Informatie - Gezinnen
 

Adviezen | Advocaat | Bank | Belastingen | Bestaansmiddelen | Detective | Deurwaarder | Echtelijke woning
Echtscheiding door onderlinge toestemming | Erfenis | Gezinnen | Gezinswoning | Gevoelens | Gevolgen echtscheiding
Geweld | Hulpverlening | Huwelijksplichten | Huwelijksstelsel | Jongeren na echtscheiding | Jurisprudentie Justitiehuizen | Kerk | Leven na scheidingNieuwe gezinsvormen | Nieuwe relatie | Nieuw-samengestelde gezinnen
Notaris | Omgangsrecht | Onderhoudsgelden | Onderwijsaangelegenheden | Ouderlijk gezag | Ouder-naam
Ouderschapsbemiddeling | Overlijden | Overspel | Procedure | Relaties | Samenwoning | Scheidingsbemiddeling Vaderschap bij scheiding | Vereffening en verdeling | Wetgeving | Woonstvergoeding

Artikels :
- Johan en Arlette , eerst broer en zus, daarna man en vrouw
- Het gezin blijft op één... 2-2-2011
- Twintig procent van de huwelijken strandt (Nederland) - Steven de Jong 20-10-2010
-
"Zin in gezin
Kan levensbeschouwing de duurzaamheid van gezinsrelaties bevorderen?"

- Over onthutsende toestanden bij de uithuisplaatsing van kinderen uit hun gezin in Nederland
- Een onmenselijke leugen - Gerard Bodifée
- Project "Waanzin van het gezin" - met studiedag op vrijdag 18 november 2005 Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen - Schaarbeek
- De gewijzigde positie van gezinnen in Noord-West-Europa. Een beschouwing over structurele en culturele veranderingen binnen gezinnen en de samenleving - Kees de Hoog
- Het einde van het gezin? Omtrent de afscheidsrede van gezinssocioloog Kees de Hoog
- Spitsuurgezin is fnuikend voor hoger geboortecijfer - Theo Richel en Wim Orbons in het Financiële Dagblad 3 maart 2005
- Evelyn - merkwaardige en knappe familiefilm
- Dwaze opa's en oma's - Reportage rond het boek "Als je kind gaat scheiden" Marijke en Manon Sikkel
- De politiek van de gezinsdestructie in de V.S. art. van Stephen Baskerville
- Samen voor ons eigen
- Grootouderschap in de kijker
- Ouderschapsarrangement in internationaal perspectief
-
Gezinsdrama's
Omhoog
 

Johan en Arlette , eerst broer en zus, daarna man en vrouw

STIEKEM KUSJES UITWISSELEN MET JE STIEFZUS

Een mislukt huwelijk is al lang geen taboe meer.  De economie speelt voortaan graag in op de noden van het nieuw samengesteld gezin, met grotere auto’s, aangepaste polissen en dubbel zoveel Sinterklaas. TOT TWEE STIEFKINDEREN VERLIEFD WORDEN OP ELKAAR. DAN WORDT HET WEER EVEN STIL. Johan en Arlette weten niet goed waarom. ‘Wij zijn geen bloedverwanten. Zo simpel is het toch. Of niet, misschien?’

Johan en Arlette kusten elkaar voor het eerst op vakantie met het hele gezin. Stiekem in een stapelbed. Verder dan strelen ging het niet. Omdat ze niet durfden. Omdat het raar was. Zij was zestien, hij negentien.
Inmiddels zijn ze twintig jaar samen en hebben ze drie kinderen. Er is veel veranderd sindsdien, behalve één ding: ‘We zijn nog altijd stiefbroer en stiefzus. Daar hoeven we ons niet voor te generen. Voor ons is het allang normaal. Het is waar dat je weinig hoort over stiefkinderen met een relatie. Maar om het daarom te klasseren als een nieuw taboe… Ouders van nieuw samengestelde gezinnen staan er gewoon niet bij stil. Tenslotte hebben ze bij een scheiding wel wat anders aan hun hoofd. Ze hopen alleen maar dat het goed klikt tussen de kinderen. Zolang mijn kinderen maar geen ruzie maken met jouw kinderen, dat is de grote bezorgdheid. Daarom waren onze ouders ook zo blij dat we ineens goed met elkaar konden opschieten. Ze wisten allen niet dat we een relatie hadden.’ (lachen)

Verwend nest

Johan: ‘Ik was negen jaar toen mijn ouders scheidden. Voortekens had ik nooit gezien. Tot mijn zus en ik ineens op weekend gingen bij de beste vriendin van mijn moeder. Daar heb ik een flard gesprek opgevangen. Pas toen heb ik gevoeld dat er iets niet pluis was. Mama was ziek, zeiden ze. Maar toen we terug thuis kwamen, was haar kleerkast leeg. Ik herinner me dat ik toen heel hard geroepen en gehuild heb. Mama was weg. Het leek eindeloos. Het voelde alsof ik haar een heel jaar niet meer zag. Achteraf bleken het maar een paar maanden geweest te zijn.’
‘Daarna zijn we naar Genk verhuisd, naar mama en haar tweede man. Om de twee weken waren we een weekend bij papa. Daar heb ik Arlette voor het eerst gezien, echt een verwend nest. Maar ik maakte me geen zorgen. Tenslotte had ik al een paar vriendinnen van mijn vader zien komen en gaan. Voordien was er nog een mooie vrouw geweest met een vervelend zoontje.’

Arlette: ‘Mijn ouders zijn officieel uit elkaar gegaan toen ik naar het derde leerjaar ging. Ze hadden veel ruzie, maar begrijpen deed ik het niet. Gescheiden ouders bestonden amper in die tijd. Bovendien zijn mijn ouders geen praters. Voor mij was de situatie helemaal niet duidelijk. Ik verhuisde met mijn moeder naar een andere stad en ik moest naar een nieuwe school waar ik niemand kende. Ik had het lastig met haar nieuwe man. Die Bernard zat ook de hele tijd aan mijn moeder. Dat had ik thuis nooit gezien. Om de veertien dagen bleef ik het hele weekend bij mijn papa. Iedere zondag, als ik terug naar huis moest, was ik verdrietig. Ik dacht dat ik mijn vader alleen achterliet, terwijl hij buiten mij natuurlijk wel een gewoon sociaal leven had. Ik wist van niets. Bij mijn moeder en Bernard was ik of stil, of kwaad, of ik huilde. Ik voelde me alles behalve goed, maar Johan heeft gelijk. Ik was een strontverwend kind. Ik had geen broers, geen zussen, neven noch nichten. Ik kreeg alles.’

Tien kusjes beloofd

Johan: ‘Mijn zus en ik waren anders opgevoed. Wij moesten in het gareel lopen van papa. Hij vond het belangrijk dat we luisterden en onze manieren hielden. Maar Arlette kreeg altijd haar zin. Het was Arletje hier en Arletje daar. Je had niks aan dat kind. (lacht) Maar na een poosje werden we toch broer en zus. Compleet met plagerijen. Ik pestte de meisjes, kietelde ze en legde vieze dingen onder hun kussen. Ik was een typische broer, voor mijn echte zus en voor Arlette. We speelden ook vadertje en moedertje met zijn drieën. De rolen waren duidelijk. Wij waren vader en moeder. Bie was onze dochter. Er was niets seksueels aan. Dat kwam later, toen ik merkte dat Arlette vrouwelijker begon te worden. De flauwiteiten gingen eruit en er kwamen borstjes voor in de plaats. Ineens konden we ook beter met elkaar praten. We belden ook vaak met elkaar als ik bij mijn moeder was. Ik weet nog dat Arlette een keer aan me vroeg hoe een tongkus voelde. Ik heb haar toen uitgelegd dat een tongkus naar vanille smaakt. Ik was haar grote broer. (lacht) Maar ik vond haar ook aantrekkelijk. Zo vreemd leek me dat niet. Tenslotte vond ik mijn nichtje ook aantrekkelijk. Zonder meer’.

Arlette: ‘We gingen iedere zomer samen op reis: Johan, zijn zus en onze ouders. In Porto St. Marguerita, bij Venetië, huurden we een appartement met twee slaapkamers. In de woonkamer stond een zetelbed waar we afwisselend in sliepen. De ene nacht lagen we met zijn tweeën in het stapelbed. De andere nacht lag je alleen in de woonkamer. De eerste kus is er gekomen op een nacht dat Johan en ik met zijn tweeën in het stapelbed lagen. We praatten en we speelden onnozele spelletjes, letters op elkaars rug tekenen, zulde dingen. En ik maar raden. Een reus? Een bloem? (lacht) Ik had geen idee van wat er aan de hand was. “Je hebt me trouwens nog iets beloofd”, zei hij. Tien kussen omdat hij mij de spelling van de werkwoorden had uitgelegd. De eerste kus was er eentje op mijn wang, de tweede ook, maar de derde was prijs. ’s Morgens zaten we voetjevrijend aan de ontbijttafel’. (lacht)

Van het ene motel naar het andere

Johan: ‘Ik dacht: oei, wat doe ik nu? Maar verder was het behoorlijk spannend. Vooral toen we ’s morgens met z’n vijven aan het ontbijt zaten. Het gefriemel heeft uiteindelijk veertien dagen geduurd. Als het onze beurt was om in het stapelbed te slapen, kropen we bij elkaar om te zoenen en te strelen. Verder ging het niet. Ik vond dat ik het niet kon maken. Tenslotte was ik negentien jaar. In andere relaties ging ik al verder, maar met Arlette hoefde dat niet. Het is lelijk om te zeggen, maar voor mij was ze een verovering, een naam op mijn lijstje. Dat ik haar had geproefd was genoeg. Van een relatie was geen sprake’.

Arlette: ‘Overdag mocht niemand iets merken, maar ’s avonds kusten we elkaar. Meer hoefde het niet te zijn. Na de vakantie stopte het vanzelf. Terug thuis hadden we opnieuw ieder ons eigen leven. Woorden of verwijten kwamen er niet aan te pas. We spraken niet meer over Italië. De situatie bekoelde. In het weekend kwamen we elkaar vaak tegen op alternatieve fuiven, maar ook daar pakten we elkaar niet meer vast. Johan was gewoon mijn broer. Tot we het jaar nadien opnieuw op vakantie gingen’.

Johan: ‘Naar Amerika! Drie weken aan de westkust. Anders hadden ze mij nooit mee gekregen, op die leeftijd’.

ARlette: ‘Bernard had voor ons vijven een reis uitgestippeld van motel naar motel. We waren net aangekomen in LA. Mijn moeder en Bie stonden in de hal van het hotel naar de bomma’s te bellen. Johan en ik stonden achter hen te wachten. Wat er toen gebeurde was magie. We keken elkaar aan en het was raak. Ineens was er opnieuw een kus. Op onze kamer stonden telkens twee kingsize bedden. Officieel sliep ik bij Bie, maar zodra ze sliep, verhuisde ik naar Johan. Niemand heeft er ooit iets van gemerkt. Maar het was heerlijk. Ik weet nog dat je een munt in het bed kon steken om het te laten trillen. (lacht)

Johan: ‘Ook die vakantie hebben we niet met elkaar gevreeën. Al was ik toen wel verliefd op Arlette. Ik vond dat ik het niet kon maken. Sindsdien weet ik wat het wil zeggen, pijn hebben van de goesting. Drie weken lang. (lacht)’

Hoe we het aan onze mama's vertelden

Arlette: ‘Na de vakantie in Amerika zijn we stiekem een relatie begonnen. Johan zat op kot in Leuven en ik ging geregeld bij hem op bezoek. Dat ik ook bij hem bleef slapen, vond iedereen oké. Tenslotte was hij mijn broer. Bovendien waren onze ouders blij dat we zo goed met elkaar konden opschieten. Pas na een jaar heb ik het mijn moeder verteld. Mama, ik moet je iets zeggen. Ze reageerde verdrietig en teleurgesteld. Wat de mensen zouden zeggen, vroeg ze zich af. Maar uiteindelijk is de grote schande nooit op ons hoofd gevallen. Waarom ook? We zijn tenslotte geen bloedverwanten. Spijtig misschien voor het verhaal, maar veel sensatie is er niet aan. Zeker niet in ons gezicht. Wat de mensen achter onze rug hebben verteld, weet ik natuurlijk niet.’

Johan: ‘Mijn moeder had gemerkt dat ik ineens geen vriendinnetjes meer had. Mama, ga eens even zitten, zei ik. Heb je iemand zwanger gemaakt, flapte ze eruit. Ben je homo? Zit je aan de drugs? Maar dat was het dus allemaal niet. De puzzel viel in elkaar en de dingen werden duidelijk. De enige grote bezorgdheid was: wat als het scheefloopt? Onze relatie was een bom onder een nieuw gezin. Want voor je het weet, begint iedereen partij te trekken. Voor de rest reageren de meeste mensen altijd verbaasd. Nee! Met je stiefzus? En wat zeiden je ouders daarvan? Een relatie tussen stiefkinderen wekt blijkbaar allerlei fantasietjes op. Ik heb niet het gevoel dat wij daar iets aan kunnen doen. (lacht)’

Arlette: ‘Ik vraag me soms weleens af hoe we het aan onze kinderen gaan uitleggen, want onze stamboom is vrij ingewikkeld. Ik denk dat ik een groot schema ga moeten maken met veel foto’s. Anders zullen ze het nooit verstaan’.

3-11-2011



 
Omhoog
 

Het gezin blijft op één... 2-2-2011

De Europeaan koestert de familiemomenten en zou graag meer tijd doorbrengen met zijn gezin, blijkt uit een onderzoek in zes landen.

Praat met je ouders, of je krijgt er spijt van. © Corbis

De economische en sociale context van de maatschappij mag dan al complexer zijn geworden, het gezin blijft het eerste schuiloord waar Europeanen op terugvallen. Dat blijkt uit een enquête van de onderzoeksgroep Ipsos in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Italië, Nederland en België.

Bijna 80 procent van de respondenten beschouwt familierelaties weliswaar als ‘niet simpel’, maar slechts 24 procent zegt ook effectief in conflict te leven met andere leden van hun familie. Vooral bij de eigen ouders of kinderen vindt het individu geborgenheid en solidariteit. Dat gevoel is de voorbije vijf jaar zelfs nog iets groter geworden. De relatie met broers en zussen of grootouders is in diezelfde periode veeleer stabiel gebleven.

Uit hetzelfde onderzoek blijkt nochtans dat het verschil in waarden tussen de generaties binnen een gezin gegroeid is. In het Verenigd Koninkrijk en in ons land is bijna de helft van de ondervraagden ervan overtuigd dat die ethische kloof het moeilijker maakt dan vroeger om relaties te onderhouden tussen ouders en kinderen. De familie mag dan wel als favoriete omgeving worden aangeduid, dat betekent nog niet dat de leden onderling niet van mening verschillen.

Tafelen

Familiebijeenkomsten behoren logischerwijs tot de lievelingsactiviteiten van de Europeanen. Op die doordeweekse momenten wordt er vooral gepraat en van gedachten gewisseld. Samen met vakantie of op weekend gaan, staat op de tweede plaats, van nabij gevolgd door de samenkomsten op feest- en verjaardagen. Elk land heeft wel zijn eigen voorkeur. Zo zitten Spanjaarden het liefste gewoon te kletsen, terwijl de Britten aangeven vooral graag uitgebreid te tafelen met de familie. Italianen, Nederlanders en Belgen verkiezen dan weer activiteiten buitenshuis, zoals een weekend of een langere vakantie.

Hoewel de familie een centrale plaats inneemt in het leven van de Europeanen, zou een ruime meerderheid van de ondervraagden er graag meer tijd mee doorbrengen. Het gebrek aan familiemomenten wordt in die mate als een gemis ervaren dat het zich vertaalt in een vorm van spijt die alleen maar toeneemt met de jaren. Zo zegt bijna 70 procent van de respondenten dat ze graag wat meer met hun ouders hadden gepraat over hun kindertijd, of over hoe hun ouders tegen het leven aan kijken. In elk van de zes onderzochte landen behoort die spijt tot een van de grootste frustraties onder de bevolking.

Hannes Cattebeke

Familiemomenten Praat met je ouders, of je krijgt er spijt van.

Woensdag 2 februari 2011


 
Omhoog
 

Twintig procent van de huwelijken strandt (Nederland) - Steven de Jong 20-10-2010

Het huwelijk is nog steeds populair, maar minder standvastig dan vroeger. Van de paren die rond 1970 trouwden gaf een zesde er binnen twintig jaar de brui aan. En van de echtparen uit begin jaren negentig houdt een vijfde het maximaal twee decennia met elkaar uit.

Dat blijkt uit cijfers die het CBS vanmorgen bekendmaakte. Een kritiek momentum in het huwelijk is echter niet aan te wijzen. Maar het valt wel op dat de groep die binnen vier jaar scheidt relatief klein is. Paren geven het huwelijk dus wel een kans.

De onderzoekers Jan Latten en Arie de Graaf hebben niet gevraagd waarom paren uit elkaar gaan. Maar laatstgenoemde heeft daar wel in 2006 een enquête naar gehouden. Zowel mannen en vrouwen geven deze top twee aan: botsende karakters en ‘iemand anders in het spel’. Op afstand gevolgd door ‘op elkaar uitgekeken’ en onverenigbare toekomstplannen. Opmerkelijk is dat vrouwen financiële problemen veel eerder een reden vinden om te scheiden dan mannen. Dat geldt ook voor verslavingen en lichamelijk geweld. Agressieve, werkloze mannen met een alcoholprobleem moeten dus oppassen. Verder valt op dat mannen sneller op hun vrouw uitgekeken zijn dan andersom.

Het burgerlijk huwelijk kan alleen ontbonden worden door een rechter. Formeel moet deze nagaan of er sprake is van een “duurzame ontwrichting van het huwelijk”. Bestrijdt één van de partners dat daar sprake van is, dan moet de andere bewijzen dat er geen uitzicht bestaat op “herstel van behoorlijke echtelijke verhoudingen”. In de praktijk is de wil om te scheiden al voldoende. (Bekijk hier een voorlichtingsfilmpje van Justitie)

Orthodoxe christenen en moslims hebben rekening te houden met hun religieuze boeken. Strikt genomen lijkt de Bijbel hierin strenger dan de Koran. “Wat God verbonden heeft, mag de mens niet scheiden”, gebiedt het Marcusevangelie. Een uitzondering zou overspel zijn, genoemd als “buitenechtelijke onreinheid”. In de islam is scheiden in principe niet verboden. Legitieme redenen zijn: een impotente echtgenoot, langdurige afwezigheid, wangedrag of een aanhoudend slecht humeur. Maar voordat moslims echtbreken moeten alle mogelijke verzoeningspogingen zijn geprobeerd. Scheiden is volgens de islamitische leer weliswaar legitiem, maar blijft de “meest verafschuwde rechtmatige zaak”.

Hoewel het huwelijk een kwelling kan zijn, is de verbintenis onder twintigers nog mateloos populair. Driekwart van de mannelijke twintigers wil trouwen en bij vrouwen is dat zelfs 85 procent.

Bron en reacties: nrchandelsblad


 
Omhoog
 

"Zin in gezin
Kan levensbeschouwing de duurzaamheid van gezinsrelaties bevorderen?"





Persvoorstelling van het boek op 14 oktober 2008 in het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen.

Het boek is een uitgave van Lannoo.
Het is een project en een onderzoek van het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen.

(€15 + verzendingskosten: €3 binnenland; €9 buitenland)

Bestellen: klik hier

 



Bij de persvoorstelling werden de volgende thema's in het licht gesteld:
- 'Nieuwe samenlevingsvormen maken Belg niet gelukkiger'
- Kan levensbeschouwing de duurzaamheid van gezinsrelaties bevorderen?
- Opvoeden met de Koran in de 21ste eeuw
- Duurzaamheid van partnerrelaties bekeken door de caleidoscoop van levensbeschouwingen
- Geen scheidingsschool maar een relatieschool

Waarvoor pleiten dan de auteurs van het boek en de onderzoekers van het project?
Concreet:

  • We pleiten ervoor dat een gezinsbenadering centraal staat in het Vlaams welzijnsbeleid. Nu komt de term 'gezin' nauwelijks voor in de beleidsbrieven, die vooral aandacht hebben voor specifieke doelgroepen. 'Doorsnee' gezinnen dreigen onzichtbaar te blijven.
  • Veel inspanning gaat naar steun wanneer het al goed fout gaat: scheidingsbemiddeling en-scholen. Het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen vraagt ook een meer preventieve aanpak. Verlaag de drempel tot relatiebemiddeling. Promoot bestaande intiatieven en geef CAW's en CGG's de nodige middelen om hun preventieve taak ernstig te kunnen opnemen. Waarom ook niet de idee van de relatiecheque opnieuw opgepikt? Misschien niet om ermee uit eten te gaan, maar om steun te zoeken als dat nodig is.
  • Het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen wil partners aanmoedigen goed na te denken en zich te informeren over de betekenis en de impact van een duurzame relatie, vooral als er kinderen komen. Ze pleit voor de instelling van een opvoedingsbelofte, waarin ouders hun engagement tegenover hun kind concreet formuleren: 'Wat er ook gebeurt, wij zijn en blijven je ouders en je kunt altijd op ons rekenen'. Bij deze gelegenheid kan de overheid het jonge gezin informeren over de waarden die zij in elke opvoeding voorop gesteld wil zien. Meteen maakt ook de overheid de belofte: 'Wij zijn er voor dit gezin, als dat nodig is'.
  • Partners en ouders vinden steun in hun religie of levensbeschouwing, op een persoonlijke en creatieve manier, zo blijkt uit ons onderzoek. De overheid kan wat ons betreft instellingen van levensbeschouwingen steunen – wat ze overigens uitgebreid doet – maar hier mogen best voorwaarden aan gesteld worden. Het Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen pleit ervoor dat deze instellingen een deel van hun subsidie besteden aan initiatieven van partner- en opvoedingsondersteuning, op voorwaarde dat deze de genoemde waarden in relaties en opvoeding cultiveren.

