Informatie - Jurisprudentie
 

Adviezen | Advocaat | Bank | Belastingen | Bestaansmiddelen | Detective | Deurwaarder | Echtelijke woning
Echtscheiding door onderlinge toestemming | Erfenis | Gezinnen | Gezinswoning | Gevoelens | Gevolgen echtscheiding
Geweld | Hulpverlening | Huwelijksplichten | Huwelijksstelsel | Jongeren na echtscheiding | Jurisprudentie Justitiehuizen | Kerk | Leven na scheidingNieuwe gezinsvormen | Nieuwe relatie | Nieuw-samengestelde gezinnen
Notaris | Omgangsrecht | Onderhoudsgelden | Onderwijsaangelegenheden | Ouderlijk gezag | Ouder-naam
Ouderschapsbemiddeling | Overlijden | Overspel | Procedure | Relaties | Samenwoning | Scheidingsbemiddeling Vaderschap bij scheiding | Vereffening en verdeling | Wetgeving | Woonstvergoeding

Artikels :
- Familierechters aan het woord over hun werk - juli 2018
- "Haar nieuw lief at mijn varken op" Correctionele Rechtbank Hasselt - eind 1984.
- Een nieuwe regeling binnen de Europese Unie voor internationale echtscheidingen
- Vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding omdat het bij het verzoekschrift overgelegde ouderschapsplan niet voldoet aan de wettelijke vereisten - Rechtbank Rotterdam - Uitspraak 17-10-2009
-
Grondwettelijk Hof – Préjudiciële vraag – hervorming echtscheiding – verhaalbaarheid erelonen
- Co-ouderschap niet automatisch toegekend, hoewel het regel is in de wet
- Kosten uitoefening omgangsrecht niet aftrekbaar
- Recht op persoonlijk contact van grootouders
- Rechter overtreedt te vaak wet bij scheiding - Art.Wim Orbons Nederlands Dagblad 10-12-2004
- Een Nederlands vonnis over omgang van ruziënde ouders - rechtbankgebonden bemiddeling
- Op weg naar het elektronische dossier : het Phenix-project
- Toekenning door de rechtbank van het ouderlijk gezag
- Arrest van het Hof van Beroep Antwerpen 6 maart 2002 omtrent de kinderen
- Onderhoudsgeld voor een klein kind
- De juridische benadering van het belang van het kind
- Verzoening bij de vrederechter
 

Een dossiertje ... een tijdje... een eeuwigheid...resultaat ?
Omhoog
 

Familierechters aan het woord over hun werk

Een journalist ging praten met twee familierechters, een mannelijke in Gent en een vrouwelijke in Mechelen. Zij geven een inkijk in hoe het eraan toe gaat in hun familierechtbank.

Sinds drie jaar worden echtscheidingen, erfenissen en andere familiegebonden materies behandeld door zogenaamde familierechters. Een journalist sprak met twee van hen. 'Veel mensen hebben blijkbaar verleerd hoe ze een ruzie moeten bijleggen.'

Het is 9 uur 's morgens, we zijn in het nieuwe justitiepaleis aan het Rabot in Gent. In de lange gang van de familierechtbank wachten zo'n honderd mensen op de behandeling van hun zaak. Voor het merendeel koppels die willen scheiden. Er hangt spanning in de lucht. Plots roept een vrouw tegen haar man: 'Je had je maar moeten beheersen!' Ze duwt hem van zich weg. Alle anderen kijken naar de punt van hun schoen.
Jaarlijks vragen in ons land zo'n dertigduizend echtparen de scheiding aan. Zij moeten minstens één keer voor de familierechter verschijnen. Vroeger werden echtscheidingen door verschillende rechtbanken behandeld: de jeugdrechter, de rechter van eerste aanleg, de vrederechter en zelfs de arbeidsrechtbank. Toenmalig minister van Justitie Annemie Turtelboom (Open VLD) besloot een einde te maken aan die versnippering en richtte bijna vier jaar geleden de familie- of gezinsrechtbanken op.

'Eén familie, één dossier, één rechtbank.' Zo vat Goedele Vandenbrande de filosofie van de nieuwe rechtbank samen. Zij is familierechter in Mechelen. 'Alle familiegebonden materies worden geconcentreerd in één rechtbank.' Dat moet leiden tot meer efficiëntie en geharmoniseerde procedures. Een echtscheiding in Hasselt behoort op dezelfde manier te verlopen als in Oostende.

Nog een voordeel is dat je telkens voor dezelfde magistraat verschijnt, vindt Daniel Van den Bossche, voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg in Gent en familierechter. 'Zo kun je een gezin gedurende een hele tijd opvolgen en hoeven mensen niet telkens opnieuw hun verhaal te doen aan een andere rechter.'

De familierechtbanken beschikken over een uitgebreid pakket bevoegdheden. Het overgrote deel van hun tijd besteden ze aan echtscheidingen en de gevolgen daarvan: wie betaalt alimentatiegeld aan wie en hoeveel? Wie krijgt het hoederecht over de kinderen? Wat gebeurt er met het kindergeld? Familierechters zijn bovendien bevoegd voor afstammingsgeschillen en adoptie, en voor schenkingen en erfenissen - nog zo'n grote bron van ruzies.
Sinds 2014 telt België twaalf gerechtelijke arrondissementen, die zijn samengesteld uit verschillende afdelingen. Iedere afdeling heeft een familie- en jeugdrechtbank, die meestal is opgedeeld in verschillende kamers. Een goede zaak, volgens Daniel Van den Bossche. 'Sommige materies, zoals vereffeningen en vermogensverdelingen, zijn zo specifiek dat we ze beter overlaten aan een gespecialiseerde familierechter. Een andere familiekamer zal dan bijvoorbeeld de adopties en afstammingszaken behandelen.'

Dat er behoefte was aan familierechtbanken bewijzen de cijfers: het eerste jaar van hun bestaan werden meer dan 80.000 dossiers behandeld. De meerderheid betrof echtscheidingen (33.970) en jeugdzaken (33.436).
Als een echtpaar wil scheiden, is de familierechter verplicht om hen veertien dagen na het indienen van het verzoekschrift te ontvangen op de rechtbank. Goedele Vandenbrande vindt die periode te kort: 'De betrokkenen en hun advocaten zijn meestal niet klaar met de voorbereiding van hun zaak. De eerste verschijning beperkt zich dan ook vaak tot een formele inleiding.'

Daniel Van den Bossche in Gent organiseert de zaken anders. 'Het is niet klantvriendelijk om mensen naar de rechtbank te laten komen als hun zaak toch niet echt behandeld wordt. We proberen daarom elke zaak meteen aan te pakken en nemen soms dringende maatregelen, zoals het weghalen van een kind bij een van de partners.'
Sommige echtparen komen naar de familierechtbank met een minnelijke schikking. Goedele Vandenbrande is daar een groot voorstander van. 'In de praktijk werkt zo'n akkoord vaak beter dan een regeling die door de rechtbank wordt opgelegd. Het zou een grote besparing van mensen en middelen zijn, mochten onze cliënten zelf wat meer met elkaar overleggen, in plaats van alles in de handen van de rechtbank te leggen.'

Daniel Van den Bossche beaamt dat mensen te snel naar justitie stappen bij een conflict. 'We maken ruzie met de buurman en de rechter moet maar beslissen wie gelijk heeft. Veel mensen hebben blijkbaar verleerd hoe ze een ruzie moeten bijleggen.'

Twaalf minuten per dossier

Een groot deel van het werk van de familierechters werd vroeger gedaan door de vrederechters. Hun bevoegdheid in financiële geschillen werd wel verhoogd van 1860 tot 2500 euro, maar die evolutie toont nog eens aan hoe ongelijk het werk verdeeld is binnen Justitie. Terwijl sommige vrederechters en politierechters meer tijd op hun fiets, in de tuin of op een golfterrein spenderen dan in hun rechtszaal, weten rechters van eerste aanleg, familierechters en jeugdrechters niet waar eerst te beginnen.

'Het klopt dat de familierechtbanken overbelast zijn', stelt Van den Bossche. 'In Gent doen de zeven familierechters het werk dat voorheen door tien vrederechters werd gedaan. De rechtbank van eerste aanleg kreeg de voorbije jaren voortdurend nieuwe taken: fiscaliteit, de familierechtbanken, strafuitvoeringsrechtbanken, internationale ontvoeringen van kinderen, administratief werk. Maar het aantal personeelsleden is niet in dezelfde mate meegegroeid.'

Goedele Vandenbrande probeert in Mechelen het aantal dossiers per zitting te beperken tot twintig, terwijl sommige collega's er meer dan zestig op een dag afhaspelen. 'Hoe kun je dan nog goed luisteren naar de verhalen van die mensen? In een ideale situatie leid ik aan het begin van een zitting acht tot tien nieuwe zaken in, en daarna doe ik een tiental pleitzaken waarin we naar de betrokkenen en hun advocaten luisteren. Ik heb uitgerekend dat ik op die manier twaalf minuten per dossier heb. Dat is natuurlijk veel te weinig, zodat de voormiddagzittingen bijna elke dag flink uitlopen tot een eind in de namiddag. Het is hollen van de ene zaak naar de andere, van de ene familiekamer naar de andere. De eerste zaak om 9 uur 's morgens zou ik even geconcentreerd moeten volgen als de laatste in de namiddag. Maar zo veel mensen, zo veel verhalen: dat is niet evident. Een enkele keer gaat het er zo heftig aan toe dat ik een van beide ruziemakers de gang op moet sturen om af te koelen.'

Daniel Van den Bossche voelt zich geregeld 'emotioneel leeg' na weer een lange zitting. 'Dit werk is totaal anders dan wat bijvoorbeeld een handelsrechter doet. Die heeft te maken met facturen, met bedrijven. Wij met mensen in de knel, die huilen, roepen en tieren. Je moet veel over je heen laten gaan. 's Avonds ben ik doodop. Dit is zo'n speciale job. Je moet niet alleen een goed jurist zijn, maar ook een psycholoog.'

Zijn meest emotionele zaak was een gezin met drie kinderen in de puberteit, met een afwezige vader en een moeder die het huishouden en de opvoeding helemaal alleen bestierde. 'Toch koos ik er tot ieders verrassing voor om de vader een lightversie van co-ouderschap toe te kennen', vertelt Van den Bossche. 'Ik moest de moeder uitleggen dat de kinderen zich uiteindelijk tegen haar zouden keren als haar echtgenoot volledig uitgesloten werd. Was het de juiste beslissing? Dat weet je nooit helemaal zeker. Het is zoals bij uw huisdokter: een consultatie duurt tien minuten. Hoe weet je dat hij de juiste diagnose stelt? Door zijn ervaring. Ook een familierechter beschikt het best over veel levenservaring.'

