strafrechtelijke aanpak behoeft. Het college van procureurs-generaal heeft op 1 april 2003 een aanwijzing uitgevaardigd die tot doel heeft een effectiever optreden van politie en OM in reactie op huiselijk geweld te bewerkstelligen en de aangiftebereidheid onder slachtoffers te vergroten. In een aantal gemeenten, onder andere in Amsterdam, constateert de politie sinds enige tijd een sterke stijging van het aantal meldingen van huiselijk geweld. Steeds vaker worden plegers, bij voorbeeld in het kader van een schorsing voorlopige hechtenis, verwezen naar de forensische psychiatrie voor daderbehandeling.

De studies van het Verwey Jonker-Instituut

In opdracht van het Ministerie van Justitie zijn ten aanzien van het onderwerp uithuisplaatsing door het Verwey Jonker-Instituut twee studies verricht.

Het eerste onderzoek[3] heeft de wettelijke voorzieningen voor uithuisplaatsing in Oostenrijk en Duitsland in kaart gebracht en beschrijft de ervaringen met deze regelingen. In Oostenrijk bestaat sinds 1997 voor de aanpak van huiselijk geweld een wettelijk kader, de “Gesetz zum Schutz vor Gewalt in der Familie”, dat bescherming biedt aan (potentiële) slachtoffers van huiselijk geweld. De Oostenrijkse Politiewet regelt de bevoegdheden van de politie in de fase waarin mogelijk strafbare feiten dreigen te worden begaan, maar nog niet begaan zijn. De politie in Oostenrijk kan, als er gevaar dreigt voor lijf en leven, gezondheid of vrijheid, de veroorzaker van dat gevaar voor een periode van 10 dagen verwijderen uit diens woning. Eerdere meldingen van geweld binnenshuis vormen de basis voor de risicotaxatie. Wanneer de pleger van huiselijk geweld uit zijn woning is verwijderd, ontvangen het slachtoffer en de eventuele kinderen ondersteuning. Hiertoe heeft Oostenrijk een infrastructuur ingericht, de zgn. Interventionsstellen. In Oostenrijk wordt de uithuisplaatsing van de pleger, een beslissing van een politieagent, getoetst door de politieleiding. De pleger heeft de mogelijkheid om beroep in te stellen bij de rechter. De maatregel wordt in Oostenrijk bijna 3.000 maal per jaar toegepast en zorgvuldig gemonitord. Het aantal uithuisplaatsingen neemt er op dit moment toe.
In Duitsland is in 2002 een uithuisplaatsingsmaatregel inwerking getreden. Over de resultaten zijn nog nauwelijks gegevens beschikbaar.

In het onderzoek ‘De pleger het huis uit’[4] is de Nederlandse situatie onderzocht. Doel van dit onderzoek was om te bekijken of een wettelijke maatregel tot uithuisplaatsing van de pleger van huiselijk geweld in aanvulling op het bestaande instrumentarium noodzakelijk en wenselijk is om een dreigende escalatie van huiselijk geweld effectief aan te kunnen pakken. Uit dit onderzoek blijkt uit gesprekken met politie, OM, reclassering en andere betrokkenen, dat er bij de aanpak van dreigende escalaties van huiselijk geweld in Nederland diverse knelpunten spelen. Zo blijkt dat het strafrecht slechts beperkte mogelijkheden biedt om in crisissituaties op te kunnen treden. Ook blijkt dat de mogelijkheden van het huidig wettelijk kader beter kunnen worden benut. In regio’s waar politie en andere betrokkenen gezamenlijk een specifiek beleid voeren dat gericht is op een effectieve, sluitende aanpak van huiselijk geweld, hebben professionals eerder het idee dat er met de huidige wet- en regelgeving al veel mogelijk is, dan in regio’s zonder zo’n specifiek beleid. Interventie door uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld wordt echter door alle betrokkenen als een zinvolle aanvulling op het huidige instrumentarium beschouwd.

Eerste uitwerking van de maatregel en adviesaanvraag

Naar aanleiding van de onderzoeken van het Verwey Jonker-Instituut is een eerste uitwerking gemaakt van een mogelijke wettelijke maatregel met betrekking tot een huisverbod voor plegers[5] van huiselijk geweld. In die eerste uitwerking is een maatregel beschreven die met name toepasbaar was bij dreigende escalaties van geweld in partner-relaties. In de uitwerking was ervoor gekozen om de hulpofficier van justitie (=politiefunctionaris) het huisverbod te laten opleggen, waarna de officier van justitie de zaak binnen drie dagen ter beoordeling voorlegt aan de rechter.
Deze eerste uitwerking is voor advies voorgelegd aan een aantal raden, colleges en instituten. Uit de adviezen blijkt dat de voorgestelde uitwerking in het algemeen wordt onderschreven. Wel wordt er door een groot aantal betrokkenen op aangedrongen om de maatregel ook van toepassing te doen zijn in geval van (dreigende) kindermishandeling en om overtreding van het huisverbod een afzonderlijk strafbaar feit te laten zijn. Ook wordt van meerdere zijden, met name van de zijde van de politie, duidelijk gemaakt dat een bindende samenwerking met de hulpverlening voor een dergelijke maatregel een conditio sine qua non is.

Het College van procureurs-generaal heeft in zijn advies vraagtekens gezet bij de noodzakelijkheid van een nieuwe maatregel, omdat het huidige instrumentarium reeds veel mogelijkheden biedt. Het College ziet nauwelijks ruimte voor een maatregel die gesitueerd is tussen het straf- en civielrecht in en merkt op dat het strafrecht al veel mogelijkheden biedt, zoals het opleggen van een huisverbod als voorwaarde bij schorsing van de voorlopige hechtenis of een voorwaardelijk sepot. Deze mogelijkheden worden nog niet ten volle benut. Het College ziet daarin een belangrijke taak voor het OM en heeft aangegeven te stimuleren dat bestaande mogelijkheden beter worden benut.

Overwegingen van het kabinet

Om te kunnen vaststellen of een maatregel aanvullend op het huidige instrumentarium noodzakelijk is, is door het Verwey-Jonker Instituut in het onderzoek ‘De pleger het huis uit’ de Nederlandse situatie onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat er bij de aanpak van dreigende escalaties van huiselijk geweld in Nederland diverse knelpunten spelen en dat die situaties niet afdoende met het huidige instrumentarium kunnen worden opgelost. Het kabinet onderschrijft de conclusie van dit onderzoek dat een aanvullende maatregel noodzakelijk is en overweegt hiertoe het volgende.

In het strafrecht is voorzien in de mogelijkheid om een verdachte in verzekering te stellen of in voorlopige hechtenis te nemen, wanneer er sprake is van een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Hiervan is bijvoorbeeld sprake bij bedreiging of mishandeling. In de Kamer is een wetsvoorstel aanhangig op grond waarvan voorlopige hechtenis ook bij eenvoudige mishandeling in gezinssituaties (strafverzwarende omstandigheid) wordt toegelaten[6]. Een voorlopige hechtenis kan onder voorwaarden worden geschorst. Tevens kan het OM, ook wanneer het gaat om een strafbaar feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten, in bepaalde gevallen voorwaarden aan een sepot stellen. Voorwaarden kunnen daderbehandeling of een tijdelijk huisverbod zijn. Ook kan de rechter een (tijdelijk) huisverbod als bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling opleggen.

Het civiele recht biedt de mogelijkheid om in een kort geding een huis-, straat- en/of contactverbod te vragen. Ook kan de rechter op verzoek bepalen dat, in het kader van een echtscheiding of ontbinding van een geregistreerd partnerschap, één van de echtgenoten of partners bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de woning met bevel dat de ander die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden. Tot slot kan de rechter bepalen dat een (mede)huurder geen (mede)huurder meer zal zijn.

Het verkrijgen van een civielrechtelijke voorziening, zoals een huisverbod, kost in de praktijk te veel tijd om adequaat op een crisissituatie te reageren. Bovendien vergt het initiatief van het slachtoffer, dat vaak ontbreekt. Een verzoek tot een voorlopige voorziening zoals het uitsluitend gebruik van de woning, is alleen mogelijk als het slachtoffer het besluit heeft genomen tot echtscheiding of ontbinding van het geregistreerd partnerschap. In lang niet alle gevallen zal het slachtoffer de relatie willen beëindigen.

In crisissituaties waarin huiselijk geweld dreigt plaats te vinden is er (nog) niet altijd sprake van strafbare feiten, terwijl er wel sprake is van een risicovolle en voor het slachtoffer en eventueel betrokken kinderen zeer bedreigende situatie. De politie is erbij betrokken en daarmee krijgt de situatie, die zich in huiselijke kring afspeelt, een publiek karakter; het wordt een publieke zorg. De situatie kan na het vertrek van de politie escaleren tot daadwerkelijke geweldpleging of mishandeling. Juist in deze situaties is preventief optreden gewenst.

Voornemen van het kabinet

Mede op basis van de verrichte onderzoeken en de ontvangen adviezen komt het kabinet tot de conclusie dat het wenselijk is om in aanvulling op het bestaande strafrechtelijke en civielrechtelijke instrumentarium in een aparte wet te voorzien in de mogelijkheid een tijdelijk huisverbod op te leggen in een acuut dreigende situatie voor slachtoffer en eventueel betrokken kinderen. Het gaat dan om die gevallen waarin overheidsoptreden gewenst is, maar het strafrecht geen mogelijkheden biedt. Middels een dergelijke maatregel kan de politie effectiever en preventief optreden in situaties waarin er sprake is van zodanige verstoring van de rust in huiselijke kring, dat de situatie dreigt uit te monden in huiselijk geweld (het plegen van strafbare feiten).

Uitgangspunt blijft dat, indien er strafrechtelijk opgetreden kan worden, dit ook dient te gebeuren. Huiselijk geweld is immers een delict. Het College van procureurs-generaal heeft aangegeven dat er op zal worden toegezien dat meer en beter gebruik zal worden gemaakt van de huidige mogelijkheden om de voorwaarde van een huisverbod of daderbehandeling te stellen bij een schorsing van voorlopige hechtenis of voorwaardelijk sepot. Deze mogelijkheid zal onder de aandacht worden gebracht van de parketten en politiekorpsen.

De in te voeren maatregel heeft tot doel:
- de (voortdurende) dreiging en onrust in huiselijke kring te doorbreken;
- de veiligheid van het slachtoffer en eventueel betrokken kinderen te waarborgen in een acuut dreigende situatie en het gezin een adempauze te geven;
- hulp op gang te brengen voor het slachtoffer en eventueel voor de betrokken kinderen;
- het slachtoffer de gelegenheid te bieden in alle rust, eventueel met begeleiding, een afweging te maken over voortzetting of beëindiging van de relatie en zo nodig de ruimte te creëren om civielrechtelijke maatregelen te nemen, bijvoorbeeld in kort geding een straat- en contactverbod voor de pleger te eisen;
- corrigerende hulpverlening voor de pleger in gang te zetten.

Door het instrument van uithuisplaatsing bovendien selectief te hanteren, kunnen er een signaalwerking en een schokeffect van uit gaan. De ordeverstoorder krijgt het duidelijke signaal dat zijn optreden niet wordt geaccepteerd. Het slachtoffer krijgt een duidelijk signaal dat huiselijk geweld niet acceptabel is - ook de dreiging daarvan niet - en dat er mogelijkheden zijn tot doorbreking van de onrust.

Kinderen en het huisverbod

Ook in situaties van dreigende kindermishandeling, zal het mogelijk worden gemaakt om een huisverbod op te leggen. In een acute en bedreigende situatie voor een kind bestaan er nu twee mogelijkheden om de zorgelijke situatie van kindermishandeling te melden: het bureau jeugdzorg (inclusief het AMK) en de raad voor de kinderbescherming.