Goede relaties goed ondersteunen is even essentieel als tussenkomen waar het fout gaat!

Voor de volledige tekst in pdf-formaat klik hier


 
Omhoog
 

Over onthutsende toestanden bij de uithuisplaatsing van kinderen uit hun gezin in Nederland

JEUGDZORG = JUGENDAMT

EénVandaag   22-9-2008 (Nederlandse televisie)


Actualiteiten. -Kritiek op nieuwe aanpak Jeugdzorg. Sinds de tragische dood van Savanna is er veel veranderd bij Jeugdzorg. Kinderen worden nu veel sneller uit huis geplaatst, vorig jaar zelfs 3000 meer kinderen dan het jaar er voor. Deskundigen twijfelen nu echter aan deze nieuwe aanpak. Volgens hen worden de kinderen nu in een soort over-reactie te snel uit huis gehaald. We volgen een gezin waarbij de afgelopen periode twee kinderen uit huis zijn geplaatst. -.... Presentatie: Margriet Vroomans.

Schokkende reportage van 16'15"

http://player.omroep.nl:80/?aflID=7941586&start=0:0:0&end=0:16:16

De Nederlandse Jeugdzorg doet zoals het Duitse Jugendamt: kinderen zonder grondige redenen zomaar weghalen van bij hun ouders en uit huis plaatsen.

Daartegen wordt terecht geprotesteerd in Nederland.

Daarover is er een conferentie geweest in Bladel op 20-9-2008:
http://sdnl.nl/jeugdzorg-conferentie.htm 

Nationale Actiedag op het Binnenhof in Den Haag op vrijdag 26 oktober 2008 om 12.00 uur

Laten wij solidair zijn met het protest tegen deze wantoestanden.

Met veel dank aan drs. Nico Mul



Dokter Nico Mul helpt slachtoffers van Jeugdzorg

Ghislain Duchâteau

Reactie van Mr. Peter Prinsen op de uitzending Eén Vandaag over Jeugdzorg

Wie is er nu tegen het belang van het kind? Niemand toch?
Conclusie: wie zich daar toch op beroept om zijn omstreden daden, beleid of beslissing te motiveren komt blijkbaar argumenten tekort.

Kinderbeschermers leggen een overdreven nadruk op het belang van het kind. Met dat argument claimen kinderbeschermers het octrooi op het gelijk. “Wie niet vóór ons is, is tégen het kind”, zeggen zij eigenlijk (en zelf geloven zij er ook heilig in). Dat kàn natuurlijk niet in een rechtsstaat. De alarmbellen zouden moeten gaan rinkelen bij ieder inroepen van het belang van het kind-argument.Toch is het belang van het kind al decennia lang de politieke correcte dooddoener bij letterlijk elk debat, elke beslissing.

Het verleidt opponenten om te wijzen op “ook andere belangen”. Niet doen dus. Het “belang van het kind-argument” is een drogreden, een valse discussiemethode. Trap er niet in! Het debat moet gaan over transparantie en “accountability” (rekenschap) en over vragen als: “Is uw interventie dwingend noodzakelijk?”, “Heeft u zorgvuldig onderzoek gedaan?”, “Spreekt u de waarheid? Kunt u dat bewijzen?”, “Is uw optreden adequaat, effectief of misschien juist contraproductief, de juiste aanpak voor het probleem?” Als er gelogen en misleid wordt, als willekeur van autoriteiten gemakkelijk wordt toegedekt, wat heeft het dan voor zin om te twisten over het belang of de belangen van het kind?

Op maandag 22 december 2008 zond de Nederlandse actualiteitenrubriek
Eén Vandaag het schokkende verhaal uit van vader en moeder Van Elst. Het kan iedere argeloze ouder overkomen.

SAMENVATTING:

1.    Vader en moeder Van Elst ervaren in hun gezin (dochter van 12, zoon van 9) problemen met hun dochter: zij heeft last van smetvrees. De ouders willen dat aanpakken vóór zij aan haar middelbare school begint.
Vader en moeder hebben passende hulp gezocht en denken die gevonden te hebben bij een instituut voor Psychiatrische Dagbehandeling – voor beide pubers die veel ruzie maakten. Over de aard van de dagbehandeling van de kinderen bevat het programma geen informatie, evenmin over psychiatrische stoornissen bij de kinderen.

2.    Het instituut roept bij beide kinderen grote aversie op, maar hun aversie wordt niet serieus genomen; het instituut twijfelt blijkbaar niet aan zichzelf en zonder vertrouwensbasis van de beide kinderen wordt de behandeling voortgezet.
De kinderen worden wanhopig dat hun aversie tegen de (psychiatrische!) dagbehandeling geen gehoor vindt. In theatrale bewoordingen en gedragingen verwijzen zij thuis (in woord en spel) naar zelfmoord.
De ouders kaarten dit aan bij een van de behandelaars. Als de ouders weg zijn doet deze heimelijk aangifte van zelfmoorddreiging bij Jeugdzorg.
Zonder onderzoek overvalt de Kinderbescherming het gezin en haalt de kinderen met de politie uit huis en brengt hen naar een geheime plaats. Vervolgens gaan Jeugdzorg en Kinderbescherming op zoek naar onderbouwing voor hun actie.

3.    Bij de voor de behandeling verantwoordelijk psychiater van de dagbehandeling kunnen zij die gewenste onderbouwing niet vinden: geen sprake van acuut gevaar van suïcide.
Jeugdzorg gaat naar andere deskundigen. Op basis van een door Raad of Jeugdzorg gefabriceerd verhaal, en zonder de kinderen gezien te hebben, verklaren die andere deskundigen telefonisch aan Jeugdzorg of Raad dat sprake is of kan zijn van suïcidegevaar en van seksueel misbruik.
Het gefabriceerde verhaal en de verklaring van de andere deskundigen wordt voorgelegd aan de kinderrechter; het ontkennende rapport van de voor de behandeling verantwoordelijk psychiater wordt achter gehouden: de kinderrechter geeft aan Jeugdzorg een definitieve machtiging uithuisplaatsing.

4.    Micha de Winter (Hoogleraar Pedagogiek) wijst er in de uitzending op dat Jeugdzorg is doorgeslagen na "Savanna". Er moet niet alleen naar het belang van het kind gekeken worden, maar ook naar het belang van het gezin of van de ouders.

5.    Dan reageert Tweede Kamerlid Mirjam Sterk (CDA) op de casus. Haar conclusie is verbijsterend:
      a.    Er moet meer hulpverlening komen voor [geschokte] ouders nadat hun kinderen uit huis zijn gehaald.
      b.    Er moet meer hulpverlening komen voor kinderen in de thuissituatie.
      c.    Van alle hulpverleners die zich met een gezin gaan bemoeien moet er één verantwoordelijk worden om in de gaten te houden wat er gebeurt; de wethouder moet daarop afgerekend kunnen worden.
d.        Er moeten meer gezinsvoogden worden aangesteld want zij hebben het veel te druk.
Dat de zaak ontspoord is schijnt niet tot Mirjam Sterk door te dringen.

6.    CONCLUSIE

Waar ging deze casus ook weer over?
-    De ouders zochten en kregen hulp - psychiatrische dagbehandeling voor hun kinderen. (Vraag: was er dan sprake van een psychiatrisch probleem?)
-    De hulp werkte averechts - het probleem werd groter.
-    In plaats van eigen falen in overweging te nemen als oorzaak lieten de hulpverleners de kinderen uit huis halen.
-    De kinderrechter liet zich, in blind vertrouwen op Kinderbescherming en Jeugdzorg, misleiden en bekrachtigde de uithuisplaatsing.

7.    POLITIEKE CORRECTHEID.

Karakteristiek is de reactie van de politiek (bij monde van Mirjam Sterk): Bij falen van de remedie: méér van hetzelfde.
Over meerdere decennia bezien blijkt "de politiek" met een navrante vorm van estafettewetgeving bezig te zijn:
-    Vroeger was de (toenmalige) Voogdijraad de meest gehate institutie van het land. Eind veertiger jaren heette de Voogdijraad in de volksmond "De Kinderdief" (voor die tijd een gedurfd scheldwoord).
-    In 1954 werd de wet tot reorganisatie van de Voogdijraden aangenomen. Daarin lezen we in parlementair understatement: "dat een wijziging van de naam wel wenselijk is, al ware het slechts, omdat de naam "voogdijraad" bij het publiek langzamerhand een minder gunstige klank gekregen heeft, hetgeen aan het werk van de raad niet ten goede komt".
De Voogdijraad werd vervangen door de Raad voor de Kinderbescherming.
-    In de 90-er jaren was het de Raad voor de Kinderbescherming wiens optreden leidde tot een Zwartboek Kinderbescherming en tot de roep om een parlementaire enquête. De Staatssecretaris stelde een Commissie Gijsbers in. De Tweede Kamer stelde de Commissie Vliegenthart in. Dat leidde tot klachtregelingen, tot hervorming van de OTS en uiteindelijk tot stroomlijning van de gezinsvoogdij-instellingen waardoor uiteindelijk het Bureau Jeugdzorg in de nieuwe frontlinie vóór de Raad voor de Kinderbescherming werd geplaatst.
-    Inmiddels is er een Minister van Jeugd en Gezin, die het falen van de Bureaus Jeugdzorg wil afdekken met een nieuwe bureaucratische laag: in elke gemeente een of meer Centra voor Jeugd en Gezin, met nieuwe wapens om tegen de ouders in te zetten: electronisch kinddossier en verwijsindex. Alle artsen, onderwijzers, maatschappelijk werkers, vroedvrouwen enz. enz. worden onbezoldigde opsporingsambtenaren: méér van hetzelfde. Gevolg: wachtlijsten, meer geld, meer wachtlijsten, nog meer geld enz.

8.    WAT DAN?

Voor de hand ligt de vraag wat er dàn moet gebeuren.
Dat is de verkeerde vraag.
De Netwerk-casus noopt tot de vraag dan: "Wat doen wij fout?" Het antwoord op die vraag luidt: "Wij moeten ophouden met ons te verschuilen achter het Belang van het Kind als rechtvaardiging van hulpverlening". Bekommernis om het belang van het kind mag ons nooit verleiden om de waarheid geweld aan te doen, rechters te misleiden, ouders als lastige, maar verder irrelevante entiteiten te beschouwen.
Wij moeten terug naar een rechtsstatelijker houding, waarin de integriteit van het ouderschap weer wordt gerespecteerd en Staatsopvoedingsverantwoordelijkheid in de ban is of hoort te zijn. Dat betekent: Hulpverleners zíjn niet "verantwoordelijk" voor de kinderen van burgers. Ook justitiële ambtenaren (Rechters, Raad voor de Kinderbescherming, Jeugdzorg) zijn dat niet. (Semi-)ambtenaren zijn dienaren van de Rechtsstaat. Zij bedriegen niet, zij vervalsen niet, zij misleiden de rechter niet, zij zijn deugdzaam en zelfkritisch, zij respecteren de autonomie van de burgers, hun optreden wordt door niets anders gerechtvaardigd dan de deugdelijk, rechtsstatelijk aangetoonde noodzaak tot interventie. Kortom: zij allen gedragen zich “magistratelijk”. Zij dienen zich te realiseren dat zij nooit alle ongelukken met kinderen kunnen voorkomen, zelfs niet al zouden zij alle burgerkinderen opsluiten in tehuizen.

Dat vergt een andere filosofie, een hermetisch scherm tussen kinderbescherming en jeugdhulpverlening en decimering van de budgetten.

Mr Ir P.J.A. Prinsen, oud-advocaat Familierecht
http://peterprinsen.nl/


Brief vanwege de Stichting Kinderen-Ouders- Grootouders
over de Jeugdzorg
aan CDA-Tweede Kamerlid Mirjam Sterk
n.a.v. de EénVandaag-uitzending van 22 september 2008 - 26 september 2008

Zeer geachte mevrouw,

Op 22 september hebben wij in de uitzending Een Vandaag uw reactie gezien op de ervaringen van de familie Van Elst met Jeugdzorg, in dit geval het Leger des Heils.

Uw remedie was: meer hulp voor ouders en kinderen.

De oorzaak van onterechte uithuisplaatsingen is echter verkeerde voorlichting van de rechter.

Lees de brief verder op de website van KOG

Reactie van drs. N.J.M.Mul tegen de diagnostiek "van horen zeggen" op grond van de wetsbepalingen

Beste mensen, cliënten, advocaten, webmasters,

art. 94 Grondwet stelt dat internationale verdragen met eenieder bindende bepalingen boven nationale wetgeving gaan. Hier een artikel uit het IVRK:

Het IVRK meldt: Artikel 24 Gezond en gezondheidszorg
De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en het herstel van de gezondheid.

er staat niet "de grootst mogelijk mate van voorzieningen..".

Dit staat in contrast met art. 35 Uitvoeringsbesluit Wet op de Jeugdzorg

Gegeven:

1. Het IVRK meldt: Artikel 24 Gezond en gezondheidszorg
De Staten die partij zijn, erkennen het recht van het kind op het genot van de grootst mogelijke mate van gezondheid en op voorzieningen voor de behandeling van ziekte en het herstel van de gezondheid.

2. Het Uitvoeringsbesluit bij de Wet op de Jeugdzorg meldt:
Artikel 35:  De stichting Bureauzorg (BJz) neemt geen indicatiebesluit dan nadat een ontwerp daarvan ter beoordeling is voorgelegd aan een gekwálificeerde gedragswetenschapper (NVO-, NIP-, of BIG-geregistreerd).

3. De behandelingsvoorwaarden van de NIP en deze van het NVO geven aan dat een patiënt/cliënt uitsluitend beoordeeld màg worden (rapport ondertekend) nádat de gedragsdeskúndige de patiënt/cliënt dáádwèrkelijk persóónlijk onderzocht/gesproken heeft.

De praktijk:


Gedragswetenschappers (BJz) stellen bij kinderen "van horen en zeggen" (immers de niet-gekwalificeerde gezinsvoogdijmedewerker 'onderzoekt' de [gedwongen] cliëntèle en geeft diens bevindingen door) een indicatie op.
Dit is in strijd met de hoogst mogelijke vorm van medische ondersteuning [zie bovenstaande wet- en regelgeving].
Immers een gedragswetenschapper/psycholoog/orthopedagoog die van "horen en zeggen" een indicatie bij een volwassene opstelt, wordt direct veroordeeld door het  Medisch Tucht College.

-- Art. 35 Uvb bij de Wjz is dus niet meer van toepassing!!!!


Hierdoor zou de hele diagnostiek 'van horen zeggen' zoals bij BJZ gebruikelijk is, van tafel geveegd kunnen worden.

Moge advocaten en cliënten hier hun voordeel mee doen!

Publicatie op websites is toegestaan!

Drs. N.J.M.Mul
tel.: 076-7444214 of 06-44772628
e-post: N.J.M.Mul@gmail.com


 
Omhoog
 

Een onmenselijke leugen

Een onmenselijke leugen

Diep in het menselijk lichaam woelt het seksuele verlangen. Het is er door de natuur ingelegd om man en vrouw bij elkaar te brengen en uit de aanraking van de tegengestelden nieuw leven te doen ontstaan. In een nooit eindigend spel van geven en ontvangen, verlangen en vervullen, roepen de tegenstellingen elkaar op en trekken ze elkaar aan. De seksuele differentiatie van het leven ontstond vele miljoenen jaren geleden en werd de dominerende kracht in de evolutie van het leven, de garantie voor vruchtbaarheid en vitaliteit.

In de menselijke soort zijn alle oude biologische krachten onverzwakt aanwezig, aangevuld door culturele gebruiken die de krachten nog versterken en trachten te beheersen. Het stabiele, monogame huwelijk is een duizenden jaren oude instelling, gericht op een intensieve, gehumaniseerde beleving van de seksualiteit. Wat blijft primeren in het menselijke verband is de oude biologische bekommernis om het welzijn van het kroost. Ouders rekenen de zorg voor de kinderen tot hun belangrijkste taak. Het huwelijk legt de exclusieve band waarop het gezin steunt dat de noodzakelijke veiligheid en geborgenheid moet bieden. Tegelijk kan binnen het huwelijk een affectieve band tussen man en vrouw groeien die voorbij de seksuele aantrekkingskracht reikt en een vervulling biedt van het menselijke verlangen naar blijvende liefde en steun.

Uit het besef van de menselijke noden ontstond binnen de humane cultuur de erkenning van wat 'rechten van de mens' heet. Vooral mensen die zwak en weerloos zijn, moeten door deze rechten de onmisbare bescherming krijgen. Daarom zijn er geen belangrijker rechten dan die van het kind. De rechten van het kind primeren op die van de vrouw, op die van de man, en op die van alle minderheidsgroepen in de samenleving.

Omdat het opgroeien van een kind tot het stadium waarin het zelfstandig kan leven vijftien tot twintig jaar duurt, heeft elk kind recht op een gezin dat minstens zo lang de noodzakelijke geborgenheid kan bieden. En omdat het menselijke leven de rijkdom van een geslachtelijke tweeledigheid kent, heeft het kind recht op een gezin waarin een moeder en een vader aanwezig is. Uit de onmiskenbare verschillen in de biologische functies van vader en moeder vloeien de diepgewortelde verschillen in affectieve banden en rollen binnen het gezin voort. Deze maken een wezenlijk deel uit van de menselijke natuur en kunnen niet door een modieuze gedachte worden afgeschaft. Een libertijnse tijdgeest die zich voorneemt de mens te bevrijden van zijn eigen natuur, handelt vanuit een onmenselijke leugen.

Daarom is de ontkenning van het feit dat een kind een moeder én een vader nodig heeft, een schandelijke schending van de rechten van de mens. Wat iedereen altijd geweten heeft en wat elk kind nog altijd weet, is dat de rol van de moeder niet die van de vader is, en die van de vader niet gelijk aan die van de moeder is. Beide zijn onmisbaar. De bewering dat homokoppels een kind alles kunnen bieden wat het voor zijn ontwikkeling en affectieve behoeften nodig heeft, is een flagrante miskenning van de menselijke natuur. Zij kan alleen het product zijn van een ideologie die gelijkheid oplegt aan wat verschillend is en die overal het monster van de discriminatie meent te moeten zien waar het geslachtelijk onderscheid zich toont.

De onwijze Belgische wet die homokoppels het recht geeft kinderen te adopteren, geeft andere landen de plicht geen adoptiekinderen meer aan België te leveren.

Gerard Bodifée

Gerard Bodifée is natuurkundige.

 
Omhoog
 

Project "Waanzin van het gezin" - met studiedag op vrijdag 18 november 2005 Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen - Schaarbeek

Waanzin van het gezin


Dit thematisch project van het HIG krijgt een concrete invulling in een onderzoek, een boek, een studiedag en een tentoonstelling. Ook de openingsles van 2005-2006 verwees naar dit project.

Schrijf je nu in voor de studiedag van vrijdag 18 november 2005! Zie programma en inschrijving onderaan.



Een waanzinnig concept


De provocatieve titel schetst een opvallende paradox: veel mensen struikelen op het bochtige pad dat het gezinsleven vandaag blijkt te zijn, maar de meeste van ons blijven toch kiezen voor een duurzame samenlevingsvorm, vaak met kinderen. Hoe geven gezinnen vorm aan hun levensproject in een tijd waarin de vrije keuze vooropstaat? Niets is voor altijd? Kiezen voor een gezin lijkt dan een waanzinnige onderneming. Want een gezin heb je wel levenslang.

In Waanzin van het gezin onderzoeken we de mogelijkheden en de valkuilen van duurzame relaties en opvoedingsformules van de 21ste eeuw. ‘Gezin’ staat hier voor een duurzame partner- en ouder-kindrelatie waarbij de ouders in gelijkwaardigheid samen de verantwoordelijkheid dragen voor de opvoeding van de kinderen en waarin de emancipatie van alle gezinsleden een plaats heeft.

