Informatie - Omgangsrecht
 

Adviezen | Advocaat | Bank | Belastingen | Bestaansmiddelen | Detective | Deurwaarder | Echtelijke woning
Echtscheiding door onderlinge toestemming | Erfenis | Gezinnen | Gezinswoning | Gevoelens | Gevolgen echtscheiding
Geweld | Hulpverlening | Huwelijksplichten | Huwelijksstelsel | Jongeren na echtscheiding | Jurisprudentie | Justitiehuizen | Kerk | Leven na scheiding | Nieuwe gezinsvormen | Nieuwe relatie | Nieuw-samengestelde gezinnen
Notaris | Omgangsrecht | Onderhoudsgelden | Onderwijsaangelegenheden | Ouderlijk gezag | Ouder-naam
Ouderschapsbemiddeling | Overlijden | Overspel | Procedure | Relaties | Samenwoning | Scheidingsbemiddeling Vaderschap bij scheiding | Vereffening en verdeling | Wetgeving | Woonstvergoeding

 

Uit een Nederlands vonnis van 15 januari 2007:

"Het strafrechtelijk vervolgen van de weigering om gevolg te geven aan rechterlijke uitspraken omtrent het gezag over een minderjarige is naar het oordeel van het hof namelijk niet alleen in het belang van klager, maar ook in het belang van de rechtshandhaving én - naar het oordeel van de onafhankelijke civiele rechter - in het belang van de minderjarige.
Nu er aanwijzingen zijn dat
(1) X. structureel gerechtelijke uitspraken omtrent de omgang met haar minderjarige kind genegeerd heeft, en dat
(2) de civielrechtelijke handhavinginstrumenten blijkbaar geen vat op haar hebben, acht het hof een strafrechtelijke vervolging passend en geboden.
"


Artikels

INDEX


- Verblijfsregister ‘gedeeld verblijf’
- Familierechtsysteem faalt in Nederland met vervreemding tot gevolg - videoreportage
- Verhuizen met kinderen na scheiding
- Kleinkinderen onbereikbaar - Videofilms Nederland
- Vechtscheidingen - Visie vanuit een verantwoordelijke van Bureau Jeugdzorg in Nederland
- Jori speelt met lego's in het omgangshuis - filmpje
- Een bijzonder belangrijke veroordeling wegens boycot omgangsrecht in Nederland 5-7-2011
- Mogelijke problemen bij de uitoefening van het omgangsrecht
- Enkele mogelijke verblijfsregelingen voor scheidingskinderen (document opgesteld door J. P. De Man)
- Nog steeds die weigering van het omgangsrecht en een nefast seponeringsbeleid bij klachten –
11-2-2009

- De neutrale bezoekruimten in Vlaanderen
- Cochemer model
-
Het verhaal van Els
-Als ouders gaan scheiden. Bilocatie als kans? Visietekst van de vzw Bemiddeling
- Het verblijfsco-ouderschap en het belang van het kind - verslag conferentie Namen prof. Van Gijseghem 24-4-2006

- Verblijfsco-ouderschap in het belang van het kind -
Persmededeling van het Europees Instituut voor het Belang van het Kind - juni 2005

- Is de dader-slachtofferbemiddeling een mogelijkheid om het omgangsrecht regelmatig uit te oefenen?

- Gelijkwaardig ouderschap

- ‘Vaders zeker niet minder belangrijk dan moeders' Prof. L. Tavecchio
- Kinderloze vaders lijden in stilte
- 'We hebben afgesproken dat je vader aan je zat'

Omhoog

Verblijfsregister ‘gedeeld verblijf’

van toepassing vanaf 1 januari 2016

Bondig:

Het verblijfsregister co-ouderschap voorziet erin, dat kinderen van gescheiden ouders nu ook officieel een verblijfsadres hebben bij de ouder bij wie de kinderen niet zijn gedomicilieerd. Hierdoor genieten de kinderen de specifieke voordelen als waren ze in die gemeente officieel gedomicilieerd. 

Wat meer informatie:

Vanaf januari 2016 kunnen kinderen van gescheiden ouders officieel een verblijfsadres hebben bij de ouder bij wie de kinderen niet zijn gedomicilieerd. Tot eind december 2015 was het zo dat kinderen maar op één plaats, dus bij één ouder, hun domicilie konden hebben. Nu het Koninklijk Besluit in januari 2016 een feit is, behoudt het kind op één plaats het wettelijk adres (domicilie) en bij de andere ouder heeft het kind een officiële verblijfplaats. Eén en ander wordt automatisch opgenomen in het bevolkingsdossier van de andere ouder bij wie het kind niet is gedomicilieerd. Daardoor kan deze ouder direct aantonen dat het kind bij hem (of haar) verblijft.

Vanzelfsprekend verschijnt de vermelding ook in het dossier van de ouder bij wie het kind officieel gedomicilieerd is. Het verblijfsadres blijft geldig zolang de situatie blijft bestaan en wordt aangepast bij verhuis van de verblijfsouders. Het verblijfsregister kan in het kader van rampen ook een nuttig instrument zijn om te controleren wie mogelijk in een bepaald getroffen pand verblijft.

Voordelen:

Het wetsvoorstel van S. Becq-CD&V, K. Degrootte-N-VA en F. Schepmans-MR voorziet dat het opnemen van het kind op een verblijfsadres in een andere gemeente, tot gevolg heeft dat deze kinderen ook van specifieke voordelen zullen kunnen genieten als ware ze in die gemeente officieel gedomicilieerd. Sommige gemeenten geven immers voor bepaalde faciliteiten korting voor de eigen inwoners, voor onder meer sportactiviteiten, speelpleinwerking, bibliotheek- of andere ontspanningsmogelijkheden, de gemeentelijke tussenkomsten in het openbaar vervoer.

Lees meer op de website van bemiddelaar Eric De Corte

In het VTM-Nieuws op 22 december2015


 
Omhoog

Familierechtsysteem faalt in Nederland met vervreemding tot gevolg - videoreportage

Het gevolg van dat falen is dat er onnoemelijke situaties ontstaan van vervreemding van kinderen van hun vaders - heel vaak door toedoen van Bureau Jeugdzorg.

Dat wordt onomstotelijk aangetoond in een uitzending op 15 november 2012 van De Vijfde Dag ‘Jeugdzorg kiest meestal kant moeder’ op de Nederlandse televisie.

De uitzending duurt 23’26” en gaat uit van de omgangsfrustratie van vader ‘Pieter’ die zijn zoon m.m.v. het familierechtssysteem niet meer te zien krijgt ondanks de goede relatie van de zoon met de vader tijdens de momenten van samenzijn. Moeders overtreden vrijuit de gerechtelijke beslissingen zonder dat ze daarvoor gestraft worden. De uitzending wordt afgerond met een debat tussen familierechtadvocaat Resit Kaya met een vertegenwoordiger van Jeugdzorg. Die laatste verdedigt de houding van Jeugdzorg, maar kan noch de advocaat noch de kijkers overtuigen van correct handelen. Het resultaat is dan ook dat de vader moet leven zonder contact met zijn kind.

De videoreportage en ook (23'26")

Om te openen klik op 'Deze inhoud in een nieuw venster openen'

_______________

PROBEERT U ZICH EENS VOOR TE STELLEN....

Vanaf morgen wordt één van uw kinderen uit uw leven weggerukt, u ziet en hoort hem niet meer.. Het voelt alsof uw kind is ontvoerd. Je weet WIE hem heeft ontvoerd en WAAR hij zit maar je kan er niet bij. Iemand laat niet toe uw kind verder nog in uw leven te mogen meemaken, zien, horen, communiceren. Hoe denken jullie dat het voelt om uw ander kind met tranen in de ogen een nachtzoen te moeten geven. Een kind dat dient als steunpilaar voor zijn moeder. Een kind dat de verantwoordelijkheid om z’n moeder te (moeten) redden op zich heeft genomen. Een kind dat ook voelt dat het onrecht aandoet aan z’n vader maar moet en zal zwijgen en liegen…uit loyaliteit, uit liefde voor beide ouders. Is dit een oprechte relatie met je eigen kind?, een kind dat bang is voor zijn moeder?….. Een kind heeft beide ouders nodig en dat wordt door jou, de moeder, simpelweg afgepakt.

Ouders scheiden, kinderen niet…, en scheiden is een recht. Het blijft echter een plicht van de ouders om voor hun kinderen het leven na de scheiding heel te laten. Ouders moeten kinderen kind laten. Het bewust onthouden van 'Omgang' en 'Contact' is feitelijk actieve KINDERGIJZELING. De dader heeft hierbij geen enkel respect voor de aanwezige familiebanden, het familieleven en de psychische gezondheid van het kind en betrokken familieleden. Onze kinderen worden psychisch/emotioneel vergiftigd en zo in een POS situatie (Problematische Opvoedings Situatie) gedwongen. Het is een psychische moord op de vader en kinderen.

Henri Geerards op Facebook


 
Omhoog
 

Verhuizen met kinderen na scheiding

NEDERLAND

Machteld Vonk, rechtswetenschapper van de Universiteit Utrecht, heeft een studie gemaakt van 38 uitspraken van gerechtshoven over de periode november 2010 - april 2013 rond het onderwerp toestemming van de rechter tot verhuizen van verblijfsouders met de kinderen binnen Nederland en naar het buitenland. Zij heeft daar het artikel 'Verhuizing na echtscheiding' in het juninummer van het Tijdschrift voor relatierecht en praktijk over geschreven.
De uitspraken worden op een rij gezet en de auteur geeft een beeld van de wijze waarop de gerechtshoven in Nederland met deze aangelegenheid omgaan.

We nemen de inleiding van haar artikel over.

"Na scheiding is het uitgangspunt dat ouders die gezamenlijk het gezag uitoefenen, samen verantwoordelijk blijven voor de kinderen en samen de woonplaats van de kinderen bepalen. Wil een van beide ouders met de kinderen verhuizen en stemt de andere ouder daarmee in dan kan de verhuizing plaatsvinden. Er is dan niemand die zich, buiten de ouders, buigt over de belangen van de betrokken kinderen. Ouders worden geacht in het belang van hun kinderen te handelen, dus wat zij beslissen, zal – neemt men aan – in het belang van de kinderen zijn. Echter, wanneer een van de ouders met de kinderen wil verhuizen en de andere ouder is het daar niet mee eens, kan de ouder die wil verhuizen aan de rechter vragen de toestemming van de andere ouder te vervangen. Verhuist de ouder echter zonder de toestemming van de andere ouder of de rechter, dan kan dit vervelende consequenties hebben, zoals verderop in dit artikel zal blijken. De rechter zal die beslissing nemen die hem het meest in het belang van de kinderen voorkomt. Het belang van het kind wordt in dit soort zaken vaak ingevuld als het hebben van frequent contact met beide ouders en het blijven in de vertrouwde omgeving. Echter, in 2008 bepaalde de Hoge Raad dat bij een beslissing op grond van artikel 1:253a BW de rechter alle omstandigheden van het geval bij zijn beslissing moet betrekken en dat de belangen van een ander dan het kind in uitzonderlijke gevallen zwaarder kunnen wegen dan die van het kind. Een ander belangrijke beslissing in het kader van verhuizing is dat de rechter in beginsel geen toestemming zou moeten geven voor verhuizing aan een ouder, terwijl er in het kader van de echtscheiding nog geen ouderschapsplan is opgemaakt. Een dergelijke toestemming zou de machtsbalans tussen ouders verstoren waardoor het moeilijker zo niet onmogelijk wordt om op basis van gelijkwaardigheid een ouderschapsplan op te stellen."

Wat de vraag betreft of door de rechter al dan niet toestemming wordt verleend aan een ouder om met de kinderen te mogen verhuizen binnen Nederland of naar het buitenland komt zij tot de volgende bevindingen:

1. Het zijn bijna alleen moeders die het gerechtshof verzoeken om te mogen verhuizen.
2. Van de 38 gepubliceerde zaken zijn 3 zaken aangehouden wegens nader onderzoek door de Raad of wegens bemiddeling en zijn er 5 zaken waarin de moeder al is verhuisd zonder toestemming en de vader vervolgens naar de rechter stapt.
3. Van de 29 resterende verzoeken tot toestemming, betreft het 15 verhuizingen binnen Nederland en 14 verhuizingen naar het buitenland.
4. Er zijn ongeveer evenveel toewijzingen als afwijzingen. Bij verhuizingen naar het buitenland zijn er wel iets meer (8 van de 14) afwijzingen, dan bij verhuizingen binnen Nederland (7 van de 15).

Voor het hele artikel in pdf-formaat klik op 'Verhuizing na echtscheiding'

Binnen de visie van de Hoge Raad voor de Justitie in Nederland publiceerde mr. Joke Uittenhout uit Amsterdam in Rechtennieuws over deze aangelegenheid op 15 november 2010 al het artikel 'Mag een ouder na een scheiding met kinderen naar elders verhuizen?'

Bij gezamenlijk gezag over een kind heeft de ene ouder altijd toestemming nodig van de andere om met het kind te verhuizen. Dat geldt zowel tijdens het huwelijk (al zal het zich niet vaak voordoen) als na een scheiding. Het geldt ook als de ouders niet getrouwd zijn, maar wel gezamenlijk het gezag over het kind uitoefenen. Bij niet-akkoord van de andere ouder moet de ouder die wil verhuizen een 'vervangende' toestemming vragen aan de rechter. Voor zijn beslissing maakt de rechter een belangenafweging. Daarover gaat het artikel verder.

Voor het hele artikel klik op 'Mag een ouder na een scheiding met kinderen naar elders verhuizen?'

BELGIÊ vergeleken met NEDERLAND

Het hele rechtsverloop in Nederland en België loopt grotendeels parallel.
In Nederland is de voorzieningenrechter bevoegd. Dat is de rechter in een kortgeding procedure. Na echtscheiding in België is de jeugdrechter bevoegd in aangelegenheden waarbij de kinderen rechtstreeks betrokken zijn.

De Nederlandse rechter houdt bij zijn beoordeling voornamelijk rekening met het belang van de kinderen, recent nu ook per uitzondering met het belang van anderen dan de kinderen. In België houdt de rechter rekening in de eerste plaats met de kinderen maar ook met het belang van de beide ouders.

Zowel in Nederland als in België komen een aantal gevallen voor waarbij een ouder in het binnenland wil verhuizen maar ook gevallen waarbij één van de ouders naar het buitenland verhuist.

Zowel in Nederland als in België blijkt duidelijk uit de gevoerde procedures dat de rechter zoveel mogelijk elk geval in zijn omstandigheden zal beoordelen, omdat elke situatie apart is.
In Nederland steunt de rechter daarbij op artikel 1:253a BW. In België bij een Echtscheiding door Onderlinge Toestemming of op basis van een beslissing in kortgeding steunt de rechter op art. 1288 Gerecht. wetboek Wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van hun kinderen ingrijpend wijzigen, kunnen de beschikkingen bedoeld in 2° (gezag, beheer, persoonlijk contact) en 3° (bijdrage) van het voorgaande lid na de echtscheiding worden herzien door de bevoegde rechter.

Slotoverweging

Over het algemeen zijn de situaties nog complexer dan op het eerste gezicht lijkt: wat als een ouder verhuist met het kind of de kinderen zonder kennisgeving of overleg met de andere ouder?
De achterblijvende ouder krijgt het dan des te moeilijker om een scheve situatie opnieuw recht te zetten via de rechtbank. Daarbij mag niet uit het oog worden verloren, dat het om het verblijf, het welbehagen en de toekomst van de kinderen gaat. Een beroep op de rechter is een belangrijke stap en de uitslag van een procedure is doorgaans zeker in deze gevallen niet voorspelbaar. Verhuizen en herverhuizen is beslist voor de kinderen geen goede zaak. De redelijkheid en bij voorkeur het overleg moeten deze situaties in billijkheid oplossen. Een direct akkoord van beide ouders in overleg is doorgaans de beste oplossing.