Goedele Vandenbrande moet haar bureau delen met een collega-rechter. 'Ik ben nog een van de gelukkigen, want sommige collega's delen hun kantoor met zes anderen. Ook onze werkingsmiddelen zijn beperkt. Kijk, mijn laptop is een soort dinosaurus: totaal verouderd. Veel collega's kopen daarom hun eigen computer, maar dat is natuurlijk ook niet ideaal. Dit jaar mochten we gelukkig opnieuw twee wetboeken bestellen, maar dat was lang geleden. Kunt u zich dat voorstellen? Elk jaar komen er wetten bij, andere verdwijnen of worden aangepast, maar de rechters beschikken niet over de geactualiseerde wetboeken, tenzij ze die zelf kopen. Het kan toch niet dat je als rechter geen toegang hebt tot de rechtsbronnen.'

Kinderen krijgen inspraak

Een van de bijzonderheden van de nieuwe familierechtbanken is dat ze ook minderjarigen horen en hen inspraak geven in de echtscheiding van hun ouders. De kinderen krijgen een brief van de familierechter waarin wordt uitgelegd hoe de procedure werkt. Elke minderjarige heeft wettelijk het recht om gehoord te worden, maar is niet verplicht om in te gaan op die uitnodiging.

Daniel Van den Bossche vindt het goed dat een kind gehoord wordt door de rechter, al moet je het belang daarvan niet overdrijven: 'We weten dat sommige kinderen 'voorbereid' worden door een van de ouders, of door beiden. Je mag zo'n kind bovendien nooit het gevoel geven dat het partij moet kiezen voor mama of papa.'

In Mechelen ontvangt Goedele Vandenbrande de kinderen op woensdagnamiddag. 'Ik spreek ze alleen en nooit in toga. Ik vraag waar ze naar school gaan, welke hobby's ze hebben. Ik probeer na te gaan bij welke ouder het kind gevoelsmatig het meest aansluiting heeft, want je hebt mamakindjes en papakindjes. Die gesprekken zijn niet vanzelfsprekend. Niet alle kinderen slagen erin om zich goed te verwoorden en je mag niet vergeten dat ze emotioneel enorm in de knoei kunnen zitten door de echtscheiding van hun ouders. We vragen de kinderen naar hun kijk op de zaak, hoe zij het conflict aanvoelen, wat zij verwachten. Wij krijgen zo een heel bijzondere inkijk in het privéleven van anderen.

Onze vonnissen kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de ouders, maar ook voor de kinderen. Ik moet bijvoorbeeld beslissen naar welke school het kind moet na de scheiding. De vader vraagt school a, moeder school b. Ik motiveer dat ik de ene school prefereer, om die en die redenen. Dat is juridisch een correct vonnis, maar of het een goede keuze is voor het kind is kwestie, is soms minder duidelijk. Het is al moeilijk genoeg om voor je eigen kinderen de beste school te kiezen, laat staan voor een onbekende.'

Ouders mogen het verslag van het gesprek met hun kinderen nalezen, maar enkele maanden geleden stelde minister van Justitie Koen Geens (CD&V) voor om dat te verbieden. Minderjarigen zouden dan minder bevreesd zijn om vrijuit over hun ouders te praten. Vandenbrande is het daar niet mee eens. 'Een rechter mag geen geheim element gebruiken om zijn vonnis te motiveren. Een kind kan bijvoorbeeld zeggen dat haar mama geslagen wordt door papa. Maar is dat echt zo? Het kan ook ingefluisterd zijn door de mama. Dat moet ik dan proberen te ontdekken. Na het gesprek met een kind zeg ik dat het verslag gelezen zal worden door mama en papa. We nemen het samen nog eens door, zodat het zich goed bewust is van wat het gezegd heeft. Ik vraag desnoods of mogelijk scherpe uitspraken aangepast moeten worden, want ik wil vermijden dat het kind achteraf beschuldigd wordt door een van beide ouders.'

In Nederland stellen de familierechters ook een ouderschapsplan op waarin de opvoeding van de kinderen wordt geregeld. Sommigen willen dat ook in België invoeren. Minister van Justitie Koen Geens is er niet tegen, maar hij wil het niet verplichten.

Volgens Vandenbrande is het praktisch zeer moeilijk om zo'n opvoedingstraject op te stellen. 'Je kunt niet alles in overeenkomsten gieten. Er zijn zo veel onduidelijke factoren in de levensloop van het kind en van de ouders. Het is goed dat mensen daarover nadenken, maar de rechter moet dat toch niet allemaal voor hen beslissen. Bovendien wijzigt de toestand binnen het gezin voortdurend: de kinderen worden ouder, een van de partners vindt een nieuwe partner... Daar kun je je als rechter niet allemaal mee bezighouden.'

Meer vrouwelijke rechters

Het valt op dat de meerderheid van de familierechters vrouwen zijn. Toeval? Sommigen beweren dat vrouwen meer aanleg hebben om te oordelen in gezinskwesties. Goedele Vandenbrande wijst erop dat het beroep van rechter overal sterk aan het vervrouwelijken is. 'In alle rechtbanken vind je steeds meer vrouwen. Dat is een goede zaak, maar een mannelijke familierechter is even goed: een man is vaak ook een partner en een vader.'

In Gent zijn vijf van de zeven familierechters vrouw. Een goede mix is belangrijk, vindt Daniel Van den Bossche, maar ook hij heeft niet het gevoel dat hij als mannelijke familierechter anders oordeelt dan zijn vrouwelijke collega's. 'Ik zou me beledigd voelen als iemand zou zeggen dat ik als man minder empathie heb dan vrouwelijke collega's. Ik herinner me een vrederechter in Zelzate. Hij was vrijgezel en had geen kinderen, maar er was geen betere vrederechter als het ging om zaken waar kinderen bij betrokken waren. Hij kon afstand nemen van de dossiers die hem werden voorgelegd. Dat geldt voor alle rechters: je mag nooit je eigen ideeën opdringen en als familierechter moet je afstand nemen van je eigen gezinssituatie.'

Het is drie uur in de namiddag. In de familierechtbank in Gent komt het laatste koppel naar buiten. Ze hadden een minnelijke schikking en zijn verrast dat het allemaal zo snel is gegaan. Een vluchtige kus en elk rijdt weg in zijn eigen auto.

juli 2018

 
Omhoog
 

"Haar nieuw lief at mijn varken op" Correctionele Rechtbank Hasselt - eind 1984.

Bij het opruimen viel me een krantenknipsel in handen herkomstig uit Het Belang van Limburg.
Ik wil het verhaal niet onthouden aan de lezers van deze Goudi-pagina. Kostelijk.

De 32-jarige Mathieu V., uit Houthalen-Helcheteren, veroorzaakte grote hilariteit op de rechtbank bij het verhalen van zijn tegenslagen op het liefdespad. Zo bleek hij terecht te staan voor diefstal van wat hij vermoedde dat het om zijn eigen TV-toestel ging (waarvoor hij de lichte straf kreeg van 1 maand, en met 3 jaar uitstel). Daarmee was zijn tegenslag, naar zijn zeggen, nog maar pas begonnen...

Mathieu V. had een verhouding met een dame uit Helcheteren, waarmee hij ongeveer een jaar samenleefde. Om de goede verstandhouding te bevorderen kocht hij "haar" een TV-toestel. De relatie hield echter geen stand en een andere vriend kwam in zijn plaats. Op 17 augustus 1984 ging Mathieu V. zijn TV-toestel terughalen, echter niet langs de gebruikelijke weg. Hij brak de achterdeur open en verdween met wat hij dacht zijn toestel te zijn. De politie dacht daar echter anders over, want zijn vroegere vriendin had "zijn" toestel verkocht, zodat hij haar eigendom had meegenomen, "per ongeluk"...

Grote hilariteit veroorzaakte evenwel wat Mathieu noemde "de rest van zijn miserie". Iets voor zijn gedwongen afscheid van haar, had hij nog een varken voor in de diepvriezer bij haar gekocht. Maar toen hij moest vertrekken kon hij dat niet meenemen, ...zodat: "Mijn ex-lief en haar nieuwe vriend lekker hebben kunnen genieten van mijn varken." In de rechtszaal hing, net voor de vakantie, een wolkje van onschuld.


 
Omhoog
 

Een nieuwe regeling binnen de Europese Unie voor internationale echtscheidingen

Elk jaar trouwen zowat 350.000 Europeanen met iemand uit een andere lidstaat. Maar ook elk jaar scheiden ongeveer 170.000 koppels. Dat is een 20% van de echtscheidingen in de Europese unie. De EU wilde al in 2008 eenvormige regels uitwerken om te bepalen in welk land de rechtbank bevoegd is om de scheidingsprocedure van een internationaal paar te voeren. Op 2 juni 2010 zette de Europese Unie de eerste stappen om die regeling tot stand te brengen.  Eens die regeling goedgekeurd kunnen internationale koppels, dit zijn koppels met verschillende nationaliteit of koppels die in verschillende landen apart wonen of samen wonen in een land verschillend van hun thuisland, in onderlinge overeenstemming kiezen onder welke wetgeving van welk land hun scheidingsprocedure gevoerd wordt. De regeling bepaalt ook welke wetgeving van toepassing is als de beide partners het niet eens zijn over de keuze van de wetgeving van het land voor hun scheiding. Dat is bij voorkeur de wetgeving van het land waar zij de laatste periode van hun huwelijk of hun samenwoning verbleven.

De regeling raakt niet aan de wetgeving van het land zelf. Ze is ook compatibel met de bestaande internationale verordeningen als het Verdrag van Den Haag en de Verordening Brussel II. Ouders kunnen meteen die internationale verordeningen inroepen vooraleer een van de ouders de gelegenheid heeft een kind naar het buitenland te ontvoeren en ook als die ontvoering al gebeurd is.

De nieuwe regeling voorgedragen op vraag van een 14-tal landen van de Europese Unie door de Europese commissaris voor justitie Reding zou de volgende voordelen opleveren:
- rechtszekerheid, voorspelbaarheid en soepelheid voor de burgers verbeteren
- de zwakkere partners beschermen tijdens de echtscheidingsdiscussies
- de last voor de kinderen verminderen in internationale echtscheidingsgeschillen.

In elk geval wordt willekeurig ‘shoppen’ in een voor de aanvrager gunstige wetgeving van een land zo goed als uitgesloten.

Minstens 9 landen moeten om de regeling verzoeken. Het zijn er nu 14 waaronder België en landen (zoals Nederland) kunnen desgevallend later nog toetreden tot de regeling.  

De miinisters van Justitie hebben tijdens hun vergadering van donderdag 4 juni 2010 in Luxemburg het voorstel tot nieuwe regeling aanvaard. Nu moet het nog door het Europese Parlement worden goedgekeurd.