Concrete uitwerking

1. Onderzoek

Het project Waanzin van het gezin stuurde in 2003-2004 de werking van de projectgroepen van het tweede jaar gezinswetenschappen. Daar werd het hele jaar, onder begeleiding van prof. dr. Stefan Bogaerts, dr. Nancy Van Ranst en dr. Danny Verstraeten, in samenwerking met de universiteiten van Gent en Tilburg, gewerkt aan een onderzoek naar hechtingspatronen en ouder-kindrelaties in drie gezinsvormen: traditionele gezinnen, eenoudergezinnen en nieuw samengestelde gezinnen.

Als basis kozen de onderzoekers voor het gehechtheidsparadigma. Dit concept krijgt momenteel veel aandacht, omdat het zo treffend de invloed beschrijft van factoren als nabijheid, de kwaliteit van de ouder-kind relatie en separatie op de affectieve ontwikkeling van het kind en op zijn welbevinden. Vermits eenoudergezinnen en nieuw samengestelde gezinnen meestal tot stand komen na een periode van conflict en scheiding, besloten de onderzoekers om na te gaan hoe hechtingspatronen in deze nieuwe gezinsvormen verband houden met het welbevinden van de gezinsleden. Om de toetsing van deze bevindingen mogelijk te maken, werden ook traditionele gezinnen in het onderzoek opgenomen.

2. Boek: Waanzin van het gezin: duurzame relaties en opvoeding in de 21ste eeuw.

De resultaten van dit onderzoek worden voorgesteld in het gelijknamige boek Waanzin van het gezin. Geen academisch handboek of manifest dat voorschrijft hoe gezinnen er moeten uitzien. Wel een collectie van bijdragen met als rode draad: de spanning tussen autonomie en verbinding in gezinnen, want misschien is het zoeken naar een nieuw evenwicht daartussen wel de grootste opdracht voor partners, ouders en kinderen vandaag. Met toch als duidelijke boodschap dat duurzame partnerrelaties nastrevenswaardig zijn omdat ze een goede garantie kunnen bieden voor een duurzame ouder-kindrelatie.

Met bijdragen van Hans Van Crombrugge, Marc Hooghe, Ria Grommen, Christien Brinkgreve, Paul Smeyers & Bert Lambeir, Claire Wiewauters, Stefan Bogaerts, Danny Verstraeten, Nancy Van Ranst, Lieve Vandemeulebroecke, Maria De Bie, Geert Cornelis, Frans Swartelé, Alfons Vansteenwegen, Joris Dewispelaere, Ann Van den Troost..., met columns van Hilde Masui, Kristien Bonneure & Lucas Vanclooster, Bernard Dewulf, Sam Delbeke en Veerle Beel..., en met illustraties van Gerard Alsteens (GAL).

Waanzin van het gezin wordt uitgegeven door Lannoo. Het is in de boekhandel te verkrijgen à 19,95 euro.

 
 
Omhoog
 

DE GEWIJZIGDE POSITIE VAN GEZINNEN IN NOORD-WEST EUROPA.

Een beschouwing over structurele en culturele veranderingen binnen gezinnen en de samenleving.

Kees de Hoog

Prof. Dr. Kees de Hoog is bijzonder hoogleraar Gezinssociologie en Gezinsbeleid aan de Universiteit Wageningen, leerstoelgroep Sociologie van Consumenten en Huishoudens

1 Inleiding

Velen zijn van mening dat het traditionele gezin in de eerste helft van de vorige eeuw de veilige haven was, waar het voor mannen, vrouwen en kinderen goed toeven was. Het was de tijd dat geluk nog heel gewoon was. Het huwelijk was de poort naar de volwassenheid. Het gezin werd door burgers en beleidsvoerders beschouwd als de hoeksteen van de toenmalige samenleving. Er is nu een nostalgisch verlangen naar deze verloren tijd. Dit verlangen is eveneens zichtbaar op politiek niveau. De huidige eerste minister van Nederland, Balkenende (CDA), pleit voor een terugkeer naar oude waarden en normen in onze sterk veranderende samenleving. Anderen wijzen echter op het bedompte en het kleinburgerlijke karakter van dit traditionele gezin. In Nederland wordt in bepaalde kringen ook gesproken over een ‘spruitjeslucht’ om hun afkeer voor deze samenlevingsvorm duidelijk te maken. Zij spreken over de modernisering van samenlevingsvormen en over de trotse burger die tegenwoordig eigen keuzes maakt met betrekking tot zijn levensstijl en samenlevingsvorm.

Mede door deze polarisatie is het gezin is vanaf het einde van de jaren zestig onderdeel geworden van een maatschappelijk debat. Dit hoeft geen verwondering te wekken. De afgelopen veertig jaar hebben zich op demografisch, economisch en technologische gebied (emancipatie, wetgeving, verhoging onderwijsniveau, migratie, gewijzigde opvattingen over seksualiteit, internationalisering) grote veranderingen voorgedaan. Voorbeelden van deze veranderingen zijn: de komst van de pil, de vermindering van het kindertal, de toename van de vrijwillige kinderloosheid, de verlenging van de levensduur, de vergrijzing, de toename van de echtscheiding, het ongehuwd samenwonen, de gewijzigde opvattingen over seksualiteit, de vestiging van de verzorgingsstaat, de ontkerkelijking, de ontzuiling, de emancipatie van vrouwen en van homoseksuelen, het buitenshuis werken van moeders, de komst van migranten uit de voormalige overzeese gebiedsdelen en uit de mediterrane landen, de algemene verhoging van het onderwijsniveau en de internationalisering.

De wetgever is aan deze maatschappelijke veranderingen niet voorbij gegaan. De juridische positie van gehuwde vrouw is bijvoorbeeld gelijk geworden aan die van de gehuwde man. De echtscheidingswetgeving is versoepeld. De emancipatie van homoseksuelen is in Nederland en België bij wet geregeld. Een gevolg hiervan is dat het huwelijk opengesteld is voor personen van gelijk geslacht. Naast het huwelijk is het geregistreerd partnerschap wettelijk geregeld. De rechten van het kind zijn internationaal en nationaal erkend. Kinderen van gehuwde paren krijgen in Nederland niet meer automatisch de achternaam van hun vader. De Minister van Justitie heeft onlangs een wetsvoorstel ingediend, waarin het belangrijkste uitgangspunt is dat het ouderschap ook na een scheiding daadwerkelijk blijft bestaan. De gevolgen van deze en andere juridische veranderingen zijn voor het gezin en het gezinsleven begrijpelijkerwijs niet uitgebleven.

Er zijn andere veranderingen te noemen, die invloed hebben op het gezinsleven. De sociale controle in wijken en buurten is afgenomen. We noemen de individualisering, al wordt dit vage begrip veel te veel gebruikt om alle hedendaagse veranderingen te verklaren, en van pluriformiteit in opvattingen en gedragingen die het gezinsleven betreffen. Het is echter niet zo dat het gezin, in welke verschijningsvorm dan ook, heeft afgedaan en een relict uit een vervlogen verleden is geworden.

In deze bijdrage zal nader worden ingegaan op de positie en de plaats van het hedendaagse gezin in Noord-West Europa, in het bijzonder bij uw bovenburen. In de tweede paragraaf worden de verschillende verschijningsvormen van het gezin aan de orde gesteld. Centraal staat de constatering dat we te maken hebben met pluriformiteit. In het derde gedeelte worden de veranderingen met betrekking tot het gezin geschetst met behulp van de gezinsfase en de levensloop. Ook hier is de toegenomen pluriformiteit het kernbegrip. In paragraaf vier wordt kort ingegaan op toekomstige ontwikkelingen en er zal aandacht besteed worden aan de noodzaak om op nationaal niveau en op het niveau van de Europese Unie een gezinsvriendelijk beleid te ontwikkelen. Een beleid dat onderdeel moet zijn van het sociale beleid en bovendien omschreven kan worden als een bevolkingsbeleid dat op het gezin gericht is. Aan het eind van deze bijdrage is een aantal stellingen geformuleerd. Deze stellingen kunnen wellicht een bijdrage leveren voor een discussie over een te voeren overheidsbeleid met betrekking tot het gezin.

2 Het hedendaagse gezin kent vele verschijningsvormen

Het hedendaagse gezin kent vele verschijningsvormen. Als de vorm of de structuur wordt bezien, kennen we vanouds het echtpaar met kinderen, het eenoudergezin, het restgezin (twee samenwonende broers), het samengestelde gezin (een gezin met anderen) en het huisgezin dat uit drie generaties bestaat. De afgelopen decennia zijn de gezinsstructuren nog pluriformer geworden. We wijzen op het ongehuwd samenwonende paar met kinderen, al dan niet op basis van een geregistreerd partnerschap of met een notarieel contract, en sinds enkele jaren ook op samenwonende homoseksuele mannen of lesbische vrouwen met kinderen. Ook de LAT-relatie kan de structuur van een gezin hebben. In het weekend is er sprake van een gezin. Op andere dagen hebben we te maken met een alleenstaande man en eenoudergezin met een vrouw als hoofd.
Kinderen in gezinnen kunnen samenwonen met hun twee biologische ouders, maar ook met een stiefvader of een stiefmoeder. Er kan sprake zijn van geadopteerde kinderen en van pleegkinderen. De kinderen in de gezinnen kunnen minderjarig of meerderjarig zijn (Hotel Mama). Daarnaast komen er allerlei mengvormen voor, zoals het echtpaar waar beiden een huwelijk achter de rug hebben en nu een gezin vormen en samenwonen met de kinderen van de vrouw, de kinderen van de man en met eigen kinderen. Een ander voorbeeld van een ingewikkelde gezinsstructuur is de woongroep die soms het karakter kan hebben van een uitgebreid gezin. Het aantal woongroepen met een dergelijk karakter is echter wel beperkt.

Uit een onderzoek van de Nederlandse Gezinsraad (Van der Avort e.a. , 1997) bleek dat de overgrote meerderheid van de bevolking in Nederland van mening is dat er in structureel opzicht sprake van een gezin is als er in het huishouden minderjarige kinderen aanwezig zijn. Een krappe meerderheid (56 procent) vindt dat een gehuwd paar zonder kinderen nog wel tot een gezin gerekend kan worden. Ongeveer een derde deel van de ondervraagden rekent drie samenwonende broers, in sociologische termen een restgezin, en een vader die twee dagen per week voor zijn kind zorgt ook nog tot een gezin. Er kan worden geconcludeerd bij een meerderheid van de bevolking in Nederland het huwelijk niet meer als de enige basis voor een gezin beschouwd wordt. De aanwezigheid van minderjarige kinderen bepaald echter wel in belangrijke mate of een huishouden door de respondenten als een gezin gezien wordt.

Verschillen in verschijningsvormen van het gezin zijn vanuit een historisch perspectief bezien zeker niet uniek te noemen. In het recente verleden was, zoals gezegd, die structurele verscheidenheid bij gezinnen eveneens aanwezig. We wijzen op de grote aantallen gezinnen met een stiefmoeder of een stiefvader en op de eenoudergezinnen met een weduwe of weduwnaar als hoofd. Er waren gezinnen waar meerdere generaties in één huis verbleven, zoals het agrarische huishoudens met drie generaties (Limburg, Gelderland, Overijssel). Daarnaast zien we dat in het recente verleden binnen het gezin veelal anderen aanwezig waren. Het zijn de gezinnen met een inwonende vader en/of moeder, de gezinnen met een ander inwonend familielid en de gezinnen met inwonend dienstpersoneel. De reden waarom er in een gezin anderen aanwezig waren verschilden sterk. We hebben in het begin van de 20ste eeuw bijvoorbeeld te maken gehad met migrantengezinnen. Deze gezinnen waren afkomstig van het platteland en vonden in de grote steden werk in de industrie en de havens. Een ongetrouwd familielid woonde bij dit gezin in, totdat ook hij bestaanszekerheid had verworden en een eigen gezin kon vormen. Het is een fenomeen dat eigen is aan gezinnen van migranten. Er zijn tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw gezinnen die ouders en andere familieleden onderdak boden, om hen te behoeden voor verpaupering en eenzaamheid. Door de vestiging van de verzorgingsstaat is deze gezinsvorm zeer sterk afgenomen. In Nederland speelde na de Tweede Wereldoorlog de woningnood een belangrijke rol om familieleden in het gezin op te nemen of om in te wonen bij familie of bij andere gezinnen. Bij de rijkere gezinnen en de gezinnen van middenstanders was het dienstmeisje voor dag en nacht geen onbekend verschijnsel, evenals inwonend dienstpersoneel, zoals de leerjongen en het winkelmeisje. Ook nu zien we dat oude structuren soms nog aanwezig zijn. Bij de grote tweeverdieners is de au pair aanwezig. Bij de rijke ondernemer woont in zijn landhuis zijn gehuwde dochter met man en kinderen. Daarnaast blijkt dat de vrees voor een slechte kwaliteit van het verzorgingshuis heeft ertoe bijgedragen dat enkele tienduizenden ouderen in het huis van de gezinnen van hun kinderen wonen.

Er treden binnen Nederland en andere landen, ook grote regionale verschillen op als naar de aantallen gezinnen en de structuur daarvan wordt gekeken. In de grote steden komen eenoudergezinnen en ongehuwd samenwonende paren met kinderen meer voor dan in kleinere steden (minder dan 100.000 inwoners) en dorpen. In het Verenigde Koninkrijk en Zweden (respectievelijk zeven en acht procent) komen relatief veel eenoudergezinnen voor. Er zijn andere verschillen tussen deze twee landen te noemen. In Zweden hebben we veelal te maken met een vorm van bewust ongehuwd moederschap. In het Verenigd Koninkrijk komt deze bewuste keuze ook voor, maar het ongehuwd moedersschap kan daar voor een deel onder de noemer van sociale deprivatie (tienermoeders, ongewenste zwagerschap) worden gebracht. Gehuwde paren met kinderen komen in de Scandinavische landen minder voor (minder dan 20 procent van alle huishoudens) dan in andere landen van Noord-West Europa, vooral omdat in Zweden en Denemarken het ongehuwd samenwonen met kinderen voor velen een permanent karakter heeft gekregen.


Een indirecte indicatie voor de omvang van het ongehuwd samenwonen van paren met kinderen blijkt uit de percentages kinderen die buiten het huwelijk zijn geboren. In Zweden vindt meer dan de helft van de geboorten buiten het huwelijk plaats. In Denemarken blijkt ongeveer de helft van de geboorten buiten het huwelijk plaats te vinden (Kaufmann e.a., 2002). Het is een indirecte indicatie omdat deze cijfers ook de geboorten van ongehuwde moeders omvatten en bovendien kan het ongehuwd samenwonen met kinderen, zoals in Nederland, in veel gevallen toch de wegwijzer naar een stadhuishuwelijk zijn. Daarom kan het ongehuwd samenwonen in Nederland, in tegenstelling tot Zweden en Denemarken, vooralsnog als een proefhuwelijk worden gezien.

De verschillen in de structuur van de gezinnen hebben, zoals gezegd, te maken met de samenstelling van de bevolking, maar ook met wetgeving, het sociale stelsel en uiteraard met tradities. Bovendien zijn de cijfers lastig te interpreteren omdat de bronnen en de methoden van de dataverzameling (volkstellingen, minicensus, woningtellingen, registertellingen, virtuele volkstelling) tussen de landen onderling sterk verschillen (Eurostat, 2003).

In cultureel opzicht is de verscheidenheid van de gezinsvormen nu en vroeger wellicht nog groter dan de structurele verschillen zijn en waren. In het verleden kenden we bijvoorbeeld het agrarisch/ambachtelijke gezin. De huwelijkspartners vonden elkaar op basis van zakelijke overwegingen. In Duitsland wordt dit huwelijk een ‘Situationsehe’ genoemd. In Nederland noemen we dit huwelijk een ‘verstandshuwelijk’ of minder fraai een ‘huwelijk uit berekening’. Het gezin was in die tijd patriarchaal van karakter en vooral gericht op de economische en de voortplantingsfunctie (Kooy, 1985). Het was ook een open gezin in een gesloten samenleving (Saal, 1958). Het is het plattelandsgezin waar de eigen dorpsbewoners ruim toegang tot de woning hadden. Het gezin woonde in een ‘gesloten’ dorp waar de niet-dorpelingen en de buitenstaanders werden geweerd of buitengesloten. In de grote stad was op wijkniveau een variant aanwezig. In de oude volkswijken waren de gezinnen open voor de buren, de bekenden, de familie en de vrienden. De voordeur was niet op slot. Het touwtje uit de brievenbus en de deur zonder slot maakten het woonhuis voor de buren en bekenden tot een toegankelijk domein. De wijk en de buurt waren min of meer gesloten voor buitenstaanders. Het was de wijk van de kleine neringdoenden (de ambachtelijke gezinnen) en van de arbeiders, die geen vaste baan hadden.

Er zijn in het recente verleden andere gezinstypen beschreven. Kooy (1967) beschrijft uitvoerig de opkomst van het modern-Westers gezin in de loop van de jaren zestig. Een gezin dat tendeert naar egalitarisme. Het is een gezin dat op wederzijdse liefde (Neigungsehe) is gebaseerd en waar geborgenheid en affectie jegens de leden van het gezin de centrale waarden zijn.

Er zijn verschillende indelingen van gezinnen te maken als op de cultuur gelet wordt. Te Kloeze e.a. (1996) onderscheiden bij de twee-oudergezinnen drie gezinstypen: het moderne gezin, het transitionele gezin en het postmoderne gezin.

In de analyses van gezinsbeelden bij politieke partijen (De Hoog en Hooghiemstra, 2002: De Hoog en Vinkers, 1998) worden vier gezinstypen onderscheiden: het traditionele gezinstype, het moderne gezinstype, het egalitaire gezinstype en het geïndividualiseerde gezinstype. Deze onderzoekers constateren dat er nog steeds sprake is van het traditionele gezin. Het zijn de gezinnen waar de man de enige kostwinner is en de vrouw huisvrouw. De man heeft toegang tot het openbare domein, want hij werkt buitenshuis. De vrouw is de heerseres binnen het huiselijk domein. Het moederschap is haar dominante levensperspectief. Ongehuwd samenwonen met kinderen komt in deze gezinnen nauwelijks voor. De opvoeding van de kinderen in deze traditionele gezinnen is vooral gericht op orde, regelmaat, vlijt, ijver en netheid (Te Kloeze e.a., 1996). Onder deze traditionele gezinnen zijn in belangrijke mate de relatief lagere economische statusgroepen te vinden. In Nederland zijn het vooral de gezinnen van de allochtonen uit Marokko en Turkije, de gezinnen van de orthodoxe kerkgangers en de gezinnen waar beide partners een tamelijk laag scholingsniveau hebben. Daarnaast bestaat dit gezinstype uit gezinnen met oudere thuiswonende kinderen, die in de jaren zeventig zijn gevormd. De periode dat het buitenhuis werken van moeders eerder uitzondering dan regel was. Dit gezinstype is in Nederland tamelijk omvangrijk (naar schatting 25 procent van alle twee-oudergezinnen). Wel moet de kanttekening worden gemaakt dat de huidige traditionele gezinnen in cultureel opzicht verschillen van de vroegere traditionele gezinnen. Het zijn niet meer louter en alleen patriarchale gezinnen. Mannen en vrouwen zijn gelijkwaardiger geworden, al staat de verzorging door de vrouw van man en kinderen centraal. De opvoeding is in veel gevallen minder streng geworden, kan er nog wel gesproken worden over een bevelshuishouding (De Swaan, 1983). Door het streven naar gelijkwaardigheid hebben de huidige traditionele gezinnen ook kenmerken van de modernere gezinnen (Te Kloeze e.a., 1996).

Bij de moderne gezinnen staat het samen doen en de gezamenlijkheid centraal staan. De taakverdeling tussen mannen en vrouwen is gelijkwaardiger dan in de zogenaamde traditionele gezinnen, maar de taakverdeling is niet helemaal gelijk. De man is de belangrijkste kostwinner gebleven. Zijn vrouw heeft een kleine deeltijdbaan. Daarom is bij haar is het moederschap niet meer het enige levensperspectief . Haar werk buitenshuis is niet onbelangrijk. Haar man werkt mee in de huishouding.
Hij helpt haar vooral bij de opvoeding van de kinderen. De moderne gezinnen zijn gericht op wederzijdse affectie, op verzorging en op koestering.
Naar schatting kan 40 procent van de gezinnen in Nederland tot het moderne gezinstype gerekend worden. Een deel van deze gezinnen wordt, als er economische berekeningen worden gemaakt, bij uw noorderburen het ‘modale gezin’ genoemd. Bij onze oosterburen valt het moderne gezin van ‘Otto Normalverbraucher’ hieronder.