 
Omhoog
 

Kleinkinderen onbereikbaar - Videofilms uit Nederland

De onbereikbaarheid van hun kleinkinderen voor grootouders bij scheiding en bij onenigheid is bijzonder schrijnend.
In België is er wettelijk omgangsrecht voorzien, maar de afdwingbaarheid daarvan levert enorme moeilijkheden op.
In de meeste gevallen verdwijnen de kleinkinderen uit het gezichtsveld van hun grootouders. Jaren geleden streed Rafke Kelders in Vlaanderen baanbrekend voor dat omgangsrecht. Intussen is de wettelijke regeling er gekomen, maar zonder dat daarmee de problematiek uit de wereld werd geholpen. De pijn en de frustraties bij grootouders is blijvend aanzienlijk. Ook in Nederland heerst dezelfde problematiek zowel in gevallen binnen Nederland zelf als in
situaties waarbij de moeder met haar kind(eren) naar het buitenland vertrekt. Een enorme inzet van de grootouders om toch hun kleinkinderen te (blijven) zien is vaak bewonderenswaardig, maar wordt ook vaak nauwelijks of niet beloond. In Nederland wordt de laatste tijd de problematiek in televisie-uitzendingen in reportages van zowat 10 tot 12 minuten aan de orde gesteld. Die uitzendingen zijn dan nadien blijvend te bekijken en te beluisteren via YouTube.

Sinds een paar jaren was de website "Kleinkinderenonbereikbaar.nl" actief op het internet. Ze is er blijkbaar op dit ogenblik niet meer beschikbaar.

We geven u hier toegang tot enkele video's, die de problematiek van de verwijdering van kleinkinderen van hun grootouders tastbaar en ook voelbaar voorstellen.

- Grootouders zonder kleinkinderen - deel 1. RKK Kruispunt 11'44" - 5-2-2012
- Grootouders zonder kleinkinderen - deel 2. RKK Kruispunt 13'32" - 5-2-2012
- Valerie in Polen - grootouders meegetrokken in een emotionele scheiding - Netwerk 7'57" - 18-6-2009
- Kleinkinderen onbereikbaar - Tijd voor Max / Gezond 24.nl 10'51" - 28-1-2010
- De strijd om los te laten - Het derde testament NCRV - 11'35" - 16-2-2010
- Kunt u het contact met uw kleinkinderen afdwingen? - Meldpunt Max / Gezond 24.nl - 16'45" - 22-12-2011

Grootouders, je hebt het recht omgang te hebben met je kleinkinderen, maar je krijgt het niet!



 
Omhoog
 

Vechtscheidingen - Vanuit de visie van een verantwoordelijke van Bureau Jeugdzorg in Nederland

Erik Gerritsen 06 feb 2012
Drs. Erik Gerritsen EMIM is per 1 februari 2009 Bestuursvoorzitter van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam.

Het zesde deel van de columnreeks 'Ongemakkelijke waarheid jeugdzorg onder ogen zien' van Erik Gerritsen.

Na alle verhalen over erfelijke criminaliteit, verslaafde ouders, licht verstandelijk beperkte ouders en transgenerationele jeugdzorg, zou je bijna vergeten dat jeugdzorgproblematiek ook in de “beste families” voorkomt. Ik doel dan in het bijzonder op het fenomeen “vechtscheidingen”. In de stadsregio Amsterdam relatief veel aan de orde in Amsterdam Zuid en in Amstelveen al komen vechtscheidingen natuurlijk in alle lagen van de bevolking voor.
 Van vechtscheidingen is sprake wanneer de ouders het verdriet en ruzies over de scheiding uitvechten over de ruggen van hun kinderen. Het daaruit voortvloeiende loyaliteitsconflict bij kinderen kan behoorlijk traumatiserend zijn. Je wordt immers als kind min of meer gedwongen om een gespleten persoonlijkheid aan te nemen. Je houdt van beide ouders, maar om je moeder niet te kwetsen doe je bij haar net alsof jij je vader ook haat en andersom. Ik hoorde laatst het verhaal van een vrouw die als klein meisje na een bezoek aan haar vader met een mooie nieuwe pop thuis kwam. Die werd door haar moeder direct afgepakt en voor haar ogen onthoofd en in de prullenbak gegooid met de nodige verwensingen aan het adres van haar vader.

Vechtscheidingen kunnen nog veel verder gaan dan wederzijds zwartmaken van de ouders in het bijzijn van kinderen. Niet mee willen werken met de onderling afgesproken of door de rechter opgelegde omgangsregeling bijvoorbeeld, zodat kinderen (veelal) hun vader niet of nauwelijks te zien krijgen. Of zelfs valse beschuldigingen van kindermishandeling door de ex om van de omgangsregeling af te komen, met alle nare gevolgen van dien, zoals onderzoek door het AMK van de Bureaus Jeugdzorg.

Wanneer kinderen (mede) als gevolg van het loyaliteitsconflict ernstig probleemgedrag gaan vertonen kan het gebeuren dat ze onder toezicht worden gesteld. Het grote dilemma waar Bureaus Jeugdzorg vervolgens voor komen te staan is, wat te doen als beide ouders maar doorgaan met vechten over de ruggen van hun kinderen? Of wat te doen als één van de ouders (vaak de moeder) weigert verder mee te werken met de omgangsregeling met vader. Een schriftelijke aanwijzing van de jeugdbeschermer of een expliciete uitspraak van de rechter zijn in dit verband weinig effectieve sanctiemiddelen. Een (dreiging met een) uithuisplaatsing lijkt een veel te zwaar middel, zeker als het grotendeels wonen bij moeder of vader op zich de beste oplossing is voor het kind en het kind ook zelf het liefste bij moeder dan wel vader wil wonen. Met dit mes op de keel kiezen Bureaus Jeugdzorg er in de overgrote meerderheid van de gevallen voor dat de kinderen bij moeder blijven wonen, met als onvermijdelijk schadelijk gevolg dat deze kinderen hun vader niet of nauwelijks meer te zien krijgen.

Natuurlijk blijven jeugdbeschermers wel in gesprek met ouders om ze te bewegen om in het belang van de veilige ontwikkeling van hun kinderen over hun eigen schaduw heen te springen. Maar dit zijn over het algemeen zeer tijdrovende en weinig effectieve processen, waarin van jeugdbeschermers wordt gevraagd dat ze aan waarheidsvinding doen en partij te kiezen. Terwijl het grotendeels om haaks op elkaar staande subjectieve belevingen gaat en om het belang van de kinderen, niet om de belangen van de ouders. Hoe doe je in deze situaties aan waarheidsvinding als je er niet 24/7 zelf bij bent en ouders in gesprekken met jou verklaren dat het toch vooral aan de ex-partner ligt? Stel dat het vooral de moeder is die strijd voert, terwijl de vader oprecht zijn best doet om geen kwaad te spreken over zijn ex, is dat dan reden genoeg om bijvoorbeeld het kind bij vader te plaatsen, ook als het kind zelf toch het liefste bij de moeder wil blijven wonen?

Kortom, vechtscheidingen kunnen kinderen ernstig in hun veilige ontwikkeling bedreigen. Wat kan er meer gedaan worden dan wat we nu doen? Er is wel eens geopperd dat een (verplicht) ouderschapscontract, op te stellen als het huwelijk nog goed is, uitkomst zou kunnen bieden. Baat het niet dan schaadt het niet, maar hoe dwing je naleving af op het moment dat de verhoudingen tussen de ouders volledig verstoord zijn? Verstandige ouders kunnen gebruik maken van de steeds groter wordende markt van in vechtscheidingen gespecialiseerde advocaten-/mediationbureaus.

Maar wat te doen als ouders echt niet voor reden vatbaar zijn? Een optie zou kunnen zijn om jeugdbeschermers de wettelijke taak te geven om namens de staat in het kader van een ondertoezichtstelling als verplichte mediator op te treden. Met een beetje extra opleiding en extra financiering van in te zetten uren zou dat wellicht een optie kunnen zijn. De jeugdbeschermer kan immers vanuit zijn of haar kerntaak en specifieke deskundigheid gebruik maken van de extra hefboom van het te beschermen kindbelang. Ik ken voorbeelden waarin jeugdbeschermers ouders in gesprekken hard confronteren met resultaten van wetenschappelijk onderzoek naar de lange termijn gevolgen van kindermishandeling op de ontwikkeling van kinderen tot en met foto’s van kinderen met vertraagde groei en verkleinde schedelomvang aan toe. Daarbij kan overwogen worden om de ouders te verplichten de extra kosten als gevolg van mediation zelf te betalen als extra stok achter de deur om ze te bewegen tot meewerken. In gevallen waarin duidelijk is dat kinderen graag ook bij hun vader zijn, zou ook gedacht kunnen worden aan – desnoods met hulp van de politie afdwingbare – bezoekregelingen. Twee keer de politie aan de deur in Oud Zuid zal mogelijk zijn uitwerking niet missen.

Verdergaande maatregelen die kunnen worden overwogen bij voordurend niet meewerken door ouders waaraan gedacht kan worden zijn het door de rechter opleggen van boetes en in het uiterste geval een maatregel tot “tijdelijk verplicht logeren” van de kinderen elders, bij voorkeur in het nabije sociale netwerk. Dat klinkt wellicht allemaal erg hardvochtig en op straffen gericht, maar bedacht moet worden dat het hier gaat om situaties waarin alles is geprobeerd om ouders vrijwillig tot medewerking te bewegen en dat voortduren van het loyaliteitsconflict tot blijvende schade bij kinderen kan leiden.

In extreme gevallen is een machtsinterventie de enige mogelijkheid om ruimte te maken voor herstel van samenwerking. Zolang die machtsinterventie ingegeven wordt door het streven om kinderen te beschermen vind ik dit een te verdedigen optie. En we weten één ding zeker, doorgaan op de huidige weg van berusting leidt tot het voortduren van een traumatiserende omgeving in het leven van veel kwetsbare kinderen. Als er wettelijk niets verandert, rest voor jeugdbeschermers niets anders dan het teruggeven van de ondertoezichtstelling aan de kinderrechter in verband met de onuitvoerbaarheid ervan.

Ik kijk uit naar uw reacties.

DE REACTIES (onder de tekst - naar beneden scrollen)

 
Omhoog
 

Jori speelt met lego's in het omgangshuis - filmpje

J.C. is in Nederland een van de vele vaders die om een onooglijke reden de omgang met zijn zoontje Jori is ontzegd. Hij heeft na een periode van anderhalf jaar normale omgang met zijn zoontje na de scheiding allerlei contactmoeilijkheden gekregen om zijn zoontje op normale basis te kunnen zien. Gedurende een bepaalde periode heeft hij in twee omgangshuizen telkens vijf maal een contact gekregen van anderhalf uur met Jori. Hoe het er aan toegaat tijdens één van dergelijke contacten kunt u bekijken op het YouTubefilmpje van zowat vijf minuten opnames.

Vader J.C. kampt onverdroten verder om het contact met zijn zoontje te herstellen. De moeder bij wie Jori woont, blijft zich daartegen verzetten. Zij pleegt inbreuk op het wetsartikel 279: onttrekking van het ouderlijk gezag.

Klik hier om het filmpje te bekijken.


16-9-2011


 
Omhoog
 

Een bijzonder belangrijke veroordeling wegens boycot omgangsrecht in Nederland 5-7-2011

Een moeder van drie kinderen moest op 5 juli 2011 voor de Arnhemse politierechter verschijnen, omdat ze werd verdacht van het systematisch dwarsbomen van de omgangsregeling met de vader, tevens haar ex-man.

Eerder zijn, voor zover bekend, nog maar twee keer moeders veroordeeld in Nederland voor een dergelijk strafbaar feit (‘onttrekking ouderlijk gezag artikel 279’). In 2009 kregen twee gescheiden moeders uit Friesland en Limburg een taakstraf opgelegd, omdat ze hun kinderen weghielden bij hun ex.

Het Arnhemse proces werd gevoerd na aangifte bij de politie van de 42-jarige vader. Die woont in Gelderland, maar wil uit angst om zijn zaak te schaden, zijn naam en woonplaats niet bekendmaken. De man zegt dat zijn vrouw hem tegenwerkt vanaf januari 2010, het moment van inwerkingtreding van de omgangsregeling. Zijn kinderen mogen officieel om het weekend en de helft van de vakanties bij hem zijn. Tijdens de vakantie in februari ging het definitief mis. “Mijn jongste dochter viel in een speelhal en liep een scheurtje op in haar knie. Mijn ex heeft op grond daarvan de omgang volledig stilgelegd.”

Volgens de landelijke stichting Ouders Zonder Omgang in Wijchen, komen conflicten over de omgangsregeling heel vaak voor. Bestuurslid Arthur Ross: “Er zijn geen exacte cijfers, maar we schatten bij de helft van de gescheiden ouders. Zo’n twintigduizend kinderen per jaar verliezen het contact met een ouder, meestal de vader.”
Dat maar zelden aangifte wordt gedaan, komt volgens Ross doordat de politie dit stelselmatig afhoudt. “Die houdt de boot af, in de veronderstelling dat de omgangsregeling een civielrechtelijke kwestie betreft, waarover de kinderrechter moet oordelen. Dus blijft het vaak bij een civielrechtelijk kort geding.” Ross stelt dat ook verder strafrechtelijke vervolging niet meteen voor de hand ligt. “Een rechter kan een moeder veroordelen tot celstraf of een hoge geldboete. Maar in het algemeen zal dit niet in het belang van het kind zijn en dus ook niet gebeuren.”

De 42-jarige vader uit Gelderland is inmiddels bestuurslid van het Vaderkenniscentrum, een organisatie die als doel heeft de rol van vaders bij de opvoeding te versterken. “Vaders lopen tegen muren op, doordat moeders binnen het civiel recht stelselmatig worden voorgetrokken. Uiteindelijk zijn de kinderen hiervan de dupe.”

Op 5 juli  diende een kort geding waarin de 42-jarige man uit Gelderland eist om zijn kinderen weer per direct te kunnen zien.

De vrouwelijke politierechter veroordeelde het gedrag van moeder als strafbare onttrekking conform de eis van het OM. Alleen omdat moeder op dit moment wel weer opnieuw meewerkt aan de omgang van de kinderen met hun vader, als gevolg van een eerder civiel vonnis in kort geding uit juni j.l. waarop een dwangsom werd gezet op niet medewerking aan de omgang, besloot de politierechter tot een voorwaardelijke straf van 40 uren taakstraf met een proefperiode van 1 jaar voor de moeder van de kinderen i.v.m. het strafbare feit van onttrekking (Art. 279).

Zelfs het eenmalig niet nakomen van de door de rechter beschikte omgang bij gezamenlijk gezag werd daarbij door de politierechter als strafbaar feit bestempeld.

Dit is een nieuw en belangrijk signaal uit het strafrecht tegen willekeurige omgangsfrustratie bij gezamenlijk gezag door verblijfsouders.

Belangrijk is nu toch geweest dat het principe hier opnieuw en ook voor moeders als daders door de Officier van Justitie en de Politierechter werd bevestigd, dat het bij gezamenlijk gezag weghouden door verblijfsouders van kinderen van de omgangsregeling met de andere ouder het grensoverschrijdend en strafbaar gedrag van onttrekking (Sv art. 279) oplevert.

Het doen van aangifte van onttrekking (Sv Art. 279) bij de politie wanneer verblijfsouders bij gezamenlijk gezag èn een beschikte omgangsregeling door de rechter deze omgangsregeling niet nakomen, wordt dus toch serieus genomen door politie, justitie en de politierechter en heeft hierdoor ook weer zin voor de andere ouder.