Via de website van de Raad van de Europese Unie
krijgt u toegang tot alle nodige informatie. De documenten komen in het Engels op uw scherm. In het pdf-document vindt u ook de tekst zelf terug van de voorgestelde nieuwe regeling

Documenten:

Press release (p. 17)
Factsheet (pdf)
Public debate
Webcast of press conference


Ghislain Duchâteau

7 juni 2010




 
Omhoog
 

Vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding omdat het bij het verzoekschrift overgelegde ouderschapsplan niet voldoet aan de wettelijke vereisten - Rechtbank Rotterdam - Uitspraak 17-10-2009

LJN: BK1422, Rechtbank Rotterdam , 331731 / F1 RK 09-1288

Print uitspraak

Datum uitspraak:

17-07-2009

Datum publicatie:

28-10-2009

Rechtsgebied:

Personen-en familierecht

Soort procedure:

Eerste aanleg - enkelvoudig

Inhoudsindicatie:

Vrouw niet-ontvankelijk in haar verzoek tot echtscheiding omdat het bij het verzoekschrift overgelegde ouderschapsplan niet voldoet aan de wettelijke vereisten.

 

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ROTTERDAM

Sector civiel recht
Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 17 juli 2009
Zaak- / rekestnummer: 331731 / F1 RK 09-1288  

Beschikking in de zaak van:

[naam vrouw], de vrouw,
wonende te [woonplaats],
advocaat mr. W.H. Meuleman,

t e g e n

[naam man], de man,
wonende te [adres].


Het verloop van de procedure
De vrouw heeft een verzoekschrift ingediend.

Bij dit verzoekschrift is niet het voorgeschreven ouderschapsplan overgelegd.

Op 9 juni 2009 is een herstel-verzuimbrief aan de vrouw gezonden.

Van de zijde van de vrouw is een brief met bijlage ingekomen, gedateerd 16 juni 2009.

De zaak is behandeld op 16 juli 2009.

De beoordeling
De vrouw heeft ter zitting te kennen gegeven dat het ouderschapsplan, zoals weergegeven in het verzoekschrift, haar wensen zijn en dat de man zich bij de inhoud daarvan wil neerleggen. Voorts vindt zij het moeilijk om het ouderschapsplan met de jongste zoon van partijen te bespreken.

Het door de vrouw in het verzoekschrift opgenomen ouderschapsplan voldoet niet aan de wettelijke vereisten. Het ouderschapsplan verwoordt slechts de wensen van de vrouw, die niet door de man worden gedragen nu ter zitting is gebleken dat hij deze niet goed heeft begrepen. Voorts heeft de vrouw geen goede reden aangegeven waarom zij de jongste zoon niet heeft ingelicht over het ouderschapsplan. De advocaat van de vrouw geeft aan dat hij geen verdere pogingen zal ondernemen om tot een ouderschapsplan te komen dat wel aan de wettelijke vereisten voldoet. De rechtbank zal daarom de vrouw niet ontvankelijk verklaren in haar verzoek.

De beslissing
Verklaart de vrouw niet ontvankelijk in haar verzoek.

Deze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, in bijzijn van De Ronde, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

Bron: De Rechtspraak


 
Omhoog
 

Grondwettelijk Hof – Préjudiciële vraag – hervorming echtscheiding – verhaalbaarheid erelonen

Publicatie BS 26-3-2008

GRONDWETTELIJK HOF

Bericht voorgeschreven bij artikel 74 van de bijzondere wet van 6 januari 1989
Bij vonnis van 8 januari 2008 in zake Katty Van de Walle tegen Kurt Haelvoet, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 29 januari 2008, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Gent de volgende prejudiciële vraag gesteld :

« Schendt artikel 26, tweede lid, van de wet van 27 april 2007 betreffende de hervorming van de echtscheiding gelezen in samenhang met de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat en het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 november 2007 en in werking getreden op 1 januari 2008, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat in de procedure echtscheiding op grond van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk Wetboek de rechter bij het uitspreken van de echtscheiding op grond van artikel 229, § 3, van het Burgerlijk Wetboek de kosten steeds ten laste van de eisende partij dient te leggen (nieuw artikel 1258 Ger.W.) terwijl deze procedure echtscheiding niet langer gebaseerd is op een fout vastgesteld in hoofde van één der partijen en het in vele gevallen zo is dat de eisende partij geen schuld heeft aan het ontstaan en of het voortduren van de feitelijke scheiding van meer dan één jaar en zelfs in bepaalde gevallen recht heeft op een uitkering overeenkomstig artikel 301 van het Burgerlijk Wetboek (nieuw) ? ».

Die zaak, ingeschreven onder nummer 4425 van de rol van het Hof, werd samengevoegd met de zaak met rolnummer 4381.
De griffier,
P.-Y. Dutilleux.

Commentaar:

Volgens ervaren advocaten zou het wegvallen van het schuldprincipe uit de wet van 27 april 2007 voor gevolg hebben dat de rechters in de burgelijke aangelegenheid van de echtscheiding de rechtsplegingsvergoeding - in tegenstelling tot de nieuwe wet van 21 april 2007 van toepassing op 1 januari 2008 - de rechtsplegingsvergoeding ten laste leggen van beide partijen en niet ten laste van de eisende partij. Met deze prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof valt te verwachten, dat er na uitspraak van dat Hof er volkomen klaarheid wordt gecreëerd inzake tenlastelegging van de rechtsplegingsvergoeding bij echtscheiding. Wij kijken uit naar die uitspraak.

G.D.


 
Omhoog
 

Co-ouderschap niet automatisch toegekend, hoewel het de regel is in de wet

De heer J. en mevrouw I. zijn al een tijdje uit elkaar, maar nog niet officieel gescheiden. De scheiding verloopt heel moeizaam. Ze hebben een tweeling van 10 jaar oud. De kinderen verblijven bij hun moeder en brengen om de twee weken een weekend door bij hun vader.

J. zou zijn kinderen vaker willen zien en stelt co-ouderschap voor. Dat is de regeling waarbij de kinderen evenveel tijd doorbrengen bij beide ouders.

Maar zijn ex wil daar hoegenaamd niet van weten. Zij vindt dat J. niet in staat is om voor de kinderen te zorgen. Zijn belangstelling voor hen was nooit erg groot en hij houdt nooit rekening met hen. Hij heeft bovendien twee jobs: hij is financieel adviseur bij de gemeente én zelfstandige in de vastgoedsector. Hoe zou hij dan zijn vaderrol goed kunnen opnemen, aldus de moeder.

J. brengt daartegen in dat hij vroeger ook voor de kinderen instond. Hij heeft
een sterke emotionele band met hen. Aangezien hij het niet eens raakt met zijn ex, vraagt hij de rechter om zich over het co-ouderschap uit te spreken. De rechter merkt op dat door een recente wet co-ouderschap de regel is geworden. Maar wanneer een rechter van oordeel is dat die regeling in een concreet geval geen passende oplossing is, mag hij een andere verblijfsregeling opleggen, rekening houdend met de belangen van de kinderen en van beide ouders enerzijds en met de concrete omstandigheden anderzijds.

Wat J. en I. betreft, stelt de rechter vast dat de communicatie zeer stroef verloopt, dat ze nagenoeg onmogelijk is. Ze betrekken hun kinderen te veel in hun eigen geschil en slagen er niet in het partnerconflict te scheiden van hun rol als ouder. Ook qua opvoeding zijn er duidelijke verschillen.
 
De kinderen zijn heel loyaal met beide ouders, maar het is niet bewezen dat ze zelf co-ouderschap verkiezen. En aan de beschikbaarheid van J. om zijn vaderrol ten volle op te nemen kan worden getwijfeld, gelet op zijn drukke beroepsbezigheden.

De rechter oordeelt daarom  dat de essentiële voorwaarden voor co-ouderschap niet verwezenlijkt zijn.

Bronnen:

> Hof van beroep van Gent, 27/10/2006, in Nieuw Juridisch Weekblad, 2007, blz. 606
Uit: Budget en recht, januari/februari 2008 – nr. 196 – Rubriek GEWIKT EN GEWOGEN



ELKE UITSPRAAK IS ANDERS
In deze rubriek vindt u zowel representatieve, originele als betwistbare uitspraken. Voor alle duidelijkheid stippen we aan dat wanneer soortgelijke gevallen aan de rechtbanken worden voorgelegd, ze niet per se altijd in dezelfde zin worden beoordeeld. Een uitspraak kan steeds worden beïnvloed door de plaats en het ogenblik van de feiten, de betrokken partijen, de pleidooien alsook de persoon van de rechter.


 
Omhoog
 

Kosten uitoefening omgangsrecht niet aftrekbaar

In een vonnis van 9 januari 2004 liet de fiscale rechtbank van Leuven een gescheiden vader toe om de kosten die hij had gemaakt bij de uitoefening van zijn omgangsrecht van zijn kinderen, fiscaal in aftrek te brengen. Het hof van beroep van Brussel hervormt dat gunstige vonnis evenwel in een arrest van 20 juni 2007.

Er bestaat geen grote duidelijkheid over de vraag wanneer een bepaalde betaling een voor 80% aftrekbaar onderhoudsgeld is. In een arrest van 15 april 1997 kwam het hof van beroep van Antwerpen tot de conclusie dat het bedrag dat betaald werd bovenop het bedrag dat door de rechtbank of de overeenkomst voorafgaand aan echtscheiding door onderlinge toestemming was opgelegd, niet aftrekbaar is.

In een arrest van 22 september 1998 stelde datzelfde hof dat verplaatsingskosten in het kader van de uitoefening van het omgangsrecht, de kosten van maaltijden, versnaperingen en uitstapjes tijdens de momenten van het omgangsrecht, niet waren ingegeven door de staat van behoefte van de kinderen of door de levensstandaard van hun ouders. Het gaat dus over kosten boven de wettelijk verplichte alimentatie

In haar vonnis van 9 januari 2004 meende de rechtbank van Leuven dat de onderhoudsverplichting van artikel 203 B.W. heel ruim is en slaat op het levensonderhoud, de opvoeding en een passende opleiding. Dat omvat ook de kosten die hiervoor gemaakt worden tijdens de uitoefening van het omgangsrecht. Tijdens die periode kan de betrokken ouder zich aan zijn verplichting voldoen in natura. Er is dus wel degelijk een wettelijke basis voor die uitgaven.

De Staat tekende evenwel beroep aan tegen de uitspraak van Leuven. In zijn arrest van 20 juni 2007 sluit het hof van beroep van Brussel zich aan bij de vroegere arresten van Antwerpen. De vraag tot aftrek van de kosten verbonden aan de uitoefening van het omgangsrecht worden afgewezen, omdat zij niet opgenomen waren in de overeenkomst tussen de ex-echtgenoten en bovendien niet bewezen was dat zij waren ingegeven door een staat van behoefte van de kinderen. Zij spruiten niet voort uit een wettelijke verplichting en dus niet aftrekbaar.

juli 2007

Commentaar:

Deze tekst bevat inderdaad een staaltje van flagrant tegenstrijdige rechtspraak. De fiscale rechtbank van Leuven was op grond van een ruime interpretatie van art. 203 B.W. van oordeel dat die kosten wél aftrekbaar zijn, het Hof van Beroep van Brussel vonnist van niet. Het is een aangelegenheid niet van pure feiten of argumenten maar van interpretatie van een toestand. Subjectiviteit is hier niet echt uit te sluiten.

