De komende wet op de onderhoudsbijdragen voor de kinderen
Inleiding
Op 28 februari 2009 dienden enkele kamerleden van de Franstalige CDH een wetsvoorstel in om een objectieve berekening van de onderhoudsbijdragen voor de kinderen te bevorderen.
Het voorstel werd door toedoen van Staatssecretaris voor Begroting en Gezinsbeleid Melchior Wathelet omgevormd tot een ontwerp, dat door de regering wordt ondersteund.
Het oorspronkelijke voorstel omvatte 4 wetsartikels en beperkte zich tot het bevorderen van die objectieve berekening bij voorkeur aan de hand van de bekende Methode Renard waarvan de eerste versie gepubliceerd werd in 1986 in het Journal des Tribunaux.
Intussen is er tussen 28 februari en 11 juni 2009 flink wat wetgevend werk verricht in de Kamer van Volksvertegenwoordigers en is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de hele systematiek van de onderhoudsbijdragen voor kinderen ingrijpend te wijzigen. Het voorstel is daardoor uitgegroeid van 4 artikels tot 17 artikels. Voor de objectivering van de onderhoudsbijdragen op basis van de Methode Renard is er in het ontwerp nog weinig sprake. Wél moet de rechter volgens de nieuwe wet, waarvan de tekst in pleno werd goedgekeurd op 11 juni 2009, in zijn vonnis een aantal redenen opnemen op grond waarvan hij het bedrag van de onderhoudsuitkering vastlegt.
Wij overlopen de goedgekeurde tekst van het wetsontwerp in zijn geheel en geven de belangrijkste vernieuwingen aan, waarmee onderhoudsplichtige en onderhoudsgerechtigde in de toekomst rekening zullen moeten houden. Er zijn wijzigingen aan het Burgerlijk Wetboek en ook aan het Gerechtelijk Wetboek.
Wijzigingen Burgerlijk Wetboek (B.W.)
Het basisartikel (art. 2 nieuwe wettekst) van het hele systeem van onderhoudsbijdragen voor kinderen is en blijft Art. 203 § 1 “De ouders dienen naar evenredigheid van hun middelen te zorgen voor de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen”. Aan het rijtje bestedingsdoelen voor de onderhoudsgelden werden toegevoegd “de gezondheid” en bij de opleiding ook “de ontplooiing” van de kinderen. Behouden blijft alinea 2 van art. 203 §1: “Als de opleiding niet voltooid is, loopt de verplichting door na de meerderjarigheid van het kind.” Dat houdt concreet in dat de onderhoudsverplichting zeker doorloopt tijdens de eerste cyclus van de hogere studies van het kind.
In Art. 203 § 2 worden de “middelen” uit §1 omschreven. Dat zijn “alle beroepsinkomsten, roerende en onroerende inkomsten van de ouders, alsook alle voordelen en andere middelen die hun levensstandaard en die van de kinderen waarborgen”. De vroegere §2 over de blijvende onderhoudsverplichting van de langstlevende echtgenoot t.o.v. de kinderen van de overleden echtgenoot blijft behouden en wordt nu §3.
Art. 203bis wordt in art. 3 van de wettekst uitvoerig uitgebreid:
- § 1 “Elke ouder draagt bij in de kosten die voortvloeien uit de bij art. 203, § 1, bepaalde verplichting, in verhouding tot zijn respectieve aandeel in de samengevoegde middelen. - § 2 “Onverminderd de rechten van het kind, kan elk van de ouders van de andere ouder diens bijdrage vorderen in de kosten voortvloeiende uit art. 203, §1.
- § 3 Hier wordt het begrip ‘buitengewone kosten’ voor het eerst gelegaliseerd. “De kosten omvatten de gewone kosten en de buitengewone kosten.
De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten m.b.t. het dagelijkse onderhoud van het kind.
Onder buitengewone kosten wordt verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorziene uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden”.
- § 4 Als één van de ouders het vraagt, kan de rechter de ouders verplichten een bankrekening te openen. Daarop worden de onderhoudsbijdragen geplaatst. De rechter bepaalt dan op zijn minst:
“1° de bijdrage van elk van de ouders in de kosten bedoeld in art. 203, §1 alsook de sociale voordelen die aan het kind toekomen die op deze rekening gestort dienen te worden;
2° het tijdstip waarop deze bijdragen en sociale voordelen gestort dienen te worden;
3° de wijze waarop over de op deze rekening gestorte sommen kan worden beschikt;
4° de kosten die betaald worden met deze gelden;
5° de organisatie van het toezicht op de uitgaven;
6° de manier waarop tekorten aangevuld zullen worden;
7° de bestemming van de overschotten die op deze rekening gestort worden.”