Zie voor een handleiding voor het doen van aangifte van onttrekking in Nederland de website van het Vader Kennis Centrum beneden in de rechter kolom: http://www.vaderkenniscentrum.nl

Stappenplan 1 Aangifte Zelf aangifte doen van onttrekking bij de politie
Stappenplan 2 Aangifte Handleiding aangifte doen bij het niet nakomen omgangsregeling

Bron: Frans Hermans in De Gelderlander van 15 juni 2011 en Peter Tromp van het Vader Kennis Centrum op het forum Gescheiden Ouders en Kinderen 8 juli 2011


 
Omhoog
 

Mogelijke problemen bij de uitoefening van het omgangsrecht

A. Situatieschets

In mijn uiteenzetting zal ik de term omgangsrecht gebruiken als het recht van iemand op een persoonlijk contact met kinderen, dit als tegenhanger van het bewaringsrecht van een ouder over een kind. Mijn invalshoek is het boycotten van de omgangsgerechtigde ouder (e.a. gerechtigden) door de andere ouder.

Als uitgangspunt neem ik de relatiebreuk van een koppel met kinderen.

Ofwel komen de partijen tot een consensus en kan eventueel een overeenkomst tussen hen bekrachtigd worden in een vonnis van de rechtbank of in een notariële akte;

Ofwel komen de partijen niet tot een consensus en vormen zich onder meer problemen betreffende de omgang met de kinderen.

1. Heel dikwijls zullen die problemen al voorkomen voordat een derde instantie, zoals een rechtbank, een advocaat, een bemiddelaar, met de problematiek te maken krijgt.

Ik denk hierbij b.v. aan het verlaten van de echtelijke woonst met meenemen van de kinderen naar een onbekende bestemming.

De andere ouder wordt voor een voldongen feit gesteld, kinderen worden als wapen en drukkingmiddel gebruikt.
In deze fase is het van cruciaal belang een gepaste begeleiding te krijgen. Het advies dat dan wordt verstrekt, de strategie die dan wordt bepaald, de houding die men aanneemt kan een essentiële invloed hebben op het verdere lot en verloop van de omgang met de kinderen, zowel op korte termijn als op lange termijn.

Van in het begin doet men er best aan een langetermijnvisie te ontwikkelen betreffende de wijze waarop men de omgang met de kinderen wil realiseren.

2. Daarna kan men de hulp inroepen van een derde instantie.

a. Daarbij kan men kiezen voor het bemiddelingsmodel, wat betekent dat de partijen onder begeleiding van een deskundige (een advocaat-bemiddelaar, een notaris-bemiddelaar of een erkend bemiddelaar uit de welzijnssector) samen gaan zoeken naar oplossingen in functie van de wederzijdse bezorgdheden en betrachtingen.

b. Ofwel kiest men de procedurele weg, wat betekent dat men de rechter vat om te oordelen over het geschil. Eén of twee partijen zijn niet in staat om er samen uit te geraken en geven het beslissen in handen van de rechter. Dat kan de vrederechter zijn, de jeugdrechter, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, zetelend in kort geding, de rechtbank van eerste aanleg als bodemrechter en de beroepsrechters.

De rechter bepaalt dan in een vonnis of beschikking hoe de omgang met de kinderen zal verlopen. Dergelijk vonnis zal in de meeste gevallen uitvoerbaar zijn bij voorraad, wat wil zeggen dat, ook al gaat één partij niet akkoord met het vonnis en tekent die er een beroep tegen aan, het vonnis toch al op een gedwongen wijze kan worden uitgevoerd.

3. Dit betekent echter helaas niet dat men aan het einde van de rit is. Men kan beschikken over een uitvoerbaar vonnis, waarbij een aanvaardbaar omgangsrecht werd bepaald, maar in de praktijk vaststellen dat de andere ouder dit vonnis gewoon naast zich neerlegt. De spitsvondigheid van sommige ouders om geen gevolg te moeten geven aan een vonnis is soms legendarisch: men goochelt met doktersattesten, die attesteren dat het kind niet buiten mag, men gaat illusoire strafklachten indienen over het gedrag van de omgangsgerechtigde ouder, men treft eenvoudigweg niemand aan of men lacht de omgangsgerechtigde ouder vierkant uit…

B. Welke mogelijkheden staan er ter beschikking om daarop te reageren?

1. De dwangsom

De rechter kan de niet-uitvoering van zijn vonnis koppelen aan het betalen van een belangrijke geldsom.
Aan de onwillige partij wordt dan een soort boete opgelegd, bijvoorbeeld 620 euro per dag dat het kind niet wordt meegegeven.

In de rechtspraak wordt steeds meer een beroep gedaan op het opleggen van een dwangsom, maar het is zeker nog geen automatisme.

Helaas stelt men vast dat zelfs het opleggen van een dwangsom, die soms gigantisch kan zijn, niet altijd soelaas biedt: sommigen betalen het met de glimlach, anderen installeren zich in de onvermogendheid, zodat de dwangsom oninbaar wordt.

Ondertussen blijft de omgang wel geboycot.

2. Een tweede middel om het omgangsrecht te doen respecteren vindt men in het strafrecht.

Artikel 369 bis van het strafwetboek stelt strafbaar :
De vader of de moeder die het kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van de personen aan wie de rechterlijke overheid of de minister van Justitie het heeft toevertrouwd of die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen, of die het ontvoert of doet ontvoeren.

De straffen belopen 8 dagen tot één jaar gevangenisstraf en/of een boete die kan schommelen tussen 128 euro en 4.957 euro.

Wanneer in strijd met de bepalingen van een burgerlijk vonnis, het kind niet wordt meegegeven kan de strafvordering in werking worden gesteld.

Dat kan door middel van :

- het indienen van een klacht bij de politiediensten, die proces-verbaal overmaken aan het parket.
Gelet op de ernst, de frequentie van de inbreuk en de concrete omstandigheden zal de behandelende parketmagistraat ofwel de klacht seponeren, ofwel overgaan tot vervolging, ofwel bij de onderzoeksrechter een gerechtelijk onderzoek vorderen.
- het indienen van klacht met burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter. Wanneer diens onderzoek is beëindigd gaat de zaak naar de Raadkamer, die beslist tot vervolging of buitenvervolgingstelling.
- het rechtstreeks dagvaarden voor de correctionele rechtbank.

Ik merk daarbij op dat niet alleen positieve handelingen ter verhindering van het omgangsrecht worden gesanctioneerd. Ook het nalaten om het ouderlijk gezag aan te wenden ten overstaan van het kind teneinde het omgangsrecht te doen respecteren, kan tot bestraffing leiden.

De strafwet werkt ook in twee richtingen, waarmee ik bedoel dat ook de omgangsgerechtigde ouder gesanctioneerd kan worden (b.v. het niet terugbrengen van de kinderen na afloop van het omgangsrecht).

In de praktijk is dit strafechtelijke luik niet onbelangrijk en kan het soms de aanzet zijn tot een herstel van de contacten met het kind.

Afgezien van de gebeurlijke bestraffing laat de bolwassing die de onwillige ouder van de strafrechter krijgt, dikwijls een grote indruk na die voor een kentering kan zorgen.

Ik voeg daar onmiddellijk aan toe dat men ook op dit vlak nog steeds enig geduld aan de dag zal moeten leggen :
Een enkele klacht zal zelden tot vervolging leiden. Meestal zal er een veelvoud aan klachten moeten voorliggen vooraleer men mogelijk zal vervolgen. Het vervolgingsbeleid van de diverse parketten durft naargelang van de omstandigheden ook nogal eens verschillen en jammerlijk genoeg moet ik vaststellen dat de huidige materie nog steeds geen prioriteit krijgt.

Bovendien moet ook de strafprocedure zijn verloop krijgen, wat betekent dat men in de praktijk vlug op enkele maanden moet rekenen voordat de zaak door de strafrechter behandeld zal worden.

Bij wijze van voorbeeld het volgende:

Een vader heeft ingevolge een uitspraak van de vrederechter een veertiendaags omgangsrecht met de kinderen tijdens de weekends. Dat wordt om diverse en steeds nieuwe redenen geweigerd door de moeder van de kinderen. In een periode van negen maanden dient de vader om de veertien dagen consequent klacht in tegen zijn ex-partner wegens het niet respecteren van zijn omgangsrecht. Na verloop van deze negen maanden stuurt hij samen met deze talrijke klachten een rechtstreekse dagvaarding uit voor de Correctionele Rechtbank. De zaak komt één jaar na de eerste weigering voor de eerste maal voor.

Naar aanleiding van de gevoerde verdediging van de vrouw krijgt zij door de rechter nog één kans aangeboden. De zaak wordt daartoe twee maanden uitgesteld.

3. Een derde middel om tegemoet te komen aan problemen bij de uitoefening van het omgangsrecht is het uitlokken van een wijziging aan de bestaande opgelegde regeling of het bekomen van nieuwe maatregelen.

Soms functioneert een bepaalde regeling niet en kunnen kleinigheden irriterend werken voor een partij, die dan over de gehele lijn dwars gaat liggen.

Er zijn tal van voorbeelden: een ouder vindt het niet leuk dat hij de kinderen moet ophalen en weer afzetten, een ouder heeft het moeilijk met de plaats waar de kinderen dienen te worden afgehaald, een ouder kan niet verkroppen dat de omgang al op vrijdagavond in plaats van op zaterdagmorgen aanvangt, een ouder vindt het bedrag van het onderhoudsgeld te laag.

Soms volstaat het om iets, dat op het eerste gezicht onbelangrijk lijkt, te wijzigen om dan nadien vast te stellen dat deze 'kleinigheid' van wezenlijk belang was voor één partij. Het komt er dan op aan om dat te onderkennen en erop in te spelen.

Sommige problemen vergen een belangrijker ingreep :

- Er kunnen moeilijkheden worden geconstateerd bij het kind of een ouder kan voorhouden dat het kind de omgang niet wenst: in zulke gevallen kan de aanstelling van een deskundige (b.v. een kinderpsychiater) worden gevorderd om op een deskundige wijze te worden voorgelicht over de oorzaken van het gedrag van het kind en hoe daarmee omgegaan moet worden.
- Soms is de rol van het kind zelf een centraal gegeven in de procedure en kan het belang van de zaak vergen dat de kinderen zelf worden gehoord door de rechter. Het Gerechtelijk Wetboek voorziet in art. 931 een hoorrecht. De rechter kan het kind horen als het over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, hetzij op hun verzoek, hetzij op verzoek van de rechter zelf. Verder is er in art. 56 bis van de jeugdbeschermingwet een hoorplicht voorzien voor kinderen vanaf 12 jaar.
- Het kan ook voorkomen dat de ouders zelf begeleid moeten worden, waarbij men kan vorderen dat de partijen zich samen of individueel zouden laten begeleiden door een relatie- of gezinstherapeut.
- Soms moet men bij het uitwerken van maatregelen voor een geleidelijke aanpak kiezen en opbouwend werken, waardoor de ene of de andere partij een geruster gevoel krijgt en waarbij men via het inschakelen van proefperiodes en evaluaties langzaam een omgangsregeling realiseert die beide partijen kunnen aanvaarden. Men moet er dan voor zorgen dat de rechter greep behoudt op de zaak en in functie van de evolutie maatregelen kan aanpassen.
- In extreme gevallen kan de situatie tussen partijen zodanig verziekt zijn dat van een normale omgang geen sprake meer kan zijn. In dergelijke gevallen kan een beroep worden gedaan op een omgang op een neutrale plaats. Er bestaan gespecialiseerde bezoekruimtes waar het omgangsrecht onder toezicht kan worden uitgeoefend en uiteindelijk kan leiden tot het realiseren van een 'normaal' omgangsrecht.
- Een wijziging in de gezagsregeling kan ook een oplossing brengen: van het gezamenlijk uitoefenen van het gezag door beide partijen naar een exclusieve uitoefening voor één partij; van een exclusieve uitoefening door één partij naar een exclusieve uitoefening door de andere partij.

Een nieuwe wet beoogt de regeling van rechtbankverbonden bemiddeling voor alle familiale geschillen (dat is ruimer dan bemiddeling in echtscheidingssituaties).

Kort geschetst komt het hierop neer dat door de rechter in het raam van een procedure een bemiddelaar wordt aangewezen en dat ofwel op eigen verzoek van de partijen, ofwel op initiatief van de rechter maar met instemming van de partijen.

De rechter wijst dan een professioneel bemiddelaar aan die binnen de door hem bepaalde termijn zijn bemiddelingsopdracht kan vervullen. Die termijn kan worden verlengd.

Door de bemiddelingstechniek in de wet op te nemen wil de wetgever humanere oplossingen aanreiken in een domein van het recht dat veel af te rekenen heeft met menselijke drama's.

De rechter krijgt zo een wettelijke grondslag om een bemiddelaar aan te wijzen en kan niet meer het verwijt krijgen dat hij zijn bevoegdheid te buiten gaat of de rechten van de verdediging schendt.

Ik vestig er de aandacht op dat de toepassing steeds gebaseerd is op de vrijwilligheid en de instemming van de partijen. De praktijk zal uitwijzen of dit nieuw wettelijk instrument ook effectief oplossingen zal brengen.*

*Noot : De vrijwilligheid is de zwakke stee in deze goed bedoelde komende wet. (G.D.)

4. De tergende en roekeloze houding van de onwillige ouder kan zich ook vertalen in een vordering tot (morele) schadevergoeding en eventueel een vordering wegens tergend en roekeloos geding.

C. Vooraleer te besluiten moet ik er u op wijzen dat de besproken problematiek niet beperkt is tot het Belgische grondgebied.

De uitoefening van het omgangsrecht heeft tegenwoordig dikwijls een grensoverschrijdend aspect.

In dit kader is het toch belangrijk om te wijzen op het Verdrag van Den Haag van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen. Sedert de wet van 10 augustus 1998 heeft dit Verdrag rechtstreekse werking in België (Art. 1322 bis-1322 octies Ger.Wetb.). Tal van landen, waarvan de opsomming mij te ver zou leiden, zijn op heden toegetreden tot dat verdrag.

Het doel van dit Verdrag is dubbel :
- de onmiddellijke terugkeer verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht of worden vastgehouden in een verdragssluitende staat ;
- het daadwerkelijk doen eerbiedigen van het in een verdragssluitende staat bestaande recht betreffende het gezag en het omgangsrecht in andere verdragssluitende staten.

Praktisch gezien kan een verzoek worden ingediend bij de Centrale Autoriteiten van een staat.
In België zijn dat het Ministerie van Justitie en/of het Parket.
Na onderzoek en gebruik makend van hun beoordelingsbevoegdheid kunnen zij de zaak aanhangig maken voor de bevoegde rechtbank (in België: de rechtbank van 1e aanleg). In de praktijk is de toepassing afhankelijk van staat tot staat en blijkt de ene staat meer beschermend op te treden ten overstaan van de eigen onderdaan dan de andere. Ook de snelheid waarmee wordt gehandeld is verschillend.

Helaas kan ik niet dieper ingaan op deze specifieke materie, maar ik geef u wel mee dat het belangrijk kan zijn dat bij een gebeurlijke ontvoering of niet respecteren van de opgelegde omgangs- en gezagsregeling:
- klacht wordt ingediend bij de lokale politiediensten ;
- het gemeentebestuur onmiddellijk schriftelijk wordt verwittigd dat het in België gedomicilieerde kind niet mag worden uitgeschreven ;
- zo snel mogelijk degelijk en passend advies wordt ingewonnen.

BESLUIT

Eén ding moet u zeker onthouden : geen enkele zaak is dezelfde. Elk dossier heeft zijn problemen en op grond van de middelen die ik tijdens mijn uiteenzetting schematisch heb aangeraakt, is het aan diegene die het dossier behandelt om daaruit de juiste middelen te halen die voor die zaak wenselijk zijn.
Zoals ik al heb gezegd is het van belang dat van in het begin een goede strategie en deskundige begeleiding wordt bepaald, waarbij niet alleen de juridische norm telt, maar ook en vooral een flinke dosis mensenkennis en psychologie.