We kunnen ons ook op het standpunt stellen van de onderhoudsplichtige ouder en de hele aangelegenheid bekijken niet vanuit een strikt juridische visie, maar vanuit een billijkheidsstandpunt. Zuiver fiscaal is er veel te zeggen voor het oordeel van de fiscale rechtbank van Leuven dat verplaatsingskosten in het kader van de uitoefening van het omgangsrecht, de kosten van maaltijden, versnaperingen en uitstapjes tijdens de momenten van het omgangsrecht bijkomende kosten zijn boven de onderhoudsuitkeringen aan de andere ouder. Daarbij zitten wij met de juridische praktijk dat de onderhoudsplichtige zijn normale uitkering ook moet betalen aan de andere ouder tijdens de periodes dat de kinderen bij hem verblijven. Waarom moet dat volgens de rechtbank? Naar zeggen van advocaten begroot de rechtbank de onderhoudsuitkeringen op basis van een volledig jaar, dus 12 maanden. Als de kinderen tijdens de zomervakantie één volledige maand bij de onderhoudsplichtige ouder verblijven en die zelf kosten maakt voor het levensonderhoud, de ontspanning e.d. betaalt hij nog aan de andere ouder! Dat zijn dubbele kosten en dat is bepaald niet billijk. Tel daarbij alle periodes op dat in een (ouderwetse) klassieke verblijfsregeling van 1 weekend op 2 en de helft van de vakanties de kinderen bij de onderhoudsplichtige ouder verblijven. Dat maakt nogeens meer dan één maand uit op het jaar dat hij dubbel betaalt. De verhouding van de verblijfstijd bij elk van beide ouders moet één van de belangrijke parameters zijn voor de begroting van een eventuele onderhoudsuitkering. Zit in deze huidige onredelijke situatie geen denkstof voor het ontwerpen van een wetsvoorstel, dat deze situatie rechttrekt? Daarbij moeten uiteraard de fiscale consequenties in aanmerking worden genomen. We zullen eens moeten polsen of de parlementairen die vanaf oktober 2007 de nieuwe wetten maken in het parlement gevoelig zijn voor deze materie en of ze gehoor geven aan onze aspiratie om hier meer rechtvaardigheid te laten heersen op financieel gebied tussen gescheiden ouders.

Ghislain Duchâteau



 
Omhoog
 

Recht op persoonlijk contact van grootouders

Indien er ongedwongen contacten zijn tussen grootouder en kleinkind op willekeurige tijdstippen op de ogenblikken dat het kleinkind bij zijn ouder verblijft, dan volstaat dit normaal gezien als grootouderlijk contact.

Een rechter oordeelde echter in een bepaalde situatie dat het uitsluitend op de schouders van één ouder leggen van het recht op persoonlijk contact van de grootouders met hun kleinkind, teveel zou ingrijpen op het eigen recht op persoonlijk contact van die ouder.

Eveneens besliste een hof van beroep in een arrest, ook al waren er vrijwillige contacten (tussen grootouder en kleinkind in de periodes dat het kleinkind bij de ouder verbleef), om een bijkomend autonoom contactrecht toe te kennen van een halve dag per twee maanden.

In andere gevallen werd aan de grootouders een contactrecht toegekend van één dag per maand (JR Brussel, A.R. 938/4B/01, 14 december 2001) of zelfs van twee hele dagen per maand (JR Kortrijk, A.R. 00/2127/B, 24 april 2001).

Bij niet-samenlevende ouders kan het mede van belang zijn te bepalen welke ouder het grootouderlijk contact ten laste zal nemen. Het uitgangspunt is dat deze last zoveel mogelijk verdeeld wordt tussen de vader en de moeder. (Gent A.R. 2003/JR/109, 26 april 2004).

De rechter kan ook gewoon de tijdstippen bepalen waarop de grootouders het kleinkind kunnen zien, zonder zich te bekommeren om het feit of het kind zich op dat ogenblik bij de vader of bij de moeder bevindt.

Uit de Nieuwsbrief van BGMK vzw van september 2005



 
Omhoog
 

Rechter overtreedt te vaak wet bij scheiding

Rechters beslissen vaak in strijd met de wet dat contact tussen het kind en de vader na scheiding wordt opgeschort of ontzegd. Het VVD-Tweede-Kamerlid Luchtenveld heeft nu een initiatiefwetsvoorstel ingediend met als hoofdelementen: scheiden zonder rechter en co-ouderschap na scheiding, tenzij ouders anders overeenkomen.

Het lijkt erop dat rechters, en veel advocaten, de wet niet kennen. Sinds 1998 loopt het ouderlijk gezag na scheiding van rechtswege door. De wet van 1998 stelt: gezag impliceert contact. Ontzegging van contact is onder strikte voorwaarden alleen mogelijk bij een ouder die geen gezag heeft (zoals vaders die voogdij hebben volgens de wet van vóór 1998). Recent is dit nog eens bevestigd door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, dat Nederland heeft veroordeeld omdat de Nederlandse rechter de eis van een vader met gezag om zijn dochter te bezoeken afwees.

Onwetmatigheden van rechters zijn er mede debet aan dat circa de helft van de scheidingskinderen geen of nauwelijks contact meer heeft met de vader. Ook wanneer de rechter wel een contactregeling uitspreekt, in het beste geval een weekend per twee weken, kan een ouder (meestal moeder) die uitspraak straffeloos naast zich neerleggen. Dit leidt vaak tot stalking en geweld (steeds vaker met dodelijke afloop), waarvoor vaders wel bestraft worden. Delicten die door moeders worden uitgelokt.

Hanteren rechters een ongeschreven regel om gescheiden moeders te beschermen? De cijfers zijn niet in hun voordeel. Om met NRC-columnist Bas Heijne te spreken: 'Waar komt dat onuitroeibare geloof in de vrouw als beter mens toch vandaan? Het is net zo idioot als het geloof in de vrouw als minderwaardig wezen'. De meest geciteerde rechtspsycholoog in Europa, prof. Hans Crombag, heeft niet voor niets al jaren geleden de vraag gesteld: 'wie controleert de rechters?'

Onafhankelijkheid

De sociaal wetenschapper Jan de Keijser toonde begin 2000 in zijn proefschrift aan dat rechters zelfs in volkomen identieke zaken tot sterk verschillende uitspraken komen. Premier Balkenende zei daarover: 'De discussie over fouten in de rechtspraak en over integriteit is uiterst gevoelig, maar moet wel worden gevoerd. Nu al verschijnen artikelen over onrechtmatige rechtspraak.'

Maar de Tweede Kamer laat zich gemakkelijk meeslepen met het romantische beeld van een volkomen integere rechterlijke macht. Heel Nederland mag graaien, maar er is gelukkig nog één macht die vlekkeloos toezicht houdt, zo wil men graag geloven.
Dat artsen fouten maken, is geaccepteerd. Maar ze moeten wel openlijk voor hun fouten uitkomen. Rechters zijn daar kennelijk nog niet aan toe. Ze verschuilen zich achter de uniciteit van een zaak. Altijd zijn er bijzondere omstandigheden, geen enkele zaak is met elkaar te vergelijken, zeggen ze. Maar 'vechtscheidingen' hebben allemaal dezelfde rode draad. En niemand is onbevooroordeeld. Ook rechters zijn mensen en geen computers. Maar ze moeten wel de wet toepassen die op het terrein van scheiding volstrekt duidelijk is: altijd contact tussen kind en beide ouders, tenzij er bewezen feiten zijn van kindermishandeling.

In de uitspraak zouden rechters moeten opnemen dat de contactregeling zo nodig met behulp van de 'sterke arm' in burgerkledij wordt uitgevoerd. Of dat bij weigering het gezag over de minderjarige zal worden ontnomen. Dit zal in de praktijk een preventieve werking hebben.

Slachtofferrol

Rechters zwichten vaak voor moeders die in de slachtofferrol kruipen, en die na scheiding, meestal uit rancune, geen contact tussen het kind en de vader willen. Die situatie druist in tegen internationale verdragen, tegen de Nederlandse wet én tegen het belang van het kind. Veel rechters ontzeggen onrechtmatig het contact tussen vader en kind met als argument dat er 'rust' moet komen. Maar er komt geen rust, wel volgen nieuwe procedures, verdere escalatie en polarisatie, omdat de wet niet wordt toegepast. En verbroken contact wordt maar zelden hersteld, van uitstel komt afstel.

Als de moeder niet de kinderen kan meenemen met uitsluiting van vader, zal zij minder lichtvaardig overgaan tot scheiding. Dat blijkt ook uit onderzoek in de VS. Volgens deskundigen is echtscheiding voor kinderen trauma nummer één. Overspel, geweld, alcohol- of drugsgebruik spelen een ondergeschikte rol in de redenen om te scheiden. Ruim driekwart van de mensen die scheiden, geven aan dat ze 'niet meer met elkaar kunnen communiceren'. Maar minder dan eenderde van de gescheiden mensen zegt na scheiding gelukkiger te zijn geworden.

Van de kinderen die opgroeien in het traditioneel samengesteld gezin, beoordeelt bijna 80 procent de eigen gezinssituatie als goed. Waarom dan toch zoveel scheidingen? Ieder etmaal zijn er in Nederland circa 170 kinderen betrokken bij een scheiding. Kinderen van gescheiden ouders hebben een grotere kans op armoede, doen het slechter op school, hebben vaker psychische of psychiatrische klachten, lopen meer kans op gezondheidsproblemen, raken vaker aan de drank en drugs en belanden eerder in de criminaliteit.

Als rechters de wet hanteren, zal dat leiden tot minder lichtvaardige scheidingen, minder ellende voor kinderen, (groot)ouders en een enorme kostenbesparing voor de maatschappij. Therapeuten zullen dan snel hun huidige visie: 'denk aan jezelf' in plaats van het kind en gezinsbelang voorop te stellen, wijzigen in hoe los ik het probleempje op dat de ouders niet meer met elkaar kunnen communiceren.

Wim Orbons

Nederlands Dagblad 10-12-2004
(tekst door Wim Orbons aan Goudi overgemaakt)

Wim Orbons is voormalig directeur en secretaris van diverse gezondheidszorgorganisaties en contactpersoon van de expertgroep die voorstellen aan de Minister van Justitie heeft gedaan om de echtscheidingswetgeving te veranderen.

 
Omhoog
 

Een Nederlands vonnis over omgang van ruziënde ouders - rechtbankgebonden bemiddeling

Vader verzoekt primair co-ouderschapsregeling en secundair omgangsregeling

LJN-nummer: AQ6572 Zaaknr: 302-H-04
Bron: Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak: 4-08-2004
Datum publicatie: 13-08-2004
Soort zaak: civiel - personen-en familierecht
Soort procedure: hoger beroep

Uitspraak : 4 augustus 2004
Rekestnummer : 302-H-04
Rekestnr. rechtbank : 03-4914


GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE - FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g
in de zaak van


[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de vader,
procureur mr. M.C. Schmidt,

tegen

[verweerster],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
procureur mr. H.J.A. Knijff.