Het derde gezinstype, de egalitaire gezinnen, is gericht op gelijkheid. Het is een onderhandelingshuishouding (De Swaan, 1983). Het egalitaire gezin met jonge kinderen maakt ruimschoots gebruik van kinderopvang, omdat de vrouw een omvangrijke baan buitenshuis heeft. Het gezinsklimaat is communicatief en gericht op onderlinge hulp. Naar schatting is ongeveer 25 procent van de gezinnen in Nederland een egalitair gezin. De opvoeding van de kinderen binnen deze gezinnen is gericht op geborgenheid en zelfontplooiing. We hebben deze gezinnen getypeerd als egalitair, omdat onafhankelijk van de levensfase het streven naar een gelijke taakverdeling tussen man en vrouw het ideaal vormt.

Een vierde gezinstype dat in deze samenleving kan worden onderscheiden is het geïndividualiseerde gezin. Het opleidingsniveau van beide partners is hoog (hoger beroepsonderwijs, universiteit). Beide (huwelijks)partners hebben een zeer omvangrijke baan buitenshuis. Hun welstandsniveau is mede daardoor groot. Huishoudelijke taken worden uitbesteed (werkster, buitenshuis eten), evenals een deel van de opvoeding van de kinderen (zeer omvangrijk gebruik van kinderopvang, au pair). Het moederschap als sociale identiteit wordt in deze gezinnen afgewezen. Door trendwatchers en kenners van Nederland worden de geïndividualiseerde gezinnen ook wel omschreven als ‘grachtengordelgezinnen’. Deze grootstedelijke gezinnen vormen een culturele elite en menen in hun gedragingen binnen en buiten het gezin voorlopers te zijn. Het is een gezin gericht op individuele vrijheid en op individuele ontplooiing. Ongeveer tien procent van de gezinnen kan als geïndividualiseerd worden getypeerd.
Hun invloed op de besluitvormingsprocessen van beleidsvoerders en opiniemakers is echter veel omvangrijker. Zij behoren tot de ‘spraakmakende gemeente’ en gelden binnen linkse en liberale kringen als voorbeeld van een geslaagde emancipatie. Vergeten wordt wel dat we hier vooral te maken hebben met vrouwen die een hoge opleiding hebben genoten en dat we dus te maken hebben met een beperkt aantal gezinnen.

De typologie van de gezinnen is gebaseerd op gegevens over Nederland. Ook hier zijn tussen de landen in Noord-West Europa aanzienlijke verschillen aanwezig als naar omvang van de verschillende gezinstypen wordt gekeken. Een belangrijke indicator is het buitenshuis werken van moeders.
In Zweden, Denemarken en België is het aantal moeders met zeer jonge kinderen (0 tot 3 jaar) dat buitenshuis werkt omvangrijk, achtereenvolgens 75, 70 en 69 procent. In Duitsland (34 procent), Finland (39 procent), Luxemburg (40 procent), Verenigd Koninkrijk (45 procent) en Nederland (50 procent) zijn deze percentages veel lager (Thenner, 2000). Deze percentages vormen een indicatie dat de egalitaire en geïndividualiseerde gezinstypen in Scandinavië, en wellicht ook in België, daar meer voorkomen dan in Nederland.

We kunnen vaststellen dat er ook in cultureel opzicht sprake is van pluriformiteit. Pluriformiteit ten aanzien van het moederschap en van het vaderschap. Pluriformiteit als de inkomstenverwerving nader wordt bezien, pluriformiteit bij de huishoudelijke taakverdeling en pluriformiteit in het opvoedingsklimaat.

3 Veranderingen in de levensloop

Een instrument om demografische en sociologische veranderingen met betrekking tot het gezin te analyseren is de gezinsfase-benadering. De standaard- indeling kent acht fasen (Niphuis-Nell, 1974):

1. Echtpaar zonder kinderen (huwelijkssluiting, kinderloze of eerste stabiele fase);

2. Zich uitbreidende gezinnen (oudste kind jonger dan 31 maanden) (eerste expansieve fase);

3. Gezinnen met peuters en/of kleuters (oudste kind 2,5-6 jaar) (tweede expansieve fase);

4. Gezinnen met schoolkinderen (oudste kind 6-13 jaar) (tweede stabiele fase);

5. Gezinnen met teenagers (oudste kind 13-20 jaar) (derde stabiele fase);

6. Inkrimpende gezinnen (uit huis gaan van kinderen) (fase van de gezinsinkrimping);

7. Echtpaar zonder thuiswonende kinderen (derde stabiele fase);

8. Bejaard echtpaar (vanaf pensionering, relatief korte fase).

Deze standaardindeling is verbonden met de levensloop van het traditionele gezin, de dominante gezinsvorm tot in de jaren zeventig. Er vond, soms na een lange verlovingstijd, een huwelijk plaats. Er werden tijdens het huwelijk kinderen geboren. Het ongehuwd moederschap werd sterk afgekeurd. Soms werd de moeder min of meer gedwongen om haar kind af te staan. Het gedwongen huwelijk was geen uitzondering. Echtscheiding kwam weinig voor en werd als een schande beschouwd. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de huwelijksadvertenties waarin wordt gemeld dat de man of vrouw schuldloos gescheiden is. Een belangrijke verandering die zich heeft voltrokken in de standaardlevensloop is dat in de 19e eeuw in de meeste gezinnen een van de ouders was overleden voordat het laatste kind het huis had verlaten. In de loop van de 20ste eeuw is door de langere levensduur het gewoon geworden dat na het verlaten van het ouderlijk huis beide ouders nog in leven waren. De huidige levensloop is bij veel gezinnen door het ongehuwd samenwonen, door de omvang van de echtscheiding en door de langere levens sterk gewijzigd. Daarnaast kent de levensloop een min of meer individueel karakter. De volgende fasen zijn dan te onderscheiden:

1. Ongehuwd samenwonen (herhaling via scheiding);

2. Ongehuwd samenwonen met kinderen (met samenlevingscontract);

3. Echtpaar met kinderen (huwelijkssluiting na de geboorte van een kind);

4. Gezinnen met peuters en/of kleuters;

5. Eenoudergezin met kinderen, vrouw als hoofd, man alleenstaand (na echtscheiding);

6. Ongehuwd samenwonen met eigen kinderen en kinderen nieuwe partner (gezinnen met schoolkinderen);

7. Gezinnen met kinderen (hertrouwen);

8. Uitbreidende gezinnen (geboorte kind uit tweede huwelijk);

9. Gezinnen met teenagers en kleuters;

10. Inkrimpende gezinnen; (uit huis gaan van de oudste kinderen)

11. Echtpaar zonder thuiswonende kinderen;

12. Bejaard echtpaar (lange fase).


De veranderingen in de levensloop zijn in vergelijking met de vroegere standaardlevensloop aanzienlijk. Uit het voorbeeld blijkt dat niet alleen het aantal gezinsfasen is toegenomen, maar dat hier eveneens een toename van de pluriformiteit in de levensloop is vast te stellen (de ongehuwd samenwonenden, scheiding, trouwen, echtscheiding, LAT-relatie, ongehuwd samenwonen, hertrouwen et cetera). Kortom er is tijdens de hedendaagse levensloop bij velen sprake van een toenemende ‘pluralization of life-styles’ en van een beweging die gaat van convergentie naar diversiteit (Boh, 1989). Met enige overdrijving kunnen we zeggen dat er gesproken kan worden over een ‘’individuele’ levensloop.

De veranderingen van de levensloop komen ook op een andere wijze tot uiting. De gemiddelde huwelijksleeftijd is sterk gestegen en ligt in veel landen van Noord-West Europa voor vrouw om en nabij de 30 jaar (Zweden, Denemarken, Nederland). In Nederland is er bovendien een duidelijk verband aanwezig tussen de huwelijksleeftijd en het opleidingsniveau. Vrouwen met een lagere opleiding trouwen voor hun 25ste jaar, vrouwen met een middelbare opleiding trouw na hun 25ste en voor hun 30ste jaar. Vrouwen met een hoge opleiding trouwen na hun 30ste jaar. Het krijgen van kinderen vertoont in Nederland een soortgelijk patroon. Het betekent dat leeftijd de belangrijkste indicator is voor de fase waarin een gezin zich bevindt. Dit is in Tabel 1 duidelijk zichtbaar (Alders, 2003).


Tabel : Gezinnen naar samenstelling en leeftijd referentiepersoon NL 2003 (x 1000)
----------------------------------------------------------------------------------

Leeftijd Echtpaar Niet-gehuwd paar Eenoudergezin
<20 0 0 2
20-24 5
5
11
25-29 50 21 22
30-39 558 106 106
40-49 739 60 147
50-64 472 21 91
>65 54 1 46
       
Totaal: 1.879 214 425


Uit de tabel blijkt dat de meeste gezinnen bestaan uit echtparen met kinderen. De fase met thuiswonende kinderen is in veel gevallen ongeveer dertig jaar. De niet-gehuwde paren met kinderen is niet omvangrijk als naar het totaal wordt gekeken, maar bij de jongere leeftijdscohorten is er wel een toename van deze gezinsvorm te zien. We hebben eerder gesproken over een proefhuwelijk als het om ongehuwd samenwonenden gaat, hierbij moeten we de kanttekening plaatsen dat het geregistreerd partnerschap ook valt onder de rubriek niet-gehuwde paren met kinderen. Bovendien is er wel een tendens aanwezig dat bij de jongere leeftijdscohorten het ongehuwd samenwonen met kinderen toeneemt. Opvallend zijn de jonge alleenstaande moeders met kinderen. Deze moeders hebben veelal een allochtone achtergrond. Een omvangrijke groepering vormen de gescheiden ouders (moeders) met thuiswonende kinderen.

Met betrekking tot de echtscheiding blijkt uit gegevens van de Raad van Europa (Council of Europe, 1993) dat de echtscheidingscijfers in Noord-West Europa hoog. De hoogste echtscheidingscijfers hebben het Verenigd Koninkrijk, de Scandinavische landen en Finland. De echtscheidingscijfers in Nederland, Duitsland en België zijn wat lager, maar in vergelijking met de Zuid-Europese landen ook hoog te noemen (Klein en Kopp, 2002). Op demografisch gebied zijn er, vanaf de late jaren tachtig, andere veranderingen zichtbaar geworden. In Noord-West Europa is de tweede demografische transitie (Van de Kaa, 1980; Lesthaege, 2002) vanaf het midden van de jaren zeventig van grote invloed. De vruchtbaarheid is in vrijwel alle Europese landen onder het vervangingsniveau gekomen. De huwelijkssluitingen zijn door de opkomst van het ongehuwd samen wonen, het geregistreerd partnerschap en door huwelijksuitstel of huwelijksafstel afgenomen en ook de stabiliteit van de (huwelijks)relaties is door de omvang van de scheiding bij ongehuwd samenwonenden en gehuwden verminderd. Ook daardoor is de pluriformiteit aan samenlevingsvormen aanzienlijk toegenomen (De Hoog, 2003; Kuijsten, 2002). Er is meer aan de hand met de ontwikkeling van de bevolking. Door de afname van de geboorten en de aanzienlijke verlenging van de levensduur is de vergrijzing van de bevolking in vrijwel alle Europese landen een probleem of het zal een probleem gaan geworden. De tweede demografische transitie heeft dus niet alleen grote gevolgen voor het individu en het gezin, maar ook voor de samenleving als geheel. Naast de tweede demografische transitie hebben we in Europa ook te maken met een omvangrijke populatie migranten afkomstig uit de voormalige koloniën en met de arbeidsmigranten uit mediterrane gebieden. Juist op het terrein van het gezinsleven zijn bij deze groeperingen aanzienlijke verschillen vast te stellen met de autochtone gezinnen. Verschillen onder andere tot uiting komen in afwijkende huwelijkspatronen, de positie van vrouwen en meisjes en het relatief hoge kindertal. Ook hier kunnen we spreken over pluriformiteit.


4 Op weg naar een breed gezinsbeleid

De pluriformiteit van het gezin in structureel en cultureel opzicht heeft gevolgen voor het beleid. Het blijkt dat in Zweden en Denemarken een beleid wordt gevoerd waarin niet de leefvorm centraal staat, maar de zorg voor kinderen. Daarnaast is het gezinsbeleid in Noord-West Europa vooral gericht op meer gelijkheid tussen mannen en vrouwen als het gaat om de taakverdeling en de arbeidsparticipatie. Het streven van een dergelijk beleid is dat vrouwen op een lagere leeftijd aan kinderen beginnen en dat de combinatie arbeid en zorg voor velen geen utopie meer is. Dit is daadwerkelijk het geval in Zweden en Denemarken (Knijn, 2004). In Nederland wordt sinds het eerste Internationale Jaar van het Gezin 1994 door het kabinet een definitie gehanteerd die als volgt is te omschrijven: een gezin is een huishouden met minderjarige kinderen. Het is een ruime definitie, waar de aanwezigheid van minderjarige kinderen in het huishouden centraal staat. Het is een definitie die afwijkt van de klassieke gezinsdefinitie.
Deze definitie luidt als volgt: een gezin is een echtpaar met eigen thuiswonende kinderen. Op het eerste gezicht lijkt de kwestie van de gezinsdefinitie een woordenspel te zijn. Dit is het echter niet. Het betekent dat in Nederland eindelijk de basis is gelegd voor een beleid waarin het kind centraal staat en in veel mindere mate de leefvorm. Het betekent ook dat de pluriformiteit van de gezinnen door de overheid erkend is.

De herdefinitie van het gezin wil niet zeggen dat er in Nederland nu een adequaat gezinsbeleid wordt gevoerd. Uit een gezinsenquête die ter gelegenheid van het tweede Internationale Jaar van het Gezin (het jaar 2004) door de Nederlandse Gezinsraad (NGR), het Nederlands Instituut Budgetvoorlichting (NIBUD) en het dagblad Trouw is georganiseerd (Trouw, 2004) blijkt dat respondenten zeggen een sterke behoefte hebben aan overheidsbeleid met betrekking tot het gezin. Ongeveer de helft van de ondervraagden uit de gezinsenquête is van mening dat de combinatie werk en zorg het afgelopen decennium problematischer is geworden. Ook de opvoeding van kinderen wordt als een veel grotere last ervaren dan in de jaren negentig. Bijna zeven van de tien Nederlanders vindt dat het moeilijker is geworden om kinderen op te voeden (NGR, 2004). Ruim de helft is van mening dat de opvoeding niet alleen een privé zaak is. Een meerderheid vindt dat de staat bij de opvoeding een voorwaardenscheppend beleid moet vervullen. Twee derde van ondervraagden is van mening dat de overheid onvoldoende aandacht aan het gezin besteedt.

Deze ontwikkelingen nopen ertoe dat de staten binnen de Europese Unie een adequaat en nieuw gezinsbeleid gaan voeren. Een dergelijk beleid dient volgens de Deense socioloog Esping-Andersen (2003) op drie pijlers te berusten:

1. Het scheppen van mogelijkheden en voorwaarden waardoor iedereen in die wil werken dat ook kan doen (investeringen (na)scholing, sociale activering). Het betekent m.i. echter niet dat de vrijheid om bewust te kiezen voor het moeder- of vaderschap en gedurende een korte of lange periode niet gecombineerd wordt met werk buitenshuis hierdoor moet worden belemmerd;

2. Het collectief garanderen van formele en informele zorg voor ouderen, kinderen en anderen via regelingen die de kwaliteit van het gezinsleven en de wens tot gezinsvorming bevorderen;

3. Het bevorderen van een (diensten)economie waarmee de combinatie van het gezinsleven en het beroep wordt ondersteund.

Het betekent dat een modern gezinsbeleid gebaseerd moet zijn op veranderingen die zich niet alleen binnen het gezinsdomein hebben voorgedaan of zich daar zullen voltrekken, maar ook andere beleidsdomeinen dienen te bestrijken, zoals de arbeidsmarkt, de informele en formele zorg (ouderen, kinderen) en de sociale zekerheid. Er zijn meer opmerkingen te maken over een vernieuwing van het gezinsbeleid. Het gaat er ook om dat de solidariteit tussen de generaties aanwezig blijft (Knijn en Komter, 2004). De generationele banden tussen familieleden, grootouders, ouders en kinderen moeten expliciet worden erkend. Het betekent dat mannen, vrouwen, vaders en moeders niet alleen het recht krijgen om zich maatschappelijk te ontplooien, maar ook een recht moeten krijgen op een goed gezinsleven en dat de mogelijkheid aanwezig moet zijn om familiebanden te kunnen blijven onderhouden.

Er is meer aan de hand om het gezinsbeleid te herzien. Op drie terreinen zijn er aanzienlijke problemen. Het betreft de vruchtbaarheid, de zorg en de (echt)scheiding.

Het ontbreken van een expliciet bevolkingsbeleid binnen veel Europese landen kan als kortzichtig worden beschouwd (Van Imhoff en Beets, 2002). De hoge leeftijd van moeders bij de geboorte van het eerste kind (Nederland, Zweden, Denemarken) leidt tot hoge medische kosten (behandeling van de onvruchtbaarheid, een grotere kans op complicaties). Er zijn door de lage vruchtbaarheid andere nadelige effecten te noemen (omvang arbeidsmarkt, inkrimping onderwijsinstituten) en bovendien heeft de lage vruchtbaarheid een versterkend op effect op de vergrijzing in Europa.
Er doet zich nog een belangrijk probleem voor bij de ontwikkeling van de vruchtbaarheid. Er treedt stilaan een tweedeling op tussen gezinnen van ouders met een lagere opleiding en gezinnen van ouders met een hogere opleiding. Moeders met een lage opleiding hebben moeite om de arbeidsmarkt te betreden. Er is volgens De Hoog (2002) sprake van een geslaagde damesemancipatie en niet van een geslaagde vrouwenemancipatie. Vrouwen met een lagere opleiding lijken daarom vooral te kiezen voor het moederschap, maar hebben juist daardoor in veel gevallen een laag gezinsinkomen. Moeders met een hoge opleiding kunnen door hun ruimere gezinsinkomen hun beroep met het moederschap combineren. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat vrouwen met een hoge opleiding, in de nabije toekomst (wellicht meer dan 30 procent) de voorkeur geven aan hun loopbaan en het moederschap niet meer als een reële optie zullen gaan beschouwen. Daarom zou er gedacht kunnen worden om de kinderbijslag voor een deel afhankelijk van het gezinsinkomen te maken en om een algemene geboortetoeslag te geven.

Een tweede gebied dat binnen een gezinsbeleid aandacht moet hebben is de zorg. Het gaat daarbij om de opvoeding en de zorg van kinderen door ouders en om de informele zorg die aan familie en anderen door gezinsleden wordt gegeven. Bij de opvoeding en de zorg voor kinderen moet niet alleen worden gedacht aan de verbetering van faciliteiten als de kinderbijslag, het ouderschapsverlof, calamiteitenverlof en de kwaliteit van de kinderopvang en van het onderwijs, maar ook aan sport- en speelgelegenheden en aan veiligheid op straat. De kwaliteit van de fysieke en de sociale omgeving van kinderen dient zonder beperkingen onderdeel te zijn van het gezinsbeleid. Dit betekent dat de overheid ouders moet bijstaan in de opvoeding en de zorg voor hun kinderen. Het betekent dat ouders een beroep moeten kunnen doen op gezinscoaches, opvoedingsondersteuning en opvoedbureaus. Naar mijn mening zou een verplichte ouderschapscursus hieraan moeten worden toegevoegd. Een ander gebied waar veel aandacht aan moet worden besteed is de informele zorg. In een vergrijzende samenleving is de onderlinge solidariteit tussen familieleden en anderen een belangrijke pijler waarop een deel van de zorg berust en het welbevinden bevordert. Het is een taak van de overheid om via allerlei faciliteiten zoals een ruimer zorgverlof en belastingvoordelen de informele zorg te ondersteunen. Wellicht kan er worden gedacht aan een zorgloon of het instellen van een sociale dienstplicht. In ieder geval dient de informele zorg zonder beperkingen onderdeel te zijn van het gezinsbeleid.