Uitgangspunt is dat bij (een vermoeden van) kindermishandeling het AMK wordt ingeschakeld. Het AMK heeft op grond van de Wet op de jeugdzorg (tot 1 januari 2005 Wet op de jeugdhulpverlening) de taak en bevoegdheid om te onderzoeken of er daadwerkelijk sprake is van kindermishandeling. Op basis van zijn bevindingen beoordeelt het AMK of hulpverlening noodzakelijk is. Indien hulpverlening nodig is, neemt het AMK het initiatief om deze hulpverlening op gang te brengen. Indien een maatregel met betrekking tot het gezag over de minderjarige overwogen dient te worden, draagt het AMK de zaak over aan de raad voor de kinderbescherming.

In een acute en bedreigende situatie voor een kind is het mogelijk dat de raad voor de kinderbescherming rechtstreeks wordt benaderd opdat hij een voorlopige maatregel van kinderbescherming kan treffen. De raad zal op dat moment de zaak in onderzoek nemen opdat in een acute en bedreigende situatie voor een kind geen tijd verloren gaat. De raad meldt dit aan het AMK.
Het opleggen van een huisverbod, het onderzoekstraject van het AMK en het zo nodig op gang brengen van hulpverlening en het mogelijk treffen van een kinderbeschermingsmaatregel door de raad voor de kinderbescherming dienen goed op elkaar te worden afgestemd en mogen elkaar in geen geval belemmeren. De samenwerking tussen de verschillende instanties zal in een protocol moeten worden opgenomen. De politie zal derhalve contact moeten opnemen met het AMK en de raad voor de kinderbescherming indien zij oplegging van een huisverbod overweegt. Op deze wijze kan een goede afstemming worden bevorderd.

Vormgeving

Theoretisch zijn er verschillende mogelijkheden denkbaar om de maatregel tot uithuisplaatsing wettelijk vorm te geven. Het Verwey Jonker-Instituut adviseert in de studie ‘Interventie door uithuisplaatsing’ de bevoegdheid van de politie om een pleger uit diens huis te verwijderen op te nemen in de politiewet dan wel in het strafrecht. Uit de studie ‘De pleger het huis uit’ blijkt dat degenen die werkzaam zijn in de strafrechtsketen over het algemeen denken aan een strafrechtelijke maatregel, terwijl rechters en advocaten eerder denken aan een ordemaatregel, gesitueerd in het bestuursrecht of het civiele recht. In het onderzoek tekent zich geen duidelijke voorkeur af voor een bepaalde juridische vormgeving van de crisismaatregel.

Om een aantal redenen gaat de voorkeur uit naar een aparte wet, waarin de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van alle afzonderlijke actoren zijn geregeld. De maatregel is een ordemaatregel die primair bedoeld is om de veiligheid van het slachtoffer van huiselijk geweld te vergroten. Politie en burgemeester vervullen een belangrijke rol bij de handhaving van de openbare orde. Zoals privé geweld als een publieke zaak wordt beschouwd, zijn orde en veiligheid achter de voordeur een publieke verantwoordelijkheid. De preventieve maatregel heeft tot doel de situatie zodanig te beïnvloeden dat deze niet uit de hand loopt. Gemeenten hebben de rol om partijen die verantwoordelijk zijn voor de hulpverlening aan slachtoffers van huiselijk geweld bijeen te brengen. Vanuit die rol kunnen gemeenten er voor zorgen dat deze partijen afspraken maken om ervoor te zorgen dat het juiste traject van hulp en ondersteuning wordt ingezet om zo te bevorderen dat het huisverbod de beoogde uitwerking heeft. Het introduceren van een maatregel binnen het strafrecht vindt het kabinet niet wenselijk, omdat het gaat om een preventieve maatregel.

Procedure

Over de exacte procedure en de verantwoordelijkheden van de verschillende actoren wordt thans nog overleg gevoerd. Vooralsnog stelt het kabinet zich de onderstaande procedure voor:

Stap 1 Signalering en risicotaxatie door de politie
De politie gaat op basis van een ontvangen melding of op grond van andere gegevens (bijvoorbeeld uit de surveillance) op huisbezoek. Wanneer de politie constateert dat er sprake is van strafbare feiten wordt de normale strafrechtelijke procedure gevolgd. In de overige gevallen kan de politie overleggen met de hulpofficier van justitie over een mogelijk op te leggen huisverbod. Naar analogie van het criterium dat wordt gehanteerd in Oostenrijk zal het huisverbod kunnen worden opgelegd indien er gevaar dreigt voor lijf en leven, gezondheid of vrijheid. De politie zal hierbij een risicotaxatie moeten uitvoeren. De taxatie wordt onder meer gebaseerd op eerdere meldingen van (dreigend) geweld in het gezin. Indien de mogelijkheid bestaat dat een huisverbod het risico van eerwraak met zich meebrengt, zullen andere manieren gezocht moeten worden om de rust te herstellen en het slachtoffer te beschermen.

Ook in situaties van dreigende kindermishandeling, is het mogelijk een huisverbod op te leggen. In dat geval pleegt de politie allereerst overleg met het AMK en de raad voor de kinderbescherming.

Stap 2 Besluit tot het opleggen van een huisverbod
De hulpofficier van justitie bekijkt op basis van de verstrekte informatie door de politie of een huisverbod de aangewezen maatregel is. In geval van twijfel beoordeelt hij zelf ter plekke de situatie. Wanneer de hulpofficier van mening is dat een huisverbod het aangewezen middel is, informeert hij de burgemeester. Met instemming van de burgemeester kan de hulpofficier een huisverbod opleggen. Daarbij geeft hij tenminste aan:
- de termijn die voor het huisverbod geldt
- de omschrijving van de exacte locatie welke gedurende die tijd niet mag worden betreden
- indien mogelijk: het tijdstip en de plaats van de rechtzitting waarin het huisverbod zal worden beoordeeld.
De politie overhandigt het huisverbod aan de veroorzaker van de onrust, eist de sleutels van het huis op en laat de veroorzaker van de onrust gaan nadat deze een tijdelijk adres heeft opgegeven waar hij de komende dagen bereikbaar zal zijn. De politie overlegt met het slachtoffer over gewenste hulp en gewenste veiligheidsmaatregelen en stelt een rapport op ten behoeve van de rechterlijke toets.

Stap 3 Onderzoek rechter
Na het opleggen van het huisverbod vindt een zitting bij de rechter plaats. Gedacht wordt aan een termijn van drie dagen na het opleggen van het huisverbod. De rechter stelt ter zitting tenminste de uithuisgeplaatste in de gelegenheid zijn verhaal te doen en beoordeelt de rechtmatigheid van de genomen beslissing. Het is niet noodzakelijk om het slachtoffer te horen. De verklaring van het slachtoffer is opgenomen in het rapport dat is opgesteld door politie. Indien de rechter het huisverbod rechtmatig acht, wordt het huisverbod bekrachtigd. Acht hij het niet rechtmatig dan wordt het vernietigd. Tegen de beslissing van de rechter is geen beroep mogelijk. Het huisverbod geldt in principe voor 10 dagen; indien de rechter daartoe aanleiding ziet, kan hij een langere termijn opleggen, van maximaal vier weken.

Stap 4 Naleving maatregel
Niet naleving van de opgelegde maatregel en overtreding van het huisverbod zullen worden aangemerkt als een strafbaar feit waar voorlopige hechtenis voor is toegelaten. Dit maakt het mogelijk dat de uithuisgeplaatste in voorlopige hechtenis kan worden genomen wanneer deze het huisverbod overtreedt.

Samenwerking politie en hulpverlening

Een tijdelijk huisverbod heeft niet slechts als doel een time out te creëren in situaties waarin geweld dreigt. Het heeft tevens tot doel de veiligheid van het slachtoffer te waarborgen en de geweldspiraal te doorbreken door hulpverlening en besluitvorming op gang te brengen. Om het huisverbod effectief te laten zijn, dient snel en adequaat een vervolgtraject in gang gezet te worden. Het risico is anders aanwezig dat de geweldssituatie niet wordt doorbroken en het ingrijpen van de politie slechts kortdurende resultaten oplevert. Het is niet denkbeeldig dat ingrijpen dan zelfs contraproductief werkt. Daarom is op lokaal/regionaal niveau nauwe samenwerking tussen politie en hulpverlening een voorwaarde; er dienen sluitende afspraken te zijn zodat na tussenkomst van de politie de hulpverlening een vervolgtraject in gang kan zetten. Mutatis mutandis geldt dit ook wanneer een huisverbod wordt opgelegd in het kader van een strafrechtelijke aanpak. In dat geval zijn er afspraken nodig tussen het OM en de hulpverlening.

De samenwerking tussen politie, OM, vrouwenopvang en hulpverlening komt sinds enige jaren op gang. In het “Voortgangsbericht over de aanpak van huiselijk geweld”[7] is een tussenstand opgemaakt. Geconstateerd wordt dat in dit opzicht veel gaande is, maar dat er ook nog veel moet gebeuren. Zo voert de VNG de komende jaren een ondersteuningsprogramma uit gericht op het versterken van de gemeentelijke regievoering. Gemeenten hebben met name tot taak de lokale samenwerking gestalte te geven, lokale of regionale partners bij elkaar te brengen en erop toe te zien dat die met elkaar afspraken maken voor een sluitende aanpak van huiselijk geweld. Om samenwerkingsafspraken sluitend en bindend te maken, kan het nodig zijn een convenant op te stellen.

In het grote stedenbeleid[8] wordt er expliciet vanuit gegaan dat de grote gemeenten met alle lokale partijen convenanten opstellen en daarin onder meer handelingsprotocollen en heldere beschrijvingen van het beschikbare aanbod aan hulp en informatie opnemen. Het kabinet zal erop toezien dat alle grote gemeenten ook werkelijk een dergelijk convenant ontwikkelen. Grote gemeenten hebben in dezen vaak een initiërende rol ten aanzien van de omliggende gemeenten.
In enkele gemeenten zijn voornemens om interventieteams te vormen. Een interventieteam is een lokaal of regionaal samenwerkingsverband dat bij meldingen van huiselijk geweld acuut in actie komt en daarmee de politie ook bij crisissituaties kan ontlasten. Een dergelijk initiatief kan in een convenant worden vastgelegd.

Een belangrijk element daarbij is de totstandkoming van regionale advies- en steunpunten die als front-office deel uit maken van een samenhangend netwerk van voorzieningen. Deze laagdrempelige advies- en steunpunten moeten zorgen voor advies en kortdurende praktische hulpverlening of doorverwijzen bij complexe, ernstiger problemen. In 2004 wordt door de staatssecretaris van VWS een stimuleringsregeling Advies- en steunpunten huiselijk geweld uitgewerkt, die gericht is op de centrumgemeenten vrouwenopvang. Doelstelling is de totstandkoming van een landelijk dekkend netwerk van advies- en steunpunten vóór 2008. Deze structuur zou tevens kunnen dienen voor de melding van huisverboden door de politie.

In 2004 worden door de staatssecretaris van VWS voorbereidingen getroffen voor enkele voorbeeldprojecten waarin aan het case-management bij huiselijk geweld uitwerking wordt gegeven. De case-manager regelt en coördineert de inzet van de hulpverlening bij huiselijk geweld. De case-manager kan bijvoorbeeld afspraken maken met de politie over een Aware-aansluiting. Bij een dergelijke aansluiting beschikt het slachtoffer van huiselijk geweld over een alarmkastje, waarmee – via een alarmcentrale – de politie in zeer korte tijd gewaarschuwd wordt als het slachtoffer zich belaagd voelt.