Daarvoor zal de rechter zorgvuldig en gedetailleerd tewerk moeten gaan.
Art. 203ter over de ontvangstmachtiging bij een derde door de onderhoudsgerechtigde van de niet-betaalde en verschuldigde onderhoudsbijdragen wordt gedeeltelijk opnieuw geformuleerd en ondergebracht in 6 alinea’s. Opvallend nieuw is alinea 2 “In alle geval staat de rechter de machtiging toe indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende, termijnen in de loop van twaalf maanden die aan het indienen van het verzoekschrift voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan zijn verplichting tot betaling van levensonderhoud”. De rechter moet die ontvangstmachtiging toestaan in deze situatie, is daartoe niet verplicht als de niet-betaling van onderhoudsgelden geconstateerd wordt in een latere periode.
Nieuw is ook dat de griffier het vonnis ter kennis moet brengen bij de derden-schuldenaars door middel van een gerechtsbrief. Dat is ook zo als het vonnis ophoudt gevolgen te hebben. De griffier moet in zijn gerechtsbrief het bedrag vermelden dat de derde-schuldenaar moet betalen of niet langer meer hoeft te betalen.
In art. 5 van de wettekst wordt een art. 203quater toegevoegd. Dat stelt dat zowel in een vonnis als bij een overeenkomst in onderlinge toestemming de onderhoudsbijdrage van rechtswege wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. De aanpassing moet van rechtswege worden aangepast om de twaalf maanden. “Deze basisbijdrage is gebonden aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van de maand die voorafgaat aan de maand waarin het vonnis (of de EOT-overeenkomst) dat de bijdrage van elk van de ouders bepaalt, wordt uitgesproken (of wordt afgesloten). De aanpassing wordt op de onderhoudsuitkering toegepast vanaf de vervaldag die volgt op de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in aanmerking te nemen nieuwe indexcijfer.
De regel van drie moet blijvend worden toegepast: basisbijdrage (b.v. 200 euro) vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer gedeeld door het indexcijfer van de maand voorafgaand aan de maand van het vonnis of van het afsluiten van de EOT-overeenkomst.
Denkbeeldig voorbeeld indien de wet nu al zou worden toegepast. Het vonnis of de overeenkomst valt in juni 2008. De aanpassing aan het indexcijfer van de consumptieprijzen moet gebeuren op 1 juni 2009. Het basisbedrag uit het vonnis of de overeenkomst is 200 euro.
Berekening: 200 x 111,25 (indexcijfer mei 2009) : 111,66 (indexcijfer mei 2008) = 199,26563 (afgerond op 199,27 euro). Dit zou in deze crisisperiode een vermindering opleveren voor de onderhoudsplichtige van 0,73 euro per maand onderhoudsbijdrage voor het kind.
We onthouden ook art. 7 van de nieuwe wettekst. Dat wordt artikel 336 van het Burgerlijk Wetboek: “Het kind wiens afstamming van vaderszijde niet vaststaat, kan van degene die gedurende het wettelijke tijdvak van de verwekking met zijn moeder gemeenschap heeft gehad, een onderhoudsbijdrage vorderen op grond van art. 203, § 1.” De inhoud van het vroegere artikel is behouden, de formulering lichtjes gewijzigd.
Wijzigingen Gerechtelijk Wetboek (G.W.)
In de wettekst art. 10 wordt art. 626 van het G.W. aangevuld. Het betreft de bevoegdheid van de vrederechter inzake geschillen betreffende onderhoudsgelden. Het artikel 626 wordt nu:
“De vorderingen betreffende de uitkeringen tot onderhoud, bedoeld in art. 591, 7°, kunnen worden gebracht voor de rechter van de woonplaats van de eiser, de vorderingen strekkende tot de verlaging of de opheffing van deze uitkeringen uitgezonderd.” (in rood nu toegevoegd).