PROCESVERLOOP

De vader is op 29 maart 2004 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 23 februari 2004.

De moeder heeft op 30 juni 2004 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 7 april 2004 en 14 juni 2004 aanvullende stukken ingekomen.

De Raad voor de Kinderbescherming, vestiging Den Haag, hierna te noemen: de raad, heeft het hof bij brief van 11 juni 2004 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 21 juli 2004 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.G.H.M. Ganzeboom. Op telefonisch verzoek van het hof is namens de raad mevrouw W.M. Mentink verschenen.


VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

De vader en de moeder zijn op [datum] met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn de volgende nog minderjarige [kinderen] geboren:
[kind 1], geboren op [geboortedatum],[kind 1],
[kind 2], geboren op [geboortedatum], verder:[kind 2], en
[kind 3], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 3],
hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen.
Na echtscheiding oefenen de ouders gezamenlijk het gezag uit over de kinderen. De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.

Op 28 augustus 2003 heeft de moeder bij de rechtbank te 's-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. De vader heeft verweer gevoerd en daarbij zelfstandig verzocht primair vaststelling van een co-ouderschapregeling en subsidiair een omgangsregeling tussen hem en de kinderen te bepalen waarbij de kinderen de ene week van donderdag 08.00 uur tot maandag 08.00 uur bij hem zullen verblijven en de andere week van woensdag 08.00 uur tot zaterdag 09.30 uur, en meer subsidiair de in het kader van voorlopige voorzieningen vastgestelde omgangsregeling te handhaven, met dien verstande dat deze omgangsregeling ook zal gelden voor de jongste minderjarige, [kind 3].

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen de ouders de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking heeft de rechtbank voorts - uitvoerbaar bij voorraad - een omgangsre-ge-ling bepaald, inhoudende dat:
- de vader de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] bij zich mag hebben gedurende één weekend per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 17.30 uur en in de week daaropvolgend op vrijdagmiddag na school tot 17.30 uur, met dien verstande dat als zij op die vrijdag geen school hebben de omgang zal plaatsvinden van 08.00 uur tot 17.30 uur, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, zulks in onderling overleg tussen partijen te bepalen met inachtneming van een termijn van vier weken;
- de vader de minderjarige [kind 3] bij zich mag hebben op de vrijdagen waarop ook de oudste minderjarigen bij hem zullen zijn, zulks van 08.00 uur tot 17.30 uur.


BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het de vastgestelde omgangsregeling betreft en, opnieuw beschikkende, een omgangsregeling vast te stellen en te bepalen dat:
- de drie minderjarige kinderen iedere vrijdag van 8.00 uur tot 19.00 uur bij hem verblijven;
- de drie minderjarige kinderen om het weekend van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij hem zullen verblijven;
- de drie minderjarige kinderen gedurende de helft van de feestdagen, overige vrije dagen en de schoolvakanties bij hem zullen verblijven.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep.

4. De raad acht het met het oog op de toekomst van belang dat er aandacht wordt besteed aan de verbetering van de communicatie tussen de ouders. De raad adviseert bemiddeling door een deskundige.

5. Zowel uit de aan het hof overgelegde stukken als uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader en de moeder niet tot nauwelijks met elkaar kunnen communiceren. De verhoudingen zijn ernstig verstoord en er zijn diverse procedures tussen de vader en de moeder gevoerd, hetgeen tot onrust en spanning heeft geleid. Het hof is van oordeel dat het in het belang van de kinderen is, maar dat ook de ouders er belang bij hebben dat zij inzicht verkrijgen in hun ruziegedrag en door dit inzicht hun gedrag zodanig kunnen aanpassen dat zij als ouders weer over en met de kinderen kunnen communiceren. Het hof acht in deze zaak een (transformatieve) mediation geïndiceerd, waarbij aan partijen inzicht wordt verschaft in hun gedrag.

6. Zowel de vader als de moeder hebben zich ter terechtzitting bereid verklaard deel te nemen aan mediation en alle aanwijzingen van de deskundige dienaangaande op te volgen.

7. Het hof zal daarom, alvorens over het verzoek tot omgang te beslissen, de behandeling van de zaak aanhouden tot hierna te melden pro forma datum, teneinde deelname van de ouders aan mediation mogelijk te maken. Het hof zal mevrouw drs. J.A.M. Hendriks, gevestigd aan de Javastraat 1 te 2585 AA s-Gravenhage, te bereiken op telefoonnummer 071-5820939, benoemen als deskundige.

8. Bij de door de deskundige uit te voeren mediation, kunnen de volgende vragen als leidraad dienen:

Gedrag en communicatie:
- welk(e) type(n) ruziegedrag hebben de ouders ontwikkeld en wat zijn daarvan de gevolgen?
- zijn de ouders in staat het eigen aandeel in het ontstaan en voortgaan van hun ruziegedrag
te onderkennen?
- zijn de ouders gevoelig voor interventies met het doel hun conflictstijl in positieve zin te veranderen (in de zin van het zoeken naar de zachte krachten)?
- is verandering van de conflictstijl tijdens de mediationgesprekken waarneembaar?
- zal een veranderende conflictstijl voor de ouders een duurzame verbetering in het ouderschap teweeg brengen?
- is op kortere of langere termijn een overlegsituatie tussen deze ouders denkbaar?

Zorgtaken rond de kinderen:
- hoe was de situatie tijdens het huwelijk?
- hoe is de feitelijke situatie nu?
- hoe ziet de ideale situatie van het ouderschap na de scheiding eruit?
- wat dient er te gebeuren om de problemen van nu op te lossen of te verminderen?
- hoe geraken de ouders in de ideale situatie?

Omgang:
- indien de mediator de kinderen bij de bemiddeling heeft betrokken: hoe beleven de kinderen de situatie rond hun ouders? Hoe staat het met hun relevante behoeftes en belangen?
- heeft al dan niet in bemiddeling een "paraplu" gesprek tussen de ouders en de kinderen plaatsgevonden? Zo ja, wat was het effect?

9. Nu ter terechtzitting is besproken dat de kosten van de mediation bij helfte voor rekening van ieder van de ouders zullen komen, zal het hof dan ook bepalen dat ieder der ouders de helft van het voorschot op de bemiddelingskosten, van € 4.000,- inclusief omzetbelasting zal dienen te voldoen.
10. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van de bemiddelingsgesprekken.

11. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.


BESLISSING

Het hof:

houdt de behandeling van de zaak aan tot zaterdag 18 december 2004 pro forma, ter fine als vermeld onder rechtsoverweging 5;

benoemt tot deskundige mevrouw drs. J.A.M. Hendriks, Javastraat 1, 2585 AA s-Gravenhage;

bepaalt dat de deskundige haar werkzaamheden niet behoeft aan te vangen voordat ieder der ouders de helft van het bedrag van € 4.000,- heeft gestort op bankrekeningnummer 1923.25.795 ten name van Arrondissement 537 Den Haag (onder vermelding van: rekestnummer 302-H-04 en de naam van de ouder van wie de betaling afkomstig is), als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek en dat de deskundige vervolgens, na bericht van het hof, haar werkzaamheden zal aanvangen;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat partijen binnen één week na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken ter beschikking van de deskundige zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige het hof zal rapporteren over het verloop en de resultaten van de bemiddelingsgesprekken;

houdt verder iedere beslissing aan.


Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Dusamos en Pannekoek-Dubois, bijgestaan door mr. Jooren-Philipa als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terechtzitting van 4 augustus 2004.


 
Omhoog
 

Op weg naar het elektronische dossier

Het Phenix-project

1. Phenix is de code-naam voor de informatisering van de rechtbanken en parketten van het land. De informatisering is niet nieuw in de rechterlijke organisatie. Meer dan twintig jaar geleden zijn pogingen ondernomen om het gerecht elektronisch uit te rusten en die inspanningen hebben overigens ook goede resultaten opgeleverd. De aanpak was helaas fragmentarisch. Een algemeen beleidsplan ontbrak. Dertien systemen werden naast elkaar ontwikkeld. Zij kunnen redelijkerwijze niet worden gehandhaafd. Een nieuw coherent systeem kan worden uitgebouwd dat veel efficiënter en goedkoper zal zijn dan de bestaande systemen waarvan enkele volledig voorbijgestreefd zijn.

Phenix is een kwalitatieve sprong voorwaarts. Het nieuwe systeem is volledig gebaseerd op het concept van het elektronische dossier. De nieuwe architectuur die de firma Unisys aan wie de opdracht werd toevertrouwd ontwikkelt, gaat uit van dat concept. Bij de aanvang van elke zaak wordt in het centraal systeem een elektronisch dossier gecreëerd. Het doet er niet toe of het gaat om een strafzaak, een civiele zaak of een fiscale zaak. Het dossier wordt verrijkt in de loop van zijn verdere evolutie. Zowel de leden van de rechterlijke orde die het dossier beheren als de personen die niet behoren tot de rechterlijke orde (politie, advocaten, gerechtsdeurwaarders of de partijen zelf) zuilen het dossier aanvullen met nieuwe gegevens.

Het elektronisch dossier zal geen spiegelbeeld zijn van hetgeen nu een dossier in papier is, maar het zal wel dezelfde toepassingen en evoluties kunnen inhouden als een dossier in papier. In de overeenkomst met de leverancier van Phenix heet het dat de bestaande toepassingen moeten teruggevonden worden in de nieuwe gecentraliseerde architectuur van Phenix. Dank zij dit systeem zullen de zaken vlotter worden behandeld en wordt het eenvoudiger voor de advocaat en zijn cliënt om zijn dossier te kennen en te beheren. De realisatie van het nieuwe systeem is niet eenvoudig. Zij kan alleen lukken door een innige samenwerking van de rechterlijke orde en de FOD-Justitie.

2. Hoe ver staat het project? Begin januari 2004 is de analyse afgewerkt behalve wat een aantal punten betreft die tijdens de concrete uitvoering zullen worden verfijnd. In 2004 zal hoofdzakelijk gewerkt worden aan het "framework" (het technisch kader dat vereist is voor de ontwikkeling), aan het wettelijk kader vereist om het systeem te doen werken en aan de inhoudelijke gegevens zoals codes, modellen enz. Einde 2004 zullen de eerste tests gedaan worden in de politierechtbanken en hun parket. Vanaf 2005 zullen er meer en meer pilootrechtbanken aan het werk gesteld worden en de eerste volledige toepassing zal ook geleverd worden. De volledige ontwikkeling zal voltooid zijn in 2007 met de laatste toepassingen (Cassatie en Koophandel).

