| PROCEDURE - VROEGERE ECHTSCHEIDING
OP GROND VAN FEITEN O.M. TEKORTKOMINGEN AAN DE HUWELIJKSPLICHTEN
Let wel op:
Sinds de huidige wet op de echtscheiding van toepassing is vanaf 1 september 2007 is de echtscheiding op grond van feiten niet meer van toepassing. Het schuldprincipe kan bij de rechtbank wel nog ingeroepen worden bij de bepaling van alimentatiegeld onder ex-echtgenoten en soms eens bij de bewijsvoering van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk.
Overzicht van de rechtspraak (1994-2000) m.b.t. de echtscheiding
op grond van grove beledigingen, gewelddaden en mishandelingen (art.
231 B.W.) e.a.
Samenvatting van het door K.Herbots geschreven gelijknamige
artikel gepubliceerd in het Echtscheidingsjournaal
van juni 2000.
"Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op
grond van gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen door
de andere echtgenoot jegens hem gepleegd", luidt art.
231 B.W. dat bijgevolg drie wettelijke gronden opsomt die bruikbaar
zijn als basis voor het inleiden van deze echtscheidingsprocedure.
1. De wettelijke gronden
Eerst en vooral de gewelddaden waaronder elke handeling
wordt verstaan die gepaard gaat met fysiek geweld waarbij eventueel
het leven van de echtgenoot in gevaar wordt gebracht, kortom alle
zware slagen en ernstige verwondingen.
Daarnaast bestaan de mishandelingen als echtscheidingsgrond
waarbij niet alleen de fysieke maar ook de psychische integriteit
van de mede-echtgenoot wordt aangetast door o.a. bedreigingen, beschuldigingen,
getier
Meestal worden gewelddaden en mishandelingen als één
echtscheidingsgrond ingeroepen.
De wettelijke grond die echter steeds meer als overkoepelende term
gebruikt wordt om deze procedure in te leiden, is die van de grove
beledigingen en dit wegens de ruime interpretatiemogelijkheden
ervan.
Onder grove beledigingen worden immers alle gedragingen, handelingen
en/of feiten aanvaard door één der echtgenoten gesteld
(of nagelaten te stellen) waardoor hetzij het echtelijke leven onmogelijk
of toch minstens grondig verstoord wordt , hetzij de andere echtgenoot
ten zeerste in zijn/haar gevoelens, eer en waardigheid wordt gekrenkt.
Deze grove beledigingen kunnen ofwel een zware tekortkoming aan
de huwelijksplichten uitmaken ofwel een elementair gebrek van respect
en aandacht inhouden. Verder in deze samenvatting komen we uitgebreid
terug op wat hieronder kan begrepen worden.
2. De algemene voorwaarden
Het enkel "bestaan" van de ingeroepen feiten als echtscheidingsgrond
is niet voldoende voor het inleiden van een echtscheidingsvordering.
Tegelijkertijd moeten immers ook de vier volgende voorwaarden vervuld
zijn :
1) Het zwaarwichtig karakter
Het is uiteraard logisch dat een echtscheiding niet zomaar bij
de minste onenigheid zal uitgesproken worden en dat de schending
van één of meerdere huwelijksplichten een zwaar
en ernstig karakter moet vertonen. Elk feit op zich is misschien
niet ernstig genoeg maar het geheel van de feiten kan zwaar genoeg
wegen om een echtscheidingsvordering te kunnen inleiden. Bij de
beoordeling van de ernst van één of meerdere feiten
zal de rechter steeds rekening houden met omstandigheden waarin
deze feiten plaatsgrepen.
2) Het vrijwillige en toerekenbare karakter
Tevens moet ook bewezen worden dat het stellen of het nalaten van
bepaalde handelingen vrijwillig gebeurde en dat de
echtgenoot wist of moest weten dat hij/zij de partner daardoor ernstig
zou kwetsen en/of beledigen. Hiermee hangt uiteraard samen dat de
echtgenoot zich bewust moet zijn van zijn foutieve en kwetsend gedrag.
Deze zogenoemde toerekenbaarheid wordt slechts in
drie situaties opgeheven namelijk bij fout tengevolge van overmacht
of toeval (dus buiten de wil om van de "schuldige" echtgenoot)
; bij geestesstoornis en bij gedragingen te wijten aan een ziekte.
De rechter oordeelt opnieuw in het licht van de concrete situatie
en kan eventueel een deskundigenonderzoek bevelen om na te gaan
in hoeverre bepaalde gedragingen al dan niet toe te schrijven zijn
aan een bepaalde ziekte of geestestoestand.