Bij de hulpverlening in de korte periode van het huisverbod gaat het er onder meer om een aanzet te geven tot een besluit over de toekomst. Zo nodig moet inzicht biedende en correctieve begeleiding/behandeling van de pleger of gezinstherapie op gang worden gebracht; aan het slachtoffer kan hulp geboden worden indien deze besluit tot het instellen van een civielrechtelijke spoedvoorziening.

Regionaal komt het er dus op aan voldoende mogelijkheden en waarborgen voor een vervolgtraject na een huisverbod te organiseren. Voor verbetering van de instroomprocedures en uitbreiding van de capaciteit in de vrouwenopvang zijn extra middelen uitgetrokken. Daarnaast is Transact in opdracht van ZON/MW bezig de inventarisatie van daderhulpverlening in Nederland te actualiseren. Het expertisecentrum forensische psychiatrie is gevraagd het aanbod vanuit de ambulante poliklinieken in kaart te brengen.

Verwachte aantallen

Uit de eerder genoemde studie van het Verwey Jonker-Instituut blijkt dat in Oostenrijk in de eerste drie jaar na de invoering van de “Bundesgesetz zum Schutz vor Gewalt in der Familie”, de uithuisplaatsingsmaatregel jaarlijks bijna 3.000 maal wordt toegepast. Oostenrijk heeft 8 miljoen inwoners, Nederland grofweg het dubbele. Dat zou betekenen dat Nederland zou moeten rekenen op plm. 6.000 uithuisplaatsingen per jaar.

Dit cijfer moet echter sterk genuanceerd worden. In Oostenrijk zijn de mogelijkheden om huiselijk geweld strafrechtelijk aan te pakken beperkter dan in Nederland en van de bestaande mogelijkheden wordt verhoudingsgewijs weinig gebruik gemaakt. Verwacht mag worden dat in Nederland de aanwijzing huiselijk geweld van het College van procureurs-generaal, de aanpassing van het strafmaximum (art. 300 Wetboek van Strafrecht) en de inspanningen van het OM om de bestaande strafrechtelijke middelen optimaal te benutten, ertoe zal leiden dat meer huiselijk geweldzaken strafrechtelijk worden afgedaan.

Een exacte berekening van het te verwachten aantal uithuisplaatsingen in de komende jaren is niet mogelijk. Bij grove benadering zal het een aantal tussen 1.000 en 2.000 per jaar gaan betreffen. Deze schatting is gebaseerd op de ervaringsgegevens uit Oostenrijk, op de verwachte stijging van het aantal zaken dat strafrechtelijk wordt afgedaan en op het aantal vrouwen dat zich jaarlijks meldt bij de vrouwenopvang. Bij een deel van deze laatstgenoemde groep zal sprake zijn van een crisissituatie waarin een dergelijke maatregel kan worden toegepast. De exacte aantallen zullen echter nauwkeurig gemonitord worden.
Op basis van deze schatting wordt ervan uitgegaan dat de maatregel jaarlijks 40-80 maal per politieregio en 50-100 maal per arrondissementsrechtbank zal worden toegepast.

De consequenties voor de werkdruk in de betrokken beroepsgroepen zijn niet direct te berekenen, maar zullen eveneens nauwlettend gemonitord worden. De inspanningen die in dit verband van de politie worden verwacht, kunnen naar verwachting gecompenseerd worden door een zeker ‘terugverdien-effect’, aangezien een huisverbod kan bijdragen aan een effectievere en efficiëntere aanpak van huiselijk geweld. In hoeverre dat ook voor andere beroepsgroepen geldt, is thans niet duidelijk. Op de Justitie-begroting is ten behoeve van in- en uitvoering van de maatregel een bedrag gereserveerd dat oploopt tot maximaal € 2 mln in 2007 en dat onder meer bestemd is voor kosten voor voorlichting en deskundigheidsbevordering van diverse beroepsgroepen en eventuele kosten in verband met rechterlijke toetsing.

Implementatie en deskundigheidsbevordering

Invoering van de wettelijke maatregel met betrekking tot een huisverbod vergt een implementatietraject dat condities schept voor een zorgvuldige toepassing van de maatregel. Het implementatietraject zal worden uitgewerkt aan de hand van het definitieve wetsvoorstel, maar zal in ieder geval de volgende elementen bevatten:

- Deskundigheid bij politie, burgemeester, rechtsprekende macht, gemeenten en hulpverlening
Uitvoering van de maatregel vergt grote zorgvuldigheid en vakbekwaamheid. Politie, burgemeester en rechtsprekende macht dienen goed geïnformeerd te worden over de nieuwe wet en de achtergrond ervan, de toepassingcriteria en de toetsingsprocedures. De maatregel zal eveneens bekend moeten worden bij diverse beroepsgroepen in de hulpverlening, met name maatschappelijk werk en forensische psychiatrie. Van belang is het daarbij te zoeken naar verbinding tussen de taken die uit deze wet voortvloeien en de regietaak die gemeenten hebben bij de aanpak van huiselijk geweld. Er zal daarom aandacht worden besteed aan voorlichting via diverse kanalen. In opleidingstrajecten voor de politie zal aandacht moeten komen voor risicotaxaties bij huiselijk geweldsituaties waaronder specifieke situaties die zich kunnen voordoen in allochtone kring. Zo nodig zullen extra activiteiten ter bevordering van de deskundigheid worden aangeboden. Daarnaast zal aan de politie en – door het College van procureurs-generaal – aan de arrondissementsparketten voorlichting worden verstrekt over alle reeds bestaande (strafrechtelijke) mogelijkheden om in te grijpen bij geweld achter de voordeur.

- Publieksbekendheid
Bij het brede publiek moet de maatregel vooral bekend worden door publiciteit. In de te ontwikkelen toolkits voor regionale publiciteitscampagnes, aangekondigd in de nota ‘Privé Geweld – Publieke Zaak’, zal aandacht moeten worden besteed aan het huisverbod.

- Registratie
Bij invoering dienen reeds voorzieningen getroffen te zijn voor registratie van de toepassing van de maatregel. Uiteraard zal daarbij gezocht worden naar de meest efficiënte verbinding met bestaande vormen van registratie en de ontwikkeling van een nieuw uniform registratiesysteem bij de politie.

Het wetgevingstraject zal nu met voortvarendheid worden ingezet. Het is belangrijk dat de introductie van een wettelijke maatregel voor een huisverbod gelijke tred houdt met de versterking van de regierol van gemeenten en de verbetering van de samenwerking tussen politie, justitie en hulpverlening op regionaal niveau. Wanneer de maatregel voor een huisverbod in werking treedt, dient samenwerking in de regio voldoende op gang gebracht te zijn. Het proces van invoering van deze maatregel dient te zijn afgestemd op realisering van lokale en regionale samenwerkingsverbanden en op de totstandkoming van een netwerk van advies- en steunpunten huiselijk geweld.

Tot slot meld ik u dat het WODC-onderzoek naar de relatie tussen huiselijk geweld en geweld in het publieke domein, waarvan ik u tijdens het algemeen overleg op 11 maart jl. aankondigde dat het u in juli zou bereiken, vertraging heeft opgelopen bij de uitvoering. Het zal u uiterlijk 1 december a.s. bereiken.

De Minister van Justitie, J.P.H. Donner

[1] Algemeen Overleg Huiselijk Geweld op resp. 27 november 2001 (Kamerstukken II 2001-2002, 28000 VI, nr. 49) en op 5 december 2002 (Kamerstukken II 2002-2003, 28 345, nr. 3) en bij motie van lid Van Oerle-van der Horst c.s. (Kamerstukken II 2002-2003, 28 600 XV, nr. 102)
[2] Kamerstukken II 2001-2002, 28 345, nr. 2
[3] K.D. Lünnemann, P.J.P. Tak, D.J.G. Piechocki, Interventie door uithuisplaatsing; De juridische mogelijkheden van uithuisplaatsing van plegers van huiselijk geweld in Oostenrijk en Duitsland, Utrecht: Verwey Jonker-Instituut (i.o.v. het Ministerie van Justitie), juli 2002
[4] K.D. Lünnemann, A. Overgaag, “De pleger het huis uit; knelpunten bij crisisinterventie en juridische mogelijkheden tot uithuisplaatsing van plegers van geweld binnenshuis’, Utrecht: Verwey Jonker-Instituut (i.o.v. het Ministerie van Justitie), januari 2003
[5] In deze nota wordt over plegers van huiselijk geweld gesproken in de mannelijke vorm. Het lijdt geen twijfel dat huiselijk geweld gepleegd kan worden door mannen en vrouwen en dat het vrouwelijke en mannelijke slachtoffers kent.
[6] Kamerstukken II 2001-2002, 28484, nrs.1-2
[7] Kamerstukken II 2003-2004, 28 345, nr.5
[8] Zie “Samenwerken aan een krachtige stad, uitwerking van het grote stedenbeleid 2005-2009 (GSB III)”, BZK, Den Haag april 2004.



 
Omhoog

Over de scheefgetrokken voorstelling van huiselijk geweld in Nederland en het wetenschappelijk onderzoek over huiselijk geweld

O(penbaar) M(inisterie) heeft blinde vlek voor vrouwelijk geweld
Wim Orbons en Peter Prinsen

Vrouwen maken zich net zo schuldig aan huiselijk geweld als mannen. Dat komt echter niet tot uiting in het beleid van het OM, constateren Wim Orbons en Peter Prinsen.