3. Verbeelding en vernuft maar ook tijd en geld zijn nodig voor het project. Het project zal lukken dank zij de inspanningen van magistraten, griffiers, parketsecretarissen, ambtenaren die zich belangeloos en zonder grenzen inzetten voor het project en vergeten hun uren te tellen. Een efficiënte beleidsstructuur is ook vereist voor een project waarvan de complexiteit vroeger vaak is onderschat. De Phenix-leiding berust bij drie personen: Ivan Verougstraete, voorzitter van het Hof van Cassatie, Jean-Claude Marcourt, directeur van het kabinet van de Vice-eerste Minister en Minister van Justitie en Alain Bourlet, voorzitter van bet directiecomité van de FOD-Justitie.

Een coördinatiecel bestaande uit beroepsbeheerders van dergelijke projecten rapporteert wekelijks aan de Phenix-leiding. De firma Unisys, de informatica-diensten van de FOD-Justitie en dertien technische comités die het project tot een goed einde moeten brengen zijn in permanent contact met de coördinatoren. Opties zullen moeten genomen worden. De leiding van Phenix zal geregeld contact opnemen met de overheden en met de gebruikers om er zeker van te zijn dat het project de goede weg opgaat. Daarenboven zal een stuurgroep samengesteld vooral uit leden van de rechterlijke orde maandelijks vergaderen om de genomen opties te bekrachtigen en advies en ideeën te geven voor het verdere verloop van de werkzaamheden en aldus mee het project helpen dragen.

Enkele moeilijke maanden staan ons te wachten maar als wij allen samen aan het project werken, zullen wij binnen drie jaar een systeem hebben dat de efficiëntie en de kwaliteit van het gerecht zal bevorderen en als model zal kunnen staan voor onze buurlanden.

Ivan Verougstraete
Voorzitter van het Hof van Cassatie

Laurette Onkelinx
Vice-eerste Minister en Minister van Justitie

Bron : Website Federale Overheidsdienst Justitie


 
Omhoog
 

Toekenning door de rechtbank van het ouderlijk gezag

De jeugdrechtbank van Brussel beschikte op 8 juni 1998, (R.W. 1998-99,822):


1. "De gezamelijke uitoefening van het ouderlijk gezag is de algemene
regel
en kan slechts om ernstige redenen ontnomen worden. Man en vrouw zijn
geroepen tot gelijke en gelijkaardige taken
, zodat het verzoek van de vader
om het verblijf van het kind in gelijke delen vast te leggen bij de ene en
de andere ouder, gegrond is."

2. "Overwegende dat de gezamelijke uitoefening van het ouderlijk gezag
de algemene regel is en slechts om ernstige redenen kan ontnomen worden; dat
dit terzake niet het geval is"

3. "Overwegende dat een loutere onenigheid of gebrek aan
verstandhouding tussen partijen geen afdoende grond is om daaruit af te
leiden dat het kindje, al ware het van prille jeugd (7 maanden oud!), beter
aan zijn moeder wordt toevertrouwd;

dat in de sociologische ontwikkeling zoals zij zich heden ten dage voordoet,
man en vrouw geroepen worden tot gelijke en gelijkaardige taken;

dat een vader, evengoed als een moeder, in staat is om zich met de zorgen en
opvoeding van een jong kind te belasten
;

dat de stelling volgens welke deze ouderlijke taak voor de moeder
gereserveerd is tot een voorbij tijdperk hoort;

dat het verzoek van de vader om het verblijf van het kind in gelijke delen
vast te leggen bij de ene en de andere ouder bijgevolg gegrond
is; ..."

***

Nummer : RB02815_1

Datum : 1982-11-24 Jurisdictie : RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG BRUSSEL,

BURGERL KAMERS - FR, 9E K Zetel : SCHOLLERRolnummer : 85/71162

OUDERLIJK GEZAG. - HOEDERECHT. - HUWELIJK. - RECHTEN EN PLICHTEN VAN

ECHTGENOTEN. - DRINGENDE EN VOORLOPIGE MAATREGELEN. - Afwisselende hoede.

De samenvatting van het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, franse 9e burgerlijke kamer, zetel Scholler, rolnummer 85/71162 vermeldt het volgende: wanneer de hoede over het kind bij beschikking van de vrederechter op grond van BW Art. 223 aan één van de ouders wordt toegekend bij voorkeur boven de andere, valt te vrezen dat hieruit een feitelijke toestand ontstaat die wellicht later bij definitief vonnis zou worden bevestigd, zonder dat beide ouders werkelijk in de gelegenheid werden gesteld hun opvoedkundige geschiktheid te bewijzen. Bijgevolg mag het hoederecht afwisselend worden toegekend aan beide ouders wanneer blijkt dat het kind, hoe jong het ook is, met beide ouders sterk gebonden is en te zeer zou lijden onder de impliciete veroordeling als gevolg van de niet-toekenning van het hoederecht hetzij aan de vader hetzij aan de moeder.

Bron: http://www.cass.be/cgi_juris/jurn.pl



 
Omhoog
 

Arrest van het Hof van Beroep Antwerpen 6 maart 2002 omtrent de kinderen

Voorzitter : M. Van Rompay

Raadsheren : B. Luyten en A. De Proost

Advocaat-generaal : J.F. Missal

Advocaten : I. Van Loock en F. Impens

Ouderlijk gezag - gezamenlijke gezagsuitoefening - horen van de kinderen - vastleggen van de verblijfsregeling - dwangsom

Op de vraag van de moeder om de kinderen van bijna twaalf en dertien jaar te horen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag en het verblijf kan niet worden ingegaan wanneer zij in het raam van vorige deskundige onderzoeken voldoende gehoord zijn en het verder betrekken van de kinderen in procedures tussen hun ouders een niet aangewezen bijkomende belasting zou uitmaken. Nu de kinderen op elf- en twaalfjarige leeftijd tijdens een bezoek met hun vader aan het pretpark Playworld naar de politie telefoneerden met de mededeling dat hun vader dronken was - waarna de politie kon vaststellen dat de man geen enkel kenmerk van dronkenschap vertoonde - en zij perfect op de hoogte waren van de datum van de terechtzetting (een jaar later), staan de kinderen klaarblijkelijk sterk onder de invloed van hun moeder zonder te beseffen waar hun werkelijk belang ligt en blijkt dat zij onvoldoende onderscheidingsvermogen hebben.

De fundamentele rechten van het kind houden in dat het kind recht heeft op een onbezorgde kindertijd, zonder gemengd te worden in de echtscheidingsproblemen van zijn ouders en hierin gebruikt te worden.

Zonder reden wordt niet afgeweken van de algemene regel van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag en een normale weekendverblijfsregeling bij de vader. Gelet op de beperkte vertrouwdheid van de kinderen met de vader kan niet worden ingegaan op zijn vraag om het hoofdverblijf van de kinderen bij hem te vestigen of een bilocatieregeling vast te stellen, noch op de vraag van de moeder om de verblijfsregeling van de kinderen bij hun vader te bepalen in onderling overleg tussen vader en kinderen, daar dit erop zou neerkomen dat de kinderen zelf beslissen wanneer ze naar hun vader gaan. Gelet op de leeftijd van de kinderen en de meer dan problematische verhouding met hun vader, is dit voorstel totaal onaanvaardbaar en getuigt het overigens niet bepaald van goede trouw in hoofde van de moeder. Omdat het belang van de kinderen vereist dat de vastgestelde verblijfsregeling zonder discussies of hindernissen zou kunnen verlopen en gelet op de houding van de moeder in het verleden, is het aangewezen in te gaan op de vordering van de vader om de niet-naleving van de verblijfsregeling te sanctioneren door de verbeurte van een dwangsom.

Uit : Hoop ! ts. van BGMK jg. 25 nr. 2 maart-april 2003 blz. 16.

 
Omhoog
 

Onderhoudsgeld voor een klein kind

De Rechtbank van Eerste Aanleg te Brussel, voorzitter zetelend in kortgeding, zetel Boon, rolnummer 971011C, oordeelde als op 18.12.1997: de ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, het toezicht, de opvoeding en de opleiding van hun kinderen. Relevant voor de bepaling van de onderhoudsbijdrage zijn wel de inkomsten en vermogens van de ouders. Uitgaande van een normale kost voor tweejarige (met posten als luiers en dagopvang) en gelet op de fiscale aftrekbaarheid voor de vader, waardoor de werkelijke finale kost lager uitvalt dan de nominale, past het de bijdrage voorlopig te bepalen op 4.000 bef per maand.

Bron: http://www.cass.be/cgi_juris/jurn.pl

 
Omhoog
  De juridische benadering van het belang van het kind

Mr. Ann De Wolf, toenmalig assistente KU-Leuven - advocate aan de balie van Brussel

1e deel van de redevoering uitgesproken bij de viering van het 20-jarig bestaan van BGMK op 11 november 1995 in de Landcommanderij Alden Biesen in Rijkhoven - Bilzen

Geachte Dames en Heren,

Mijn bijdrage zal u waarschijnlijk als de meest juridisch-technische in de oren klinken. De twee deelaspecten die ik achtereenvolgens zal belichten, zijn enerzijds het belang van het kind en anderzijds het hoorrecht van de minderjarigen.

Ik zal met u overlopen wat zij precies betekenen als juridische term en techniek, op welke manier zij een bescherming kunnen bieden voor de minderjarige, of ze erin slagen, en welk verband er eigenlijk tussen het belang van het kind en het hoorrecht kan bestaan.

Toen ik de opdracht kreeg om het belang van het kind juridisch te bekijken, moet ik eerlijk zeggen dat ik dat een moeilijke opdracht vond. Het begrip wordt te pas en te onpas gehanteerd in de juridische wereld zonder dat daar een concrete definitie aan beantwoordt, zonder dat daar een beschrijving aan beantwoordt.

Wettelijke bepalingen in verband met het belang van het kind

Ik heb dan ook eerst de wettelijke bepalingen terzake nagegaan. Daarbij valt mij op, dat het begrip op twee manieren wordt geïnterpreteerd zowel in positieve als in negatieve zin. Men kan m.a.w. zeggen dat het belang van het kind gediend moet zijn met deze of gene maatregel. Anderzijds kan men zeggen in de negatieve interpretatie, dat het nemen van een maatregel strijdig zou zijn met het belang van het kind. Ik heb voor u de artikels gerangschikt waarin het belang van het kind hetzij negatief hetzij positief voorkomt in de wet.

Ten eerste is er artikel 343 Burgerlijk Wetboek over de adoptie. Daarin staat dat een adoptie van een minderjarige slechts doorgang kan vinden, indien zij het belang van het kind dient.

Wat de overdracht van het ouderlijk gezag betreft, is er ook de vaststelling dat de rechter moet beoordelen of de overdracht van het ouderlijk gezag rekening houdt met het belang van het kind.

In het afstammingsrecht zijn er verschillende artikels waarin het begrip opduikt. Ik vermeld kort : een verzoek tot machtiging tot erkenning kan alleen maar doorgaan getoetst aan het belang van het kind, indien bewezen is dat de kandidaat-erkenner niet de genetische vader is.