Zelf heb ik geleerd dat men bij de aanpak van omgangsproblemen :

1. zoveel mogelijk preventief zou moeten handelen. Het is beter te voorkomen dan te genezen.

2. ook moet trachten de werkelijke oorzaak of de achterliggende reden van het boycotten te achterhalen. Dat is van groot belang bij het bepalen van de verdere strategie.

3. inventief moet zijn. Men moet kunnen inspelen op wijzigende situaties en met moet mee evolueren met de zaak en trachten te anticiperen op negatieve evoluties.

Ik weet dat de verleiding vaak groot is om zich te laten meeslepen in het lange gevecht dat door de andere partij wordt gevoerd, maar ik heb al vele malen geconstateerd, dat dit gevecht een bijzonder slechte leidsman is.

Een correcte en consequente houding kan wonderen doen, misschien niet op korte termijn, maar heel dikwijls wel op lange termijn, hoewel ik ten volle besef dat de dramatiek en de pijnlijkheid van dergelijke situaties bijzonder zwaar kunnen wegen.

En laten we steeds voor ogen houden dat het gaat om kinderen die in het gehele gebeuren toch de centrale plaats dienen te behouden.

De verantwoordelijkheid ten opzichte van hen, als volwassene - hetzij ouder, advocaat, bemiddelaar, rechter en elke andere betrokkene - is dermate belangrijk dat daar nooit lichtzinnig maar altijd heel bewust en doordacht mee moet worden omgesprongen.

Het is de plicht van alle betrokkenen te waken over het belang van de kinderen en als we dat aldoor zouden beseffen, zou een groot deel van de aangehaalde problemen wellicht onbestaande zijn.

Karen Buyse, advocaat-bemiddelaar in familiezaken
E-mail: karen.buyse@advocaat.be

Referaat uitgesproken op de studiedag van BGMK vzw rond problemen over het omgangsrecht in Wemmel op 28 november 2000.

De bovenstaande tekst werd wat ingekort en lichtjes aangepast.

De brochure over deze studiedag "OMGANGSRECHT" is te verkrijgen op het Algemeen Secretariaat van BGMK in Gent secretariaat@bgmk.org


 
Omhoog
 

Enkele mogelijke verblijfsregelingen voor scheidingskinderen
(document opgesteld door J.P. De Man)

De volgende verblijfsregelingen werden opgesteld op basis van gegevens verstrekt door en met de hulp van de internationaal gerenommeerde onderzoekster naar scheiding en verblijfsregelingen, klinisch psychologe, scheidingsbemiddelaar en ouderschapstherapeute, Joan B. Kelly, Ph. D.
...

Deze opties geven de visie van Dr. Kelly weer op wat het meest recente onderzoek over (echt)scheiding en ook klinisch onderzoek ons vertelt over gebruikelijke verblijfsregelingen voor kinderen met ouders die (echt)gescheiden zijn. Ze zijn aangepast aan de Belgische situatie aangevuld met nog meer mogelijkheden en met vermeldingen over de leeftijden van de kinderen die die optie meestal goed verdragen (op basis van: “Gebruik maken van onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen om geschikte beslissingen over verblijfs- en omgangsregelingen voor jonge kinderen te nemen” (Aangevulde gedeeltelijke vertaling van: Joan B. Kelly and Michael E. Lamb: Using child development research to make appropriate custody and access decisions for young children.Family and conciliation courts review, Vol. 38 No. 3, July 2000, 297-311), Europees Instituut voor het Belang van het Kind).

“Dertien in een dozijn” –en nog meer- mogelijke verblijfsregelingen.

Download de hele tekst



 
Omhoog
 

Nog steeds die weigering van het omgangsrecht en een nefast seponeringsbeleid bij klachten – 11-2-2009

Volksvertegenwoordigers blijven daarover vragen stellen aan de justitieminister

Omgangsrecht is een verworven recht op grond van een gerechtelijke uitspraak. De toepassing van dat recht wordt nagenoeg niet gewaarborgd door de gerechtelijke instanties. Als een ouder dat omgangsrecht niet toestaat en de andere ouder de toegang ontzegt tot zijn bloedeigen kinderen is dat een ernstig misdrijf. Dat leidt tot oudervervreemding.

De klachten van frustraties van het omgangsrecht worden door politie en staande magistratuur op grote school niet gehonoreerd. Niet-inwonende ouders vechten dan verbeten om toch toegang te krijgen tot hun kinderen. Bij procedures nemen de rechters in vele gevallen geen kordate houding aan tegenover frustrerende ouders. Oudervervreemding en ouderverstoting worden in die gevallen een feit. Straffeloosheid en rechtsonzekerheid halen het boven billijkheid en gerechtigheid.

Al meer dan twintig jaar stellen volksvertegenwoordigers vragen aan de bevoegde minister van Justitie. Telkens krijgen ze antwoorden maar geen toezegging van beleidsmaatregelen die de problematiek door de veelvuldige seponering door de parketten effectief aanpakt en oplost.

Zo blijven ouders verstoken van hun zorg en opvoedingsmogelijkheden voor hun kinderen. Zo blijft de machtsongelijkheid tussen inwonende en niet-inwonende ouders gehandhaafd. Het enige middel om die machtsgelijkheid tot stand te brengen is een dubbele domiciliëring van minderjarige kinderen bij scheiding van hun ouders bij elk van hen.

Wetsvoorstellen daarvoor zijn op dit ogenblik in de aanmaak.
Intussen blijft de oudervervreemding op grote schaal voortduren in dit land.

Wij zullen de parlementaire vertegenwoordigers van het volk blijven aansporen om dringende vragen rond die problematiek te stellen aan de minister van Justitie, tot die eindelijk effectief optreedt.

Een goed voorbeeld van een dergelijke parlementaire vraag is vraag nr. 10690 vanwege Volksvertegenwoordiger Carina Van Cauter. Wij laten hier de tekst volgen van haar vraag en het antwoord van de minister.

"11/02/2009
* Vraag van mevrouw Carina Van Cauter aan de minister van Justitie over "de oudervervreemding
en de ouderontvoering" (nr. 10690)

Carina Van Cauter (Open Vld):

Bezoekregelingen worden vaak niet nageleefd. In de praktijk treden de parketten nauwelijks op tegen schendingen van de regeling. Er worden wel proces-verbalen opgesteld, maar er wordt zelden opgetreden. Effectieve straffen worden zelden uitgesproken en nog minder vaak uitgevoerd. Dit zorgt voor een gevoel van straffeloosheid bij de overtreders en van machteloosheid bij de slachtoffers.

Welke instructies worden er ter zake aan de parketten gegeven? Welke initiatieven zal de minister nemen om dit probleem op te lossen?

06.02 Minister Stefaan De Clerck (Nederlands): Ik verwijs naar het eerdere antwoord van mijn voorganger op vraag nr. 4990 van mevrouw Van Cauter.

Er zijn genoeg mogelijkheden op burgerlijk en op strafrechterlijk vlak. Ik denk aan dwangsommen. Een alternatief is strafbemiddeling. Ouders moeten trouwens niet wachten op een initiatief van het openbaar ministerie, zij kunnen ook zelf dagvaarden.

Belangrijk is dat we komen tot samenhang in de antwoorden die parketten geven op destructieve gevallen, zowel voor de ouder die zijn kinderen niet meer ziet als voor de kinderen zelf. De noodzaak van samenhang is dringend, aangezien België door het Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld is voor een zaak met een moeder in België en een vader in Italië.

In oktober 2008 heeft mijn voorganger het College van procureurs-generaal gevraagd conclusies te trekken uit het arrest.Tot op heden heb ik echter de conclusies van hen niet. Dit punt is geagendeerd voor mijn eerstvolgende vergadering met het College. Sommige richtlijnen zullen van de procureurs-generaal uitgaan, waar het beleidsmatige keuzes betreft zullen ze mee of alleen getekend worden door de minister.

06.03 Carina Van Cauter (Open Vld): Ik ben mij bewust van alle mogelijke wegen, maar een dwangsom betekent nog niet dat men ook de kinderen ziet. Ik dring erop aan dat de parketten zelf het initiatief nemen om te dagvaarden. Bovendien, wat betekenen straffen als die niet worden uitgevoerd? Ik wil dat de minister hier een prioriteit van maakt."

Doorzetten, Mevrouw de Volksvertegenwoordiger, blijf dat soort vragen stellen tot u het nefaste seponeringsbeleid bij weigering omgangsrecht kunt laten aanpakken, vooruitgang kunt bewerkstelligen in de gelijkwaardigheid tussen ouders en waarborgen kunt krijgen voor handhaving van de wettelijkheid in deze problematiek.

Ghislain Duchâteau

* Stuur een aanmoedigingsmailtje naar mevrouw Van Cauter: carina.vancauter@dekamer.be



 
Omhoog
 

De neutrale bezoekruimten in Vlaanderen

Ouders met recht op persoonlijk contact kunnen er - onder meer of minder intens toezicht - hun kind zien, als dit contact conflictueus verloopt of enige tijd onderbroken werd ingevolge spanningen tussen de verblijfouder en de bezoekouder (ex-partners).

De bezoekruimtes proberen het ouder-kindcontact te herstellen. Het uiteindelijke doel is dat de verblijfouder en de bezoekouder afspraken maken over een omgangsregeling, die ze beiden zelfstandig respecteren. Of dat ze beiden vrede nemen met de bestaande situatie.

De belangrijkste informatie waarover een betrokken ouder kan beschikken vindt u hier:

Bezoekruimtes

Adressen Centra Algemeen Welzijn
Adressen Bezoekruimten
Zie ook Bezoekruimtes voor kinderen bij echtscheiding

Naast de officiële bestaan ook vrije neutrale bezoekruimten bv. Het Huis in Brugge en in Antwerpen.
- Het Huis – Neutrale bezoekruimte Rozendal 5 8000 Brugge Tel.: 0497/258.392 www.hethuis.be 320-0820881-40
- Het Huis – Neutrale bezoekruimte Wittestraat 116/3 2020 Antwerpen (Kiel) Tel.: 03/216.17.17 www.hethuis.be 320-0820881-40

Politieke geschiedenis

Eind mei 2005 stelde de kinderrechtencommissaris het dossier "Kinderen en Scheiding" (pdf-formaat, 2386 kB) voor aan de pers.
Ze formuleerde hierbij aansluitend
een advies over de lange wachttijden bij de bezoekruimtes (Word-formaat, 53 kB).
Dit gaf aanleiding tot twee interpellaties en een vraag om uitleg (PDF-formaat, 153 kB) in de commissie Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van 7 juni 2005.
In haar antwoord maakte de minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin duidelijk hoe ze de wachttijden wil aanpakken.
Op 22 juni 2005 nam het Vlaams parlement eenparig een
met redenen omklede motie aan over de wachttijden bij de bezoekruimtes (PDF-formaat, 232 kB).

***

Een inzicht in de werking van de bezoekruimten biedt u "Neutrale bezoekruimten in het gedrang".

We laten na die tekst nog eigen klemmende commentaar volgen.

Commentaar :

De tekst brengt een goed gedocumenteerd overzicht van de problematiek. Ze doorspekt haar verhaal met aanhalingen van uitspraken van vaders die allemaal positieve ervaringen hebben met de neutrale bezoekruimten. Zo wordt het geheel een wel bijzonder rooskleurig verhaal. De werkelijkheid echter is dat soms veel minder. Een aantal vaders weigeren hun kinderen te gaan zien gedurende een uurtje of wat meer per maand in een kleine besloten ruimte en onder toezicht. Zij vinden het - en dat is in vele gevallen terecht - mensonwaardig dat ze op een dergelijke manier het laatste restantje van hun vaderschap moeten beleven. Voor andere vaders is het een ultieme strohalm om zich aan vast te klampen om nog een heel klein stukje contact te hebben met hun kinderen die van hen vervreemd zijn of dreigen volledig achter de horizon te verdwijnen.

De huidige mediaverslaggeving verzwijgt totaal dat het probleem van de omgang van kinderen met hun gescheiden ouders een veel ruimere dimensie heeft. Vanwaar dan die omvang van de problematiek van de contacten van kinderen met hun niet-uitwonende ouders - meestal nog steeds in overgrote mate de vaders ? De omgang is in België wettelijk geregeld en wordt vastgelegd in vonnissen van rechtbanken. De wettelijke regeling is geslachtsneutraal, maar in de toepassing daarvan in de vonnissen zien we nog steeds een eindeloze bevoordeling van de moeders bij wie de kinderen officieel blijven wonen na scheiding, die de kinderbijslagen optrekken, die genieten van onderhoudsgelden voor de kinderen. De wet van 13-4-1995 op de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag waar het co-ouderschap het principe van de wet is, wordt door de rechtbanken veelal nog zo geïnterpreteerd dat de vader meestal bedeeld wordt met het beleven van een weekend-vaderschap. In oneindig vele gevallen wordt dat dan nog door de moeders geboycot en hoewel dat strafbaar is worden de klachten wegens de frustratie van het omgangsrecht voor meer dan 90 % geseponeerd, zodat de vervreemding van hun kinderen voor de hand ligt. Die problematiek van de omgangsregeling is veel meer dan die strohalm van de neutrale bezoekruimten; het is een structureel probleem waarbij de parketten die de vonnissen moeten handhaven voor het grootste gedeelte in gebreke blijven. Daardoor ontstaat voor vaders rechtsonzekerheid. De bezoekruimten kunnen daar maar sporadisch wat aan doen.

De politici hebben in 2005 en 2006 goed werk geleverd met de wet op het verblijfscoöuderschap "WET tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind"
Die wet is van toepassing vanaf 14 september 2006. Zij hebben aan het ouderlijk gezag en zijn toepassing structureel heel wat verbetering aangebracht, zodat de frustratie van de omgang van kinderen met hun niet-inwonende ouder fundamenteel kan worden aangepakt. Of de smeuïge verhalen daarmee verdwijnen van vaders die een appartement op hoogte huren bij de school van hun kinderen om vanuit het venster een glimp op te vangen van hun spruiten als ze op de speelplaats komen, valt wel erg te betwijfelen.

In de toepassing van de wetgeving zouden de rechters effectief gelijkwaardig ouderschap moeten nastreven. In de uitvoering van de vonnissen met betrekking tot de omgangsregeling zouden de procureurs kordaat en meteen de weigering van het omgangsrecht moeten bestrijden door de vonnissen in dat opzicht consequent te doen toepassen. Dat zou de neutrale bezoekruimten op de duur overbodig moeten maken. Wij miskennen daarmee nu het bestaansrecht niet en het nut van neutrale bezoekruimten als die op een doeltreffende manier functioneren.

Ghislain Duchâteau


 
Omhoog
 

Cochemer model

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie








Deur van het Cochemer Amtsgericht; snel er weer uit...





 

 

 


Het Cochemer model is een familierechtelijk oplossingsmodel dat wordt toegepast in situaties waar ouders uit elkaar gaan. De bedoeling van het model is om het aantal gebruikelijke conflicten tussen ouders te beperken. Daarmee zouden kinderen beter kunnen worden beschermd in hun recht op contact met beide ouders. De essentie van het model kan als volgt worden samengevat:

Inhoud

1. Intensieve samenwerking van kinderbeschermings- en juridische instanties.
2. Ouders belemmeren om onder gezamenlijke opvoedingsverantwoordelijkheid uit te komen.
3. Bewerken van andere conflictpartners als advocaten met de bedoeling conflictgedrag te vermijden.
4. Inzetten van diverse bemiddelingspraktijken waaronder bemiddeling ter zitting.
5. Snelle planning van de eerste zitting.

Het Cochemer Model is al sinds 1992 in praktijk in het Duitse kanton (kreis) Cochem-Zell en maakt van daaruit in Duitsland en ook internationaal furore.