3) Het beledigende karakter
Daarnaast moet ook bewezen worden door diegene die de gestelde
of nagelaten handeling(en) inroept dat hij/zij zich als gevolg ervan
beledigd voelt. Dit al dan niet beledigend karakter
wordt beoordeeld op het ogenblik van de feiten en uiteraard opnieuw
in het licht van de specifieke omstandigheden.
Er bestaat echter geen systeem van foutcompensatie in ons echtscheidingsrecht,
waarmee bedoeld wordt dat de schending van de huwelijksplichten
door de ene echtgenoot, de andere niet het recht geeft om op zijn/haar
beurt hieraan te verzaken. De verplichting de huwelijksplichten
en - rechten te eerbiedigen blijft hoe dan ook bestaan.
Het beledigend karakter van bepaalde feiten valt pas weg als er
enerzijds door beide echtgenoten tekortkomingen zijn gepleegd en
anderzijds er een oorzakelijk verband bestaat tussen de verschillende
feiten.
4) Feiten die dateren van tijdens het huwelijk
Aangezien het hier tekortkomingen van de huwelijksplichten betreft
vormen feiten van vóór het huwelijk
geen grond tot echtscheiding. Hierop wordt door de rechtbanken volgende
uitzondering gemaakt namelijk de verborgen feiten die - als ze vooraf
gekend waren - het huwelijk hadden verhinderd. De feitelijke scheiding
tussen de echtgenoten heeft geen opheffing van de huwelijkse verplichtingen
tot gevolg.
Feiten die dateren van na het inleiden van de echtscheidingsvordering
kunnen niet op zichzelf, maar wel in samenhang met andere bewezen
feiten van vóór de inleiding, een grond tot echtscheiding
uitmaken.
Door de exceptie (of uitzondering) van verzoening in te roepen kan
de echtscheidingsvordering komen te vervallen. Hiervoor moeten twee
elementen bewezen worden namelijk de hervatting van het samenleven
en het intentionele element van de verzoening, m.a.w. de bereidheid
om de gebeurde feiten te vergeven en de belofte om hierin niet meer
te hervallen. Gebeurt dit laatste toch dan kan een nieuwe echtscheidingsvordering
ingesteld worden waarbij feiten van vóór de verzoening
mogen gebruikt worden.
3. Overzicht van de ingeroepen grove beledigingen
De grove beledigingen kunnen opgedeeld worden in twee hoofdcategorieën:
enerzijds de tekortkomingen aan één of meerdere huwelijksplicht(en)
en anderzijds de tekortkomingen aan de vereiste van elementair respect
en aandacht voor de echtgenoot-partner.
A. De tekortkoming aan de in het B.W. aangeduide huwelijksplichten
Art. 213 B.W. luidt als volgt : "Echtgenoten zijn jegens
elkaar tot samenwoning verplicht; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp
en bijstand verschuldigd."
1) De samenwoningsplicht
De weigering tot verder samenleven of de verlating van de echtelijke
verblijfplaats is op zich geen grond tot echtscheiding. Daarvan
moet immers het ongerechtvaardigde, voortdurende en beledigende
karakter worden aangetoond. Bepaalde omstandigheden kunnen dus de
onttrekking aan de samenwoningsplicht rechtvaardigen vb. een onveiligheidsgevoel
in eigen huis tengevolge van gewelddadig gedrag. Ook het toestemmen,
zonder akkoord van de andere echtgenoot, in de intrekking van een
derde persoon of de eenzijdige beslissing tot wijziging van de echtelijke
verblijfplaats, kan een weigering tot verder samenleven rechtvaardigen.
Voortvloeiend uit de samenwoningsplicht maakt het hebben van geslachtsverkeer
met elkaar ook deel uit van de huwelijkse verplichtingen. Een weigering
hiervan zonder ernstige redenen of akkoord van de andere echtgenoot
kan een grond tot echtscheiding uitmaken. De voortplanting op zich
wordt eveneens als een huwelijksplicht beschouwd behalve als er
onderling daaromtrent andere voorhuwelijkse afspraken werden gesloten.