Een derde terrein dat we hier aan de orde willen stellen betreft de (echt)scheiding. Nederland wordt hierbij als voorbeeld genomen. De echtscheiding. In 2003 vonden er ruim 30.000 echtscheidingen plaats, exclusief de scheiding van ongehuwd samenwonende ouders. In bijna de helft van de gevallen waren bij een echtscheiding minderjarige kinderen bij betrokken. Een conservatieve schatting geeft aan dat een kwart van alle minderjarige kinderen geen goede omgangsregeling heeft met één van beide ouders en een kwart van de kinderen ziet na de scheiding de uitwonende ouder niet meer (De Hoog en De Jongh, 2005). Onder deze ouders zijn velen, die ook na hun scheiding ruzie blijven maken.
Uit een omvangrijk onderzoek in Nederland (Spruijt e.a., 2002) en in de Verenigde Staten (Amoto en Sobolewski, 2001) blijkt dat ouders die ruzie blijven maken negatieve effecten veroorzaken op het welbevinden van hun kinderen. Deze kinderen hebben slechtere schoolprestaties, Er treedt meer vandalisme en delinquentie op. Hun alcohol- en drugsgebruik is omvangrijk. Ze op latere leeftijd hebben meer relatieproblemen. Het betekent dat vooral kinderen bij een (echt)scheiding van hun ouders kwetsbaar zijn. Tot voor kort had het beleid nauwelijks aandacht voor deze neveneffecten van een echtscheiding. Onlangs heeft in Nederland de Minister van Justitie een wetsvoorstel ingediend waarvan de kern is dat het ouderschap niet ophoudt te bestaan na een scheiding. Daarnaast dienen ouders die gaan scheiden een ouderschapsplan in te dienen, waarin de zorg en de opvoeding van de kinderen is geregeld. Niet aan de orde is om de bemiddeling ook te richten op het herstel van de relatie. Het lijkt erop dat op in de huidige samenleving op daadwerkelijke bemiddeling een taboe rust. Het is van belang om te beseffen dat de scheidingscultuur de samenleving veel geld kost en de samenleving op maatschappelijk terrein in zekere mate ontwricht. Daarom is het noodzakelijk dat de overheid veel meer aandacht besteedt, zonder dat echtscheiding onmogelijk wordt gemaakt, aan de negatieve gevolgen hiervan. Bovendien heeft echtscheiding een negatief effect op het niveau van de geboorten. Een ruwe schatting geeft aan dat in Nederland sinds de jaren zeventig (vrijere echtscheidingswetgeving) één miljoen kinderen minder zijn geboren. Het voorkomen van echtscheiding via voorlichting en hulpverlening dient een onderdeel te zijn van een modern gezinsbeleid.

De rode draad in de ontwikkelingen die in de voorafgaande paragrafen zijn gegeven kan worden samengevat is pluriformiteit. Deze pluriformiteit moet consequenties hebben voor een gezinsbeleid. Het betekent bijvoorbeeld dat het niet meer mogelijk is dat beleidsvoerders en anderen direct of indirect een voorkeur kunnen hebben voor een bepaald gezinstype, zoals dit vroeger het geval was voor het traditionele gezinstype. Er doet zich nog een eigenaardigheid voor die nog niet is behandeld. Gezinnen kunnen gedurende hun bestaan van positie en dus ook van gezinstype veranderen. We illustreren dit met een voorbeeld. Een jong gezin kan streven naar gelijkwaardigheid tussen de partners. De vrouw blijft ook na de geboorte van haar eerste kind buitenshuis werken (onderwijzeres). De loopbaan van de man verloopt voorspoedig. Twee betaalde banen binnen dit gezin is geen noodzaak meer.
Gelet op de kinderwens van dit gezin wordt besloten dat de moeder haar baan opzegt en zich volledig richt op de opvoeding en de verzorging van de kinderen. Nadat de kinderen het huis hebben verlaten besluit de vrouw haar oude beroep weer te gaan uitoefenen. Het betekent dat er transitie en uitwisseling tussen verschillende gezinstypen kan plaats vinden. Het betekent ook dat het gezinstype waarin men verblijft de situatie op een bepaald moment aangeeft.

5. Stellingen

Gelet op de pluriformiteit, de kern van mijn betoog, heb ik de volgende stellingen geformuleerd.

1.Een gezinsbeleid dient een bewuste beïnvloeding te zijn van een sociaal proces of situatie –hetzij langs directe of indirecte weg- om daarin een gewenste ontwikkeling tot stand te brengen (In ’t Veld-Langeveld, 1963).

2.Een gezinsbeleid beleid binnen een verzorgingsstaat dient een herkenbaar onderdeel te zijn van het sociale beleid.

3.Gelet op het brede karakter van een dergelijk gezinsbeleid verdient het aanbeveling om het overheidsbeleid op alle zijn facetten te beoordelen, inclusief directe effecten en mogelijke neveneffecten op het gezin.

4.Het gezinsbeleid dient op het niveau van een minister te worden gevoerd.

5.Het is hoogtijd dat in de Europese commissie een commissaris zich expliciet gaat bezig houden met een gezinsbeleid en met een bevolkingsbeleid. (Het louter en alleen verzamelen van beleidsgegevens over gezinnen en het volgen van demografische ontwikkelingen is niet meer voldoende).

6.Beleidsvoerders moeten veel meer aandacht krijgen voor de pluriformiteit van gezinnen en van het gezinsleven. Een beleidsmodel met alleen aandacht voor nieuwe gezinstypen of alleen voor traditionele gezinnen is niet meer van deze tijd.

7.Een gezinsbeleid dient niet alleen te bestaan uit het stimuleren van buitenshuis werk door moeders, maar moet ook zichtbaar worden in de zorg voor familie en anderen.

8.Een bevolkingsbeleid en een gezinsbeleid zijn twee kanten van dezelfde medaille (Dumon, 1977).


Literatuur

- Alders, Maarten (2003) Demografie van gezinnen. In: CBS, Bevolkingstrends, statistisch kwartaalblad over de demografie van Nederland, 51, 2003. 31-37.
- Amato, P.R en J.M. Sobolewski (2001) The effects of divorce and martinal discord on adult children’s psychological well-being. In: American Sociological Review, 66, 6.
- Avort, A van der, P. Cuyvers en C. de Hoog (1997) Het Nederlandse gezinsleven aan het einde van de twintigste eeuw. Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
- Boh, K. (1989) European Family Life Patterns. A reappraisal. In: K. Boh e.o. (eds.) Changing patterns of European family life: a comparative analysis of 14 European countries. London/New York: Routlegde.
- CBS (2003)
- Council of Europe (1993) Recent demographic developments in Europe and north America. Council of Europe: Strasbourg.
- Dumon, W.A. (1977) Bevolkingspolitiek en gezinspolitiek. In: Volwaardig gezinsbeleid in Vlaanderen, 6 (3), 113-126.
- Esping-Andersen, G. (2003) Why we need a new welfare state. Oxford: Oxford University Press.
- Eurostat (2003) Living conditions in Europe. Statistical pocketbook. Eurostat: Strasbourg.
- Hoog, Kees de en Jolanda Vinkers (1998) Van individualisering naar pluriformiteit. Analyses van de gezinsbeelden in de programma’s voor de Tweede Kamerverkiezingen. Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
- Hoog, Kees de (2002) Gezinsbeleid tussen emancipatie en uitsluiting. In: M. Keizer en K. Verhaar (red.) Sociale verkenningen familiezaken. Den Haag: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, 45-56.
- Hoog, Kees de en Erna Hooghiemstra (2002) Links en rechts aandacht voor het gezin. Gezinsbeelden in de partijprogramma’s voor verkiezingen van de Tweede Kamer. Den Haag: Nederlands Gezinsraad.
- Hoog, C. de (2003) Opgaan, blinken, verzinken en uit de as herrijzen. Gezinnen, gezinssociologie en gezinsbeleid 1946-2003. Wageningen Universiteit: Wageningen.
- Hoog, Kees de en Wilma de Jongh (2005) Mediation en het ouderschapsplan. In: Tijdschrift voor Familie en Jeugdrecht (FJR), 34, 98-103.
- Imhoff, E van en G. Beets. Demografische ontwikkelingen knelpunten en de (on)mogelijkheden van bevolkingsbeleid in Nederland. In: M. Keizer en K. Verhaar (red.) Sociale verkenningen familiezaken. Den Haag: Ministerie van Sociale zaken en Werkgelegenheid.
- Kaa, D.J. van de (1980). Recent trends in fertility in Western Europe. In: R.W. Hiorns (ed.), Demographic patterns in developed countries. London: Taylor and Francis.
- Kaufmann Franz-Xaver, Anton Kuijsten, Hans-Joachim Schulze, Klaus Peter Strohmeijer (2002) Family life and family policies in Europe, volume 2. Problems and issues in comparative perspective. Oxford: Oxford University Press.
- Klein, Thomas en Johannes Kopp (2002) Divorce in Europe – A cohort perspective. In Franz-Xaver Kaufmann e.a. (eds.) Family life and family policies in Europe, volume 2. Problems and issues in comparative perspective. Oxford: Oxford Press, 149-174.
- Kloeze, Jan W. te, Kees de Hoog, Marlies van Bergen en Myron Duivenvoorden (1996) Tussen vrijheid en gebodenheid: het postmoderne gezin ontdekt. Leuven/Apeldoorn: Garant.
- Knijn, Trudy (2004) Emancipatie en gezin. Naar een vruchtbaar, productief en zorgzaam gezinsbeleid. Nederlandse Gezinsraad: Den Haag.
- Knijn, T en A. Komter (2004) Solidarity between the sexes and the generations. Transformations in Europe. Cheltenham: Edward Elgar.
- Kooy, G.A. (1967) Het modern-Westers gezin. Hilversum/Antwerpen: Paul Brandt.
- Kooy, G.A. (1985) Vier eeuwen ontwikkeling vanuit brede gezinssociologische optiek. In: G.A. Kooy (redactie) Gezinsgeschiedenis, Vier eeuwen gezin in Nederland. Assen/Maastricht: van Gorcum.
- Kuijsten, A. (2002) Variation and change in the forms of private life in 1980’s. In: F-X. Kaufmann a.o. (eds.) Family life and family policies in Europe, volume 2. Problems and issues in comparative perspective. Oxford: Oxford University Press, 19-68.
- Lesthaeghe, R. (2002) Europe’s demographic Issues: fertility, houshold formation and replacement migration. In: Global population issues; the human dimension. The Hague/Hilversum: Netherlands Society for International Affairs and World Population Foundation.
- NGR (2004) Opening internationaal jaar van het gezin (Persbericht) Den Haag: Nederlandse Gezinsraad.
- Niphuis-Nell (1974) De gezinsfasen. Siswo: Amsterdam.
- Saal C.S. (1958) Het boerengezin in Nederland. Assen: Van Gorcum.
- Spruijt, E. en H. Kormos, H. Bruggraaf en A. Steenweg (2002). Het verdeelde kind. Raad van de Kinderbescherming: Utrecht.
- Swaan, A. de (1983) De mens is de mens een zorg. Amsterdam.
- Thenner, M (2000) Familienpolitik als Politik zur Vereinbarkeit von Familie und Beruf. In: I. Dingelbey (ed.) Erwebstätigheit und Familie in Steuer- und Sozialversicherungssystemen, Begünstigungen und Belastingen verschiedener familialer Erwerbsmuster in Ländervergleich. Leske und Budrich: Opladen.
- Trouw (2004) De gezinsenquête (onder andere via de Nederlandse Gezinsraad).
- Veld-Langeveld, H.M. in ‘t (1963) Gezinssociologie en gezinsbeleid. Utrecht: Bijleveld.


Prof. Dr. Kees de Hoog heeft de tekst als voordracht gebracht op de Dag van het Gezin
op zondag 19 juni 2005 in het Residence Palace in Brussel.



 
Omhoog
 

Het einde van het gezin? Omtrent de afscheidsrede van gezinssocioloog Kees de Hoog

In zijn afscheidsrede als hoogleraar gezinssociologie luidde Kees de Hoog gisteren in Wageningen de noodklok. Politieke correctheid weerhoudt beleidsmakers ervan te doen wat ze zouden moeten doen.

Ed Arons

Toen professor Kees de Hoog gisteren in Wageningen zijn afscheidscollege gaf, markeerde dat het einde van de leerstoel gezinssociologie, die daar – met een onderbreking van enkele jaren – sinds 1948 gevestigd is geweest. “Onbegrijpelijk”, verzucht De Hoog, wiens rede de geladen titel droeg ‘Is het gezin op weg naar het einde?’. De scheidende hoogleraar is te genuanceerd om die vraag met ‘ja’ te beantwoorden, maar hij onderbouwt wel een pleidooi voor een actieve bevolkingspolitiek – een beleid dat het aantal geboorten stimuleert.

Meer kinderen

“Bevolkingspolitiek is in ons land nog steeds een taboe, en ik zal er wel weer op worden aangevallen. De term herinnert te sterk aan nazi-Duitsland.” Ook hoort men nog een echo uit de jaren ’50. “Toen was er – met veel minder inwoners dan nu – sprake van overbevolking. Plus leefde bij sommigen de angst dat de katholieken met hun grote gezinnen de macht zouden overnemen. Een angst die nu leeft ten aanzien van de moslims. Maar ook daar zien we met iedere nieuwe generatie het aantal kinderen afnemen.”
Volgens De Hoog kunnen we een voorbeeld nemen aan Frankrijk. “Daar leidde een verhoging van de kinderbijslag de afgelopen jaren tot een stijging van het geboortecijfer met een kwart. En in een land als Noorwegen draagt een langer ouderschapsverlof bij tot een stijging.”

 

 

 

 

Prof. Kees de Hoog: “Huwelijksrelaties herstellen mag niet in Nederland. Dat is betuttelend en gaat in tegen de eigen vrije keuze.”

 

 

Rampscenario

Dat er iets moet gebeuren, maakt zijn afscheidsrede wel duidelijk. Van de eenpersoonshuishoudens zijn niet veel geboorten te verwachten. In 1971 vormden die huishoudens 17 procent van het totaal, in 2004 was dat aantal 34 procent en het CBS verwacht voor 2050 een percentage van boven de 40! Daarbij komt het groeiend aantal vrijwillig kinderloze vrouwen. Het CBS verwacht van de generatie geboren tussen 1972 en 1976 dat een op de vijf bewust of onbewust kinderloos zal blijven. In sommige yuppenwijken in de grote steden ligt dat percentage al rond de 45. “Voor deze meest hoogopgeleide mensen staan carrière en het grote genieten centraal”, blijkt volgens De Hoog uit onderzoek waar hij zelf bij betrokken was. “In hun hedonistische levensstijl is geen plaats voor kinderen. Het kan zijn dat deze trend ‘doorzakt’ naar mensen met een MBO-opleiding. Zoiets gebeurde al eerder ten aanzien van het traditionele gezin. Ook toen was de vrouw de spil van de veranderingen.” Een demografisch rampscenario.
Volgens De Hoog wordt het beleid door heel veel vooroordelen en taboes bepaald en door politiek correct denken en sluit het daarom vaak niet aan bij de werkelijkheid. Van de kennis van hemzelf en zijn collega-hoogleraren aan andere universiteiten maakt de overheid nauwelijks gebruik, en enkele jaren geleden is ook de Gezinsraad opgeheven. “Laatst hoorde ik op de radio een mevrouw over de waarde van strafkampen…” Z’n intonatie spreekt boekdelen. “Als ik het gezicht zie van staatssecretaris Sharon Dijksma met haar dodelijke glimlach. (Steeds bozer) Die luistert naar niemand, want ‘zo is het en zo hoort het’. Met haar politiek correcte flauwekul en haar wereld volgens Bartjes…” Even is het stil. “Ja, dat mag u opschrijven.”

Lijmen

Geboortepolitiek is taboe. Maar ook het voorkomen van echtscheiding is onbespreekbaar. “Annette Heffels is een voorloper. Zij meldt vanuit haar ervaring als relatietherapeute dat in veertig procent van de gevallen de huwelijksrelatie hersteld kan worden. Maar in Nederland mag dat niet. Dat is betuttelend en gaat in tegen de eigen vrije keuze. Terwijl we op andere gebieden, neem roken, kennelijk wel mogen betuttelen, vanwege de schade aan de gezondheid. Men gaat voorbij aan de schade die echtscheiding veroorzaakt. Allereerst bij kinderen.

 

 

 

 

 

‘In hun hedonistische levensstijl is geen plaats voor kinderen’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Recente onderzoeken van Ed Spruijt en van Jaap Dronkers tonen aan dat het om een probleem gaat, een gróót probleem: met schooluitval, drugsgebruik, alcohol… En dat in alle lagen van de bevolking. En naast de schade aan de kinderen kost echtscheiding de samenleving jaarlijks miljarden: minder inkomsten van de fiscus, ziekteverzuim, bijstandsuitkeringen, meer woningen, meer auto’s op de weg.”
Ziet De Hoog een oplossing? “De overheid zou minstens een experiment moeten financieren om te trachten huwelijken die niet duurzaam ontwricht zijn te lijmen. Maar dan moet eerst dat taboe doorbroken worden. En moet de knop om bij heel wat – goede – hulpverleners, want die vinden hun taak als therapeut al geslaagd als de partners elkaar niet de hersens inslaan.”

Rouvoets centra

Maar De Hoog moet toch blij zijn met een eigen minister voor Jeugd en Gezin? En met Rouvoets Centra voor Jeugd en Gezin? Want vorig jaar nog klaagde hij in KN over de versnippering van de hulpverlening… De Wageningse hoogleraar aarzelt, zoekt eerst in zijn broekzak naar een nieuw pakje sigaretten. “Die Centra voor Jeugd en Gezin zijn een stap in de goede richting, ook al zal dat hier en daar nog wel een stammenstrijd opleveren.

 

 

 

 

 

 

‘Onzin dat nuljarigen beter gesocialiseerd zouden worden in een crèche’

 

 

 

 

 

 

 

 

Maar ik vind dat de minister met zijn aanpak onnodig het gezin problematiseert, terwijl het in de meeste gezinnen met de opvoeding best wel goed gaat. Het effect kan zijn dat jonge mensen aarzelen met het krijgen van kinderen als dat zoveel problemen met zich meebrengt.”
Daarnaast heeft De Hoog vragen als ‘wie bemannen die centra?’, ‘wanneer kom je op de lijst van probleemgezin?’ ‘welke norm wordt er gehanteerd?’. “In hoeverre mag je in Nederland nog een eigen levensstijl hebben? Ik denk dan bijvoorbeeld aan de christenen, aan de gristenen.”

Huis uit

De overheid laat zich te veel leiden door de feministische gedachte dat vrouw en aanrecht niet samengaan. Die ideologie speelt in op de trend die moeders belangrijker acht voor de arbeidsmarkt dan voor de opvoeding van hun kinderen. “En dan die onzin dat nuljarigen beter gesocialiseerd zouden worden in een crèche… Ik noem mezelf progressief liberaal, maar ik heb begrip voor iemand als Nell Coumans (van Grootgezin.nl –ea), die pleit voor maatschappelijke waardering voor de moeder als opvoeder. Mensen horen in vrijheid te kunnen beslissen. Veel vrouwen zijn het niet eens met de politiek correcte lijn van ‘de vrouw het huis uit’.

 

 

 

 

 

‘In hoeverre mag je in Nederland nog een eigen levensstijl hebben?’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Die druk is er bij arbeidskrapte. Is die voorbij, dan zijn zij de eersten die er weer uitvliegen”, schampert De Hoog. “Als ouders zaken zelf kunnen regelen, leidt dat tot grotere tevredenheid. Dat is bijvoorbeeld het sympathieke van het idee van de ChristenUnie voor een financieel rugzakje per kind in plaats van subsidie voor kinderopvang. Ouders kunnen dan zelf uitmaken wat ze doen. Ook al weet ik natuurlijk dat zo’n maatregel de eigen visie dient dat vrouwen thuis horen te blijven.”
Volgens prof. Kees de Hoog zijn gezinnen die deel uitmaken van een hechte geloofsgemeenschap goed af. “Die zeggen ‘De Heer maakt ons gelukkig’, maar als socioloog zie ik hoe zij opgenomen worden in een gemeenschap en daar hulp van ontvangen. Die zijn beter af dan een geïsoleerd gezin in Ommoord. Vroeger – volgens het NIDI tot aan de jaren ’70 – had je de grootfamilie. Kinderen hadden meer opvoeders naast de eigen ouders en de ouders kregen steun en waar nodig correctie. Als je nu een corrigerende opmerking maakt, is het oorlog.
Vroeger kwam de huisarts echt aan huis en kwam de pastoor of de kapelaan op huisbezoek. Dat is allemaal weggevallen en maakt het gezin kwetsbaar. Een tegenbeweging naar meer samenhang? Die zie ik helaas niet, maar is wel nodig.”

K.N.- 19 oktober 2007

 


 
Omhoog
 

Spitsuurgezin is fnuikend voor hoger geboortecijfer

Politici vergeten een belangrijk obstakel bij het krijgen van meer kinderen: de scheidingsgolf

Theo Richel en Wim Orbons - 3 maart 2005

Als we meer baby’s willen moeten we scheiding ontmoedigen. Zonder alle echtscheidingen en verbroken relaties van de laatste 50 jaar zou bijvoorbeeld Nederland nu een miljoen inwoners meer hebben gehad, aldus het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Nederlandse Gezinsraad in het rapport Samenleven van ‘verloren kinderen’.

Het voortdurende gedram van de overheid om vrouwen meer te laten werken en mannen meer te laten zorgen heeft vooral negatieve gevolgen. Het bevordert het ‘spitsuurgezin’ dat vaak tot scheiding leidt. Uit onderzoek is allang bekend dat niet alle vrouwen, maar wel de grote meerderheid ervan, kinderen het belangrijkste vinden en die zelf willen opvoeden. Die moeders krijgen echter van de overheid voortdurend te horen dat ze de verkeerde keuze hebben gemaakt. Ze moeten meer en langer werken en niet moederen. En vaders die graag geld willen verdienen, daarvoor vaak overwerken of bijklussen, om voor hun gezin te zorgen wordt meegedeeld dat strijken eigenlijk veel belangrijker is.