Op 17 mei 2008 sprak rechter Jürgen Rudolph uit Cochem op de Bundesplaz in Bern in Zwiterland n.a.v. de stichting van www.gecobi.ch

Am 17.5.2008 sprach Richter Jürgen Rudolph aus Cochem, www.ak-cochem.de auf dem Bundesplatz in Bern anlässlich der Gründung von www.gecobi.ch

YouTube: http://www.youtube.com:80/watch?v=F4d9yjYr3rc

Kritiek

Kritiek die op het Cochemer model wordt geuit:
1. Het geheel speelt zich af binnen de contouren van het bestaande recht en blijft daardoor nog onrecht.
2. Onder andere daardoor wordt het model niet goed toegepast op ongehuwde ouders.
3. De resultaten zouden worden overdreven .
4. De resultaten zijn vooral afhankelijk van de persoonlijke inzet van één rechter (Hr Rudolph).
5. Mediation kan een vorm van onrecht constitueren.

Externe link

Link naar www.ak-cochem.de (Duits)

Bron: Wikipedia

 

 
Omhoog
 

Het verhaal van Els

Wel, ik begrijp niet hoe twee mensen, die ooit samen één of meer kindjes gewild hebben bij een scheiding ineens vergeten dat ze met hun twee hiervoor gekozen hebben.

Zelf ben ik bijna drie jaar geleden gescheiden. Mijn ex en ik hebben ondanks het feit dat een van de twee in de fout is gegaan, nooit, maar dan ook nooit moeilijk gedaan over het omgangsrecht met de kinderen. Van in het begin was het voor ons duidelijk dat we apart van elkaar beiden voor de kindjes bleven zorgen. Nooit is het in mij opgekomen mijn kinderen hun papa te ontzeggen.

De ene week slapen de kindjes bij mij, komt hun papa ze ’s ochtends bij me halen en blijven ze ’s middags bij hem eten. De andere week slapen ze bij hem, ga ik ze ’s ochtends halen en blijven ze ’s middags bij mij eten.

Mijn kinderen hebben niet één thuis, maar twee warme nesten, waar ze heel veel liefde krijgen, zelfs van onze respectieve nieuwe partners, die de kindjes “zorgpapa en zorgmama” noemen. Mijn zoon en dochter hebben nu bij mij twee speelzussen en één speelbroer en bij hun papa nog een speelzus en een speelbroer en dat werkt perfect.

Dat klinkt allemaal heel mooi, maar daar is heel veel geduld van de twee exen voor nodig geweest. In de allereerste plaats hebben wij elkaar als partner, zelfs als vrienden losgelaten en hebben wij alleen een enorm wederzijds respect voor elkaar als ouder overgehouden. Zelfs als er eens een woord valt, gebeurt dat nooit wanneer de kinderen het horen. Alle kosten worden perfect in twee gedeeld, alle fiscale voordelen ook.

Op die manier hebben wij allebei binnen het jaar onze echtscheiding verwerkt en ons opengesteld voor een nieuwe relatie. Allebei hebben we geleerd uit onze fouten en allebei zijn we stukken gelukkiger nu. Dat dit enorm in het voordeel is van onze kinderen moet ik ongetwijfeld niet zeggen.

Volwassenen zijn in staat om te relativeren, te vergeven en naar de toekomst te kijken, kinderen niet. Wat de reden ook is, waardoor het tussen twee volwassenen niet meer lukt, een kind houdt altijd onvoorwaardelijk van zijn beide ouders. Enkel door manipulatie of vervreemding door toedoen van één van de ouders kan dat natuurlijke gevoelen verdwijnen of ernstig verstoord worden.

Kinderen hebben recht op hun beide ouders en ouders hebben evenveel recht op omgang met hun kinderen.

Een kind laten opgroeien met gescheiden ouders, in bilocatieregeling, met zorgmama’s, zorgpapa’s, speelbroers en speelzussen is niet gemakkelijk, maar het kan. Wij bewijzen het al bijna drie jaar.

Els

Bron: Nieuwsbrief Steunpunt Blijvend Ouderschap 12e Jg. nr. 62 - mei 2007



 
Omhoog
 

Als ouders gaan scheiden. Bilocatie als kans?

ALS OUDERS GAAN SCHEIDEN. BILOCATIE ALS KANS?

Visie van de vereniging Bemiddeling vzw.

n.a.v. de studiedag van woensdag 29 november 2006
Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen - Hamoirlaan 136 - 1030 Brussel

rond 'Verschillende visies op bilocatie of verblijfsco-ouderschap vanuit de praktijk.'

Wanneer ouders bij een scheiding conflicten hebben, dan heeft dat vaak grote gevolgen voor de ontwikkeling van de kinderen. Om dat te voorkomen is het belangrijk dat ouders verantwoordelijkheid nemen en goede afspraken maken over de kinderen. Bemiddeling kan hierbij helpen, niet alleen als methode, maar ook als structurele omkadering vanuit en met een duidelijke visie op bemiddeling als emancipatorisch, ontwikkelingsgericht, contextueel-relationeel, toekomstgericht en innovatief proces (cfr. Visietekst op bemiddeling van de vereniging te vinden op de site)
Familie- en jeugdrecht kennen het probleem dat ouders kunnen belanden in een conflictspiraal om de zeggenschap over of de omgang met de kinderen. Over dit probleem wordt nu gelukkig vanuit fundamentele principes nagedacht, vanuit een meta-denken, vanuit een bovenpositie, en niet langer vanuit de ‘goede bedoelingen’., en los van juridische, psychologische en opvoedkundige connotaties. Nieuwe benaderingen in de psychologie en de therapie brengen nieuwe en bredere inzichten. De problematiek van ontwrichte levens waarin echtscheiding ernstige gevolgen blijkt te hebben voor het welzijn en functioneren van ex-partners en hun kinderen wordt maatschappelijk als onaanvaardbaar gezien, getuige de stroom van overheidsinitiatieven gericht op verbetering van deze situatie. Vorig jaar was er de wet op bemiddeling. Vandaag ligt de wet op de bilocatieregeling voor.
Het belang bij het aanreiken van oplossingen voor het (conflictspiraal-)probleem lijkt (voor de wetgever) duidelijk te liggen bij het intact laten van de partijautonomie als cybernetisch principe. ‘Cyber’ staat voor ‘cybernetisch’, ofwel de wetenschap van zelfsturende systemen (samenwerkingsvormen waarin zelfsturing, eigen verantwoordelijkheid en ‘checks and balances’ centraal staan). Gezien vanuit de visie op bemiddeling kan dit alleen maar worden toegejuicht. Bilocatie, of de gelijkmatig verdeelde huisvesting, wordt duidelijk als ‘kans’ (door de wetgever) neergezet. De kans ligt erin dat partijen zelf en met elkaar een regeling treffen. Hierin ligt duidelijk het bemiddelingsprincipe, met het openbaar ministerie als bewaker van het geheel (over de partijautonomie en het belang van de kinderen).

I. Kans of principe ?

De wet op het verblijfs-co-ouderschap werkt duidelijk ondersteunend en uitnodigend. De wet maakt het voor de ouders mogelijk, creëert de ruimte, om als ouder verantwoordelijkheid op te nemen bij het vinden van een oplossing, bij het invullen van het voortzetten van het ouderschap. Er wordt de ouders een kans geboden verantwoordelijkheid en zelfsturing op te nemen door het overleggen van een eigen invulling, het vinden van een eigen model voor hun probleem.
De wet voorziet immers als uitgangspunt dat bij akkoord van de ouders over een huisvestingsregeling – behoudens de strijdigheid met het belang van het kind – de rechter dit akkoord homologeert.
Op die manier geformuleerd wordt een gelijkmatig verdeelde huisvesting niet als principe geponeerd, maar als een directe en duidelijke kans die aan de ouders wordt gelaten tot gesprek, overleg en bemiddeling. De kans dat partijen zelf en met elkaar een regeling treffen. Echtscheiding ontbindt weliswaar het partnerschap, maar het ouderschap loopt verder. Ouders moeten de mogelijkheid worden gelaten met elkaar het ouderschap blijvend op te nemen. Die mogelijkheid die ouders wordt gelaten dit engagement op te nemen is een duidelijke ‘kans’ die via de nieuwe wet nu een publiek karakter heeft gekregen.
Pas bij gebrek aan akkoord tussen de ouders, onderzoekt de rechter op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen. De rechter kan vervolgens beslissen tot een gelijk of ongelijk verdeeld verblijf, waaruit volgt dat een verblijfs-co-ouderschap niet automatisch als uitgangspunt zal gelden. Een afwijkende regeling, anders dan het gelijkmatig verdeelde verblijf blijft mogelijk. De wetgever vertrekt duidelijk van het principe van een gelijkwaardig ouderschap, waarbij ouders de vorm kunnen kiezen met een voorkeur voor verblijfs-co-ouderschap wanneer één van de ouders dit wenst, zonder dat verblijfs-co-ouderschap automatisch de regel wordt.

II. Maatschappelijke gewijzigde opvatting

Het (voornoemde) gelijkwaardig ouderschap als principe en model is een duidelijk antwoord op de maatschappelijk onverantwoorde conflictspiraal. Het model wordt een expliciet signaal van en voor de samenleving, over hoe ouderschap na scheiding vorm kan worden gegeven vanuit het belang van beide ouders en van de kinderen.
Het wetgevende werk is de weergave van een visie die op een bepaald tijdstip in grote mate gedragen wordt door de meerderheid van de samenleving. De wetgever gaat er thans van uit dat de ouders allebei in gelijke mate de opvoeders zijn en dat ze in gelijke mate de zorg voor de opvoeding van hun kinderen dienen op te nemen, ook na een scheiding. Een duidelijk gewijzigde maatschappelijke opvatting ligt hieraan ten grondslag. Gedaan met de negatieve vooringenomenheid ten aanzien van de vaders, die ook een voor het kind zeer belangrijke rol moeten spelen opdat het zich harmonisch en volledig zou kunnen ontwikkelen. Hiertoe moet elk van de ouders verantwoordelijkheid en zorg opnemen bij de opvoeding van de kinderen, vertrekkend vanuit de behoeften van het kind, een geloof in zijn eigen mogelijkheden en in deze van de andere ouder.
Ook de bemiddelaar als exponent van de huidige samenleving deelt deze visie van de waarde van gelijkwaardig ouderschap en erkent het evenwaardige ouderschap als uitgangsprincipe zolang zijn cliënten het niet over iets anders eens zijn.
De wet stimuleert deze maatschappelijke verandering. Uiteraard zal het tijd vragen om de gewijzigde maatschappelijke opvatting doorstroming en ingang te laten vinden in alle lagen van de maatschappij. Bemiddelaars kunnen ouders hierbij helpen om die mogelijkheid van verblijfs-co-ouderschap grondig te overwegen en desgewenst praktisch uit te werken.

III. Principes en visie

Ouderschapsbemiddeling biedt ouders een forum om over hun ouderschap met elkaar te praten, om de reorganisatie van hun ouderschap binnen een nieuwe context (van scheiding) vorm te geven en elkaars ouderschap te erkennen.

Structureel omkaderd vanuit het aanbod van bemiddeling, wordt het verblijfs-co-ouderschap gedragen en gekenmerkt door een aantal (sturende) bemiddelingsprincipes, te weten:

  • het principe van gelijkwaardig ouderschap
  • het principe van zelfbeschikking
  • het principe van belang van het kind (en ouders)
  • het principe van maatwerk

het principe van gelijkwaardig ouderschap

Echtscheiding ontbindt het partnerschap, het ouderschap loopt verder. Verblijfs-co-ouderschap gaat uit van een visie van evenwaardig ouderschap. Ouders zijn allebei in gelijke mate de opvoeders en dienen in gelijke mate de zorg voor de opvoeding van hun kinderen op te nemen.
Het principe van gelijkwaardig ouderschap gaat daarom uit van een duurzaam, gelijkwaardig, geëngageerd en verantwoordelijk ouderschap ten opzichte van de kinderen.

het principe van zelfbeschikking

Ouders worden uitgedaagd en gestimuleerd in het vinden van een omgang met elkaar in overleg en bemiddeling. Ouders worden uitgedaagd toekomst- en ouderschapsgericht te denken. Ouders dienen bewust te worden van de maakbaarheid van hun eigen oplossing. De ideale oplossing lijkt het gelijkwaardig verdeeld ouderschap, maar kan in overleg ook een andere regeling zijn.

het principe van belang van het kind (en ouders)

In de uit te werken regeling staan de belangen van de kinderen maximaal centraal, zonder die te reduceren.

De ouder-kind relatie is een fundamenteel gegeven voor kinderen. Loyaal kunnen zijn en blijven aan beide ouders, goede en veelvuldige contacten met beide ouders, de dagdagelijkse demonstratie van betrouwbaar vader- en moederschap is voor elk kind en voor een kind van gescheiden ouders van bijzonder belang voor zijn/haar welzijn.

Tijdens de ouderschapsbemiddeling bespreken ouders samen hoe hun opvoedingsproject er gaat uitzien in de komende jaren en hoe zij beiden hierin hun plaats kunnen innemen vertrekkende vanuit de belangen van hun kinderen.

het principe van maatwerk

Ouders stimuleren in het afleveren van maatwerk. Gegeven een bepaalde situatie kan elke oplossing gepast zijn in de mate zij tot stand is gekomen na overleg en bemiddeling. Het gaat om een principiële keuze van de beide ouders, naargelang van de kinderen en de ouders zelf, de situatie anders te vertalen, en met een eigen oplossing te komen. Maatwerk i.p.v. een van buitenaf opgelegde oplossing.

Besluit

  • Verblijfs-co-ouderschap als kans is de vanzelfsprekende verderzetting van het gezamenlijke en gedeelde ouderschap tijdens de samenlevingsperiode van de ouders. Verblijfs-co-ouderschap doet een krachtige oproep aan de ouders om verantwoordelijke ouders te zijn.
  • Verblijfs-co-ouderschap als kans wil ouders uitdagen en stimuleren in overleg met elkaar of via bemiddeling een model uit te werken dat zoveel mogelijk tegemoetkomt aan de belangen van de kinderen en de mogelijkheden van de ouders.
  • Verblijfs-co-ouderschap daagt uit en stimuleert, verplicht ouders om hun verschillen met elkaar uit te klaren en in overleg tot een oplossing te komen in het belang van hun kinderen.

Verblijfsco-ouderschap wordt zo gezien als kans-model, waarbij ouders verwacht worden dat ze verder met elkaar in overleg zouden blijven gaan. Dit kan gebeuren via bemiddelingssessies: zo kunnen onnodige procedures en aanslepende conflicten worden voorkomen. Alle partijen zijn gebaat bij bemiddelingspogingen. Ouders kunnen dan samen met de bemiddelaar de obstakels die een gedeeld ouderschap in de weg staan opruimen. Ouders kunnen afstemmen op elkaar en afspraken maken rond hun ouderschap zodat ze een voor hun werkbaar model vinden.

Vanuit de bemiddelingsprincipes wordt de partijautonomie waarin ieders belangen (meerzijdig partijdige positie) aan bod komen gestimuleerd: die van de kinderen, die van de moeder en die van de vader.

Vanuit een nieuw duidelijk gewijzigde maatschappelijke opvatting, worden ouders uitgedaagd tot het doen tot stand komen van een samenwerkingsvorm waarin zelfsturing, eigen verantwoordelijkheid en ‘checks and balances’ centraal staan. Ouders dragen op die manier bij tot het vormen van maatwerk, en maakbaarheid van hun eigen kader, waarbij de maakbaarheid van de (betere) maatschappij zonder conflict als idee niet veraf is.



 
Omhoog
 

Het verblijfsco-ouderschap bij scheiding en het belang van het kind

Verslag van de conferentie van prof. dr. Hubert Van Gijseghem

op maandag 24 april 2006 in het Frans in de Universitaire Faculteiten Notre-Dame de la Paix in Namen

Prof. Van Gijseghem herinnerde eraan dat hij op dezelfde plaats in 2002 en in 2004 al een druk bijgewoonde conferentie hield rond het ouderverstotingssyndroom. In 2006 spreekt hij over het officieel verblijf van het kind bij scheiding of het verblijfsco-ouderschap van het kind.