Bij huiselijk geweld wordt onmiddellijk gedacht aan de vrouw als slachtoffer en de man als dader. Dit is grotendeels te wijten aan de Bossche advocaat-generaal Annemarie Brughuis en de
Rotterdamse politiecommissaris Gerda Dijksman (tevens landelijk projectleidster van het project Huiselijk Geweld) die deze onjuiste informatie in de media hebben gebracht. Het gebrek aan magistratelijke objectiviteit bij het OM op het thema 'huiselijk geweld' is structureel. Onlangs zag de minister van Justitie zich gedwongen om het OM op de vingers te tikken, zo blijkt uit een brief van de Nationale Ombudsman van 17 december na een klacht over het vervolgings- en sepotbeleid bij huiselijk geweld. Het moet maar eens duidelijk worden gezegd: de meeste kinder ontvoeringen (55 procent) worden gepleegd door vrouwen. De meeste kindermishandeling wordt begaan door vrouwen (bijna twee keer zoveel als door mannen). Ook in huiselijk geweld doen vrouwen niet voor mannen onder. Twee hoogleraren psychologie, Maureen McHugh en Irene Frieze, hebben hun collega-onderzoekers opgeroepen om een bijdrage te leveren aan een binnenkort te verschijnen "Het geweld van vrouwen tegen intieme partners: patronen en verklaringen." Zij verwijzen onder meer naar een analyse van tientallen onderzoeken door de psycholoog Archer, gepubliceerd in een van de meest gezaghebbende wetenschappelijke tijdschriften: Psychological Bulletin. Hieruit blijkt dat vrouwen in relaties minstens even gewelddadig zijn als mannen; vrouwen zijn minstens zo vaak degenen die met geweld beginnen als mannen; vrouwen gebruiken vaker wapens en dat vrouwen alleen geweld gebruiken als zelfverdediging blijkt ook niet te kloppen. Naar huiselijk geweld wordt al jarenlang onderzoek verricht. In de VS (Fiebert, bijna 150 studies), Groot-Brittannië (Archer) en Duitsland (Amendt) komen de genoemde hoogleraren tot de conclusie dat man en vrouw in huiselijk geweld niet voor elkaar onderdoen. Groot verschil is er alleen in de publieke reactie: de mishandelde vrouw roept gevoelens van compassie op, de mishandelde man geringschatting en hoon. Mede daarom zal hij zijn lot heel vaak verbergen en daardoor ontstaat het bekende scheve beeld. Uit Brits onderzoek bleek dat 14 procent van de mishandelde mannen door hun vrouwen het ziekenhuis was ingeslagen, maar dat geen aangifte volgde. Geweld door vrouwen beperkt zich, net als geweld door mannen, niet alleen tot lichamelijke mishandeling. Uit een aantal onderzoeken van Erin Pizzey (een vrouw) blijkt dat vrouwen zich, minstens zo vaak als mannen, gedragen als emotionele en relatieterroristen, met name tijdens en na echtscheiding. Ook uit Nederlands onderzoek (Intomart 1997) en uit de nota Privé geweld, publieke zaak van het ministerie van Justitie (april 2002) blijkt dat niet alleen vrouwen, maar ook mannen slachtoffer zijn van huiselijk geweld, beiden evenveel. Deze uitkomst sluit naadloos aan bij de Britse bevindingen. Het verschijnsel huiselijk geweld wordt door Brughuis en Dijksman niet alleen vervalst, het wordt ook opgeblazen. Brughuis spreekt over 'het grote maatschappelijke probleem.' Aan recent onderzoek van de juriste Maria Egelkamp in Duitsland en Nederland, waarin dit 'geweld' sterk wordt gerelativeerd, wordt door Brughuis en Dijksman geen aandacht besteed. Wel door de hoogleraren Buruma (strafrecht) en Crombag (rechtspsychologie). Niet de meldingen bij politie, een blauwe plek, een wond of zelfs een wond die niet is waar te nemen, gelden in een proces-verbaal als 'letsel' volgens Egelkamp. Maar de data van de Eerste Hulp van het ziekenhuis zouden de basis moeten zijn voor cijfers over huiselijk geweld. Daarnaast is er nog een ander aspect: de klacht als wapen in de echtscheidingsstrijd. In de meeste gevallen, 90 procent zowel in Groot-Brittannië als in Nederland, wordt een (verlate) beschuldiging uitgesproken gedurende of na afloop van psychotherapie. Hierover hoor je Brughuis en Dijksman niet. Professor W. Wagenaar sprak recent zelfs over 50 procent valse aangifte na echtscheiding en riep het kabinet op om valse aangifte automatisch te gaan vervolgen om te voorkomen dat dit volksziekte nummer 1 gaat worden. Brughuis schrijft: 'Ik herken de categorieën van valse aangiften allemaal en kan er ook een paar voorbeelden van geven. Maar dat zijn er geen tientallen.' Brughuis en Dijksman gaan er prat op dat ze huiselijk geweld op de politieke agenda hebben gekregen. Daar is niets mis mee. Wel dat zij bij voortduring en tegen beter weten in onjuiste informatie in de pers brengen. Dat zet de politieagenten aan om vooral de vrouw onmiddellijk te geloven en te beschermen en de man tot dader te stigmatiseren. Dijksman ondersteunt net als Brughuis de onjuiste en eenzijdige cijfers over huiselijk geweld. Nu enkele journalisten de dames te kijk hebben gezet lijkt er een verschuiving zichtbaar. Nu zijn de allochtonen mannen de boosdoeners: we horen sinds kort dat de Blijf-van-mijn-Lijfhuizen voor het overgrote deel vol zitten met allochtone vrouwen. Maar steeds meer valt te beluisteren dat allochtone vrouwen niet onderdoen voor hun autochtone seksegenoten. Het zou de gezaghebbende dames sieren om huiselijk geweld evenwichtiger en terughoudender aan te pakken en daarbij de maatschappij niet steeds te misleiden vanuit een feministisch geïnspireerde visie en uitspraken die vooral uit mythen bestaan. Tegenwoordig tellen blijkbaar niet meer de feiten maar de belevingen, ook in het strafrecht, want de laatste jaren zijn indirecte bewijzen steeds zwaarder gaan wegen. Zouden Brughuis en Dijksman niet andere prioriteiten moeten stellen: een goed functionerend politieapparaat en OM? Onzindelijk denken is bij het OM normaal. Wordt een valse aangifte tegen een man uiteindelijk (gelukkig) geseponeerd, dan krijgt de ongelukkige in de sepotbrief niettemin standaard een waarschuwing: 'Mocht er in de toekomst opnieuw een proces-verbaal tegen u worden opgemaakt, dan zal strafvervolging in die nieuwe zaak in beginsel worden doorgezet.' De Nationale Ombudsman moest er aan te pas komen om de minister van Justitie te bewegen het College van procureurs-generaals op de vingers te tikken voor dit gebrek aan objectiviteit.

Wim Orbons
is voormalig directeur en secretaris van een gezondheidszorgorganisatie en
Peter Prinsen
is gewezen familierechtadvocaat.
Met dank aan één van de auteurs die ons het artikel heeft toegezonden.

In de Volkskrant van 07-01-2004 Pagina 11 Forum - Opinie
(Tekst toegezonden door Wim Orbons)

 

 
Omhoog

Moordwijven - Vrouwen zijn thuis agressiever dan mannen

In het 20 juni-nummer 2003 van het Nederlandse weekblad HP - De Tijd schrijft Theo Richel een artikel over

Het agressieve geslacht.Huiselijk geweld wordt voornamelijk geassocieerd met mannen. Maar studies geven aan dat vrouwen net zo agressief kunnn zijn : vijftig procent van de klappen thuis komt voor rekening van vrouwen. Waarom wordt mannelijke agressie consequent opgeblazen en vrouwelijke afgezwakt ? Klik hier


 
Omhoog

Een nieuwe wet op het huiselijk geweld van kracht in België (februari 2003)

Een anti-mannen-wet !!!Agressieve mannen verliezen hun huis !


Vanaf vandaag is de nieuwe wet op het echtelijk geweld van kracht. Die moet mishandelde vrouwen beter beschermen tegen hun agressieve echtgenoten. En ook andersom. De wet-Onkelincx verandert twee dingen :

*De maximumstraf voor gewone slagen aan echtgenoten, ouders of kinderen verdubbelt. Ze komt nu op 1 jaar, zodat voorlopige hechtenis mogelijk wordt. De dader wordt dan direct uit de gezinswoning verwijderd. Deze regeling geldt ook bij koppels die wettelijk samenwonen.

* De vrederechter moét de echtelijke woning voorlopig toewijzen aan het slachtoffer van het geweld als dat slachtoffer het vraagt. Het moet wel zelf de procedure opstarten en het geweld bewijzen met processen-verbaal, medische attesten of getuigenissen. Maar de brutale echtgenoot of echtgenote mag daarna niet meer binnen. Nu gaan geslagen vrouwen meestal op de vlucht voor hun gewelddadige mannen. Waar moeten geslagen mannen naartoe, want er bestaan voor mannen geen vluchthuizen?

Deze regeling geldt bij slagen, verkrachtingen of poging tot moord en doodslag. Maar ook wanneer de echtgenoot of echtgenote "giftige stoffen", zeg maar drugs, toedient. Ze geldt alleen voor gehuwden en wettelijke samenwoners. Niet dus voor feitelijke samenwoners. De rechter mag in uitzonderlijke gevallen het slachtoffer toch ongelijk geven, als dat in het belang van de kinderen is.

Commentaar :

Uiteraard keuren wij huiselijk geweld ten stelligste af. Maar ook deze inhumane wet verwerpen wij met grote kracht. Wij weten dat ze bijzonder veel ellende, onredelijkheid en onmenselijkheid zal doen ontstaan. Ze is gesproten uit een machtige feministische lobby, die onvervaard en onbeschaamd stelt dat exclusief vrouwen slachtoffer worden van huiselijk geweld, waar we toch weten uit talrijke wetenschappelijke studies dat vrouwen meer geweld plegen dan mannen in huiselijke situaties. We vermoeden een grootschalig misbruik van deze wet door de psychisch sterksten en daarom wensen wij ten stelligste deze wet weg uit het Belgische recht.

G.D.

 
Omhoog

Belaging of stalking

Belaging is een oerdegelijk oud Nederlands woord. We geven daaraan de voorkeur op stalking, dat de laatste tijd veel wordt gebruikt. Mensen die scheiden komen bij dat gebeuren ook dikwijls met het verschijnsel belaging in aanraking hetzij als slachtoffer hetzij als dader. Belaging is een vorm van geweld en is in alle omstandigheden afkeurenswaardig. We brengen hieronder algemene maar nuttige informatie over het fenomeen dat bij wet strafbaar is.

De laatste jaren kwam het fenomeen belaging vaak in het nieuws, vooral door bekende personen die soms maanden- of zelfs jarenlang door een gestoorde fan achtervolgd en gepest worden. Maar het grootste deel van de slachtoffers, en dat zijn er heel veel, zijn gewone mensen. Bovendien is belaging geen nieuw verschijnsel, enkel de term stalking en de aandacht ervoor zijn veeleer recent. Die aandacht is dus terecht en broodnodig, want veel mensen zijn er het slachtoffer van.De letterlijke vertalling van het woord stalker is een 'jager die zijn prooi besluipt'. Onder de term belaging verstaat men het dwangmatig achtervolgen, lastig vallen en terroriseren van iemand. De belager wil controle over het slachtoffer uitoefenen om zijn of haar leven voortdurend te kunnen verstoren, waardoor die persoon gaat vrezen voor zijn of haar veiligheid. De belager wil dan ook alles doen om op de hoogte te blijven van het doen en laten van het slachtoffer. Door de voortdurende confrontatie met de ondermijnende activiteiten van de belager, die een constante dreiging vormen, kan het slachtoffer met zijn/haar gezin na verloop van tijd in een steeds groter isolement terechtkomen.Zowel mannen als vrouwen kunnen dader of slachtoffer zijn van belaging, hoewel de meeste stalkers mannen zijn en de meeste slachtoffers vrouwen (volgens Amerikaans onderzoek zijn in 75 tot 80% van de gevallen belagers mannen en de slachtoffers vrouwen). Belagers zijn te vinden in alle leeftijdscatergorieën en in alle lagen van de bevolking.De belager laat niet toe dat het slachtoffer zich aan zijn of haar macht onttrekt. Het zijn relatiestalkers, ex-partners die zich er niet bij kunnen neerleggen dat de relatie echt voorbij is. Een andere categorie zijn de familie- of burenbelagers, aanbidders en pesters.De relatiestalkers leven in de waan dat zij en hun doelwit voor elkaar bestemd zijn. Dat soort belager laat zijn oog vallen op iemand die daar niet mee gediend is. Het slachtoffer kan iemand zijn die ze kennen, maar het kan ook een compleet onbekende zijn. Er zijn ook de erotomanen die denken dat het slachtoffer, meestal een bekend persoon, verliefd is op hem of haar, alleen weet die dat zelf nog niet. De bedoeling van belaging is het leven van het slachtoffer door allerhande pesterijen compleet de vernieling in te helpen. Dat kan leiden tot of gepaard gaan met fysiek of seksueel geweld.Belaging kan allerlei vormen aannemen: bedreigingen, dreigbrieven aan het slachtoffer zelf, aan familieleden of vrienden, telefoonterreur, achtervolgingen buitenshuis, opzettelijke aanrijdingen, post vatten bij het slachtoffer thuis of op het werk, op dubieuze wijze binnendringen in de leefomgeving (familie, werk), verspreiding van pertinente leugens bij derden, allerhande beschadigingen.