We hebben scheiden steeds makkelijker gemaakt. Ook als daar jonge kinderen bij betrokken zijn, terwijl volgens de vakliteratuur scheiden voor verreweg de meeste kinderen funeste gevolgen heeft. Postbus 51 leert ons hoe we een scheiding moeten aanvragen in plaats van er op te wijzen wat de negatieve gevolgen van — de meeste — scheidingen zijn. En de scheidingscultuur kost de maatschappij ook nog eens handenvol geld. Waarom beschermt de overheid het gezin niet? Er zijn allerlei maatregelen getroffen om mensen die willen scheiden het zo makkelijk mogelijk te maken, eenzijdige ontwrichting van het huwelijk zonder motivatie, flitsscheiding, gratis rechtsbijstand, et cetera, terwijl uit allerlei onderzoek is gebleken dat nogal eens om flutredenen wordt gescheiden.

De overheid onderneemt niets om dit tij te keren. Voor mannen is het gezin een onveilige plek geworden. Van de ene op de ander dag kun je van een gewaardeerde hardwerkende vader worden gedegradeerd tot een alcoholistische agressieve bruut. Niet omdat je dat werkelijk bent, maar omdat dat de termen zijn waarop die vader het makkelijkst uit huis te verwijderen is. Per jaar worden nog maar circa 76.000 huwelijken gesloten en bijna 40.000 echt- én flitsscheidingen uitgesproken, steeds vaker en sneller na de ‘belofte’.

Van het tweede huwelijk strandt 60 procent. Jaarlijks zijn bij echt- én flitsscheidingen én bij verbreking van samenwoonrelaties circa 63.000 kinderen betrokken. Voortaan krijgen we het standaardadvies dat roken slecht is voor de gezondheid, maar scheiden is ook een grote aanslag op het leven van de meeste kinderen, (groot)ouders en de economie.

Geneuzel over de pedagogische tik versterkt gezin niet

Ook het geneuzel over de pedagogische tik is de zoveelste gezinsverzwakkende impuls. Veel beter zou natuurlijk zijn om het gezin te versterken. Niet alleen om — onnodige — scheidingen te voorkomen, maar ook door beter te kijken waardoor mishandeling van kinderen, veel vaker in stiefgezinnen dan in intacte gezinnen, wordt veroorzaakt. Als pa en ma zich allebei een slag in de rondte moeten werken omdat de overheid van alles wat we verdienen de helft inpikt, dan is het zeker niet goed te keuren, maar soms wel begrijpelijk als een van de ouders het begrip pedagogische tik te ruim neemt.

Het is een reële verwachting dat als de werkstress, in combinatie met de zorg voor kinderen, afneemt, ook de impulsieve en pedagogische tik afneemt. Maar het anti-kindermishandelingsbeleid zal door de administratieve toename van ‘criminelen’ veel meer hulpverleners behoeven. En we hebben al zoveel hulpverleners die de chronische mishandeling — en moord — van kinderen niet kunnen voorkomen. Het kabinet heeft daarvoor recent aan de Tweede Kamer toegezegd dat binnen een jaar de wachtlijsten bij de kinderbeschermers moeten zijn verdwenen.

De gezinshoogleraar Kees de Hoog pleit al jaren in vele publicaties voor een expliciet gezinsbeleid. Van een visie op — jonge — gezinnen in een vergrijzende samenleving valt weinig te merken, aldus De Hoog. In de programma’s besteedde het CDA ruim aandacht aan de verbetering van de kinderopvang, de verlofregelingen, de mantelzorg, de bestrijding van armoede in gezinnen en de opvoedingsondersteuning. Sociale Zaken zou de belangen van de gezinnen gaan behartigen. De uitvoering van dat beleid is echter uitbesteed aan een afdeling van dat ministerie die zich in de afgelopen jaren vooral heeft bezig gehouden met zaken die juist de afbraak van dat gezin bevorderden. De meest recente kostenverslindende campagne wie-doet-wat is het laatste wanproduct in deze serie van deze ontwikkelingswerkers.

Visie op gezinnen in een vergrijzende samenleving ontbreekt

Mensen doen het liefst waar ze goed in zijn. Dat is volgens economen ook het beste voor de economie. En dat is in de meeste gevallen: ma zorgt voor de — kleine — kinderen, eventueel noodgedwongen met een parttime baantje en pa zorgt voor brood op de plank. De overheid heeft de afgelopen jaren, en nog steeds, een beleid gevoerd met negatieve effecten op het gebied van het bij elkaar houden van het gezin. En dan worden er natuurlijk ook minder kinderen geboren en daardoor wordt het probleem van de vergrijzing alleen maar groter.

Theo Richel is wetenschapsjournalist. Wim Orbons was directeur en secretaris van gezondheidszorgorganisaties en contactpersoon van de expertgroep die voorstellen deed aan minister Donner van Justitie om echtscheidingswetgeving te veranderen.

 
Omhoog
 

Evelyn - merkwaardige en knappe familiefilm

Evelyn is de inspirerende geschiedenis van Desmond Doyle (Brosnan) en zijn jonge kinderen, Evelyn (Vavasseur), Maurice, en Dermot in het Ierland van 1953. Doyle voelt zich verslagen als zijn vrouw hem en zijn kinderen verlaat. Daarbij beschouwen de Ierse rechtbanken en de katholieke kerk hem ongeschikt om voor zijn kinderen te zorgen en zij nemen zijn kinderen van hem weg en plaatsen ze ze in weeshuizen. Hij zweert bij zichzelf dat hij zijn gezin zal herenigen en hij huurt een machtige advocatenploeg in (Rea, Quinn, Bates), om voor hem zijn zaak te winnen en te doen wat niemand voordien hem ooit heeft voorgedaan de wet te betwisten voor het Ierse Hooggerechtshof. Doyles gevecht om zijn gezin te behouden vormt de inspiratie voor velen (zijn vriendin Marguilies inbegrepen) en betekent een getuigenis dat de liefde van een vader en geloof in God de kracht bezit om zelfs het Hooggerechtshof in beweging te krijgen.

Wij kijken uit naar de film in ons land.

Voor meer commentaar in het Engels : klik op
- http://www.crosswalk.com/fun/movies/1176382.html
- http://www.hollywood.com/movies/reviews/movie/1702727
- http://www.rottentomatoes.com

Interview met Evelyn Doyle : http://www.empireonline.co.uk/features/interviews/evelyn/
Evelyn, the film must have let the world see that what your Dad did really mattered

***

Evelyn - Movie Review
Holly McClure
Movie Reviewer


Genre: Family Drama

Rating: PG (for thematic material and language)

Release Date: December 13, 2002 (limited)

Actors: Pierce Brosnan, Julianna Margulies, Aidan Quinn, Stephen Rea, Alan Bates, John Lynch, Sophie Vavasseur

Director: Bruce Beresford

Special Notes: Evelyn is one of three films (The Thomas Crown Affair, Larceny for Lovers) that has been produced by Pierce Brosnan's production company, Irish Dreamtime.

Plot: This is the inspiring story of Desmond Doyle (Brosnan) and his young children, Evelyn (Vavasseur), Maurice, and Dermot in Ireland in 1953. Doyle is devastated when his wife leaves he and his children, in turn, the Irish courts and the Catholic church deem him unfit to care for his kids and take his children away, putting them in orphanages. Vowing to reunite his family, Desmond hires a powerful attorney team (Rea, Quinn, Bates) to help him win his case and do what no one had been able to do before--challenge a law before the Irish Supreme Court. Doyle's fight to keep his family becomes an inspiration to many (including his girlfriend Marguilies) and a testimony that a father's love and faith in God has the power to move even the supreme court.

 
Omhoog
 

Dwaze opa's en oma's

Reportage rond het boek "Als je kind gaat scheiden"



Een op de drie huwelijken in Nederland eindigt in een echtscheiding. In tachtig procent van de gevallen blijven de kinderen bij de moeder wonen. Ongeveer een op de drie vaders verliest in de loop der tijd het contact met de kinderen waardoor ook gootouders hun kleinkinderen niet meer zien. En dat treft zo’n 14.000 opa’s en oma’s per jaar. Praktische tips hoe ze hiermee om kunnen gaan alsmede met hun scheidende kinderen, is te lezen in een onlangs verschenen handboek voor grootouders.

Door Daphne van Dijk

 

Graag hadden we de persoonlijke verhalen verteld van grootouders die na een echtscheiding van hun zoon of dochter het contact met hun kleinkinderen hebben verloren. Ze zijn er, duizenden. En enkelen wilden graag hun verhaal vertellen, al dan niet anoniem.

Maar de verhalen bleken veelal beerputten. En opa of oma deden net zo hard mee aan de vechtscheiding van de ouders, helaas over de hoofdjes van de kleinkinderen. Maar misschien was dat ook wel te verwachten. Want wie op een gezonde manier scheidt, hoeft immers niet naar de rechter om een omgangsregeling met de (klein)kinderen te eisen.

Wie gaat scheiden, houdt allebei het ouderlijk gezag over de kinderen. Meestal blijven zij bij de moeder wonen, in vijftien procent van de gevallen bij de vader. Met de andere ouder wordt een omgangsregeling vastgesteld en daar zit ook het probleem. Er staan nauwelijks sancties op ouders die de omgangsregeling niet naleven en dat treft statistisch gezien dus vaker vaders dan moeders. Over de papa's die na een echtscheiding het contact met hun kinderen verliezen zijn al veel verhalen geschreven. Ook is een aantal belangengroeperingen in het leven geroepen (Fathers4justice, SOS-papa, Dwaze Vaders). Dat er ook nog een hele familie bij betrokken is, van ooms en tantes en opa en oma, daar hoor je weinig over. En dus besloten Marijke en Manon Sikkel (moeder en dochter) er een boek over te schrijven: 'Als je kind gaat scheiden. Voor ouders en grootouders' (uitgeverij Aramith).

Marijke en Manon Sikkel:'Veel grootouders vinden het gênant om over scheiding te praten'

Marijke Sikkel (62), kinderpsycholoog en scheidingsbemiddelaar (mediator): " Ongeveer een jaar geleden kreeg ik er in mijn praktijk een vraag over, maar toen ik literatuur probeerde te vinden, bleken er helemaal geen titels voor opa's en oma's te zijn! Ik denk dat dat komt doordat veel grootouders het gênant vinden om over de scheiding van hun kind te praten. Je wilt het liefst opscheppen over je kinderen en je kleinkinderen, hoe leuk en succesvol ze zijn. Met scheiden en daaruit voortvloeiende problemen scoor je natuurlijk niet echt. "Misschien is dat ook de reden dat grootouders die hun kleinkinderen niet meer zien in Nederland nog amper verenigd zijn." In de VS worden zelfs al cursussen effectief grootouderschap gegeven. Opa en oma kunnen juist een belangrijke rol spelen tijdens de scheiding. Ze zijn meestal redelijk onpartijdig omdat ze niet in het conflict zitten", vertelt Manon (39), gelukkig getrouwd met de vader van haar twee kinderen. "Kleinkinderen kunnen hun ei misschien kwijt bij de juf maar nog beter bij opa en oma." Marijke vult aan: "En als de schoonzoon of -dochter dan merkt dat dat goed gaat, is de kans groter dat opa en oma het kleinkind kunnen blijven zien."

Maar dan moet je als grootouder ook wel sterk in je schoenen staan. Want hoe reageer je op je schoondochter die gaat scheiden omdat ze is vreemdgegaan? Of als er lichamelijk geweld, drugs of een alcoholprobleem in het spel is? Manon: "Eigenlijk moet je als grootouder zeggen 'Het kan me niet schelen wat er gebeurd is, maar ik wil graag contact blijven houden met mijn kleinkinderen'."

De voornaamste reden waarom mensen uit elkaar gaan is niet (meer) goed kunnen communiceren. Marijke: "En dat heb je juist hard nodig bij een echtscheiding." Manon: "Er ligt een wetsvoorstel dat ouders voordat ze gaan scheiden eerst een kinderplan moeten indienen. Daarin staat de omgangsregeling met meestal de vader, maar je kunt er ook in opnemen dat de kleinkinderen twee keer per jaar bij opa en oma mogen logeren. Of dat zij elke maand een dagje naar Artis gaan met de grootouders. Deze dingen bespreken in een vroeg stadium is belangrijk. Als er slaande ruzie is en alle betrokkenen met de hakken in het zand staan, is communicatie op een normale manier vaak niet meer mogelijk."

In het geval dat opa en oma geen goede verstandhouding meer hebben met de ex-schoonzoon of -dochter kunnen zij naar de rechter stappen voor een omgangsregeling met hun kleinkinderen. In artikel 8 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) staat namelijk dat iedereen recht heeft op eerbiediging van privé-leven, familie- en gezinsleven.

Dat je kinderen het niet altijd in dank afnemen als je contact onderhoudt met je ex-schoonfamilie bleek uit het relaas dat wij hoorden van een oma die haar kleinkind wilde blijven zien en waardoor het contact met haar eigen zoon verbroken is. "En in geval dat de moeder bang is dat opa de kinderen toch stiekem naar haar ex-man meeneemt, zou het een oplossing zijn elkaar op een neutrale plek als een omgangshuis te ontmoeten."

En wat doe je als zelfs dat niet mogelijk is? Marijke: "Schrijf brieven en bewaar ze. Mocht je kleinkind op latere leeftijd zelf contact zoeken, kun je laten zien dat je wel altijd met hem of haar bezig bent geweest." Soms zijn ouders en grootouders gelukkig wel verstandig en kunnen ze al hun wrok en aversie opzijzetten. Zoals het verhaal van de 24-jarige Heleen, dat Manon en Marijke Sikkel optekenden. Twaalf jaar geleden gingen haar ouders uit elkaar. Haar vader heeft ze sindsdien weinig ontmoet, maar zijn moeder is ze altijd blijven zien. "Toen mijn ouders uit elkaar gingen, was het eerste wat mijn oma zei: 'Oh, dan zie ik mijn kleinkinderen niet meer.' Maar mijn moeder zei direct tegen haar: 'Dan ken je mij nog niet.' En ze heeft altijd woord gehouden. Om de week gingen mijn zusje en ik met mijn moeder naar oma. Nooit heeft ze iets onaardigs over mijn moeder gezegd, maar van een tante hoorde ik laatst dat zodra wij de deur uit waren, mijn oma vreselijk kwaad over mijn moeder begon te spreken. Het is duidelijk dat die twee elkaar echt niet liggen, maar daarom vind ik het juist bewonderenswaardig dat ze allebei al die jaren hun best hebben gedaan om waar wij bij waren aardig tegen elkaar te doen."


Bron : http://www.telegraaf.nl/vrouwenrelatie/dereportage/?artId=14961211

***

Bibliografische verwijzing :

Als je kind gaat scheiden. Handboek voor ouders en grootouders, Marijke Sikkel en Manon Sikkel - Uitg. Aramith - Haarlem 2004 - 191 bladzijden.
ISBN 90 6834 199 5 - NUR 770 - Prijs € 14,90

Te bestellen bij Uitgeverij J.H. Gottmer, Postbus 317, 2000 AH Haarlem
E-mail : post@gottmer.nl

 

 
Omhoog
 

De politiek van gezinsdestructie in de V.S.

Auteur: Stephen Baskerville (vertaling Anke Logtenberg)


Ref.: Crisis magazine, November, Vertaling van het artikel op nr 3282, 2002


Het debat over het gezin wordt steeds politieker. President George W. Bush stelt federale programma's voor om huwelijk en vaderschap te promoten en dat mensen weer naar de kerk gaan. De ‘Liberals’ (de progressieven, de Democraten) antwoorden dat de overheid zich niet met het gezin moet bemoeien, maar verdedigen vervolgens hun eigen federale programma's.

Hoe verder de standpunten uiteen komen te liggen, hoe minder we bereid zijn om te kijken naar de harde politiek van de gezinscrisis. Gezinspolitiek wordt nog steeds bediscussieerd in termen zoals therapeuten en sociale wetenschappers die gebruiken: percentages scheidingen en ongehuwde moeders, armoede, het effect op kinderen, de sociale kosten. Alsof we het niet weten.

Als sociale wetenschapper negeer ik de waarde van gegevens niet (ik geef toe dat ik ze zelf ook gebruik). Maar therapeuten hebben zo'n macht over gezinspolitiek gekregen dat ze ons vermogen om in actie te komen verlamd hebben. De vooraanstaande politieke wetenschapper James Q. Wilson schrijft over alleenstaand moederschap in Commentary magazine en concludeert grimmig: 'Als je, net als ik, gelooft in de macht van cultuur, dan realiseer je je dat er erg weinig is dat je kan doen.' Zoals vele anderen (inclusief de regering van Bush) kan Wilson weinig anders dan het bepleiten van ‘counseling’ en onderwijs.

Wat hier lijkt te ontbreken is ouderwetse politiek, het soort dat niet aarzelt om morele oordelen te vellen en zelfs verontwaardiging uit te drukken. De politiek van de profeten bijvoorbeeld.

De feiten zijn welbekend onder sociale wetenschappers, maar een soort ideologische correctheid, zowel links als rechts, lijkt ons te weerhouden de consequenties onder ogen te zien van wat we weten. We zijn bang om de geaccepteerde clichés over het mislukken van een huwelijk ter discussie te stellen, zelfs als het duidelijk wordt dat ze niet overeenkomen met de werkelijkheid.

Daarom moeten we beginnnen met de onbetwiste maar zelden genoemde feiten. Allereerst vallen huwelijken niet simpelweg van zichzelf uit elkaar. Wettelijk gezien beëindigt iemand – meestal is het er één – het huwelijk bewust, door het indienen van officiële documenten en door hulp in te roepen van de overheid tegen zijn of haar partner. Volgens Frank Furstenberg en Andrew Cherlin, de auteurs van Divided Families (Verdeelde Families), is ongeveer 80 procent van de scheidingen eenzijdig. Meestal wil een van de partners het gezin bijeen houden.

Als er kinderen in het spel zijn, is de scheidende ouder in het overgrote deel van de gevallen de moeder. Wetenschappelijke studies van Sanford Braver, Margaret Brinig en Douglas Allen en anderen, schatten dat tussen de 67 en 75 % van zulke scheidingen zijn begonnen door de moeder. Feministen en scheidingsadvocaten zeggen dat het aantal eerder naar 90 % gaat. Maar weinig van deze scheidingen hebben als oorzaak het in de steek laten, overspel of geweld. 'Uit elkaar gegroeid' of 'zich niet geliefd of gewaardeerd voelen' is meer gebruikelijk.

De scheidende ouder krijgt meestal de voogdij over de kinderen en de andere ouder wordt gedwongen geld te betalen. Brinig en Allen concludeerden zelfs, dat van 21 variabelen, 'wie de kinderen krijgt is veruit de belangrijkste component bij het beslissen wie de scheiding aanvraagt.'

Hier is duidelijk meer aan de hand dan mannen en vrouwen die besluiten hun eigen weg te gaan. Onder de wetten van het scheiden zonder schuldvraag is scheiding niet alleen een middel om een huwelijk te eindigen, maar ook om het monopolie over de kinderen te krijgen. De kinderen worden zo wapens bij het uitoefenen van macht, gesteund door strafsancties. De verwoestende effecten van scheiding en vaderloosheid op zowel kinderen als maatschappij zijn zo bekend dat die hier niet nog eens uitvoerig behandeld hoeven te worden. Wat zelden erkend wordt is de bredere dreiging die het scheidingsregime betekent voor de ethische en constitutionele overheid. In feite is er vandaag de dag geen beter voorbeeld van de koppeling tussen persoonlijke moraal en publieke ethiek – tussen de trouw van individuen en de betrouwbaarheid van de ambtenarij – of de verbinding van beide met de beschaafde orde.

Terwijl de onkerkelijke maatschappelijke elite zich concentreert op de sociologie, is Paus Johannes Paulus II het dichtst bij de wortel van het probleem gekomen. In januari kwam hij met een voor velen verrassend sterk standpunt tegen scheiding, waarbij vooral advocaten en rechters het mikpunt van zijn kritiek waren. Als dank voor zijn moeite werd hij aangevallen door advocaten, journalisten en politici, zowel van links als van rechts. Toch is zijn karakterisering van scheiding als een 'knagende wond' met 'vernietigende gevolgen die zich als de pest over de samenleving verspreiden' zowel politiek als sociaal accuraat.

Sinds de komst van scheiding zonder schuldvraag is een miljardenindustrie ontstaan rond scheidingszaken: rechters, advocaten, psychotherapeuten, bemiddelaars, raadgevers, sociale werkers en bureaucratische politie. Al deze mensen hebben professioneel en financieel belang bij scheiden. Feitelijk is het zo dat, hoewel ze vroom het tegenovergestelde beweren, functionarissen op alle overheidsniveaus – inclusief gekozen leiders van beide partijen – nu een gevestigd belang hebben in het vergroten van het aantal eenoudergezinnen.