Hij behandelt achtereenvolgens in zijn uiteenzetting het belang van het kind, de scheiding, de klinische reflecties daarover in de 20e eeuw, de drukkingsgroepen, de onderzoeken en de ontsporing van het juridische systeem.

Belang van het kind

Om het belang van het kind in het licht te stellen moeten we denken aan zijn afstamming. Het kind moet ontstaan uit de genen van twee verschillende ouders. Dat leidt naar zijn uniciteit. Het kind wordt een unieke onverwisselbare persoonlijkheid. Het kind wordt geboren uit een soort overlevingsdrang van zijn ouders. Bij het samenleven van zijn ouders is er het natuurlijke co-ouderschap. Bij scheiding van de ouders wordt dat co-ouderschap nog veel ingewikkelder dan als beide ouders samen leven. Het gaat hier niet over ouders die afwijken door overmatig alcohol- of drugsgebruik. We spreken hier over normale ouders. Het eerste doel is hoe het kind ondanks alles zijn beide ouders kan behouden. Het moet kunnen genieten in zijn opvoeding van zijn beide verschillende ouders. Soms zegt men dat het kind best bij één van zijn beide ouders opgroeit. Men moet evenwel de voorwaarden creëren dat het kind evenveel bij elk van beide ouders kan leven. Hierin ligt het ware belang van het kind.

Scheiding

Als ouders scheiden kan er voor kinderen oudervervreemding ontstaan. Het is de situatie waarin het kind lijdt, geraakt is door de verwijdering van één van zijn goede ouders. Het kind wordt getroffen door de verwerping van één van de ouders. Het lijdt onder die situatie: het ondervindt iets negatiefs, een deel van zijn eigen ik wordt afgesneden. Het eerste doel is hoe te vermijden dat een kind zich afsnijdt van een stuk van zichzelf. Het verblijfsco-ouderschap creëert bij bijvoorbeeld een 50/50 verblijfstijd bij elk van zijn ouders het behoud van zichzelf. Uit onderzoeksresultaten in Noord-Amerika blijkt dat moeders dringen om het exclusieve ouderschap te verkrijgen, bij de onderzoeken naar de strevingen van de vaders blijkt dat zij een 50/50-verblijf wensen van de kinderen. Zo blijkt uit de procedures. Het kind is daarbij dan woedend. Het ontwikkelt problemen uit woede. Het kind wil immers de ouders herenigen. Soms rouwt het in die droom. Soms blijven kinderen nog tot in de puberleeftijd flirten met die herenigingsdroom.

Klinische reflecties daarover in de 20ste eeuw

Het kind komt uit de buik van de moeder. De biologische band met de moeder is dan ook bindend. De vader wordt beschouwd als een derde. De moeder is ook de voedster. Van die opvatting kan men zich moeilijk losmaken. Aldus wordt in de 20ste eeuw de moeder geïnstalleerd als de belangrijkste figuur voor het kind.

De echt vormende jaren van het kind zijn de eerste levensjaren. Bij Sigmund Freud is de vader in die fase afwezig. Hij is zelfs een storend element. In de beslissende levensjaren is er oraliteit: het kind wil de moeder opzuigen; er is analiteit: met de sluitspier is zij geïnstalleerd in zijn buik. Hij lost ze of hij lost ze niet. Zo controleert hij de aanwezigheid van de moeder. Het kind moet eerst een veiligheidshechting creëren en dat gebeurt met de moeder. Alle Freudiaanse concepten stellen de band met de moeder in het licht. Volgens Spitz moet het kind een zeker vermogen tot objectieve hechting hebben en dat voor het zijn 18de levensmaand bereikt. Het kind moet dus aan de moeder worden toevertrouwd tot zijn 18de maand. Prof. Gardner signaleert ook dat de filosofie van de “tender age” stelt dat het kind bij zijn moeder moet zijn. De moeder moet thuis blijven voor het kind. De vaders zijn de geldverdieners. Zij voorzien door hun werk de middelen van bestaan.
Nu gaan de kinderen naar de kinderkribben, zelfs voor de 18de maand. Men gelooft daarbij nog wel aan het hechtingsvermogen aan de moeder. Zes tot zeven uren per dag wordt het kind in het dagverblijf geplaatst eerder dan het aan de andere ouder toe te vertrouwen.

Dan krijgen we in de jaren 60 het uitgesproken feminisme: gelijkheid tussen de geslachten moest worden gecreëerd. Beide ouders zijn dus ongeveer gelijkwaardig voor het kind. De tijd van de “flower power” en het hippydom brengt de feminisering van de mannen. Het tijdperk van dat egalitarisme laat manifest zijn sporen na in de vonnissen tegenover het verblijfsco-ouderschap. Het is de tijd van het “betere” belang van het kind. In geval per geval wordt uitgemaakt wat het betere belang is van het kind. Van toen af ontstaat het wisselend verblijf met de waardering van de bekwaamheid van beide ouders. De sekse van de ouder of van het kind speelt geen rol. Het kind geniet van beide ouders. Het feminisme heeft die ontwikkeling veroorzaakt, maar de vrouwen hebben ze nooit geaccepteerd. Ze hebben massaal de fysieke en seksuele kindermishandelingen ingeroepen. Ze hebben de bocht niet genomen van een vaderlijk verblijf van het kind.

Drukkingsgroepen

Er zijn heel wat ontsporingen van het feminisme aan te wijzen. Dan zijn overal de vadergroeperingen, de drukkingsgroepen van de vaders ontstaan. We hebben overal de spectaculaire acties zien gebeuren. We weten van het lobbywerk van vaderactivisten. Het heeft niet veel geholpen. Tot dusver is de invloed van die drukkingsgroepen op de evolutie van de opvattingen rond het verblijfsco-ouderschap beperkt gebleven. Ze hebben geen omkering van de situatie tot stand kunnen brengen.

Onderzoeken

Bij de onderzoekers spelen in verband met de opvattingen rond het verblijfsco-ouderschap nogal wat ideologische elementen mee. Zo kreeg prof. Van Gijseghem zelfs tijdens een conferentie in Frankrijk vanwege een Franse specialist ter zake het verwijt mee dat hij “de waardige opvolger van Dr. Mengele” zou zijn. Ook kreeg hij het verwijt te horen de verdediger te zijn van seksueel misbruik. Als een kind zich verantwoord afkeert van een ouder, is dat omdat die ouder echt slecht is.

Bauserman heeft in 2002 in het “Journal of Family Psychology” een interessante studie uitgevoerd. Het is een meta-analyse van 33 andere studies in verband met de identiteit. Daarbij werd een vergelijking gemaakt van kinderen die bij beide ouders opgroeiden, van kinderen die bij één ouder opgroeiden, van kinderen die opgroeiden in een gedeeld verblijf. Een aantal variabelen als de aanpassing van het kind, de gezinsrelatie, de eigendunk van het kind e.a. werden daarbij in aanmerking genomen. Binnen die variabelen presteren kinderen met gedeeld verblijf bij hun respectieve ouders beter.

Een Zweeds onderzoek van Lamb luidt een andere klok. Kinderen blijven beter bij de moeder. Dat onderzoek pleit voor een verblijf bij de moeder tot twee jaar.

Een onderzoek van Mac Kinnon en Wallerstein uit 1983 is een longitudinale studie rond kinderen in de pre-scolaire leeftijd van nul tot zes jaar. Kinderen van één tot drie jaar doen het beter bij gedeeld verblijf dan kinderen van drie tot vijf jaar.

Het is duidelijk dat de studies tegenstrijdige onderzoekresultaten opleveren rond het gedeeld verblijf.

Ontsporing van het justitieel systeem

Het traag functioneren van het gerechtelijk systeem is een groot probleem. Grote voorzichtigheid ten opzichte van de opvoeding van de kinderen is geboden. De jaren gaan voorbij, de hechting aan de beide ouders kan zich niet installeren. Dat leidt tot allerlei beschuldigingen van ouders naar de andere ouder. De ouderverstoting ontstaat. De tijdsduur van één jaar is voor het kind enorm veel. Die tijd zonder gerechtelijke beslissingen laten passeren over het verblijf van het kind betekent dat het te laat wordt om het kind zijn beide ouders te geven. Tot 10 of 11 jaar lukt het nog. Daarna is het te laat. Vanaf 12 jaar is het heel moeilijk om het kind aan zijn beide ouders terug te geven als het van één van hen vervreemd is. Eén op twee vaders aanvaardt voor de rechter de aanspraken van de moeder op het verblijf van de kinderen. Als een deskundige wordt aangesteld voor een rapport naar de rechtbank toe, dan constateren we dat ze hun tijd nemen. Vaak constateren we ook vermenging van het deskundig onderzoek met bemiddeling. Onderzoeken zijn veelal hard en langdurig. Daartegenover stelt prof. Van Gijseghem duidelijk dat een onderzoek zo vlug mogelijk moet verlopen om de rechter te instrueren. Het moet een momentopname zijn van de actuele toestand. Experts helpen vaak niet veel. In Noord-Amerika mogen de deskundigen de rollen van onderzoeker en bemiddelaar niet mengen. Daar worden dikwijls twee deskundigen aangesteld met elk zijn eigen rapport. De rechter moet bij zijn beslissing dan kiezen tussen de twee. In Europa komt die vermenging van onderzoek en hulpverlening voor. De hulp vertroebelt de constatering. Zo verrotten vele situaties.

Als een kind soms één, twee tot drie jaar verwijderd is van zijn andere ouder, dan wordt het intussen adolescent en dan is een toenadering te laat. Voor de vervreemde ouder evenwel is die trein niet voorbij.

De gevolgen voor het kind zijn belangrijk:
1. Als een kind zich afsnijdt van één van zijn ouders na de scheiding kan het identiteitsproblemen ervaren. Als één deel van zijn persoonlijkheid zich afscheidt krijg je identiteitssplitsing wat kan voeren tot schizofrenie!
2. Een ander gevolg ligt in het vlak van het handelen. Het kind grijpt de macht tegenover zijn ouder. Dat krijgt als gevolg de aftakeling van de intergenerationele afstand. Het kind schat dan zijn echte plaats niet in in de opeenvolging van de generaties.

Conclusie

Prof. Van Gijseghem concludeert als volgt. Het is bijzonder waardevol dat een kind na scheiding van zijn ouders zijn beide ouders kan behouden in zijn opvoeding. Het kind heeft na de echtscheiding er belang bij zijn beide ouders zowel kwalitatief als kwantitatief te behouden. De hoeveelheid tijd dat het doorbrengt bij elk van beide ouders is een garantie voor de kwaliteit van het ouderschap.

Het vragenuur

De uiteenzetting nam zowat 45 minuten in beslag. Het daaropvolgend levendig vragenuurtje duurde echter wel één uur en een kwartier. Relevante gegevens kwamen dan ook naar voren uit de interactie van de deskundige prof met het publiek.

We houden even de belangrijkste gegevens vast voor dit verslag.

Men kan volgens Van Gijseghem maar spreken van een gedeeld verblijf (garde partagée – garde alternée) als er minstens een verhouding 60/40 verblijfstijd is bij beide ouders.

Wat als ouders ver uit elkaar gaan wonen? Ouders vinden leefbare oplossingen als zij het belang van de kinderen voor ogen houden. Verre verplaatsingen kosten inderdaad veel geld.

Wat dan als het niet in het belang van het kind is zijn beide ouders te behouden? Er zijn beslist gerechtvaardigde vervreemdingssituaties. Maar een kind dat in die situatie opgroeit heeft het moeilijk zich te meten met zijn identiteitsproblemen en om te overleven.

Bij conflictueuze scheidingen is gedeeld verblijf of verblijfsco-ouderschap nog veel meer nodig dan in andere situaties. Het kan de vervreemding of verstoting vermijden, voorkomen. Het verblijfsco-ouderschap is minder nodig als de hoedende ouder gemotiveerd is om een plaats te geven aan de andere als ouder van het kind.

Zijn er in de opvattingen van psychiaters, psychologen en andere deskundigen verschillen tussen Oost en West tussen de Noordelijke en de Zuidelijke wereld? De deskundigen uit de Latijnse wereld gebruiken methodieken die niet efficiënt zijn. Die methodes leiden naar uitgebreide interpretaties en niet naar een direct inzicht. De methodes tussen de Angelsaksische invloedssfeer en de Latijnse verschillen verschrikkelijk. In de wereld van het deskundig onderzoek in gezinsaangelegenheden heeft de Latijnse groep geen toekomst. De verwarring tussen klinische waarneming en onderzoek is groot.

G.D.


 
Omhoog
 

Verblijfsco-ouderschap in het belang van het kind

Persmededeling van het Europees Instituut voor het Belang van het Kind

Na een scheiding moeten kinderen meer tijd bij hun moeder dan bij hun vader doorbrengen, vinden de meeste rechters. Neen, zeggen de resultaten van de empirische wetenschappelijke onderzoeken naar de aanpassing van de kinderen van gescheiden ouders: ,,één-ouderschap” verplichten gaat voorbij aan het belang van het kind.

Op woensdag 8 juni 2005 werd een bijkomende hoorzitting gehouden in de Kamer, waar een aantal wetsontwerpen en –voorstellen besproken worden, die het verblijfsco-ouderschap als voorrangsregel willen opleggen aan de rechters aan wie gescheiden ouders vragen een keuze te maken tussen de twee verschillende verblijfsregelingen die zij eisen. Maar is dat verblijfsco-ouderschap wel de beste regeling voor die kinderen?

Oor voor het kind

Ongeveer één op de vier minderjarigen in Vlaanderen maakt zelf thuis een scheiding mee. Ingrepen in hun verblijfsregeling of het omgangsrecht hebben dan ook een impact op een grote groep kinderen.

Wij constateren dat er tot op vandaag tientallen empirische wetenschappelijke onderzoeken zijn die een goede basis vormen om te stellen dat verblijfsco-ouderschap de beste regeling is voor de meeste kinderen waarvan de ouders het niet eens worden over hun verblijfsregeling na scheiding. De wet laat nu al het verblijfsco-ouderschap toe, maar de meeste rechters verkiezen nog altijd een hoofdverblijf bij de moeder. En dat gebeurt niettegenstaande er hoe langer hoe meer onderzoek is dat de vele nadelige effecten voor de kinderen vaststelt die één van hun ouders zo weinig te zien krijgen. Het is onderzoek dat een heel nuttige toetssteen zou kunnen zijn om te verhinderen dat vonnissen te snel of te ondoordacht uitgesproken worden tegen het belang in van de kinderen.

Een kwart van de klachten die het Kinderrechtencommissariaat het afgelopen jaar ontving, ging over echtscheidingen en meer bepaald over de omgangsregeling. Kinderen klagen dat zij daarin geen inspraak hebben. Zowel bemiddelaars als rechtbanken zouden dan ook een aangepast gespreksluik moeten inbouwen om tegemoet te komen aan de nood van kinderen om gehoord te worden. Zeker in een echtscheidingsprocedure die grote gevolgen heeft voor hun leven en hun toekomst, mag het beleid niet onverschillig blijven toekijken.

Een goed contact met beide ouders is voor kinderen heel belangrijk. Het omgangsrecht of de verblijfsregeling moet dan ook evenzeer een recht van het kind zijn. Dat is trouwens in overeenstemming met het Internationaal Verdrag van de Rechten van het Kind.

Niet alleen het belang en de noden van de moeders moeten aan bod komen, maar ook die van het kind: de diepe behoefte en “het recht van het kind dat van een ouder of beide ouders gescheiden is, op regelmatige basis persoonlijke relaties en rechtstreeks contact met beide ouders te onderhouden” (Artikel 9.3 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind).