Wat zegt de wet ?

De wet van 30 oktober 1998 (Belgisch Staatsblad, 17 december 1998) stelt belaging strafbaar. Die wet die vervat zit in artikel 442 bis van het Strafwetboek, luidt als volgt : 'Hij die een persoon heeft belaagd terwijl hij wist of had moeten weten dat hij door zijn gedrag de rust van die bewuste persoon ernstig zou verstoren, wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van vijftig frank tot driehonderd frank, of met één van die straffen alleen'.De wet tegen stalking stelt alle belagende handelingen strafbaar, waardoor het slachtoffer meer armslag krijgt om snel in te grijpen. Daarnaasst gaat belaging vaak gepaard met verschillende handelingen, die ook onder andere strafwetten vallen.

Wat kan je eraan doen ?


In sommige gevallen kan een slachtoffer van belaging, via een burgerrechtelijke procedure, aan de rechter een straatverbod, een contact- of toenaderingsverbod vragen. Door de strafbaarstelling van belaging heeft het slachtoffer meer strafrechterlijke mogelijkheden.Als slachtoffer moet je steeds zelf bewijzen dat je belaagd wordt en door wie. De bewijslast wordt wel vergemakkelijkt, omdat het bewijs van het kwaadwillig opzet in hoofde van de belager niet geleverd moet worden. Wie beweert dat hij niet wist dat hij zijn slachtoffer belaagde is eveneens strafbaar.Het is aan te raden om na de feiten steeds naar de politie te gaan. Zo heb je, bij een eventueel gebrek aan andere bewijzen, tenminste een proces-verbaal. Bovendien vereist de antistalkingswet dat men klacht indient.Het proces-verbaal bevat enkel de vaststellingen van de politie. Als je verklaring enkel hieruit bestaat, zonder dat er andere bewijzen zijn om echt aan te tonen wie wat heeft gedaan, zal de bewijskracht minder groot zijn. Toch blijft dat belangrijk en kan dat echt helpen.Daarbij is het ook heel belangrijk het gesprek met de politie goed voor te bereiden en eventuele bewijzen te verzamelen. Bewijsmiddelen zijn o.m. getuigen, handschrift, vinger- en voetafdrukken, telefoonregistratie, betrapping op heterdaad, bekentenissen...Daarnaast kan er ook een beroep gedaan worden op de wetgeving die de handelingen, die soms met belaging gepaard gaan, bestraffen (zoals bedreigingen, beledigingen, fysiek en seksueel geweld, huisvredebreuk, misbruik van telecommunicatiemiddelen, beschadiging en diefstal).

Eind 1997 werd de vzw Stichting Anti Stalking opgericht. De meeste leden ervan zijn zelf slachtoffer van belaging. Ze bekommeren zich over het lot van medeslachtoffers, doen aan voorlichting over belaging en de gevolgen ervan en streven naar een toegepast wettelijk verbod ervan. De stichting heeft een groot aantal tips en aanbevelingen gebundeld. In wat volgt worden een aantal van hun aanbevelingen kort beschreven.

Tips voor het bewijzen van belaging


+ Gebruik van familie, vrienden en collega's als getuigen. Bij elk getuigenbewijs maakt de rechter eigenmachtig uit of hij al dan niet geloof hecht aan de getuigenverklaring, maar hoe objectiever de getuigen, hoe groter de kans. Een belangrijk bewijsmiddel blijft een door de politie opgemaakt proces-verbaal.
+ Houd een gedetailleerd belagingsdagboek bij. Daarin vermeld je alle gebeurtenissen (plaats, datum, personen) en proces-verbaalnummers. Bewaar alles wat de belager je toestuurt.Een effectief proces komt er vaak pas jaren later, aan aan de hand van dat getuigensteuntje vermijd je een verwarde indruk te maken tijdens de verhoren. Alles wat je kan aantonen en ook de hoeveelheid aantoonbare feiten kan een rol spelen.
+ Telefoonregistratie. Je kan op eigen initiatief je telefoonlijn door Belgacom onder bewaking laten zetten. Zo kan je te weten komen wie je telefonisch lastig valt. Dat verzoek tot registratie moet schriftelijk worden ingediend bij de Ombudsman voor telecommunicatie.Een registratie van Belgacom kan pas indien er contact is tussen de beller en de abonnee. Een aantal belagers weten dat en laten 's nachts gewoon even bellen, genoeg om je wakker te maken, maar niet lang genoeg om de telefoon op te nemen en een registratie tot stand te brengen. Er bestaan echter systemen om vanaf het eerste belletje contact te maken tussen beller en abonnee. Een andere mogelijkheid is je antwoordapparaat zo in te stellen dat het na twee keer rinkelen al in werking treedt.

Praktische tips om je te beschermen tegen belagers


+ Spring heel voorzichtig om met je persoonlijke gegevens te vermelden en geef alleen de hoogstnodige informatie. Vraag je bank desgevallend je adres te verwijderen van bepaalde documenten (persoonlijke cheques...) en vraag je gemeente eventueel om je rijksregisternummer te laten verwijderen van je paspoort, want dat is dé code om inzage te krijgen in al je persoonlijke gegevens.

+ Ga anders om met de telefoon. Als je een geheim telefoonnummer neemt, zorg er dan voor dat het echt nergens geregistreerd wordt. Kijk na of je niet alleen verdwenen bent uit de Witte en de Gouden Gids, maar vraag ook bijvoorbeeld aan het gemeentebestuur om je adres niet te vermelden in hun eigen infoboekjes. Verwittig alternatieve telefoongidsverspreiders. Let erop dat er op je werk of in verenigingen waarvan je lid bent geen adressenbestanden met persoonlijke gegevens worden vrijgegeven. Vraag je familie, je vrienden- en kennissenkring, je buren en ook je collega's discreet om te springen met je persoonlijke gegevens.Dikwijls wordt bij het opmaken van een proces-verbaal je telefoonnummer gevraagd, geef dan het nummer van buren of vrienden.Let erop dat je telefoontoestel of fax je abonneenummer niet doorgeeft. Voor nog andere specifieke systemen kan je steeds contact opnemen met Belgacom. Je moet wel weten dat het nemen van een privé-nummer een telefoonregistratie door Belgacom onmogelijk zal maken.
+ Ontzeg of verhinder de belager de toegang tot je woning. Kijk wie er belt voor je je deur opendoet. Vraag steeds vergunningen en papieren aan het personeel van openbare diensten dat bij je aanbelt. Zorg ervoor dat je naam niet op de bel of de postbus staat, werk eventueel met een andere naam of code en verwittig vrienden en leveranciers. Tracht de inbraakmogelijkheden zoveel mogelijk te beperken. Bescherm ook je auto.
+ Het beveiligen van de werkplaats. Vele belagers achtervolgen hun slachtoffers tot op het werk. Let er eerst en vooral op of je al dan niet gevolgd wordt. Let erop dat je naamkaartjes geen persoonlijke gegevens bevatten en tracht je wagen op een beveiligde plaats te parkeren.
+ Licht de mensen in over je belagingsprobleem. Waarschuw familie, vrienden, buren, werkgever en collega's, zodat ook zij de nodige aandacht hebben voor verdachte personen.

Een belager zal je leven en tewerkstelling met leugens proberen te ondermijnen.

Adressen :- Stichting Anti Stalking Anti Mobbing (SASAM vzw)
tel. 0900 10 033 betalend 0,45 EURO / minuut
E-mail : info@sasam.be of mail@sasam.be
URL : http://www.sasam.be

- Ombudsdienst voor telecommunicatie, Edgard Vandebosch, Ombudsman,
Barricadenplein 1 - 1000 Brussel,
tel. 02/223 09 09

Tekst verschenen in het BMGK-tijdschrift Hoop! - 24e jg. nr. 6 - juni 2002 - hier lichtjes aangepast.

_____________________________

Onderzoek naar de verschillende vormen van belaging vanuit de ervaringen en beleving van het slachtoffer. Klik hier
Eindwerk in de Agogische wetenschappen, Sociale Agogiek
Tim Govaerts
Promotor: Prof. dr. Tony Van Loon
Organisatie: Beweging tegen Geweld - Vzw ZIJN
Academiejaar 2005-2006
Thesis VUB : Onderzoek naar verschillende vormen van belaging ’05/’06



 
Omhoog

HUISELIJK GEWELD TEGEN MANNEN
Bewustmakingsweek van 3 tot 9 december 2001

De eerste week van december is aangewezen als "bewustmakingsweek van huiselijk geweld tegen Mannen". Mannen worden evenzeer als vrouwen slachtoffers van huiselijk geweld. Dat wees een recent onderzoek in Ierland uit. Een deel van het onderzoek, inbegrepen dat gedeelte dat werd uitgevoerd voor de "Marriage and Relationship Counselling service" (MRCS - Hulpverleningsdienst voor huwelijk en relaties), toont aan dat vrouwen er meer toe geneigd zijn geweld te begaan tegen hun partners in intieme relaties. Dat rapport, gebaseerd op een doorlichting van 530 cliënten van MRCS, kwam tot de bevinding dat waar huiselijk geweld voorkomt in 33% van de gevallen er wederzijds geweld is, vrouwelijk gepleegd geweld telt voor 41 % en mannelijk gepleegd geweld komt op 26 % uit. Onderzoek uitgevoerd door Accord kwam tot gelijkaardige bevindingen. Die constateringen waren geen verrassing voor Mary Cleary, stichtster van Amen, de hulpverleningsgroep voor mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld. Mevr. Cleary zei : "Elke dag horen we van mannen die geleden hebben onder de hardste mishandeling door de handen van hun vrouwelijke partners. Mishandelde mannen zijn altijd meer geïsoleerd geweest dan mishandelde vrouwen wegens de ontkenning dat zij bestaan op maatschappelijk en officieel niveau en door het ontbreken van hulpdiensten voor hen." Maar dankzij het werk van Amen gedurende de laatste vier jaar is de houding tegenover hen aan het veranderen. Het doel van de week die op 3 december 2001 begint, aan te wijzen als "Bewustmakingsweek van huiselijk geweld tegen Mannen" is voort te bouwen op wat tot op vandaag werd gerealiseerd in het wekken van bewustzijn van de benarde positie van misbruikte mannen.Bovenop het wekken van een ruimer algemeen bewustzijn tegenover de thematiek heeft Mary Cleary ook het vertrouwen dat Amen over korte tijd de beschikking heeft over hulpbronnen om de ondersteuningsdiensten voor die mannen te verbeteren. Het Ministerie voor Gezondheid en Kinderen (in IERLAND) heeft over dat thema ook onderzoek uitgevoerd en zal binnenkort de resultaten daarvan publiceren. Recente contacten met het Ministerie wijzen erop, dat het nu aanvaardt dat het zijn verantwoordelijkheid heeft in dat opzicht en Mary Cleary hoopt erop dat Staatsinstellingen hun verplichtingen tegenover mishandelde mannen zullen nakomen zoals ze dat normaal ook doen tegenover mishandelde vrouwen.