Datzelfde geldt voor een onderzoek naar het vaderschap. Ook een onderhoudsvordering tegen de vermoedelijke verwekker zal worden beoordeeld op het belang van het kind.
Tenslotte zie ik dat er ook in de jeugdbescherming m.b.t. de ontzetting uit het ouderlijk gezag vermeld staat dat, bij het herstel van het ouderlijk gezag, er moet beoordeeld worden in het belang van het kind. Het feit alleen dat de ouder zijn leven gebeterd zou hebben, volstaat dus niet.

Sinds de recente wijziging in het jeugdbeschermingsrecht en het familierecht zien we dat er een aantal artikels zijn bijgekomen, waarin opnieuw melding wordt gemaakt van het belang van het kind. Vermits die artikels heel wat procedures zullen veroorzaken, zullen we een inflatie zien van procedures waarin de rechter uiteindelijk rekening zal houden met dat moeilijke begrip. Dat is ondermeer zo in het art. 36 bis van de jeugdbeschermingswet, waarin inderdaad het verplicht hoorrecht is ingelast voor kinderen vanaf 12 jaar. Een rechter kan daar oordelen dat, als het in het belang van het kind is, het kind wordt bijgestaan door een vertrouwenspersoon of zijn advocaat.

Ook in de wet van 30 juni 1994 op de echtscheidingsprocedures is het mogelijk dat de rechter opmerkingen maakt op de voorafgaande overeenkomsten bij de EOT's, indien hij meent dat er beschikkingen zijn opgenomen in strijd met het belang van het kind. Hier hebben we dus een negatieve interpretatie.

Wanneer zo'n EOT-echtscheiding definitief is geworden, is het mogelijk dat die gewijzigd wordt indien nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden zich aandienen. Dat is niets anders dan de vroegere rechtspraak die nu opgenomen is in de wetgeving, waar men veelal vroeger erkende dat in het belang van het kind de echtscheidingsovereenkomst diende te worden herzien. Nu heeft de wetgever daar "nieuwe en onvoorzienbare omstandigheden" gestipuleerd. Men neemt algemeen aan dat men daartoe de situaties moet rekenen, waarbij bepalingen zouden zijn opgenomen die in strijd zijn met het belang van het kind. Hetzelfde geldt voor de overeenkomsten tijdens de echtscheidingprocedure op initiatief van echtgenoten.

Prof. Verhellen heeft al gesproken over de wet van 13 april 1995. Daarin zitten ook een aantal belangrijke bepalingen waar we opnieuw hetzelfde begrip tegenkomen. De nieuwe regeling is daar dat, wanneer ouders samenleven, zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen. Daarbij kunnen zich uiteraard problemen voordoen. Indien een ouder geen overleg pleegt met de andere ouder, maar een beslissing alleen neemt, kan de andere ouder verzet aantekenen. De rechtbank die geconfronteerd wordt met dat verzet, zal moeten oordelen in het belang van het kind. Dezelfde regeling geldt indien de ouders niet samenleven. Het is mogelijk bij niet-samenlevende ouders dat men afstapt van de gezamenlijke uitoefening en men opteert voor het vroegere systeem met uitsluitende uitoefening door één ouder. Dat kan, indien een rechter zou constateren dat de ouders het over een aantal belangrijke aspecten van de opvoeding niet eens zijn. Dat kan ook, indien de rechter oordeelt dat de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag in strijd zou zijn met het belang van het kind.

Sinds de wet van 13 april 1995 kunnen de grootouders en derde personen die een bijzondere affectieve band hebben met het kind een omgangsrecht vragen. De toepassing van de uitoefening van het persoonlijk contact zou opnieuw worden beoordeeld met het criterium van het belang van het kind voor ogen. Grootouders hebben een recht op persoonlijk contact, maar de uitoefening ervan zal worden beoordeeld in het belang van het kind.

Tenslotte is daar nog een heel kleine bepaling die zegt dat de jeugdrechtbank bevoegd is voor het opleggen of wijzigen van alle beschikkingen m.b.t. het ouderlijk gezag. Dat is een bepaling die heel belangrijk is in dat verband. Hier staat nl. dat de jeugdrechtbank telkens zal oordelen in het belang van het kind. Dat zal ongetwijfeld aanleiding geven tot heel wat procedures waar dat belang van het kind een rol speelt.

Inhoud van het begrip "het belang van het kind"

Nu heb ik u niets wijzer gemaakt over de inhoud van dat belang van het kind. Ook de wetgever doet dat niet. Dat komt omdat aanvankelijk die norm bedoeld was als onderliggende norm bij het uitvaardigen van wettelijke regels. Niemand zal ontkennen dat dit tot op vandaag het geval is. Alle beslissingen worden geacht genomen te zijn in het belang van het kind. Maar het begrip heeft een dusdanige inflatie gekend als juridisch instrument en we vinden het in zovele artikels terug, dat het toch eigenaardig is dat er nergens een precieze en concrete inhoud aan wordt gegeven.

Er zat dan niets anders op dan de rechtspraak en de rechtsleer eventjes te raadplegen. Uit wat ik daar vind omtrent het bestaan van het begrip, dus niet omtrent de inhoud ervan, constateer ik dat ook buiten de uitdrukkelijke wetteksten gebruik wordt gemaakt van het begrip bij een beoordeling van een verlatenverklaring, bij een gerechtelijke ontvoogding van een minderjarige en ook zelfs bij uitwijzingsbevelen en bij nationaliteitsverzoeken. Daar hanteert men dus dat begrip.

Men mag echter niét stellen, dat het belang van het kind een algemeen rechtsbeginsel zou zijn. Niemand ontkent dat de beslissingen die men neemt, geacht worden in het belang van het kind te zijn. Maar een beslissing nemen met als criterium 'het belang van het kind' is niet altijd een verantwoorde beslissing. Dit wil zeggen dat het een foutieve en gevaarlijke redenering kan zijn om te zeggen telkens in concreto naar het belang van het kind te kijken. Ik zou daartoe het voorbeeld van het afstammingsrecht willen aanhalen. Indien men het belang van het kind ook buiten de specifieke situaties die de wet voorzien heeft, nl. het verzoek tot erkenning en het onderzoek naar vaderschap, zou toepassen, is dat een foutieve redenering, omdat er wettelijke regels zijn voor het afstammingsrecht. Al zou het in casu en in concreto gaan over een geval waarin een afwijking van de wettelijke regel in het belang van het kind zou zijn, dan moet de rechter toch nog steeds de wettelijke regels volgen, omdat dat de objectieve regels zijn. Wanneer de wetgever het nodig acht dat een rechter ergens rekening houdt met een subjectief element, dan zal hij wel het begrip 'belang van het kind' introduceren.

Wanneer ik de rechtsleer naga m.b.t. de inhoudelijke betekenis van het begrip, gaat men opnieuw zijn toevlucht nemen tot abstracte definities. Ze leggen echter toch een aantal richtlijnen op. De meeste auteurs constateren dat het belang van het kind proceduregebonden is. Het hangt dus af van de procedure. Ten eerste zie je dat er verschillende interpretaties gangbaar zijn in de verschillende rechtstakken. Het belang van het kind moet men anders interpreteren in de procedure m.b.t. het ouderlijk gezag en het omgangsrecht dan in de afstammingsgeschillen en het adoptierecht. In de eerste procedures van het ouderlijk gezag en het omgangsrecht moet een rechter een beslissing nemen op een bepaald moment en kan hij eigenlijk niet voorzien in de toekomst dat andere omstandigheden kunnen plaatsvinden, waardoor het belang van het kind verandert. Zijn beslissing heeft gezag van gewijsde, in die zin dat hervormd kàn worden, indien het belang van het kind dat vraagt. De rechter houdt rekening met het belang van het kind op een bepaald moment. In afstammingsgeschillen daarentegen neemt de rechter een beslissing m.b.t. een element van staat. Hij stelt : "Dit is uw moeder of dit is uw vader". Zijn beslissing heeft kracht van gewijsde en moet dus op het moment dat zij genomen wordt, al rekening houden met het toekomstige belang. Dat stelt dus niet alleen het belang van het kind op het moment dat hij die beslissing neemt, maar hij moet ook rekening houden met de toekomst.

Een ander verschilpunt is dat het belang van het kind niet altijd als alleenzaligmakend criterium geldt. Er wordt dus een verschil in belang aan gehecht en het legt een verschillend gewicht in de schaal. Bij het omgangsrecht van grootouders en derden bijvoorbeeld is het belang van het kind het enige criterium om de uitoefening te weigeren. Bij adoptie daarentegen is het belang van het kind een van de criteria, maar gelden daarnaast voor homologatie van de adoptie ook nog bijvoorbeeld de wettige redenen, belangen van anderen… Dat zijn de proceduregebonden invloeden op het belang van het kind.

Afhankelijk van het domein waarop men opereert, heeft de rechtsleer toch een aantal richtlijnen vooropgesteld. Die karakteristieken zou ik als gevalsgebonden willen bestempelen. In de materie van het omgangsrecht heeft de rechtsleer een poging gedaan om het belang van het kind te omschrijven. Daar zegt ze dat het nemen van een beslissing in het belang van het kind betekent, dat ze elke maatregel die de zedelijkheid, de veiligheid of de gezondheid van het kind schade kan berokkenen, moet uitschakelen.

Met de zedelijkheid bedoelt men de moraliteit, de levensbeschouwelijke praktijken. Bepaalde praktijken die het psychische en religieuze evenwicht van het kind kunnen verstoren dienen uitgeschakeld te worden. Met veiligheid bedoelt men niet zozeer de fysieke veiligheid dan wel de psychische stabiliteit van het kind. Bij omgangsrecht kan dat bijvoorbeeld de nestwarmte zijn die het kind krijgt. De gezondheid komt dan bijvoorbeeld ter sprake bij mishandeling en verwaarlozing. Dat kan ook voorkomen bij het omgangsrecht : dat men het kind geen lange reizen laat ondernemen omdat dat zijn gezondheid in gevaar zou brengen.

In diezelfde materie hebben we een andere formulering. Die zegt dat het belang van het kind de waarmaking van het recht van het kind is op een harmonische ontplooiing van zijn persoonlijkheid. Dat is een zware opdracht voor de rechter die dan op dat ogenblik de persoonlijkheidsstructuur van dat kind moet kennen en ook rekening moet houden met de omstandigheden die de ontwikkeling van die persoonlijkheidsstructuur zou kunnen beïnvloeden. Algemeen wordt gesteld in de rechtsleer dat, als men met het belang van het kind wordt geconfronteerd, men dat moet zien in een context waar ook nog belangen van de andere gezinsleden, kinderen en volwassenen een rol spelen. De rechtsleer zegt ook dat men alleszins rekening moet houden met de continuïteit en de stabiliteit in de opvoedingssituatie van het kind.