Het komt er dus op aan te bekijken wat voor het kind (en dus ook voor de ouders) de beste regeling is. Een verblijfsregeling die goed werkt in het ene gezin, is niet noodzakelijk het beste voor het andere. De beste regeling is die waar beide ouders en hun kinderen zich het minst slecht bij voelen.

Werk voor de wetgever

Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat niet zozeer de scheiding op zich, maar wel het slepend conflict tussen de ouders voor de kinderen ontredderend is. Preventie van het ouderconflict moet dan ook een beleidsprioriteit worden. Een omgangsregeling moet immers niet alleen maximaal contact met beide ouders zonder meer beogen, maar veeleer voorkomen dat het kind gekneld raakt in een ouderlijk conflict.

Komt het toch tot een conflict, dan moet er in eerste instantie gestreefd worden naar conflictbeheersing. Elke vorm van dwanguitvoering is slechts de allerlaatste noodoplossing. Het manu militari meesleuren van het kind is meestal traumatiserend. Beter zou zijn, de politie naar de ouder te sturen die strafbaar is, omdat hij/zij het vonnis niet respecteert, en die zodoende de noden van zijn/haar kind (zoals zijn behoefte aan regelmatige persoonlijke contacten met de andere ouder) niet respecteert.

Bij dat alles is een belangrijke rol weggelegd voor scheidings- en ouderschapsbemiddeling. Want een verblijfsregeling die ouders in onderling akkoord hebben opgesteld, biedt de beste garanties dat afspraken worden nageleefd en dat iedereen - kinderen en ouders - er zich goed bij voelen.

Tot overleg verplichten

We pleiten er zelfs voor dat kennismaking met dergelijke bemiddeling een verplichte stap wordt, zeker voor scheidende ouders met kinderen. De beleidsmakers kunnen misschien te rade gaan in Noorwegen. Daar zijn ouders met kinderen verplicht om aan enkele bemiddelingsvergaderingen deel te nemen voor ze een echtscheidings-procedure kunnen starten. De Noorse overheid neemt zelf vier bemiddelingsuren ten laste.

Wij zijn ten slotte ook voorstander van de verdere ontwikkeling van de bezoekruimtes, waar ouders en kinderen professioneel begeleid worden en stap voor stap kunnen werken aan betere onderlinge verhoudingen.

Om de kinderen de beste kansen op een goede aanpassing aan de scheiding te geven, vergt elke verblijfsregeling een grondige bereidheid tot overleg en een goede verstandhouding tussen de ouders. Maar wat als die bereidheid of die verstandhouding er (tijdelijk) niet is? Het op stapel staande wetsontwerp stelt dat rechters verblijfsco-ouderschap als eerste keuze moeten overwegen, ook in die situaties waar er sprake is van een groot conflict tussen de ouders: de ene ouder wil een andere verblijfsregeling dan de andere. Wij vrezen dat de verplichting tot éénouderschap, die de meeste rechters nu tegen de zin van (ten minste) één der ouders (en de kinderen) uitspreken, dat conflict zeker niet oplost, maar enkel vergroot, omdat de hoofdverblijf-ouder dan meer macht heeft en de omgangs-ouder meer gefrustreerd is.

Een van de belangrijkste drijfveren voor deze wetgevende initiatieven is het feit dat de rechters zozeer van mening verschillen en hun uitspraken dus zo onvoorspelbaar zijn, dat de ouders ertoe aangezet worden om de andere ouder zo “zwart” mogelijk te maken. Hierdoor worden de kinderen nog te vaak benadeeld bij het vastleggen van de verblijfsregeling. Dat probleem vergt echter een mentaliteitswijziging in hoofde van rechters, ouders en de hele maatschappij. Het zal maar opgelost worden door het verplicht opleggen aan de rechters, de voorkeur te geven aan de verblijfsregeling die volgens de tientallen wetenschappelijke onderzoeken ter zake het belang van de kinderen het beste vrijwaart: het verblijfsco-ouderschap.

Jan Piet De Man



 
Omhoog
 

Het verblijfs-co-ouderschap als norm dient ook het belang van kinderen -

Standpunt van

 

21 februari 2005

Wij verbazen ons over de dovemansdiscussie van de laatste dagen over het voorontwerp van wet van minister Onkelinx. Zij wil de ‘gedeelde bewaring’ als norm stellen bij echtscheiding. Voortaan moet de rechter uitgaan van het principe dat kinderen na de scheiding evenveel tijd doorbrengen bij beide ouders. Als een van hen dat niet wil, is het aan hem/haar om aan te tonen dat die regeling niet de beste is.

De norm moet veranderen

‘In het belang van het kind’ (DS 16/02/05) verzetten ondermeer de Gezinsbond en het Kinderrechtencommissariaat zich tegen de ‘verplichting’ dat kinderen na een echtscheiding om de week of twee weken moeten verhuizen. Nochtans spreekt dit voorontwerp nergens van een verplichting, zoals belangengroepen van gescheiden vaders (DS 17/02/05) terecht opmerken. Het voorstel wil enkel dat de zogenaamde ‘tweeverblijfsregeling’ de norm wordt. Vroeger was de norm dat de kinderen bij een van ouders, meestal de moeder, bleven wonen, terwijl de andere, doorgaans de vader, bezoekrecht kreeg en onderhoudsgeld betaalde. Dat model bestendigde een stereotiepe verdeling: moeder zorgt, vader is afwezig.

Het lijkt ons in het belang van het kind dat dat verandert. Als we willen dat beide ouders evenveel verantwoordelijkheid opnemen voor hun kinderen, en dat eventueel kracht bijzetten via een ouderschapsbelofte, zoals wij eerder bepleitten (DS 14/05/04), dan is het alleen maar logisch dat dit ook na een echtscheiding verdergaat. Moeder en vader moeten zowel voor als na een scheiding hun deel van de zorg én van het financiële onderhoud van de kinderen op zich kunnen nemen. Of dat altijd helemaal fifty fifty moet, is niet essentieel. Het kan best dat ouders een andere regeling meer wenselijk vinden. Het (voor)ontwerp van de nieuwe wet voorziet die mogelijkheid.

Bemiddeling voorop

Goede afspraken vragen ook soepelheid. Een regeling voor een kind van zeven past misschien niet meer voor een kind van veertien, stelt het Kinderrechtencommissariaat terecht. Het is een goede zaak dat dit (voor)ontwerp van wet de procedures om de verblijfsregeling aan te passen, wil vereenvoudigen.

Als we echt het belang van het kind vooropstellen, moeten we onze pijlen niet richten op de kern van dit ontwerp, maar wel op de modaliteiten die zij voorziet om de gemaakte afspraken te doen naleven. Niemand vindt het inzetten van een deurwaarder om het kind bij de weerspannige ouder weg te halen, ideaal. Het financieel bestraffen van de weerspannige ouder bedreigt in de praktijk vooral de bestaanszekerheid van de kinderen. Anderzijds heeft het geen zin dat de samenleving een norm vooropstelt, en vervolgens niets doet als een van de ouders de afspraken die op basis daarvan gemaakt zijn, manifest aan de laars lapt.

Wat we missen in dit (voor)ontwerp van wet is ruimte voor bemiddeling. Wellicht kunnen veel problemen vermeden worden als de afspraken steunen op voldoende overleg, waarin niet alleen de ouders maar ook de kinderen een stem hebben. Op dat vlak ademt deze tekst een oude norm: de rechter beslist. Nergens is uitdrukkelijk sprake van tussenkomst van bemiddelaars. Nochtans kan een tweeverblijfsregeling pas lukken als alle betrokkenen zich in de afspraken kunnen vinden. Laten we ook dat proces maximale kansen geven en ijveren voor duidelijke bemiddelingsprocedures.

Gaby Jennes, Tanja Nuelant en Lut Verstappen
Hoger Instituut voor Gezinswetenschappen

Huart Hamoirlaan 136

1030 Brussel



 
Omhoog
 

Is de dader-slachtofferbemiddeling een mogelijkheid om het omgangsrecht regelmatig uit te oefenen?

Elke ouder bij echtscheiding moet zijn kinderen kunnen zien als een omgangsrecht via de rechtbank is vastgelegd. Vele moeilijkheden duiken veelvuldig op bij het uitoefenen van dat omgangsrecht. De ouder bij wie de kinderen officieel wonen, neemt het dikwijls niet zo nauw met de verplichting om de kinderen bij de andere ouder te laten gaan zoals dat in een vonnis of in een echtscheiding door onderlinge toestemming is voorzien. Ouders die hun kinderen van de andere ouder niet op bezoek mogen krijgen, vechten uiteraard om hun recht alsnog gerespecteerd te zien. Om dat te verkrijgen zijn er verschillende middelen.

Een van de mogelijkheden is klacht in te dienen bij de politie, een gewoon proces-verbaal te laten opstellen op grond van artikels 431 en 432 van het Strafwetboek, zich daarbij een attest laten bezorgen door de politie dat men zich als slachtoffer wil aanmelden bij de dienst Dader-Slachtofferbemiddeling en dan op die dienst een beroep doen.

Welk effect en welk resultaat dat kan opleveren, kunnen we voor de individuele gevallen vanuit onze afstandelijke positie niet goed inschatten, maar de mogelijkheid om het te doen met de hoop op een gunstig gevolg is wel aanwezig. De positie van het slachtoffer in het algemeen en in het bijzonder bij weigering van het contactrecht van de gescheiden ouder met zijn kinderen is sinds de kleine wet Franchimont aanzienlijk verbeterd. Hoe efficiënt de diensten voor dader-slachtofferbemiddeling werken, kunnen we misschien lezen in de publicatie "Waarom? Slachtoffer-daderbemiddeling in Vlaanderen." Suggnomé vzw, Garant Uitgevers, 269 blz. 26,90 euro.

De Standaardredactrice Inge Ghijs schreef over het systeem van slachtoffer-daderbemiddeling een artikel in de krant van woensdag 14 december 2005 BINNENLAND blz. 5 onder de titel :

Dader en slachtoffer lossen het zelf op

Het boek 'Waarom? Slachtoffer-dader bemiddeling' legt uit waarom bemiddeling zo heilzaam is.

LEUVEN. Waarom? Dat is de kernvraag bij veel mensen die slachtoffer worden van een misdrijf. Een rechtszaak geeft op die vraag vaak geen antwoord. Het slachtoffer heeft het gevoel dat hij er tijdens de rechtszitting voor spek en bonen bijzit, dat beslissingen over zijn hoofd heen worden genomen en het vonnis is vaak een teleurstelling. En bij de dader bestaat soms de behoefte aan contact met het slachtoffer om te praten over de feiten.

Daarom werd in de jaren negentig gestart met slachtoffer-dader bemiddeling. Beiden zoeken samen naar een overeenkomst waarbij de dader de schade kan herstellen, zowel materieel als moreel. Het slachtoffer wordt erkend, heeft een eigen inbreng, kan zijn vragen stellen.

Suggnomé vzw coördineert in 11 gerechtelijke arrondissementen en in twee gevangenissen de bemiddeling en levert de 14 neutrale bemiddelaars. In 2004 ging het om 557 afgeronde bemiddelingsprocessen. In 350 gevallen werd de bemiddeling volledig doorlopen. Daarvan kwam het in 62 procent van de gevallen tot een schriftelijke overeenkomst.

In juli 2005 werd de wet daarover goedgekeurd. Maar omdat slachtoffer-dader bemiddeling nog onbekend is, bundelde Suggnomé zijn ervaringen in het boek Waarom? Daarin wordt uitgelegd wat slachtoffer-dader bemiddeling is.

De basisprincipes: Vrijwilligheid, dader en slachtoffer zijn vrij om eraan deel te nemen. Onpartijdigheid, de bemiddelaar is neutraal. Vertrouwelijkheid, de partijen kiezen zelf welke informatie aan het gerecht wordt gerapporteerd.

Wie kan bemiddeling vragen? Iedereen die er belang bij heeft: slachtoffer, dader, parket, onderzoeksrechter, advocaten.

Voor welke feiten? Voor alle feiten. Maar het is alleen mogelijk als er een dader is die de feiten bekent en een slachtoffer met een aanwijsbare schade.

Wanneer vindt bemiddeling plaats? Het gebeurt meestal tegelijkertijd met het gerechtelijk onderzoek. Maar het kan ook tijdens de strafuitvoering, dus na het proces.

Is er direct contact met de dader? In negen op de tien gevallen is er geen direct contact, maar pendelt de bemiddelaar tussen dader en slachtoffer.

Wat met het proces? Een proces komt er hoe dan ook. Slachtoffers denken soms dat ze nog gerechtelijke vervolging kunnen voorkomen, maar dat kan niet. Er is ook een reactie van de maatschappij op de gepleegde feiten nodig. Door de overeenkomst toe te voegen aan het gerechtelijk dossier wordt aan de rechter gevraagd om met het bemiddelingsresultaat rekening te houden. Maar de rechter behoudt de vrijheid om te bepalen in welke mate hij dat doet.

G.I.



 
Omhoog
 

Gelijkwaardig ouderschap

In de discussie over de nieuwe wetsvoorstellen van minister Donner en kamerlid Luchtenveld wordt ook regelmatig de vraag gesteld of gelijkwaardig ouderschap, co-ouderschap, wel zo wenselijk is. Joep Zander en Harry van Bommel menen dat het kind wel gediend is met gelijkwaardig ouderschap en dat het wetsvoorstel van het VVD-Kamerlid Luchtenveld een stapje in de goede richting is. Als zaken na scheiding goed worden geregeld heeft dat een maatschappelijke uitstraling naar de gelijkwaardigheid van ouders binnen het gezin in het algemeen en bevordert dit de betrokkenheid van vaders bij de opvoeding en zorg.

De uitgangspunten voor gelijkwaardig ouderschap zijn terug te vinden in de internationale Verklaring van Langeac uit 1999. Gelijkwaardige ouders delen de opvoeding van hun kinderen, combineren op verantwoorde wijze zorg en arbeid terwijl overheden garanderen dat opvoedingsondersteunende voorzieningen beschikbaar en betaalbaar zijn. Een eventuele scheiding verandert niets aan de rechten en plichten van beide ouders. Op deze terreinen is er in ons land veel verbetering nodig. Nu het vaderschap zich mag verheugen in een nieuwe belangstelling is het goed om een aantal zaken die gelijkwaardig ouderschap in de weg staan nader te belichten.

Een belangrijk uitgangspunt van gelijkwaardig ouderschap is dat ouderschap uitsluitend is gebaseerd op de relatie kind-ouder, niet op de relatie tussen ouders onderling.
Kinderen zijn gediend met een aanwezige en betrokken moeder én vader. Kinderen met betrokken vaders hebben minder moeite met het maken van vrienden en lijken minder moeite te hebben met stressvolle situaties en functioneren effectiever in hun sociale omgeving. Kinderen die opgroeien zonder vader missen een wezenlijke factor in hun leven, dat kan leiden tot meer zelfmoord en criminaliteit. Per jaar verliezen minstens13.500 kinderen in ons land het contact met hun vader ten gevolge van een partnerscheiding, een zelfde aantal houdt een zeer miniem en/of slecht contact over. Het, toch al matige, omgangsrecht na een scheiding is wel wettelijk geregeld, maar in de praktijk zijn rechters niet gediend van dit recht. Daardoor loopt een groeiende groep kinderen het risico van schade in de ontwikkeling. Er is wetswijziging nodig om te komen tot een beter en vooral ook gelijkwaardiger verzorgingsrecht los van de status van de relatie tussen de ouders.

Gelijkwaardig ouderschap stelt dat de continuering van de opvoedingsrelatie tussen kind en beide ouders het enig denkbare humane perspectief is voor het kind. En het belang van dit perspectief is voor de veiligheid van het kind van een heel andere orde dan de eenheid van woonplaats. Het is niet erg dat kinderen op twee volwaardige woonplekken wordt opgevoed. Het kan zelfs een heel belangrijk pluspunt zijn als een kind de gelegenheid krijgt te ervaren dat er niet een opvoedingsstijl en opvoedingsomgeving is en dat vaders het dikwijls anders doen dan moeders. En hoe minder mensen zeuren over de veronderstelde, maar niet aangetoonde, gevaren hoe minder ze aan de orde zijn. Immers kinderen die twee woonplekken hebben bij voorbaat als kansarm bestempelen kan ertoe leiden dat ze als minderwaardig behandeld worden.