(Persmededeling uitgaande van Mevrouw Mary Cleary van Amen - Ierland - uit het Engels vertaald door Ghislain Duchâteau op 1 dec. 2001)

Society does not have the right to discriminate against
victims of domestic violence because of their gender.
De maatschappij heeft het recht niet discriminatie toe te passen tegenover
slachtoffers van huiselijk geweld omwille van hun geslacht.

http://www.amen.ie/side.html

De beste website over huiselijk geweld tegen mannen

Overzicht websites huiselijk geweld

Domestic ViolenceAmen Ireland
Domestic Violence Centre, Auckland, NZ
Domestic Violence and Children
Domestic Violence and Incest Resource Centre
Home Office Domestic Violence Pages
Feminist Gateway (Violence Against Women)
Gay Men's Domestic Violence Project
Husband Battering
Information for Practice
Intimate Partner Violence
Killing the Beloved
Men and Domestic Violence Index
Men For Change
Minnesota Center Against Violence and Abuse
National Clearinghouse on Family Violence (Canada)
UNICEF Domestic Violence Resources
Violence Against Women Online Resources
Welfare, Work and Domestic Violence 2001

Geweld van vrouwen tegen mannen: overzicht van onderzoeken en studies : http://www.sos-papa.com/parlement/020105/
Martin S. Fiebert, Department of Psychology, California State University
Artikels over de controverse over huiselijk geweld door Dr. Reena Sommer uit Canada :http://www.reenasommerassociates.mb.ca/a_new.html
http://www.reenasommerassociates.mb.ca/a_wfn.html
Huiselijk geweld - website van Theo Richel met Nederlandse en Engelse teksten over huiselijk geweld - geeft de kant van de man als slachtoffer bloot - op het Internet vanaf 7 februari 2003 :http://www.huiselijkgeweld.info/

(Bron : http://www.sos.com)


 
Omhoog

Mannen en Huiselijk Geweld : Wat onderzoek ons vertelt

(The English version follows below, followed by an AMEN statement about it)

Amen in Ierland bekommert zich al 5 jaar om de mythe van het mannelijk geweld tegen vrouwen in huiselijke situaties te bekampen. Wetenschappelijke onderzoeken tonen overduidelijk aan dat vrouwelijk geweld tegen mannen domineert op geweld van mannen tegen vrouwen. De Ierse Minister van Gezondheid en Kinderen is blijkbaar niet in zijn nopjes met het ontkrachten van de hardnekkige mythe van het mannelijk geweld en hield gedurende meer dan twee jaar het rapport achter waarvoor zijn eigen departement de opdracht heeft gegeven.Het rapport werd eindelijk gepubliceerd op 11 februari 2003 en is bereikbaar via de website van het Ierse Gezondsheidsdepartement:
http://www.doh.ie - Look in : What's New
We brengen hieronder in het Nederlands en in het Engels de bruikbare samenvatting van het rapport.

"Mannen en huiselijk geweld : wat onderzoek ons daarover vertelt"
door Kieran McKeown en Philippa KiddKieran MacKeown Limited,
Social & Economic Redearch Consultants, Dublin, IerlandRapport voor het Departement Gezondheid en KinderenOktober 2000

Bruikbare samenvatting
"De dingen moeten niet enkel bekeken worden om ze te geloven, maar ook moeten ze geloofd worden om gezien te worden".

Stan Gooch, wetenschapper en auteur, 1990.
Deze studie werd ons opgedragen om te voorzien in een breed overzicht van het meest recente onderzoek over huiselijk geweld tegen mannen. Ze werd geschreven om vijf sleutelvragen te beantwoorden over huiselijk geweld tegen mannen. Hier zijn onze antwoorden in samengevatte vorm :

Binnen welke context kunnen we huiselijk geweld tegen mannen overzien ?
Op het gebied van het huiselijk geweld bestaat er een neiging om ervan uit te gaan dat in de overgrote meerderheid van de gevallen mannen alleen de plegers zijn en vrouwen alleen de slachtoffers. Deze opvatting werd onlangs in vraag gesteld door de toenemende waarneembaarheid van mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld. De bestaande opinie over huiselijk geweld is op zichzelf diep geworteld in onze culturele voorstellingen van mannen en vrouwen en die dringen door in het onderzoeksveld, de politieke analyse en de dienstverlening.

Welk onderzoek bestaat er over de verspreiding van huiselijk geweld tegen mannen ?

Er bestaat een enorme literatuur over huiselijk geweld, maar slechts een betrekkelijk klein gedeelte daarvan is relevant voor de vraag over de verspreiding van huiselijk geweld tegen ofwel mannen of vrouwen. De enige fundamentele vereiste om het ruime voorkomen van huiselijk geweld in te schatten bij een bevolking - wat we in dit overzicht hebben beperkt tot mannen en vrouwen in een heteroseksuele relatie - is te beschikken over een willekeurige procedure om een representatieve staal te selecteren en een passend onderzoeksinstrument om zelf aangebrachte ervaringen van huiselijk geweld te meten. Op grond van deze criteria hebben we 9 overzichten uitgekozen : 4 uit de V.S., 2 uit het Verenigd Koninkrijk, 2 uit Canada en 1 uit Nieuw-Zeeland. We maken hierbij geen aanspraak op volledigheid, maar de overzichten behoren zeker tot de belangrijkste en vaak geciteerde gepubliceerde studies tot eind 1999.

Wat is de verspreiding van huiselijk geweld tegen mannen ?

De overeenstemming die voortspruit uit de belangrijkste studies over huiselijk geweld die we hier overzien, is dat in de Engelstalige ontwikkelde landen als de V.S., het Verenigd Koninkrijk, Canada en Nieuw-Zeeland huiselijk geweld wellicht voorkomt in 10 % tot 20 % van alle heteroseksuele relaties - met aanzienlijk hogere verspreidingscijfers bij jongere samenwonende koppels - en ertoe neigt ernstig te zijn in 1/3 van al die gevallen. (1) Deze bevindingen zijn gebaseerd op zelf-rapportering van slachtoffer worden of van geweld veroorzaken door mannen en vrouwen - wat de enige effectieve manier is om zich te vergewissen van de ware verspreiding van huiselijk geweld - ook zelfs waar er een uiteindelijke klaarblijkelijkheid bestaat dat zowel mannen als vrouwen overdrijven in het rapporteren van hun slachtoffer zijn en hun aandeel onderschatten in het veroorzaken van het geweld en er is wat minder uiteindelijke evidentie dat mannen dat meer doen dan vrouwen. Zelfs als we deze conclusies in aanmerking nemen, zijn de resultaten van representatieve studies netjes eensluidend waar ze tonen dat in ongeveer de helft van alle intieme relaties waar huiselijk geweld voorkomt, beide partners gewelddaden plegen met de rest gelijkelijk verdeeld tussen alleen-mannelijk geweld en alleen-vrouwelijk geweld. Het resultaat is voor zelf-rapporterende verspreiding van huiselijk geweld tussen mannen en vrouwen, zowel als slachtoffers dan wel als veroorzakers, het ruim gezien hetzelfde is voor alle typen van geweld zowel psychologisch (2) als fysiek (3), gering of hevig. Toch moet worden beklemtoond dat de blijken van huiselijk geweld in termen van fysiek en psychologisch kwetsen ertoe neigen aanzienlijk negatiever te zijn voor vrouwelijke slachtoffers dan voor mannelijke slachtoffers. Gelijktijdig moet worden beklemtoond dat vrouwen niet alleen slachtoffers zijn en de huidige opinie weerspiegelt niet helemaal de werkelijkheid van het geweld tussen mannen en vrouwen in intieme relaties. Het tegenovergestelde van deze bevindingen moet eveneens worden geaccentueerd : de overgrote meerderheid van mannen en vrouwen zijn niet gewelddadig tegenover elkaar in intieme relaties.

Deze bevindingen zijn moeilijk te verzoenen met het feit dat vrouwen zich eerder dan mannen als slachtoffers van huiselijk geweld voorstellen op de ongevallen- of spoedafdelingen van ziekenhuizen, in vluchthuizen van bedrogen vrouwen, op politiekantoren, in behandelingsklinieken en op zoek naar wettelijke hulpmiddelen. Als je probeert de spanning tussen beide soorten bevindingen te richten, dan is het belangrijk het een noch het andere als onbetekenend over het hoofd te zien. Om een brug van begrip te bouwen tussen de twee resultaten is het belangrijk vier factoren voor de geest te houden :

1. de meest afwijkende vormen van huiselijk geweld zowel van mannen tegen vrouwen als vice versa mogen niet mee inbegrepen worden in de representatieve overzichten van het hier beschouwde type ;
2. mannen veroorzaken meer kwetsuren bij vrouwen dan vice versa en dat zou toe te schrijven zijn aan een grotere verhouding vrouwelijke slachtoffers die zich bij diensten aanmelden ;
3. mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld moeten veel hogere drempels nemen om diensten te bereiken dan vrouwelijke slachtoffers ; en
4. er bestaan veel meer hulpverleningsdiensten voor vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld dan voor mannelijke slachtoffers.

Deze overwegingen zijn niet bedoeld om een volledige verklaring te geven waarom de resultaten van statistisch betrouwbare overzichten van huiselijk geweld zo verschillen van de resultaten van stalen bij gebruikers van hulpverleningsdiensten. Toch suggereren zij dat geen van deze bevindingen veronachtzaamd kan worden en dat huiselijk geweld niet langer afgehandeld kan worden als een uitsluitend vrouwelijke aangelegenheid ; het is een onderwerp dat betrekking heeft op zowel mannen als vrouwen, beide geslachten als slachtoffers en als plegers van het geweld.


(1) Sinds wij onze studie voltooid hebben, werden twee bijkomende nationale overzichten van huiselijk geweld gepubliceerd. De eerste daarvan - het Canadees Sociaal Overzicht over het Slachtoffer worden, 1999 - was gebaseerd op een willekeurige staal van 25.874 mannen en vrouwen en vond dat 2 % mannen en 2 % vrouwen het laatste jaar slachtoffers waren van huiselijk geweld. Dat is geringer dan de verspreidingscijfers die werden opgetekend in de studies die wij onderzochten en dat is wellicht toe te schrijven aan de gehanteerde methodologie (Statistics Canada, 2000). Jammer genoeg laat die studie ons niet toe een vermindering te veronderstellen van huiselijk geweld tussen wederkerig geweld, alleen mannengeweld en alleen vrouwengeweld. De tweede studie - het V.S. nationale geweldoverzicht tegen vrouwen, 1995/6 - was gebaseerd op een willekeurige staal van 16.000 mannen en vrouwen en vond dat 1,1 % vrouwen en 0,6 % mannen het laatste jaar door een intieme partner fysiek waren aangevallen. Daarbij toonde die studie een hoger cijfer van slachtoffer worden bij vrouwen dan bij mannen. Zij toont een veel lager verspreidingscijfer dan dat opgetekend werd in de studies die wij overzagen en dat is wellicht ook toe te schrijven aan de gebruikte methodologie (Tjaden, & Thoennes, 2000). Zoals de Canadese studie laat de studie uit de V.S. ons niet toe te veronderstellen dat er een vermindering is ontstaan van wederzijds huiselijk geweld, alleen mannengeweld en alleen vrouwengeweld. Beide studies dienen ertoe ons eraan te herinneren dat het meten van de verspreiding en de samenstelling van huiselijk geweld hoogst afhankelijk is van de gebruikte methodologieën.
(2) De term psychologisch geweld omvat daden als belediging van of vloeken naar een persoon, mokken of weigeren te praten over een thema, de kamer uit dansen, iets zonder spijt zeggen of doen, bedreiging, met iets gooien of slaan.
(3) Geringer fysiek geweld verwijst naar daden als : naar een persoon gooien, duwen, grijpen, iemand wegstoten of meppen. Hevig fysiek geweld verwijst naar daden als schoppen, bijten of slaan naar een persoon en ook het gebruiken van een mes of een geweer of het bedreigen daarmee.