Er zijn dus de proceduregebonden karakteristieken en de gevalsgebonden karakteristieken en dan zijn er natuurlijk nog de tijdsgebonden karakteristieken. De rechter zal altijd het belang van het kind vaststellen op een bepaald ogenblik in de tijd. Hij zal dus rekening houden met wat op dat ogenblik algemeen sociaal aanvaard is en gangbaar is. Tot hier dus de theoretische beschouwingen.

Omdat het mij eigenlijk nog niet zoveel wijzer maakte, heb ik een steekproef gedaan via het judit-systeem van een aantal gepubliceerde vonnissen en arresten. Ik heb nagegaan hoe de rechtbanken dat alles toepassen en wat een rechter doet als hij dat criterium tegenkomt.

Een eerste constatering zegt mij dat de rechtbanken al even gretig zondermeer gebruik maken van het begrip "belang van het kind" als de wetgever. Ze zeggen een bepaalde beslissing te nemen omdat hun dat in het belang van het kind lijkt te zijn. Van de uitslagen die ik onderzocht heb, zijn er zo'n 43% die betrekking hebben op het ouderlijk gezag en het omgangsrecht, 15 % op de wijziging van de onderhoudsbijdrage bij echtscheiding door onderlinge toestemming. (In dat geval kon de overeenkomst worden gewijzigd in het belang van het kind.) 11 % heeft betrekking op de adoptieprocedure, 13 % op afstammingsgeschillen. In de overige uitspraken wordt het belang van het kind gebruikt in een heel andere context. Dat gaat dan van sociale wetgeving tot uitwijzingsbevelen. Ik maak het nodige voorbehoud bij dat cijfermateriaal, omdat ik slechts een beperkt aantal uitslagen heb onderzocht. Misschien dat er een andere verhouding zou zijn bij meer uitslagen. Ik geef dat mee ten titel van informatie.

Enkele uitspraken heb ik toch kunnen betrappen op een inhoudelijke betekenis. Binnen het raam van een verzoek om gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag oordeelt een rechter volgende uitspraak als in het belang van het kind : "Het ouderlijk gezag kan niet gezamenlijk worden uitgeoefend, omdat het milieu en de opvoeding bij beide ouders te verschillend is en er een gebrek is aan sereniteit". Een andere rechter oordeelt dat bij de toewijzing van het uitsluitend ouderlijk gezag "rekening houden met het belang van het kind" betekent, dat men nagaat welke de behoeften zijn van het kind aan zekerheid, stabiliteit en aan beschikbaarheid van een ouder. Een ander voorbeeld heeft betrekking op de adoptie. Een rechter zegt dat een adoptie in het belang van het kind is, wanneer het kind bij de adoptanten genegenheid en geluk vindt, terwijl de moeder uit zijn leven is verdwenen gedurende het grootste deel van zijn bestaan.

Bij de wijziging van de EOT-overeenkomsten ziet men dat de wijziging kan plaats vinden in het belang van het kind. Dat belang van het kind is hier niet louter materieel bedoeld. M.a.w. indien een benaderde financiële situatie van een ouder eigenlijk aanleiding zou geven tot een verandering, dan ziet men dat niet alleen het louter materiële vatbaar is. De rechter zal ook zeggen, dat die benaderde financiële situatie geen negatieve invloed mag hebben op de normale relatie tussen de ouder en het kind. Het morele aspect komt daar ook aan de orde. Ook op het vlak van de erkenning en de afstammingsgeschillen aanvaardt men dat het niet alleen over het materiële belang gaat, maar ook over het psychologische en het morele belang van het kind.

Tot slot vindt men ook wat de schoolkeuzes betreft, dat de rechter zegt dat de continuïteit van de opvoeding een heel belangrijk element is, zijnde in het belang van het kind. Zo is er een beslissing die stelt dat de moeder tegen de wil van de vader in niet kan beslissen dat het kind wordt ingeschreven in een andere school, louter en alleen omdat het kind op de eerste school in contact kan komen met het zoontje van de vriendin van haar ex-echtgenoot. De rechter zei hier dat "de continuïteit" in het belang van het kind was. Hij besliste dat het kind ingeschreven moest blijven in de eerste school. De gemeenschappelijke bedoeling van de ouders op het ogenblik van hun huwelijk en tijdens hun samenleving, is bij de schoolkeuze ook van belang. Dat speelt een rol bij het inschrijven voor zedenleer of godsdienst. Men kijkt hier naar de levensbeschouwelijke opvatting van de ouders tijdens het huwelijk, omdat dit opnieuw invloed heeft op de continuïteit van het kind.

Samenvatting

Dit thema wil ik niet afsluiten met een zoveelste poging tot definitie van het belang van het kind, maar met een samenvatting van de rechtsleer en de rechtspraak. De rechter moet zich dus gegeven de aard van de materie inleven in de wereld van het kind en een beslissing nemen die de positieve gevolgen van de maatregel die hij zal nemen, op de verlangens en de verwachtingen en tegelijkertijd op de positie in gezin en de samenleving van het kind maximaliseren. Dat is natuurlijk helemaal niet makkelijk voor een rechter.

Drie factoren spelen hier dan ook een rol :
1. de gegevens die de rechter krijgt van het parket, van deskundigen en van de partijen zelf.
2. de eigen persoonlijkheidsstructuur van de rechter. In principe moet een rechter zich bewust zijn van zijn eigen subjectiviteit teneinde niet àl te subjectief te worden.
3. de mening van het kind. Ik heb nu niet gezegd dat de mening van het kind verschilt van het belang van het kind. Als een rechter een oordeel moet vellen over een kind en zijn toekomst, waarbij de persoonlijkheid van het kind hem voor ogen moet staan, lijkt het me logisch dat hij ergens rekening houdt met de wensen, de verlangens en gevoelens van het kind of dat hij die althans kent. Ook de wetgever heeft toch in die zin gedacht, omdat hij het artikel over de invoering van het hoorrecht in de wet heeft ingelast (Art. 931 Gerechtelijk Wetboek - wet van oktober 1994).

 
Omhoog
 

Verzoening bij de vrederechter

Als een echtscheiding op komst is of hangende is, kunnen er over zovele geschilpunten moeilijkheden ontstaan. U kunt dan een verzoeningspoging bij de vrederechter aangaan. Dat kan voor geschillen tussen echtelieden, maar dat kan ook voor heel wat andere discussiethema's tussen alle gewone burgers. Omdat de vrederechter als eerste functie heeft te proberen twee partijen te verzoenen, kan zijn tussenkomst een oplossing aanreiken voor een of ander twistonderwerp.

Vooraleer u een verzoek tot verzoening doet bij de vrederechter is het normaal dat u probeert er zo uit te komen door een gesprek met de andere partij te voeren. Helpt dat niet, dan kan u nog proberen naar de andere partij een aangetekende brief te sturen al dan niet met ontvangstmelding. Pas als dan nog geen gevolg wordt gegeven aan uw eis of wens, dan kunt u een verzoeningsprocedure aanhangig maken bij de vrederechter.

Hoe doet u dat ? Waartoe leidt een dergelijke stap ? In feite is een oproeping in verzoening geen echte procedure. Het is een overlegronde samen met de vrederechter. Om die verzoening in gang te zetten, moet u zich mondeling of schriftelijk richten tot de griffie van het vredegerecht dat bevoegd is om die aangelegenheid te behandelen.

Aan die griffie moet u de naam en het adres opgeven van haar of hem die u in verzoening wil laten oproepen en ook uiteraard uw eigen naam en adres. Daarbij moet u een korte beschrijving geven van het geschil. U kan bijvoorbeeld twisten over wie het trouwboekje mag bewaren en de spaarboekjes van de kinderen.

Na dat verzoek bij de vredegerechtgriffie zal dat vredegerecht een oproeping in verzoening versturen naar uw tegenpartij en naar uzelf. Dat gebeurt betrekkelijk snel. De rechter moet een minimumtermijn van 8 dagen respecteren om de tegenpartij op te roepen.

Het is vanzelfsprekend dat uzelf op de dag en het uur dat op de oproeping is vermeld, aanwezig bent op het vredegerecht. U hoeft daarbij geen advocaat mee te nemen om u bij te staan.

Als beide partijen tegenwoordig zijn, zal de vrederechter ze aanhoren. Dat voltrekt zich normaal niet in de rechtszaal, maar wel in het bureau van de vrederechter. Omwille van zijn gezagsfunctie kan de vrederechter in een aantal gevallen een verzoening tot stand brengen. Van de overeenkomst wordt een proces-verbaal opgemaakt. De beide partijen moeten dat ondertekenen en dan heeft dat akkoord de waarde van een vonnis. U kunt het laten uitvoeren zoals een vonnis, als de andere partij het akkoord niet vrijwillig respecteert.

Let wel op dat een akkoord over echtelijke moeilijkheden verstrekkende gevolgen heeft. Bij een latere echtscheiding op bezwarende feiten kunnen de feiten die voor de verzoening hebben plaatsgegrepen niet meer worden ingeroepen als bezwarend.

Als een vrederechter er niet in slaagt een verzoening tot stand te brengen, kan hij enkel na aanhoring van de partijen een proces-verbaal laten opstellen van niet-akkoord. De vrederechter kan tegenover geen enkele van de partijen een veroordeling uitspreken. Ook bij een latere echtscheiding op feiten kan een proces-verbaal van niet-akkoord bij een verzoeningspoging worden ingeroepen. Dan gelden de feiten van voor de poging wel bij een echtscheidingsverzoek.

Bij sommige verzoeningspogingen geven rechters soms aanwijzingen hoe zij de aangelegenheid bekijken en dat kan van betekenis zijn als u later dan een echte juridische procedure opstart. Bij echtelijke moeilijkheden kunt u na een mislukte verzoening bij de vrederechter een echte procedure aanhangig maken om voorlopige maatregelen te vragen.

Om een verzoeningspoging echt doorgang te laten vinden, moet ook de andere partij verschijnen op de datum en het uur zoals vermeld in de oproeping. Daagt die partij niet op, dan kan er geen verzoening zijn. De rechter neemt enkel akte van het niet-verschijnen van de opgeroepen partij.

Een verzoening bij de vrederechter brengt geen kosten mee als de partijen zonder advocaat bij de rechter komen. Ze is volkomen gratis. Het is dan ook te overwegen om voor niet al te grote problemen in verzoening bij de vrederechter te gaan. In een aantal gevallen kan dat succes opleveren. Bij echtelijke moeilijkheden ervaren we heel dikwijls dat de opgeroepen partij niet verschijnt en als ze verschijnt dat er toch geen verzoening uit voortspruit. Toch is het het proberen waard in sommige gevallen.

In zijn Juridische Kroniek van dinsdag 12 november 2002 in De Standaard heeft Mr. Jan Roodhooft het over hetzelfde thema onder de titel "Een gesprek bij de vrederechter". We hebben het ook als bron voor onze bovenstaande tekst gebruikt.

G.D.

 

 
 
     
Laatste update : 12 juli 2018 Vragen welkom bij : Webmaster Top | Home