Gelijkwaardig ouderschap is geen rigide standpunt. Ieder ouderpaar zou goed moeten nadenken wat goed is voor het kind en wat past in de (ex-)gezinssituatie. Gelijke rechten voor ouders is wel de enig denkbare basis om beide ouders onvoorwaardelijke opvoedingsverantwoordelijkheid te laten dragen. Dat betekent dat beiden de plicht en het recht hebben om gelijkwaardig aan de opvoeding deel te nemen. Bij gebrek aan enige overeenkomst kan dat betekenen dat er ook kwantitatief een 50-50 verdeling van de zorg plaatsvindt. Deze wettelijke en juridische basis voor gelijkwaardig ouderschap geeft ouders juist een veilige uitgangspositie om gezamenlijk tot een bij hun situatie passende oplossing te vinden. Dit voorkomt schade voor het kind dat anders moet kiezen tussen vader of moeder en wordt opgescheept met een georganiseerd gebrek aan respect voor ouderschap en integriteit.

Vaders die invulling willen geven aan gelijkwaardig ouderschap lopen in de praktijk ook tegen andere hindernissen aan dan de discriminerende familierechtpraktijk alleen. “De lokale overheid moet vaders steunen in hun zorgtaken door instellingen zoals consultatiebureaus te stimuleren vaders serieus te nemen als opvoeders. Werkende ouders dienen, net als in Denemarken, door bedrijven een contract te worden aangeboden waarin de werkuren worden aangepast aan de schooltijden van de kinderen.” Deze aanbevelingen van de Nederlandse Gezinsraad (het gezinsparlement) zijn onder de aandacht van de politiek gebracht maar er is helaas weinig aandacht aan geschonken. Inmiddels is het volgens het CBS een feit dat de dubbele (zorg plus werk) belasting voor vaders inmiddels groter is dan die voor moeders.

Media bevestigen dikwijls het beeld van de onhandige en secundaire rol van de vader. De autonome kracht van het vaderschap wordt zelden in beeld gebracht en achtergronden van vaderproblemen zijn erg onderbelicht. Gedegen wetenschappelijk onderzoek wordt zelden gedaan en in de kritiek op gelijkwaardig ouderschap wordt verder geborduurd op sentimenten en mythes die met de werkelijkheid weinig hebben uit te staan. Een van de ergste mythes is dat vaders zouden opkomen voor zichzelf in plaats van voor hun kinderen.

Voor vaders, al dan niet in een huwelijkse relatie, is er een wereld te winnen. Maar juist ook de samenleving en kinderen kunnen een verloren wereld van vaderschap herwinnen. Elk kind heeft een vader en een moeder en elk kind heeft recht op onvoorwaardelijke zorg van beide ouders.

Joep Zander en Harry van Bommel

Bron: Staatscourant van 26 oktober 2005

- Harry van Bommel is politicoloog
- Joep Zander is pedagoog, van hem verscheen recent het boek: "Gemist Vaderschap"



 
Omhoog
 

'Vaders zeker niet minder belangrijk dan moeders'

Opgroeien zonder vader hangt in sterke mate samen met gedragsproblemen, schooluitval en vandalisme bij kinderen, zegt bijzonder hoogleraar pedagogiek Louis Tavecchio van de Universiteit van Amsterdam.

Volgens Tavecchio, die zich al vele jaren verdiept in de betekenis van het vaderschap, zijn vaders zeker niet minder belangrijk dan moeders.

Toch wordt hun betekenis voor het opvoedingsproces nog steeds schromelijk onderschat. Schrikbarende voorbeelden van hoe het uit de hand kan lopen in vaderloze gezinnen, zijn te vinden in de getto's van grote Amerikaanse steden.

Kinderen in eenoudergezinnen hebben vier tot vijf keer meer kans op fysieke mishandeling en emotionele verwaarlozing dan kinderen uit gezinnen met een moeder en een vader. .

Ook later geeft vaderloosheid problemen. Jongeren die vaderloos zijn opgegroeid gebruiken vaker drugs, vertonen meer riskant seksueel gedrag, zijn vaker werkloos, crimineel en in detentie. "Er is in deze gezinnen natuurlijk dikwijls meer aan de hand, zoals armoede, werkloosheid en uitzichtloosheid," zegt de hoogleraar.

Louis Tavecchio schrijft over de betekenis van vaders in het boek 'Gemist. vaderschap' van Joep Zander en Emiel Smulders. Hieraan levert onder anderen ook Harry van Bommel, politicus, een bijdrage.
Uitgever: Rela Publishing in Deventer. Prijs: 13,50 euro.

Bron: Algemeen Dagblad (Nederland) - 3 april 2006


 
Omhoog
 

Kinderloze vaders lijden in stilte

Onpeilbaar verdriet kenmerkt de levens van vaders die hun kinderen niet mogen zien. Soms halen ze als Dwaze Vaders in Zorro-pak het journaal. Maar meestal houden ze zich stil. Een oerdrang is het. Een ‘heilig moeten’ waaraan Pieter Koole tot zijn grote frustratie geen gehoor kan geven. ,,Heel diep van binnen voel ik de enorme kracht die mij verplicht voor mijn dochters te zorgen. Ze te voeden, te koesteren, te beschermen. Dat mij dat onmogelijk wordt gemaakt, veroorzaakt een onpeilbaar verdriet.’’

Drie jaar heeft Pieter Koole (45), eigenaar van een bedrijf in Noord-Limburg dat onder meer biobrandstof produceert, zijn twee dochters niet meer gezien. Volkomen onverwachts vertrok zijn vrouw met meeneming van zijn kroost, toen 2 en 5 jaar. Een periode van juridische touwtrekkerij volgde. Sinds 2003 is het echter stil.

In Nederland zien heel veel vaders hun kinderen niet meer. Volgens demograaf prof. dr Jan Latten, verbonden aan het Centraal Bureau voor de Statistiek, heeft 44 procent van de kinderen uit scheidingen geen of slecht contact met de vader.

Dit betekent dat er in absolute cijfers elk jaar 15.000 tot 18.000 kinderen bijkomen die hun vader niet of amper zien. Tel daarbij de naar schatting 4400 tot 8800 kinderen in eenzelfde situatie van stellen die hebben samengewoond.

Achteraf gezien kan Pieter Koole er begrip voor opbrengen dat zijn vrouw hem verliet. ,,Zakelijk hadden we zware jaren achter de rug. Door financiële zorgen kon ik de slaap niet vatten. Liep ik ’s nachts te ijsberen door het huis. Toch: ik dacht dat we een harmonieus en liefdevol gezin vormden, ondanks de geldzorgen. Ik heb het niet zien aankomen.’’

Tien dagen waren vrouw en dochters spoorloos - ‘Ik dacht dat ik gek werd’ - toen bleek dat zij zich 240 kilometer verderop hadden gevestigd.

,,Per post kreeg ik bericht dat ons huwelijk was ontbonden. Nu ja, dat moest ik accepteren. Maar al snel bleek dat zij ook niet wilde dat ik mijn kinderen zag. Waarom precies heb ik nooit begrepen. In elk geval niet omdat ik de kinderen zou slaan of seksueel zou misbruiken; iets dergelijks heeft mijn ex me nooit verweten.’’

Het gemis van zijn kinderen was in deze spanningsvolle periode ‘de nekslag’. ,,Huilen, huilen, huilen... Ik kon niet meer functioneren, viel achttien kilo af. Het is moeilijk uit te leggen hoe intens het verdriet voelt. Het jaar ervoor had ik mijn vader verloren, met wie ik een goed contact had. Dat kwam hard aan, maar vergeleken bij het gemis van mijn kinderen was het veel makkelijker te accepteren.’’

De ontreddering waarin Pieter Koole was terechtgekomen, pleitte bij de Raad voor de Kinderbescherming niet in zijn voordeel. ,,Ik kreeg te horen: ‘Bij zo’n wrak zou ik mijn kinderen ook niet laten’ en ‘Huilende vaders zijn slecht voor kinderen’. Ik zou ‘mogelijk aan de alcohol zijn’, wat pertinent niet waar is. Kortom: er kwam een zweem van suggestie over de zaak te hangen waartegen ik onmogelijk kon opboksen.’’

Jaren volgden gevuld met strijd over een omgangsregeling. Soms kreeg Koole die toegewezen, soms juist niet ‘om de kinderen rust te geven’. Maar vrijwel steeds bleef contact uit. Intussen blijft het gemis knagen.

Pieter Koole noemt zich ‘een geboren vader’. ,,Ik heb van jongs af aan kinderen gewild. En toen ze er eenmaal waren, heb ik me intensief met hen bemoeid. Ik weet nog dat ik mijn dochters elke dag meenam naar de kersenboom. Bloesem bekijken. Ontdekken hoe die bloempjes langzaam plaatsmaken voor vruchten. En die dan plukken en thuis opeten.

,,Ze hebben m’n ziel eruit getrokken en die wil ik terug. Die pijn, de woede die dat oplevert; dat snapt alleen iemand die hetzelfde meemaakt. We huilen uit bij elkaar. Steunen elkaar met praktische informatie. Toch hoor je zelden van deze vaders omdat ze doodsbang zijn. Elk rumoer kan de kans op het zo gewenste contact weer verminderen.’’

Desondanks zijn de ‘dwaze’ vaders bij het grote publiek bekend door hun acties in Zorro- en Spider- Man-pakken. Ook Pieter Koole heeft ooit deelgenomen aan een bezetting van een kantoor van de Raad voor de Kinderbescherming. ,,We haalden het NOS Journaal, RTL Nieuws en heel veel kranten.’’

Tweede-Kamerleden bestookte hij met zijn ‘ouderschapsplan’. ,,Om problemen te voorkomen, zouden ouders op het moment dat een kind op komst is, al afspraken moeten maken over hoe het verder moet met hun ouderschap wanneer zij onverhoopt uit elkaar mochten gaan,’’ legt hij uit.

Zijn eigen kinderen zijn boos op hem, weet Pieter van zijn moeder, die haar kleinkinderen onlangs bezocht, nadat ze hen ook drie jaar niet had gezien.

Veel kinderen die een ouder lang niet hebben gezien, lijden aan het ouderverstotingssyndroom. Dit komt erop neer dat het voor een kind minder moeilijk is kwaad te zijn op de afwezige ouder dan van hem te blijven houden. Dat laatste is pijnlijker.

Denkt Pieter ze ooit weer te ontmoeten? ,,Ik heb mijn hoop gevestigd op mijn jongste. Wie weet dat zij zich ooit meldt. Dan hoop ik dat haar oudere zus ook over de brug komt.’’

Vaderbeweging al decennia actief

De strijd van vaders die het recht opeisen hun kinderen te zien is al tientallen jaren oud. Maar pas in de jaren zeventig, toen het aantal echtscheidingen erg toenam, kreeg de vaderbeweging echt vorm.

In 1971 werd voor het eerst in de wet de mogelijkheid opgenomen omgangsregelingen toe te wijzen, al waren die nog beperkt. Organisaties als de Bond Ouders Minderjaren bepleitten voor vaders behoud van omgang en gezag. Ook harde acties behoorden tot het repertoire. De Italiaanse vader Salvador Renzulli stak zichzelf in brand voor de rechtbank in Almelo. Hij overleefde deze actie niet.

Pas in 1990 kregen vaders in de wet het recht op omgang met hun kinderen. De Stichting Dwaze Vaders ontstond, die kantoren van Raden voor Kinderbescherming en rechtbanken bezette. Gezamenlijk gezag van moeder én vader behoorde vanaf 1995 tot de wettelijke mogelijkheden, maar werd pas in 1998 standaard. In de praktijk is omgang en gezag lang niet altijd gelijkwaardig verdeeld, omdat voor de rechter het begrip 'het belang van het kind' centraal staat.

De vaderbeweging kreeg een nieuwe impuls met Fathers4Justice. Verkleed als Zorro of SpiderMan bezetten leden bruggen en paleisdaken. Sinds de "Wet voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding" van toepassing vanaf 1 maart 2009 is een ‘ouderschapsplan' verplicht waarin ouders die scheiden afspraken moeten maken over verzorging en opvoeding van hun kind.

Bron: Algemeen Dagblad (Nederland) - 3 april 2006



 
Omhoog
 

'We hebben afgesproken dat je vader aan je zat'

AMSTERDAM - Experts hebben kritiek op politie en hulpverleners die onderzoek proberen te beïnvloeden. Zo is er een bureau dat kinderen voorkauwt wat ze moeten vertellen.

Politieagenten die klakkeloos het verhaal van de aangeefster aannemen. Therapeuten die zich inhoudelijk bemoeien met politieverhoren. Vrouwen die aangifte doen louter op basis van droombeelden. Moeders-in-scheiding die hun kind wilde beschuldigingen laten uiten tegen hun ex.

Het is een greep uit de kritiek van de landelijke expertisegroep bijzondere zedenzaken in het gisteren gepubliceerde jaarverslag over 2001 en 2002.

De groep van deskundigen, eind 1999 ingesteld door het college van procureurs-generaal, beoordeelt zedenzaken waarbij sprake is van hervonden herinneringen, ritueel misbruik en herinneringen van vóór het derde levensjaar. Dat moet voorkomen dat beschuldigden te lichtvaardig worden aangehouden.

In slechts drie van de dertig zaken die in 2001 en 2002 werden bekeken, werden 'geen gronden voor ongeloofwaardigheid' aangetroffen.

In de andere zaken adviseerden de experts onmiddellijk te stoppen, of nader onderzoek te doen. Bij twee zaken werd, nog voordat rapport was opgemaakt, al duidelijk dat het om een valse aangifte ging.

Officieren van justitie volgen het advies van de groep altijd op. Sinds het ontstaan van de werkgroep zijn 55 zedenzaken voorgelegd, waarvan er uiteindelijk 45 niet zijn doorgezet.In het jaarverslag geven de deskundigen een overzicht van de omstandigheden die bij dergelijke aangiftes een rol spelen.

In ruim een derde van de zaken speelde echtscheiding een rol. Aangeefsters waren vaak in therapie geweest vanwege psychische problemen.

Therapeuten stelden zich soms zeer onprofessioneel op. Een vrouw achtervolgde met haar psychotherapeut een vroegere leraar die zij van misbruik beschuldigde. Een psychiatrisch verpleegkundige ging mee naar politieverhoren om tegenstrijdigheden in de aangifte te verklaren en gaf een interview aan een landelijke krant over de zedenzaak van haar patiënte. Een psychotherapeute verklaarde dat zij herinneringen van voor de geboorte kan oproepen.

De expertisegroep ontdekte zelfs het bestaan van een bureau dat kinderen voorbereidt op verhoor bij de politie. Daarbij is sprake van forse beïnvloeding, getuige de brief van het bureau aan een vermeend slachtoffertje: 'Gistermiddag is je moeder hier geweest. We hebben gisteren afgesproken dat we bij de politie gaan vertellen dat je vader vaak aan je ''poenie'' heeft gezeten. Dat moet je wel durven en daarom gaan we goed oefenen.' De kwaliteit van de aangiftes is soms inferieur. Agenten vragen niet door, stellen suggestieve vragen en zijn soms te slachtoffergericht.

In een geval hadden de politieaantekeningen volgens de werkgroep niet het karakter van een verhoor maar veeleer van een 'redactioneel commentaar van de aangeefster'.

Ellen de Visser

Bron: De Volkskrant van zaterdag 21 februari 2004



 
Omhoog
 
     
Laatste update : 8 april 2016| Vragen welkom bij : Webmaster Top | Home