Welke factoren zijn verbonden met huiselijk geweld ?
Het is vanuit de literatuur duidelijk dat macht een gemeenschappelijk thema is in alle vormen van huiselijk geweld. Relaties waarin een partner dominant is - soms de man, soms de vrouw - lopen een hoger risico op huiselijk geweld dan meer democratische, gelijkwaardige relaties. Slachtoffers van huiselijk geweld ondervinden altijd machteloosheid maar plegers kunnen er ook toe gebracht worden door een gelijkaardig gevoel van machteloosheid. Macht kan een persoonlijkheidsdimensie hebben, maar zij heeft bijna onveranderlijk een economische dimensie en mannelijke en vrouwelijke slachtoffers zitten doorgaans in een zwakke economische positie binnen de relatie. Macht heeft ook een fysieke dimensie, waarbij mensen met een fysieke ongeschiktheid kwetsbaarder zijn dan die daarzonder ; oudere mensen lopen ook meer risico misbruikt te worden. De omvang van die machteloosheid te ervaren in huiselijk geweld kan je waarnemen in het feit dat vrouwelijke slachtoffers typisch voelen dat er niets is dat zij kunnen doen om het geweld te doen ophouden, terwijl mannelijke slachtoffers zichzelf dikwijls de schuld toebedelen voor het geweld dat hun is aangedaan. Zowel mannen als vrouwen kunnen verstrikt raken in een gewelddadige relatie, maar mannen willen minder ontkomen aan gewelddadige relaties, hoewel vrouwen zich een hoger risico aanmeten huiselijk geweld te ondergaan door zich uit die relatie los te maken. Een slechte familiale achtergrond is ook een bevorderende factor in het doorvoeren van huiselijk geweld. Huiselijk geweld is verbonden met een lagere socio-economische status, maar het kan ook worden aangetroffen in alle sociale klassen en is beperkt tot een minderheid binnen elke sociale klasse. Deze bevindingen suggereren dat niet één theorie of paradigma huiselijk geweld zuiver kan verklaren. Toch is er voldoende evidentie om te suggereren dat huiselijk geweld in essentie een aangeleerd gedrag is en daarop berust de hoop dat wat aangeleerd is, ook afgeleerd kan worden.

Welke hulpverleningsdiensten zijn noodzakelijk om huiselijk geweld tegen mannen op te vangen?

Er zijn voorlopig geen diensten voor mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld zelfs niet in landen waar er statistische evidentie bestaat die aanwijst dat huiselijk geweld tegen mannen een substantiële werkelijkheid is. De reden daarvoor is niet enkel de huidige opinie over huiselijk geweld - en de weerstand die dat oproept tegenover de idee dat mannen slachtoffers zouden kunnen zijn van vrouwen - maar de weerzin van mannelijke slachtoffers zelf om zich bij de hulpverlening aan te melden. De werkelijkheid van huiselijk geweld zowel voor mannen als voor vrouwen is dat het gaat om een private, verborgen en dikwijls schaamtevolle vorm van lijden waar weinig anderen wat over vernemen dan de mannen, vrouwen en kinderen die er onmiddellijk bij betrokken zijn. Het merkteken dat je in een gewelddadige relatie zit en de vrees voor zelfs nog meer negatieve gevolgen als anderen daarover wat aan de weet komen, leidt slachtoffers en veroorzakers ertoe samen te spannen om het geweld binnen hun relatie geheim te houden, zodat vrouwen zowel als mannen er afkerig tegenover staan zich bij de hulpverlening aan te melden, tot hun situatie ondraaglijk wordt. Toch is er een aanzienlijke evidentie dat mannen nog meer dan vrouwen afkerig staan om met hun slachtofferschap naar de politie of naar medische autoriteiten te gaan en zij die dat wel doen vanwege die diensten en vanwege de betrokken professionelen vaak negatieve ervaringen opdoen. Zelfs als we het feit aannemen dat in het algemeen mannen minder negatieve gevolgen ondergaan van huiselijk geweld dan vrouwen, speciaal in termen van fysieke verwondingen, die verschillen nauwelijks voldoende de grotere ongelijkheid verantwoorden tussen het getal mannen en vrouwen die zich bij de hulpverlening aanmelden, waarbij we in aanmerking nemen wat we weten over de spreiding van huiselijk geweld tussen mannen en vrouwen.Het wordt heel goed erkend, dat een van de manieren om het probleem van het huiselijk geweld tegen vrouwen tegen te gaan publieke bewustmaking is. Het is evenwel een belangrijke moeilijkheid om de mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld tegemoet te treden, omdat het publieke bewustzijn en de professionele opvattingen vaak heel zwaar beïnvloed worden door de algemene opinie over dat thema ; dat kan de problemen van mannelijke slachtoffers verergeren, omdat die opinie effectief de realiteit van hun ervaring ontkent en bijdraagt tot het wederzijds versterkend proces dat mannen zich niet bij hulpverleningsdiensten aanmelden, terwijl die diensten op hun beurt zich niet ontwikkelen om tegemoet te komen aan de noden van mannen. Hulplijnen, ondersteuningsgroepen en advies moeten een rol vervullen bij het ondersteunen van mannelijke slachtoffers zoals zij dat doen voor vrouwelijke slachtoffers. Die hulpverleningsdiensten zijn echter doorgaans te weinig gesubsidieerd en worden dikwijls bestuurd door niet opgeleide vrijwilligers. Er schijnt dus geen goede reden te bestaan waarom informatie over mannelijke en vrouwelijke hulplijnen niet zouden gepubliceerd worden op dezelfde foldertjes en ruim verspreid bij gezondheidscentra, "Garda stations", dokterskabinetten enz. In Ierland en elders bestaat de opvatting dat in aangelegenheden van familierecht het voor mannen moeilijker is dan voor vrouwen om recht te krijgen bij de familierechtbanken. Of dat nu waar is of niet, toch is het nog moeilijk om te verklaren waarom er voorlopig nog geen rechtszaken aanhangig werden gemaakt in Ierland door mannelijke slachtoffers tegen hun vrouwelijke plegers - in aanmerking genomen dat de letter van de Ierse wet op huiselijk geweld geslachtsneutraal is en dat de verspreiding van huiselijk geweld tegen mannen wellicht gelijk is in Ierland aan wat we hebben aangetroffen in andere Engelstalige ontwikkelde landen. Er lijkt een opvallend ongenoegen te bestaan over de manier waarop het wettelijk systeem het probleem van het huiselijk geweld behandelt, in het bijzonder door mannen maar ook door vrouwen, en het is wellicht geen overdrijving te zeggen dat in ten minste een aantal gevallen het trauma van huiselijk geweld nog verergerd dan verbeterd wordt door het wettelijk systeem zoals dat nu functioneert.

Welke vooruitgang kunnen we voorstellen tegenover de huidige situatie ?
De bevindingen van dit rapport verwijzen naar de behoefte aan een ruimer en veel omvattender paradigma van huiselijk geweld dan over het algemeen toelaatbaar is binnen de bestaande opinie. Op grond van dezelfde redenen maken deze bevindingen het bijzonder moeilijk om op een geloofwaardige wijze een perspectief te ondersteunen over huiselijk geweld dat ervan uitgaat dat in de overgrote meerderheid van de gevallen mannen alleen de plegers zijn en vrouwen alleen de slachtoffers. Het bredere en meer omvattend paradigma van huiselijk geweld dat wordt voorgesteld door de bevindingen van dit rapport vermindert op generlei wijze wat we al weten over het leed aan vrouwen aangedaan door de hand van mannen ; noch mag het in geen enkel opzicht worden gebruikt als een excuus om de hulpverlening aan vrouwelijke slachtoffers van huiselijk geweld te verminderen. Een meer omvattende benadering van huiselijk geweld mag geen wedijver doen ontstaan tussen slachtoffers door de ervaringen van mannen te minimaliseren ten koste van vrouwen of vice versa. Hoewel we geen stevige evidentie hebben over de echte verspreiding van huiselijk geweld in Ierland, ten minste niet in verband met mannelijke slachtoffers en vrouwelijke veroorzakers, lijkt het toch onwaarschijnlijk dat het beduidend afwijkt van andere Engelstalige ontwikkelde landen als de V.S., het Verenigd Koninkrijk, Canada of Nieuw-Zeeland. Daarom zou het verstandig zijn te veronderstellen dat huiselijk geweld tegenover mannen een betekenisvol probleem is en dat wederzijds geweld de belangrijkste vorm is van huiselijk geweld die voorkomt. Dat is de basis voor een meer omvattend paradigma van huiselijk geweld en het vertrekpunt voor een uitgebreidere benadering voor de ontwikkeling van hulpverleningsdiensten voor slachtoffers en plegers van huiselijk geweld.

(Nederlandse vertaling uit het Engels Ghislain Duchâteau 30-12-2002)


Omhoog

Authentic English version

Men and Domestic Violence : What research Tells Usby Kieran McKeown & Philippa Kidd (Ireland)Report to the Department of Health and Children (Ireland)From October 2000 until now - not published by that Department !
The Dept of Health put the report on the website today 11th of February 2003 :
http://www.doh.ie - Look in : What's New Executive Summary
"Things have not only to be seen to believed, but also have to be believed to be seen".

Stan Gooch, scientist and author, 1990.This study was commissioned to provide a broad overview of the most up-to-date research on domestic violence against men. It was written to answer five key questions about domestic violence against men. Here are our answers in summary form: What is the Context for Reviewing Domestic Violence Against Men?

In the area of domestic violence, there is a tendency to assume that, in the vast majority of cases, men are its only perpetrators and women are its only victims. This consensus has recently been brought into question by the emerging visibility of male victims of domestic violence. The existing consensus on domestic violence is itself deeply rooted in our cultural images of men and women and these permeate the field of research, policy analysis and service provision.

What Research Exists On Prevalence of Domestic Violence Against Men?

There is an enormous literature on domestic violence although only a relatively small proportion of it is relevant to the question of determining the prevalence of domestic violence against either men or women. The only fundamental requirement in estimating the prevalence of domestic violence in a population - which in this review we have confined to men and women in a heterosexual relationship - is to have a randomised procedure for selecting a representative sample and an appropriate research instrument for measuring self-reported experiences of domestic violence. Using these criteria we selected nine surveys: four from the US, two from the UK, two from Canada and one from New Zealand. We do not claim that these are exhaustive, but they certainly are among the most important and frequently cited published studies up to the end of 1999.

What is the Prevalence of Domestic Violence Against Men?

The consensus emerging from the major studies of domestic violence reviewed here is that, in English-speaking developed countries such as the US, the UK, Canada and New Zealand, domestic violence probably occurs in about 10% to 20% of all heterosexual relationships - with considerably higher prevalence rates for younger cohabiting couples - and tends to be severe in about a third of all cases (1). These findings are based on self-reports of victimisation and perpetration by men and women - which is the only effective way of ascertaining the true prevalence of domestic violence - even though there is conclusive evidence that both men and women over-report their victimisation and under-report their perpetration and somewhat less conclusive evidence that men may do this more than women. Even when we take these considerations into account, the results of representative studies are fairly consistent in showing that, in approximately half of all intimate relationships where domestic violence occurs, both partners use violent acts, with the remainder divided equally between male-only violence and female-only violence. As a result, the self-reported prevalence of domestic violence among men and women, both as victims and as perpetrators, is broadly similar for all types of violence, both psychological (2) and physical (3), minor and severe. However it needs to be emphasised that the outcomes of domestic violence in terms of physical and psychological injuries tend to be considerably more negative for female victims than for male victims. At the same time, it also needs to be emphasised that women are not the only victims and the existing consensus does not fully reflect the reality of violence between men and women in intimate relationships. The converse of these findings also needs to be emphasised: the vast majority of men and women are not violent to each other in intimate relationships.