De scheidingspolitiek begint bij de familierechter, (‘Family-court, in Nederland: de familierechter), een relatief nieuw en weinig bestudeerd instituut. Ze zijn gewoonlijk gesloten voor publiek en verslagen worden er doorgaans niet van gemaakt. Toch grijpen ze dieper in privé-levens in dan welke andere overheidstak ook. Ondanks dat ze het laagst in de hiërarchie staan, zijn ze 'de machtigste tak van de rechtspraak', volgens rechter Robert Page van hetFamiliy court van New Jersey. 'De macht van de rechters van het Family court kent bijna geen grenzen,' schrijft Page.

Hoe dat in zijn werk gaat kan je verder lezen in het vervolg van het artikel van S. Baskerville door te klikken op :

http://www.richel.org/brokenlink/get_article.php3?id=3399

Stephen Baskerville onderwijst politieke wetenschap aan de Universiteit van Howard en is auteur van "Not Peace But a Sword: The Political Theology of the English Revolution" ("Geen Vrede Maar een Zwaard: De Politieke Theologie van de Engelse Revolutie").

Met dank aan Theo Richel (Broken Link)

Stephen Baskerville heeft een eigen website waarin hij 20 artikels beschikbaar stelt die hij in verband met de vaderproblematiek en aanverwante thema's heeft gepubliceerd tijdens de voorbije 4 jaren. Een onvoorstelbaar nauwkeurig geformuleerd betoog schreef hij nog in juli 2003 in het tijdschrift Liberty over 'The Federal Bureau of Marriages'. Door te klikken op de link bereik je rechtstreeks de tekst van het artikel.

Zijn website met de 20 betekenisvolle artikels roep je op door te klikken op de volgende link : http://www.members.cox.net/sbaskerville/index.htm .


 
Omhoog
 

Samen voor ons eigen

De klassieke gezinsstructuur brokkelt af. Steeds meer mensen wonen alleen, steeds minder mensen kiezen voor een levenslange relatie. Die trends werken door in alle segmenten van de samenleving: de consumptie, de volksgezondheid, zelfs de rechtspraak. Een overzicht.

Als de cijfers blijven evolueren zoals in de jaren negentig, zullen er omstreeks 2010 voor het eerst meer ongehuwde dan gehuwde Belgen zijn. Er zijn allang geen 5 miljoen gehuwde Belgen meer, en het aantal ongehuwde ging in 1997 gezwind over de 4 miljoen. Het aantal gescheiden mensen in ons land blijft stijgen, het aantal weduwen/weduwnaars daalt lichtjes.
Tegelijk neemt het aantal huishoudens in ons land toe. Het Nationaal Instituut voor de Statistiek berekende dat het totaal tussen 1993 en 2003 met 8 procent steeg tot bijna 4,4 miljoen. De sterkste stijging (18 procent) werd opgetekend voor de groep van de alleenstaanden - of singles in het jargon van marketingjongens die niet houden van de negatieve connotatie die de term 'alleen' lijkt in te houden. Vorig jaar leefden er meer dan 1,4 miljoen Belgen alleen - één op drie gezinnen. Daarmee zijn de eenpersoonshuishoudens het talrijkst. Het klassieke gezin van twee ouders met hun kinderen komt steeds minder voor.
'Deze tendens naar meer eenpersoonshuishoudens en minder gezinnen kan door twee factoren worden verklaard', analyseert sociaal geograaf Etienne Van Hecke van de Katholieke Universiteit Leuven. 'Vooreerst is er de groeiende zelfstandigheid van jongeren sinds de jaren zestig. Ons waardensysteem is zo geëvolueerd dat jongeren steeds meer en steeds langer van hun jeugd willen genieten voor ze zich in een relatie binden. Als ze het geld hebben, zullen ze alleen gaan wonen, anders blijven ze bij hun ouders. Aan de andere kant van het spectrum is er natuurlijk de groep van de gescheiden mensen die ook voor een reële toename van het aantal huishoudens zorgt. Sinds een aantal jaren zien we wel dat de jaarlijkse groei van het aantal huishoudens vertraagt, omdat het dalende geboortecijfer begint te spelen: het aantal twintigers neemt af.'
De artificiële structuur die het klassieke gezin was, verliest zijn belang. Mensen hebben in de loop van hun biologische geschiedenis bijna altijd in grotere groepen dan een gezin geleefd, in vooral familiale netwerken waarvan de partnerrelatie slechts een klein onderdeel was. Alleen wonen impliceert ook vandaag niet noodzakelijk alleen zijn; alleen zijn wil niet per definitie zeggen dat iemand geen sociale contacten heeft. Studies wijzen uit dat alleenwonenden meer naar het café en het restaurant gaan dan mensen in een relatie. Vrienden nemen een deel van de sociale functie van de partner over.

TWEE KINDEREN

'Sociale handelingen in het kader van de biologische voortplanting zijn fundamentele aspecten van het menselijk gedrag', stelt sociobioloog Kris Thienpont van de Universiteit Gent. 'Deelprocessen daarin zijn het zoeken naar een partner en het investeren in kinderen. Hoeveel men in beide processen investeert, hangt af van de mogelijkheden die de leefomgeving biedt. En die leefomgeving is enorm veranderd sinds de industrialisatie, wat dus ook gevolgen heeft voor de manier waarop wij ons voortplanten.'
Thienpont somt een aantal bekende factoren op die daarbij een rol speelden: de grotere economische en seksuele onafhankelijkheid van de vrouw, de daling van de behoefte om veel kinderen te hebben als gevolg van de verhoging van de levensstandaard, het verlies van de overlevingsfunctie van het gezin omdat de industrie de productie van levensnoodzakelijke goederen overnam van de familie, en tenslotte een verschuiving van het investeren in energie voor zichzelf en zijn kinderen naar een investering in kennis en andere vaardigheden.
'Biologische behoeften zoals de kinderwens of het verlangen naar een duurzame relatie zijn dezelfde gebleven', benadrukt Thienpont. 'Maar ze worden op een andere manier ingevuld. Als de overheid erin zou slagen om de economische (carrière maken) en de biologische (kinderen krijgen) verlangens beter op elkaar af te stemmen, door nog meer maatregelen als tijdskrediet en ouderschapsverlof in te voeren, zou de meerderheid van de bevolking sneller meer kinderen willen dan nu het geval is. De meeste mensen willen nog altijd twee kinderen. Ook vrijwillig alleen wonen blijft zeldzaam en is meestal een tussenstap naar iets duurzaams. Mensen ontmoeten op hun werk of tijdens activiteiten in hun vrije tijd meer potentiële partners dan vroeger. Ze gaan die meer dan vroeger op individuele eigenschappen beoordelen. We evolueren naar een samenleving met seriële monogamie als de norm, waarbij zowel mannen als vrouwen in hun leven verschillende langdurige relaties aangaan. Dat impliceert dus veranderen van partner en meer variatie in gezinsvormen. In een samenleving als de onze waarin de overheid veel zorgactiviteiten van het gezin heeft overgenomen, is partnerschap vooral een kwestie geworden van affectieve elementen als liefde en geluk.'

JURIDISCHE VERBANDEN

De wetgever werkt die evolutie in de hand. Het huwelijk - eeuwenlang hoeksteen van de maatschappij en cement voor een relatie tussen man en vrouw - brokkelt af als instituut. Kerk en overheid verliezen hun greep op de mensen.
'Het huwelijk was in feite niet meer dan een systeem voor vermogensplanning', doceert expert familierecht Frederik Swennen van de Universiteit Antwerpen. 'Vanaf de jaren negentig verloor het die functie, vooral nadat men algemeen begon te aanvaarden dat buitenechtelijke kinderen dezelfde juridische rechten hebben als kinderen binnen een huwelijk. Nu werkt men aan de juridische gelijkschakeling van het huwelijk en andere vormen van samenleven, hoewel niet alle samenwoners daar even enthousiast over zijn. Tegelijk evolueerde het recht zo dat mensen zoveel mogelijk als individuele burgers worden behandeld. Juridische regels worden relatieneutraal gemaakt. Mensen krijgen meer rechten die niet gekoppeld zijn aan iemand anders. Eerst was er de emancipatiebeweging die de vrouw onafhankelijker maakte van haar man, nu is er een tendens om kinderen sneller juridisch los te weken van hun ouders. De motieven hiervoor zijn vooral economisch geïnspireerd. De overheid bespaart door een aantal materiële voordelen verbonden aan het huwelijk af te bouwen. En ze stimuleert de economie door het alleen wonen te bevorderen.'
Het lijkt evident dat meer alleen wonen een hogere consumptie impliceert. Elk gezin, of het nu uit één of uit meerdere leden bestaat, heeft een televisie en een ijskast en een stofzuiger en een wagen nodig. Het aantal personenwagens per duizend Belgen verdubbelde van 213 in 1970 tot 455 in 2001. Hoe meer leden een gezin telt, hoe groter het verschil (het overschot) tussen het beschikbaar inkomen en het bedrag besteed aan consumptie. Hoe meer mensen in een gezin, hoe lager het bedrag dat per gezinslid wordt uitgegeven - eenoudergezinnen vormen een uitzondering op deze regel. Iemand die alleen woont betaalt voor zijn verwarming niet de helft van wat een koppel neertelt, maar twee derde. Voor huur loopt dat tot driekwart op.
'In feite is deze evolutie naar meer en kleinere gezinnen ongunstig voor het milieu', zegt sociaal geograaf Van Hecke van de KU Leuven. 'Het aantal wooneenheden - flats inbegrepen - neemt toe en dus ook het energieverbruik en de afvalproductie. Daar zal de overheid weinig aan kunnen doen, tenzij door het stimuleren van initiatieven rond gemeenschappelijk gebruik van duurzame goederen. We zien wel dat eenpersoonsgezinnen zich in de steden concentreren, waar ze zich vooral op de huurmarkt bewegen zodat ze geen grote invloed hebben op de vastgoedprijzen. De gezinsverdunning, zoals we dit proces soms noemen, counterde gedeeltelijk de leegloop van de stad. Recent zien we wel een tendens dat koppels die in de stad gevormd worden, niet meer zoals vroeger samen naar een voorstad verhuizen, maar meer in de stad zelf blijven wonen. Een stad is natuurlijk geschikter om netwerken op te bouwen dan het platteland - dat speelt zeker in het voordeel van kleinere gezinnen.'

LOSSE EIEREN

De groeiende groep alleenwonende consumenten beïnvloedt steeds meer segmenten van de markt. Economische actoren spelen er gretig op in. 'In alle afdelingen van onze winkels merk je dat de markt van alleenwonenden in volle ontwikkeling is', vertelt Olivier Brandonisio van supermarktketen Carrefour. 'Alles, van verse producten als yoghurt tot diepvriespizza's en bereide gerechten, kan in steeds kleinere verpakkingen gekocht worden. In de visafdeling is tegenwoordig veel per stuk te koop. Er kunnen al losse eieren gekocht worden, en de afdeling groenten en fruit lijkt tussen 19 en 20 uur soms een ruime ontmoetingsplaats voor alleenstaanden, die je kunt herkennen aan het feit dat ze twee appelen en twee appelsienen kopen in de plaats van grotere hoeveelheden. Een kwart van ons assortiment is al afgestemd op verbruik door alleenstaanden.'
Cijfers over deze evolutie heeft Carrefour niet, hoewel de trend vooral de jongste twee jaar aan belang won. Het bedrijf heeft evenmin berekend hoeveel het consumeren van kleinere hoeveelheden de alleenwonende méér kost. 'Het zijn echter niet uitsluitend alleenstaanden die kleine verpakkingen kopen', beklemtoont Brandonisio. 'We krijgen steeds meer te maken met gezinnen die eerder een verzameling van singles lijken, die allemaal op een verschillend moment thuiskomen en dan hun eigen dingen eten die ze soms apart gaan kopen. Het samen eten van vroeger is aan het verdwijnen. Ook mensen die nog als een gezin samenleven laten steeds meer hun individuele voorkeuren doorwegen.'
De cijfers zijn dan misschien nog niet verzameld, maar één trend is duidelijk: het uiteenvallen van de klassieke gezinsstructuur gaat hand in hand met een verhoging van de armoede. Henk Meert van de KU Leuven: 'Er bestaan drie vormen van sociaal-economische relaties. Een eerste via de geldmarkt, een tweede via tegemoetkomingen van de overheid en een derde via onderlinge hulp. Alleenstaanden hebben veel minder kansen dan anderen om op die laatste vorm een beroep te doen. We zien dat duidelijk bij landbouwers, waar mensen die een boerderij alleen moeten runnen er niet in slagen om meerwaarde te creëren door bijvoorbeeld van appelen appelsap en confituur te maken. Bedrijven waar nog een boerin of een oude boer inwoont, kunnen dat wel. In een stad zien we weinig Marokkaanse of Turkse bedelaars - die vallen bij problemen op hun gemeenschap terug. De ontwikkeling van onze sociale zekerheid als vangnet heeft zeker bijgedragen tot de vermindering van het belang van het klassieke familieleven. Vroeger was het ook de gewoonte dat gezinnen oudere mensen opnamen, wat mogelijk was omdat de vrouw meestal thuis bleef werken. Nu moeten in een gezin zowel man als vrouw gaan werken om de consumptienormen te halen, zodat er nog moeilijk voor ouderen gezorgd kan worden. Die komen dan in het beste geval in een serviceflat terecht. Of ze worden bijna automatisch als onthaalouder ingeschakeld.'

ONREGELMATIG ETEN

De wetenschappelijke wereld spreekt zich tegen wat betreft de gezondheidsaspecten van alleen wonen. Er zijn studies die aantonen dat alleenwonenden gemakkelijker slank en actief zijn dan samenlevenden, maar andere onderzoeken ontdekten dat alleen wonen mensen vatbaarder maakt voor stress en hartklachten.
Cijfers verzameld door Jan De Maeseneer van de Vakgroep Huisartsgeneeskunde en Eerstelijnsgezondheidszorg aan de Universiteit Gent laten aan duidelijkheid niets te wensen over. 'Alleenwonenden scoren op alle onderzochte gezondheidsaspecten slechter dan mensen die samen met anderen leven', vat De Maeseneer de resultaten samen. 'Ze hebben meer contact met de huisarts en verbruiken meer geneesmiddelen zoals pijnstillers, antidepressiva, kalmeer- en slaapmiddelen. In een onderzoek over de periode 1994-'96 kregen ze gemiddeld 27 procent méér terugbetaald van de sociale zekerheid. We kunnen er niet omheen: alleenwonenden doen méér beroep op geneeskundige zorg dan anderen.'
Uit de gezondheidsenquête van 2001 kwam eveneens naar voren dat singles meer lichamelijke klachten (zoals astma en longontsteking) hebben dan samenwonenden en ook beduidend slechter scoren inzake fysiek functioneren en subjectieve gezondheid - een effect dat bleef bestaan na controle op leeftijd, om te vermijden dat een hoog aantal weduwen en weduwnaars de resultaten zou vertekenen. 'Singles eten onregelmatiger dan anderen', legt De Maeseneer uit. 'Ze zijn gemakkelijker afhankelijk van alcohol, en ze hebben minder aandacht voor preventieve aspecten van de volksgezondheid, zoals vaccinaties of borstonderzoek in het kader van kankerbestrijding. Mensen die alleen wonen zijn ook minder tevreden over hun sociale relaties.'
Op een totaal van twaalfduizend ondervraagde personen woonde in dit onderzoek 12 procent alleen. Daarvan voelde 65 procent zich goed, terwijl dat voor samenwonenden 80 procent was. Meer dan een derde van de alleenwonenden voelde zich dus uitgesproken slecht. Liefst 13 procent had last van depressies (tegen 8 procent voor de gemiddelde bevolking), 8 procent (versus 6) leed aan angstaanvallen en 28 procent (versus 20) kreeg te kampen met slaapstoornissen. 'Deze cijfers vinden uiteraard gedeeltelijk hun oorsprong in het feit dat depressieve mensen minder gemakkelijk in een relatie standhouden dan anderen, maar losgekoppeld daarvan is het duidelijk dat single zijn tot een aantal gezondheidsproblemen kan leiden', besluit De Maeseneer. 'Die zijn ongetwijfeld grotendeels het gevolg van het verlies van een relatie of een sociaal netwerk.'
Het is verrassend hoe weinig onderzoek er is gedaan naar het psychisch welzijn van alleenwonenden. Hoe gelukkig of hoe eenzaam zijn ze? Hoe belangrijk is de groep van de swinging singles die tegenwoordig de belangrijkste schietschijf lijkt van zichzelf als vernieuwend voorstellende televisiemakers? In programma's als Temptation Island worden vaste relaties bestookt door een gamma van gewillige, als vrijgezel gepresenteerde jongelui. In gedoe als Blind Date en Bachelor verwacht men dat er relaties ontstaan, die helaas meestal afgelopen zijn voor het programma wordt uitgezonden. Amerikaanse series als Sex and the City focussen ongegeneerd op - in dit geval - vrijgevochten vrouwen die aan seks doen zoals mannen: ongeremd en niet per se tuk op een vaste relatie. Seks louter voor de fun.

ROMANTIEK COMMERCIALISEREN

Maar zelfs de vrouwen uit Sex and the City blijken uiteindelijk op zoek naar een (min of meer) vaste partner. 'Mensen zijn echt tweezaam', ondervond Jenny Gierveld van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut in Den Haag. 'Ze willen een intieme relatie in hun onmiddellijke omgeving. Gemiddeld genomen zijn mensen met een partnerrelatie minder eenzaam dan alleenstaanden. Maar er zijn uitgesproken verschillen in functie van het type relatie. Voor mensen die nooit samengewoond hebben is het uiteraard anders dan voor mensen die ineens alleen vallen, zoals bij een overlijden of een scheiding. Vele mensen leven nu tussen een leeftijd van dertig en vijftig jaar een tijdje alleen, of als alleenstaande moeder met kinderen, als overgang tussen twee relaties. Maar uiteindelijk vinden de meesten opnieuw een partner, dikwijls onder de collega's op het werk die ze anders gaan bekijken zodra ze klaar zijn voor een nieuwe relatie.'
Na een scheiding gaan mensen dikwijls door een periode van emotionele eenzaamheid, die bijna alleen op te lossen is door het vinden van een nieuwe partner, en die in scherp contrast staat met de sociale eenzaamheid die ook koppels kan treffen, en die het gevolg is van het ontbreken van een breder netwerk van familieleden. 'Na het verwerkingsproces van de breuk kijken mensen anders tegen de dingen aan', vertelt Gierveld. 'Eerst zetten ze zich af tegen vaste partnerrelaties, maar na gemiddeld drie tot vijf jaar hebben velen toch weer een partnerrelatie, hoewel die dikwijls anders gestructureerd is dan voorheen. We zien nu een groeiende trend in Nederland dat zulke mensen, zeker als ze wat ouder zijn, gemakkelijk in een LAT-relatie stappen. Ze blijven apart wonen, eventueel met de kinderen, maar bijvoorbeeld in het weekend gaan ze samen op pad of zijn ze samen onder één dak. Uit ons onderzoek blijkt dat die mensen doorgaans heel gelukkig zijn. Ze zijn gewend geraakt aan hun vrijheid en willen die niet opgeven. Hoe het met deze samenlevingsvorm in België zit, is voorlopig niet bekend, want deze optie was niet in de recente volkstelling opgenomen.'
Het kon natuurlijk niet anders dan dat ook de markt van de relatiebureaus en aanverwante clubs zich aan deze trends aanpaste, hoewel onderzoek uitwijst dat de meerderheid van de mensen toch gewoon naar dezelfde tennis- en kookclub als voorheen blijft gaan. Hofmakerij is echter niet langer alleen iets voor de jeugd, maar voor alle leeftijdsklassen. Singles zijn een marketingtarget geworden. Met boeken over de voor- en nadelen van alleen leven kunnen ondertussen lange rekken worden gevuld. Steeds meer reisbureaus mikken op de alleenreiziger. Musea en restaurants organiseren speciale avonden voor vrijgezellen - het commercialiseren van de romantiek noemen sceptici dat.