De problematiek rond weigering tot ouderschap is echter vrij complex
aangezien er een afweging moet gebeuren tussen enerzijds de huwelijksplichten
en anderzijds het zelfbeschikkingsrecht over het eigen lichaam en
de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
2) De getrouwheidsplicht
Naast overspel (sinds 1998 door het Hof van Cassatie ook aanvaard
tussen personen van hetzelfde geslacht) kan ook elke andere vorm
van seksuele ontrouw een schending vormen van de getrouwheidsplicht
en als een grove belediging worden gebruikt in het kader van een
echtscheidingsvordering. Ook hier geldt de afwezigheid van foutcompensatie
waardoor overspel van de ene echtgenoot dus geen opheffing van de
getrouwheidsplicht van de andere echtgenoot betekent.
3) De hulp- en bijdrageplicht en de bijstandsplicht
a. De (materiële) hulpplicht : omvat de verplichting van de
financieel sterkere echtgenoot om zijn levensstandaard met de andere
te delen.
b. De (materiële) bijdrageplicht : omvat de verplichting voor
beide echtgenoten om ieder volgens zijn mogelijkheden bij te dragen
in de huwelijkslasten.
c. De (immateriële) bijstandsplicht : omvat de verplichting
elkaar de nodige aandacht, respect en genegenheid te tonen.
Een vrijspraak van een strafrechtelijke veroordeling wegens familieverlating
(art. 391bis Sw.) belet niet dat bepaalde feiten als een tekortkoming
aan de hulp- en bijdrageplicht kunnen worden beschouwd. Ook hier
wordt telkens geoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden.
B. De schending van de elementaire plicht tot respect en eerbied
1) De abusieve of lichtzinnige uitoefening van procedurele
rechten
Het onterecht instellen van een echtscheidingsvordering
op zich kan eveneens als basis dienen voor het instellen van een
tegeneis. Ook het om de haverklap instellen van gerechtelijke procedures
of het neerleggen van strafklachten die telkens zonder gevolg geklasseerd
worden, kan als grove belediging aanvaard worden.
2) De strafrechtelijke veroordeling
Een strafrechtelijke veroordeling vormt op zich geen grond tot
echtscheiding maar moet hiervoor ook aan de hierboven opgesomde
voorwaarden voldoen. De burgerlijke rechter beoordeelt, onafhankelijk
van de strafrechtelijke uitspraak, het al dan niet beledigend karakter
van de veroordeling. Hierdoor belet een strafrechtelijke vrijspraak
niet automatisch dat de feiten een grove belediging kunnen vormen.
3) Het misbruik van en/of de verslaving aan verdovende middelen
De verslaving op zich vormt geen grond tot echtscheiding maar moet
bovendien een vrijwillig, ernstig en beledigend karakter vertonen
waardoor het normale echtelijke leven onmogelijk wordt gemaakt.
Ook hier wordt bij de beoordeling gekeken naar de concrete omstandigheden.
Een weigering of vroegtijdige beëindiging van een ontwenningskuur
kan bijvoorbeeld een ernstige tekortkoming aan de huwelijksverplichting
uitmaken.
4) Feiten gepleegd ten nadele van derden
Om als grove belediging beschouwd te kunnen worden moeten deze
feiten door de echtgenoot zelf ten aanzien van derden zijn gepleegd
en noodzakelijk terugwerken op de andere echtgenoot. Meestal betreft
het hier feiten ten aanzien van de al dan niet gemeenschappelijke
kinderen of ten aanzien van familieleden.
5) De algemene houding, een bepaald gedrag of karakter van
de echtgenoot
Karaktertrekken op zich vormen géén grond tot echtscheiding
maar moeten deel uitmaken van een groter feitencomplex en een gedrag
ten toon spreiden dat onverenigbaar is met het normale echtelijke
leven vb. een algemene houding van misprijzen en beledigingen t.o.v.
de andere echtgenoot. Ook geldkwesties kunnen een grove belediging
uitmaken wanneer ze de waardigheid van de andere echtgenoot aantasten
vb. het lenen van grote sommen geld bij derden achter de rug van
de echtgenoot om.
4. Besluit
Een rode draad doorheen deze rechtspraak in het kader van de echtscheiding
op grond van bepaalde feiten is het feit dat het louter stellen
of nalaten van bepaalde handelingen onvoldoende is als echtscheidingsgrond
maar dat hiervoor de vier opgesomde voorwaarden cumulatief, dus
elk afzonderlijk vervuld moeten zijn. Een steeds terugkerend element
is eveneens dat de beoordeling van dit al dan niet vervuld zijn
volledig berust bij de rechter en telkens afhankelijk is van de
specifieke context en concrete omstandigheden waarin deze feiten
zich hebben voorgedaan. |