These findings are difficult to reconcile with the fact that women are more likely than men to present as victims of domestic violence to the accident and emergency departments of hospitals, to refuges for abused women, to police stations, to treatment clinics and to seek legal remedies. In trying to address the tension between these two findings it is important not to dismiss either of them as insignificant. In order to build a bridge of understanding between the two results, it is important to bear four factors in mind: (1) the most deviant forms of domestic violence - whether of men against women or vice versa - may not be included in representative surveys of the type reviewed here; (2) men inflict more injuries on women than vice versa and this would account for the greater proportion of women victims in services; (3) male victims of domestic violence may face much greater barriers in accessing services than female victims; and (4) there is a much greater range of services for female victims of domestic violence than for male victims. These considerations are not designed to provide an exhaustive explanation of why the results of statistically reliable surveys of domestic violence are so at variance with the results of samples of service users. However they do suggest that neither of these findings can be ignored and that domestic violence can no longer be treated as an exclusively women's issue; it is an issue which affects men as well as women, both as victims and perpetrators.


(1) Since completing our study, two further national surveys of domestic violence have been published. the first of these - the Canadian Social Survey on Victimisation, 1999 - was based on a random sample of 25,874 men and women and found that 2% of men and 2 % of women had been victims of domestic violence in the last year which is lower than any of the prevalence rates recorded in the studies which we reviewed, possibly due to the methodology involved (Statistics Canada, 2000). Unfortunately this study does not allow us to estimate the breakdown of domestic violence between mutal violence, male-only violence and female only violence. The second study - the US National Violence Against Women Survey, 1995/6 - was based on a random sample of 16,000 men and women and found that 1.1% of women and 0.6% of men had been physically assaulted by an intimate partner in the last year which, in addition to showing a much higher rate of victimisation among women than among men, also shows a much lower prevalence rate than that recorded in the studies which we reviewed, again possibly due to the methodology involved (Tjaden, & Thoennes, 2000). Like the Canadian study, the US study does not allow us to estimate the breakdown of domestic violence between mutual violence, male-only violence and female only violence. Both studies serve as a useful reminder that measuring the prevalence and composition of domestic violence is highly sensitive to the methodologies involved. (2) The term psychological violence covers acts such as insulting or swearing at a person, sulking or refusing to talk about an issue, stomping out of the room, saying or doing something out of spite, threatening, throwing or smashing something.

(3) Minor physical violence refers to acts such as throwing something at a person, pushing, grabbing, shoving of slapping a person. Severe physical violence refers to acts such as kicking, biting, hitting or beating a person as well as using or threatening to use a knife or gun.


What Are The Factors Associated With Domestic Violence?
It is evident from the literature that power is a common theme in all forms of domestic violence. Relationships in which one partner is dominant - sometimes the man, sometimes the woman - are at higher risk of domestic violence than more democratic, egalitarian relationships. Victims of domestic violence invariably experience powerlessness but perpetrators can also act out of a similar sense of powerlessness. Power can have a personality dimension but it almost invariably has an economic dimension and male and female victims are usually in a weak economic position within the relationship. Power also has a physical dimension in that people with a physical disability are more vulnerable than those without; elderly people can also be at risk of abuse. The extent of powerlessness experienced through domestic violence can be seen in the fact that female victims typically feel that there is nothing they can do to stop it while male victims often blame themselves for the violence inflicted upon them. Both men and women can be trapped in a violent relationship but men seem more unwilling than women to leave violent relationships, although women place themselves at higher risk of domestic violence by trying to do so. Abusive family backgrounds are also a contributory factor in the perpetration of domestic violence. Domestic violence is associated with lower socio-economic status but of course it can be found in all social classes and is confined to a minority within every social class. These findings suggest that no one theory or paradigm can properly explain domestic violence. However there is sufficient evidence to suggest that domestic violence is essentially a learned behaviour and therein lies the hope that what is learned can be unlearned.

What Services Are Needed to Address Domestic Violence Against Men?
There are virtually no services for male victims of domestic violence even in countries where there is statistical evidence to indicate that domestic violence against men is a substantial reality. The reason for this is not just the existing consensus about domestic violence - and the resistance which this creates to the idea that men could be victimised by women - but the reluctance of male victims themselves to present for services. The reality of domestic violence for men as well as women is that it is a private, hidden and often shameful form of suffering that few ever hear about other than the men, women and children who are immediately involved. The stigma of being in a violent relationship, and the fear of even more negative consequences if others know about it, lead victims and perpetrators to conspire in keeping secret the violence in their relationship so that women as well as men are reluctant to present for services until their situation becomes intolerable. However there is considerable evidence that men are even more reluctant than women to report their own victimisation to the police or medical authorities and those that do often have negative experiences from these services and the professionals involved. Even if we allow for the fact that men in general seem to suffer less negative outcomes of domestic violence than women, particularly in terms of physical injuries, these differences are scarcely sufficient to account for the major disparity between the number of men and women who present for services, given what we know about the prevalence of domestic violence between men and women.

It is well recognised that one of the ways of addressing the problem of domestic violence against women is to raise public awareness. However a major difficulty facing the male victims of domestic violence is that public awareness and professional perceptions are often very heavily influenced by the existing consensus on this issue; this can exacerbate the problems of male victims because it effectively denies the reality of their experience and contributes to the mutually reinforcing process that men do not present for services while services, in turn, do not develop to respond to men's needs. Help lines, support groups and counselling have a role in supporting male victims as they do for female victims. However these services are typically under-funded and sometimes run by untrained volunteers. Also, there seems to be no good reason why information about male and female help lines could not be published on the same leaflets and disseminated widely through health centres, Garda stations, doctor's surgeries, etc. In Ireland as elsewhere there is a perception that, in matters of family law, it is harder for men than women to get justice in the family courts. Whether or not this is true, it is still difficult to explain why there have been virtually no cases in Ireland taken by male victims against their female perpetrators in view of the fact that the letter of Irish law on domestic violence is gender neutral and the fact that the prevalence of domestic violence against men is probably similar in Ireland to that which we have found in other English-speaking developed countries. There seems to be a good deal of dissatisfaction with the way in which the legal system handles the issue of domestic violence, particularly by men but also by women, and it is probably no exaggeration to say that, in some cases at least, the trauma of domestic violence may be exacerbated rather than ameliorated by the legal system as it presently operates.

What is the Way Forward from Here?

The findings in this report point to the need for a larger and more inclusive paradigm of domestic violence than is currently allowable within the existing consensus. By the same reasoning, these findings also make it extremely difficult to sustain credibly a perspective on domestic violence which assumes that, in the vast majority of cases, men are its only perpetrators and women its only victims. The broader and more inclusive paradigm of domestic violence which is suggested by the findings of this report in no way diminish what we already know about the suffering caused to women at the hands of men; nor should it be used in any way as an excuse to reduce services for women victims of domestic violence. A more inclusive approach to domestic violence should not create competition between victims by minimising the experiences of men at the expense of women or vice versa. Although we have no firm evidence on the true prevalence of domestic violence in Ireland, at least not with respect to male victims and female perpetrators, it seems unlikely that it should be significantly different to other English-speaking developed countries such as the US, the UK, Canada or New Zealand. For this reason, it would be reasonable to proceed on the assumption that domestic violence against men is a significant problem and mutual violence is the main form in which domestic violence tends to occur. That is the basis for a more inclusive paradigm of domestic violence and the starting point for a more comprehensive approach to the development of services for the victims and perpetrators of domestic violence.
For full report go to
http://www.doh.ie - Look in : What's New

12th February 2003.

Statement from Amen on the Department of Health report on domestic violence

Amen welcomes the release of the Department of Health report on domestic violence which shows that women are equally as likely as men to initiate domestic violence. We have been calling for the release of this important report since it was presented to the Minister in October 2000. These findings reflect those of the only other two-sex studies on domestic violence carried out in Ireland as well as Amen's experience since it was set up five years ago. A survey of 1,000 couples and 1,500 individuals, carried out for ACCORD, found that in the 53% of cases where there was domestic violence, 46% involved mutual violence; in 30% of cases it was perpetrated by women only and in 24% by men only. In 2001 another study carried out for the Marriage and Relationship Counselling Service (MRCS) found that mutual violence accounted for 33% of cases, female perpetrated violence for 41% and male perpetrated violence for 26%.What is of most importance now is how the Government will respond to the emerging truth. It is now clearly established, beyond any doubt, that the existing consensus on which domestic violence policy is based, is deeply flawed. Persisting with the 'violence against women' model to the exclusion of men and men's groups is indefensible. The truth now established demands that current policies and structures be dismantled and that men’s experiences and men’s organisations be granted ‘parity of esteem’ in formulating new policies and structures to deal with domestic disharmony in an honest, positive and constructive manner. Those who continue to deny the truth, by insisting that domestic violence is a gender issue rather than a social/family issue, are inhibiting progress. The Department of Health report comments on the lack of services for male victims and on the need to raise public awareness. Over the past five years Amen has made submissions to the Minister seeking funding to develop our services for male victims. Now that this report has finally been published we are asking that Minister Micheal Martin respond immediately to our submissions. Failure to do so will perpetuate the damage being done to men, women and children.

Mary T Cleary

Amen, 9/10 Academy Street, Navan, Co. Meath.046 76864; 086 6013448.


 
Omhoog

Fysiek geweld bij scheiding

Een nieuwe studie in 2002 aan de Universiteit van Bremen in Duitsland vanwege Prof. Gerard Amendt toont aan dat bij (echt)scheiding in 22% mannen en vrouwen elkaar slaan, in 18% de mannen de vrouwen slaan en in 60 % de vrouwen de mannen slaan. Dat waren nog maar voorlopige resultaten. De studie werd verdergezet tot in 2003 en dan zouden de resultaten duidelijker en betrouwbaarder zijn. Dergelijke resultaten stemmen toch tot nadenken. De weerslag van fysiek geweld op mannen en vrouwen in (echt)scheiding moet psychologisch nog veel groter zijn en van langere duur dan het fysieke effect. Dat bemoeilijkt alleszins in sterke mate de afwikkeling van de scheiding als dusdanig en heeft wellicht een nefaste invloed op de psychische ontwikkeling van de betrokken kinderen.

20-2-02
In Engeland wordt nu een ernstige stap gezet van officiële zijde om in de nabije toekomst in verband met huiselijk geweld mannen en vrouwen op gelijke wijze te behandelen waar dat nu toe nog niet het geval is. Vrouwen hebben vluchthuizen, voor mannen bestaan er geen.
Daarover vind je informatie door te klikken op de volgende link van The Observer :

http://www.observer.co.uk/politics/story/0,6903,977818,00.html

Intussen heeft prof. Amendt, voorheen prof. in Bremen inzake geslachts- en generatieonderzoek, zijn studies verdergezet. In 2004 publiceerde hij het boek 'Scheidungsväter. Wie Männer die Trennung von ihren Kindern erleben', Ikaru-Verlag. In 2008 verscheen het werk in het Engels "I did not divorce my kids! How Fathers Deal with Family Break-Ups".
In verband met geweld is zijn artikel van 10 augustus 2008 merkwaardig "Why Women's Shelters are the Hotbeds of Misandry". Daarin komt prof. Amendt tot het besluit dat vluchthuizen voor vrouwen de devaluatie van de mannelijkheid bevorderen en dat ze vervangen moeten worden door centra voor gezinsconsultatie.

G.D.

Bijgewerkt op 12-9-2010


 
 
 
Laatste update : 22 mei 2014| Vragen welkom bij : Webmaster Top | Home