GELUKKIGE SINGLES

Nieuw zijn ook evenementenbureaus voor singles. Zo richtte Christine Delbeke tien jaar geleden haar bedrijf Singles op (www.singles.be) dat elk weekend vertier verschaft voor een groeiend aantal alleenwonenden uit de hoger opgeleide klasse.
'Tien jaar geleden was de single een zielepoot die meewarig bekeken werd', stelt Delbeke. 'Mensen mochten niet weten dat iemand alleen was. Maar dat is helemaal veranderd. Er wordt nu open over gepraat. Mijn cliënteel is mijn voornaamste bron van werving geworden: 85 procent van de nieuwe mensen wordt aangebracht door klanten. Wij voorzien activiteiten voor moderne, gelukkige singles die zich goed in hun vel voelen, die al heel wat sociale contacten hebben, maar hun veld komen verruimen omdat hun vriendenkring afbrokkelt en ze geen tijd hebben om zelf iets te organiseren. De jongeren spelen we kwijt aan hypes die ze via het internet leren kennen. Dertigers, veertigers en actieve vijftigers die niet naar klassieke clubs voor bijna-gepensioneerden willen, kloppen echter steeds frequenter bij ons aan.'
De individualisering van het leven speelt ook voor Delbekes markt een grote rol: 'De mensen praten bijna niet meer met elkaar. Ze zitten achter hun computer, willen geld verdienen en daar leuke dingen mee doen. Ze kiezen voor een leven dat hen bevalt, en ze zullen later wel zien of ze iemand vinden die daarin past. En het is uiteraard veel moeilijker om iemand in een bestaande structuur in te passen dan om, zoals vroeger, samen iets op te bouwen.'
In de Verenigde Staten organiseren singles zich in lobbygroepen. Verenigingen als Unmarried America maken zich druk om het feit dat in de aanloop naar de presidentsverkiezingen vooralsnog geen enkele politicus zich lijkt te bekommeren om de specifieke noden van singles, hoewel ze een steeds grotere invloed op het kiesgedrag uitoefenen - het zal niemand verwonderen dat ze in de VS vooral voor de Democraten stemmen, en niet voor de conservatieve Republi- keinen van de huidige, gezinsvriendelijke president.
Delbeke voelt er niet veel voor om met haar zaak als drukkingsgroep voor singles te fungeren, hoewel ze ooit op een politiek (christen-democratisch) kabinet werkte: 'Singles zitten overal, ze zijn geen fenomeen. Single zijn is een status waar haast iedereen ooit mee te maken krijgt. Ik wil niet dat wij als een subgroep geprofileerd raken, ik wil dat we gewoon een groep in de maatschappij blijven. Waar ik wel iets aan zou willen doen, is pleiten voor meer speciale woonfaciliteiten voor alleenstaanden, om de kosten van het alleen wonen wat te drukken. Misschien kan de overheid ook eens projecten voor singles subsidiëren.'

Dirk Draulans


In Knack 28/1/2004

 
Omhoog
  HET GROOTOUDERSCHAP IN DE KIJKER

Deze tekst over grootouders begin ik graag met een citaat uit het tijdschriftartikel "Les clins d'oeil des âges" (Het knipogen tussen de generaties) van André en Francine Dumas, dat ze in 1993 publiceerden in La vie spirituelle (nr. 73). "Het enige ontvankelijk gehoor voor de verhalen van de bejaarde die terugkeert naar de 'tijd van toen' zijn de kleinkinderen : op hun beurt worden ze niet moe honderd keren dezelfde histories te horen vertellen. Er bestaat een diepe verstandhouding tussen die twee uiteinden van het leven, waar de herhaling van de momenten van geluk of verdriet niet verveelt maar vervult van vreugde... De volwassenen gaan naar de bioscoop om zich in nieuwe geschiedenissen te vermeien, grootouders en kleinkinderen bladeren samen onvermoeibaar in de albums van steeds dezelfde foto's." Het geeft ons een treffend beeld van de gevoelsmatige beleving die er kan bestaan tussen grootouders en kleinkinderen. Het werpt ook een romantische glans over die verhouding zoals we die ook allemaal zo graag zien. Het grootouderschap vertoont nochtans een verscheidenheid van facetten die ons ook kan verbazen. Het is divers in zijn huidige bestaansvorm en het is in grote ontwikkeling van voorheen tot nu naar later.

Vóór 1970 werd nauwelijks iets over grootouders gepubliceerd. In de jaren 80 tot nu werden over hen ruim 100 wetenschappelijke artikels in het licht gegeven. Ik haal hier speciaal het laatste artikel aan, dat van Prof. Dr. A. Marcoen van de Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen van de K.U. Leuven in het tijdschrift Kultuurleven, maart 1994 blz. 18-21 onder de titel "Grootouderschap en de veranderende structuur van het gezin". Ik probeer hier zijn ideeën in eigen woorden en samenvattend te vertolken.


Prof. Marcoen somt in zijn inleiding de verschillende gezichtspunten op van waaruit men het grootouderschap kan beschouwen : het is een sociale rol, een emotionele toestand of innerlijke ervaring, een wisselwerking tussen een kind of een jongvolwassene en een ouder persoon, een deel van het groeiproces in het familienetwerk van drie of vier generaties en het is een symbool.

ROL - EMOTIE - WISSELWERKING

Grootouder worden is een hele gebeurtenis. Je krijgt er een nieuwe positie door in de zich uitbreidende familie die telkens bevestigd en verstevigd wordt bij de komst van elk volgend kleinkind. De verwachtingen van grootouders ten opzichte van hun rol en wat hun kinderen ervan verwachten kan verschillend zijn. Vaak worden die ook niet uitgesproken. Stilaan wordt men er zich meer van bewust dat die positie en die rol ook rechten en plichten meebrengen. Die kunnen ook juridisch worden bepaald zoals het wederzijds omgangsrecht van kleinkinderen en grootouders.

Grootouderschap is echter meer dan de titel, het is ook een gemoedstoestand gericht op de kleinkinderen. Men kan ernaar verlangen vóór de komst van het eerste kleinkind, men kan het gevoelen hebben eraan toe te zijn en men kan er met bezorgdheid tegenaan kijken, omdat het een symbool of een teken kan zijn van het zelf ouder worden. Het gevoelsmatig karakter van het grootouderschap kan van geval tot geval verschillen : voor de ene is het een vreugde, de andere laat het onverschillig.

Over de inhoud en de uitbouw van het grootouder zijn wordt onderhandeld tussen grootouders, de volwassen kinderen en de kleinkinderen zelf. Die inhoud en ontplooiing geven aanleiding tot vijf erkende grootouderschapsstijlen :
1. het formele type dat terughoudend overkomt
2. de gezellige pittige grootouder
3. de vervangouder
4. de uitdrager van familiewijsheid
5. de afstandelijke grootouder.
Die types zijn vaak niet heel scherp afgetekend. Ook ontstaan er voortdurend veranderingen in de wisselwerking tussen grootouders en kleinkinderen met het opgroeien van die laatste.

Grootouders zitten ook in de beleving van kleinkinderen. Als die groter worden, staan ze soms kritisch tegenover hun mogelijke bemoeizucht of hun gebrek aan levenslust. Meestal echter zien ze hen als bron van bevestiging, genegenheid en gevoelsmatige steun en als brug naar het verleden.

De vorm van het grootouderschap en de ontwikkeling ervan hangt ook af van de voorgeschiedenis van de familie en van de woon-, leef- en werkomstandigheden van drie generaties familieleden.

MAATSCHAPPELIJKE WIJZIGINGEN

Maatschappelijke wijzigingen doen de grootouders meer in de kijker lopen. Zowel in het verleden als in de toekomst is het grootouderschap onderhevig aan veranderingen.

1° De levensverwachting van mannen en vrouwen is gestegen. Ze hebben kans om langer grootouder te zijn en zelfs overgrootouder te worden. Zo hebben 95 % van de ouders met kinderen ook kleinkinderen en 32 % van hen heeft achterkleinkinderen.

2° Het geboortencijfer is gezakt, zodat grootouders nu veel minder kleinkinderen kunnen hebben. De leeftijdsspreiding van die kleinkinderen is ook veel kleiner.

3° Er zijn meer ouderkoppels die naast hun eigen kinderen ook geadopteerde kinderen in hun gezin opvoeden. Dat levert meer grootouders op, maar ook een bijzondere verhouding van die grootouders naar al die (klein)kinderen toe.

4° Zoals wij allen weten is het aantal echtscheidingen onstuitbaar en veelvuldig toegenomen. Ook langdurige huwelijken worden nu meer dan vroeger ontbonden. Grootouders scheiden van elkaar in deze tijd ! De contacten tussen grootouders en kleinkinderen moeten nu anders geregeld worden en een andere betekenis kunnen krijgen.

5° Gelijklopend met de verveelvuldiging van de echtscheidingen is het aantal hertrouwhuwelijken en nieuwe samenwoningssituaties. Meer grootouders komen daardoor in contact met hun kleinkinderen uit verschillende huwelijken en met de kinderen die in dat huwelijk worden meegebracht. Hoe meer stiefkinderen er zijn hoe meer stiefkleinkinderen grootouders zullen ontmoeten. Gescheiden of verweeuwde grootouders zelf kunnen ook nog eens hertrouwen of samenwonen. Zo 'n ingewikkeld familienetwerk vereist van grootouders vindingrijkheid en openheid om al die (klein)kinderen aan hun trekken te laten komen.

6° Moeders werken veel meer buitenshuis. De opvang van de kinderen in 50 % van die gevallen wordt nu gedaan door de grootouders.

7° Vele grootvaders zijn met vervroegd pensioen en zijn daardoor veel nauwer betrokken bij de zorg en de opvoeding van jonge kinderen.

HET GROOTOUDERSCHAP IN DE TOEKOMST

De ontwikkelingen die hier net aan de orde kwamen, zullen verdergaan en het grootouderschap in de samenleving blijven bepalen. Die factoren zullen elkaar zelfs versterken in de opeenvolging van de generaties. Het grootouderschap zal daardoor over enkele decennia ingrijpend veranderd zijn.

1° De psychische en sociale afstand tussen grootouders en kleinkinderen wordt steeds groter. Het klassieke patroon van grootouderpaar, gehuwde kinderen, kleinkinderen zullen we steeds minder aantreffen. Door scheidingen en nieuw-samengestelde gezinnen vallen er takken af van de generatieboom en worden nieuwe loten geënt en groeien familienetwerken in elkaar. Grootouders zullen hun kleinkinderen niet steeds vinden in de gezinnen van hun eigen kinderen en kleinkinderen zullen ervaren dat hun grootmoeder en hun grootvader niet bij elkaar wonen. De band grootouders-kleinkinderen wordt dan bepaald door de bemiddeling van de generatie tussenin. Soms bestaat de relatie kleinkind-grootouder los van de relatie grootouder en zijn eigen volwassen kind. Dan wordt het moeilijk en vereist het meer inzet om die band te bewaren, zoals vele grootouders in onze vereniging zelf al ondervinden. Bezoek- en verblijfrecht moet dan via gerechtelijke procedures worden afgedwongen.

2° De grootouderrol zal ook ingewikkelder en veelzijdiger worden. Niet alleen kleinkinderen ook andere kinderen kunnen in de gezinnen verblijven. Grootouders moeten dan de juiste maat vinden voor hun genegenheid en zorg voor de eigen kleinkinderen én die andere kinderen. Dat vereist vooruitziendheid, planning, voorzichtigheid. Die ruimere vaardigheden dienen om de band te bewaren, maar ook om de kleinkinderen te helpen bij de moeilijke periodes van echtscheiding en het zich inleven in de nieuwe samenwoningssituaties. In dat opzicht zijn grootouders goed geplaatst als mede-opvoeders.

3° Die nodige vaardigheden bezitten grootouders vaak niet uit zichzelf. In de Verenigde Staten bestaan er al heelwat cursussen gericht op effectief grootouderschap. Niet-meer werkende grootouders zullen zich dikwijls gewrongen voelen tussen hun drang naar zelfontplooiing en de druk van hun kinderen om hun kleinkinderen op te vangen. En hoe zullen werkende grootouders hun kleinkinderen nog kunnen opvangen? In de samenwerkingsverbanden die kunnen ontstaan, zal de grootouderrol steeds dichter aansluiten bij de ouderrol zelf, alhoewel die rol toch altijd een gedelegeerde blijft. Grootouders kunnen binnen het vormingswerk ook ontzettend veel leren van elkaar.

4° De rolgelijkheid tussen mannen en vrouwen zal ook duidelijk worden in het grootouderschap. Mannen kunnen ook genegenheid en geborgenheid geven, troost verlenen en als vertrouwenspersoon optreden. Vrouwen kunnen spelen, tot prestatie en wedijver aanzetten. Jonge grootouders zullen dichter staan bij de levensstijl en de waarden van hun eigen kinderen, zodat de kleinkinderen in de grootouders een uitbreiding zullen vinden van wat zij van hun eigen ouders hebben gekregen.

TOT SLOT

Grootouder zijn betekent een opdracht die men zelf moet waar maken en invulling geven. Met elk kleinkind kan een relatie worden tot stand gebracht waarin men veel of weinig tijd en energie stopt naargelang van de reële omstandigheden van zowel grootouder als kleinkind.

Alleszins is het bijzonder verheugend, dat er niet alleen vanuit de wetenschappelijke studie zoveel belangstelling ontstaan is voor grootouders, maar ook dat in brede maatschappelijke lagen van de bevolking, door vele rechtbanken en niet het minst in het wetgevend werk van het parlement het principe van de omgang van kleinkinderen met hun grootouders erkend wordt. Sinds 13 april 1995 staat dat omgangsrecht ook in de Wet op de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag. Daarin wordt aan de grootouders bij voorrang een recht op contact met hun kleinkinderen toegestaan. Grootouders kunnen juridisch op basis van de wet van 13 april 1995 hun omgangsrecht bij de rechtbank afdwingen zo dat nodig en opportuun is

Ghislain Duchâteau

 

 
Omhoog
  Ouderschapsarrangement in internationaal perspectief

Met enthousiasme breken staatssecretaris Verstand en in haar kielzog congressen en organisaties zich het hoofd over het vergroten van de huiselijke betrokkenheid van vaders bij hun kinderen. In Nieuw-Zeeland is net een wet (Shared Parenting Bill) in behandeling geweest die de halfomhalf-verdeling van de zorg als uitgangspunt nam. Ook in Nederland pleiten mannen voor gelijke zorgrechten en het recht om zorgovereenkomsten aan te gaan.

Het oplossen van conflicten daarover kan beter binnen de eigen sociale context plaatsvinden dan binnen een grofmazig en slecht opererende staatsinterventie. Het respecteren daarvan zou een beloning vormen voor de moed om meer sekse-gelijkwaardige zorgarrangementen overeen te komen. Daarmee zou de achterstand van vaders in de directe zorg voor hun kinderen kleiner kunnen worden.

Nieuw-Zeeland is al lange tijd voorloper op het gebied van gelijke behandeling van beide seksen. Zo heeft het als eerste in de wereld in 1893 vrouwen kiesrecht gegeven. In Nederland gebeurde dat pas in 1919. Inmiddels loopt Nieuw-Zeeland voorop in de discussie over wettelijk zorgrecht voor beide ouders met het recente wetsvoorstel Shared Parenting Bill van parlementslid dr. Newman. Ook in andere opzichten loopt Nieuw-Zeeland voorop in de vernieuwingen van het familierecht.

De integratie van de traditionele Maori-cultuur en de nieuwere blanke cultuur heeft in 1989 een van haar hoogtepunten bereikt met de opname van de Family Group Conference (FGC) in de Children Young Persons and their Family’s Act. Zoals in vele traditionele culturen is de rol van de extended family (groot-familie) ook voor de Maori’s aanzienlijk groter dan in vele westerse culturen. Datzelfde geldt ook voor de rol van directe leefomgevingen zoals het stamverband. Met de wet van 1989 werden de constructieve mogelijkheden van de omgeving voor het oplossen van familieproblemen geregenereerd en ook binnen de blanke (pakeha-)cultuur ingebracht. Deze ontwikkelingen hebben niet alleen deels succes gehad, maar hadden ook een geweldige internationale uitstraling. Ook in Nederland houden veel organisaties (bijv Family-Continuity International) zich bezig met het implementeren van de beginselen van de familieraad.

In 1999 kwam een groep vaders uit diverse landen van de wereld bij elkaar in het Franse plaatsje Langeac. Daar bespraken ze de uitgangspunten voor een vernieuwende en rechtvaardige zorgverdeling en het familierechtelijk kader daarvoor. Belangrijkste uitgangspunt werd het recht op een standaard halfomhalf verantwoordelijkheids- en zorgverdeling. De zogenaamde Declaration of Langeac on Equal Parenting heeft in Nederland een vruchtbare voedingsbodem gevonden bij ouderorganisaties. Ook de opwaardering van de eigen verantwoordelijkheden van ouders ten opzichte van de staat was een belangrijk motief daarvoor.

Hoewel de FGC nog weinig lijkt te betekenen voor de oplossing van conflicten tussen ouders over de verdeling van de zorgtaken is het zaak dit model serieus te onderzoeken op mogelijkheden die het ook in die situatie biedt. In de meeste westerse landen, inclusief Nederland, vertegenwoordigen onderlinge contracten van burgers over de zorgverdeling nul en generlei waarde. Zelfs in Nieuw-Zeeland is de autonomie van ouders, extended family en betrokkenen beperkt door een indringend vetorecht van de kinderbescherming. Ook de institutionele opdringerigheid van sommige hulpverleners bedreigt in de praktijk de autonomie van de familie en daarmee de ontwikkeling van oplossingen.

Als we de FGC ontwikkelen tot een modern instrument in de westerse maatschappij, dan moeten we niet alleen de traditionele en intercultureel gekende mogelijkheden tot conflictbeslechting gebruiken, maar ze ook in een vernieuwende context plaatsen. De inbreng van andere derden uit de sociale context van de ouders zou vergroot kunnen worden. Daarnaast is enige relativering naar de omvang van de betrokken extended family op zijn plaats. Daadwerkelijke betrokkenheid zou een rol moeten spelen.

Het zou goed zijn een systeem te ontwikkelen dat ouders stimuleert om uitvoerigere rechtsgeldige overeenkomsten met elkaar aan te gaan over de zorg en de verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Deze overeenkomsten zouden ook passages moeten bevatten over conflictbeslechting. Ouders kunnen ook de kaders van hun conflictbeslechting zelf kiezen, daarbij rekening houdend met de mogelijkheden en verplichtingen naar de extended family. Dit kan bijvoorbeeld resulteren in de keuze van een eigen arbitragecommissie die in zijn samenstelling een uitdrukking is van de zelfgekozen context. Zo hoeft minder te worden teruggevallen op de instellingen van de rechtsstaat die dikwijls niet de fijngevoeligheid, het inzicht of de intrinsieke competentie hebben om in te grijpen in ouder-kindrelaties.

Het zal niet altijd eenvoudig zijn vooruitgangsdenken en emancipatie te verbinden met interculturele en historische inzichten en tradities. Ook in Nieuw-Zeeland bleek dat dit jaar toen de president van Nieuw-Zeeland geen feestrede mocht houden ter gelegenheid van het verdrag tussen Blanken en Maori’s (Waitangi) omdat een vrouw niet welkom is in traditionele Maori gemeenschapshuizen. Het bleek ook uit het gemak waarmee zogenaamde vooruitstrevende partijen (groenen en socialisten) hun steun aan de Shared Parenting Bill onthielden.

Misschien is Nederland wel een heel geschikt land om juist in die verouderde waterscheiding tussen traditioneel en vooruitstrevend nieuwe geulen te graven en daarmee een einde te maken aan de dehumanisering van ouder-kindrelaties en de ongelijke verdeling van de huiselijke zorg.

Joep Zander, pedagoog en kunstenaar

Laatst gewijzigd: 08-11-2000

 
Omhoog
 

Gezinsdrama's

Het is merkwaardig en tragisch tegelijkertijd dat we de geregeld in het land zoveel gezinsdrama's meemaken. Dat is heel vaak toe te schrijven aan de wanhoopssituatie waarin een man of een vrouw binnen het gezin terecht komen. Die wanhoopssituatie is vaak toe te schrijven aan externe omstandigheden zoals zware financiële moeilijkheden. Dikwijls is het ook toe te schrijven aan de interne verhoudingen binnen het gezin. De beleving van de scheidingsproblematiek kan een partner tot wanhoopsdaden drijven en dan een bloedbad veroorzaken waarvan ook de andere partner en het ergst van alles ook de kinderen letterlijk de slachtoffers worden. We weten toch dat een scheiding procedureel lang kan aanslepen en heel belastend kan overkomen, dat de vervreemding van één ouder van de kinderen bijzonder pijnlijk kan zijn voor een vader die zo al psychisch in de knoei zit door de teloorgang van de verstandhouding binnen zijn verloren gezin.

De overheid en de justitie behoren maar eens ernstig na te denken in welke mate zij mee verantwoordelijk zijn voor die afschuwelijke drama's. Waarom de bestaande echtscheidingswetgeving en de wetgeving over de verblijfsregeling niet consequent toepassen? Waarom treden de parketten niet ernstiger op bij weigering van het legaal toegestaan omgangsrecht en seponeren zij maar? Waarom krijgen vaders geen toegang meer tot hun kinderen en raken zij financieel totaal aan de grond? Waarom verlopen de rechtszittingen niet menselijker en zijn de vonnissen niet billijker ook voor de vaders? Bij die vragen blijkt toch dat de overheid haar verantwoordelijkheid moet opnemen en sociaal moet ageren. Waarom doet ze dat niet bij scheidingssituaties? Dan zouden er drama's vermeden kunnen worden.

G.D.

 
 
     
Laatste update : 3 november 2011| Vragen welkom bij : Webmaster Top | Home