In de wettekst art. 11 wordt art. 1253quater 1° in b) en 2° in c) en d) de griffie de verplichting opgelegd kennisgeving te doen door middel van een gerechtsbrief. Het gaat hier om vorderingen betreffende onderhoudsgelden.
In de wettekst art. 12 wordt art. 1320 lichtjes aangepast. “De vorderingen tot toekenning, verhoging, verlaging of afschaffing van de uitkering tot levensonderhoud kunnen worden ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, overeenkomstig de artikelen 1034bis tot 1034sexies”. Hier komt geen dagvaarding meer aan te pas, wel een verzoekschrift.
Van verstrekkende betekenis (art. 13 van de wettekst) is een volledig nieuw artikel 1321 in het G.W. Hier worden de verplichtingen van de rechter in de formulering van zijn vonnis in drie paragrafen expliciet aan de orde gesteld. Ik neem het in extenso over:
“Art. 1321. §1. Behoudens akkoord van de partijen over het bedrag van de onderhoudsbijdrage in het belang van het kind, vermeldt elke rechterlijke beslissing die de onderhoudsbijdrage vaststelt op grond van art. 203, §1, van het B.W. volgende elementen:
1° de aard en het bedrag van de middelen van elk van de ouders door de rechter in acht genomen op grond van art. 203, §2, van het B.W.; 2° de gewone kosten waaruit het budget voor het kind is samengesteld alsook de manier waarop deze begroot zijn;
3° de aard van de buitengewone kosten die in acht genomen kunnen worden, het deel van deze kosten dat elk van de ouders voor zijn rekening dient te nemen alsook de modaliteiten voor de aanwending van deze kosten;
4° de verblijfsregeling van het kind en de bijdrage in natura van elk van de ouders in het levensonderhoud van het kind t.g.v. deze verblijfsregeling;
5° het bedrag van de kinderbijslag en van de sociale en fiscale voordelen van alle aard die elk van de ouders voor het kind ontvangt;
6° de inkomsten die elk van de ouders in voorkomend geval ontvangt uit het genot van de goederen van het kind;
7° het aandeel van elk van de ouders in de tenlasteneming van de kosten voortvloeiende uit art. 203, §1, van het B.W. en de daarop eventueel vastgestelde onderhoudsbijdrage, evenals de modaliteiten voor de aanpassing ervan op grond van art. 203quater van het B.W.
8° de bijzondere omstandigheden van de zaak die in acht genomen zijn.
§2. De rechter verduidelijkt:
1° op welke manier hij de in §1 bedoelde elementen in acht genomen heeft:
2° bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, op welke manier hij de onderhoudsbijdrage en de modaliteiten voor de aanpassing ervan overeenkomstig art. 203quater, 62, van het B.W. heeft bepaald, ingeval hij afwijkt van de in art. 1322,§3 voorziene berekeningswijze.
§3. Het vonnis vermeldt de gegevens van de Dienst voor alimentatievorderingen, opgericht bij de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, en wijst op diens opdracht betreffende het toekennen van voorschotten op onderhoudsbijdragen en de invordering van verschuldigde onderhoudsbijdragen.”.
Art. 14 van de wettekst voorziet in een volkomen nieuw art. 1322 van het G.W. waarin een commissie voor onderhoudsbijdragen wordt opgericht die aanbevelingen opstelt voor de begroting van de kosten die voortkomen uit art. 203, §1 van het B.W. en de vaststelling van de bijdrage van elk van de ouders in overeenstemming met art. 203bis van het B.W. De commissie evalueert jaarlijks die aanbevelingen en brengt advies uit aan de minister van Justitie en de minister bevoegd voor de Gezinnen en dat voor de 31ste januari van het volgende jaar. De minister van de Gezinnen legt dat advies neer in de federale Kamers met daarbij zijn bemerkingen.
Art. 15 van de wettekst voorziet in een bijkomend art. 1322/1 dat zegt dat de beslissing die uitspraak doet over een onderhoudsbijdrage van rechtswege uitvoerbaar is bij voorraad, tenzij de rechter hierover anders beslist op vraag van een van de partijen.
Art. 16 bevat de overgangsbepaling en art. 17 stipuleert de inwerkingtreding van de wet.
Besluit
De nieuwe wet beoogt beslist een objectivering van de systematiek van de onderhoudsbijdragen én tegenover de onderhoudsplichtige én ten overstaan van de onderhoudsgerechtigde. Zij compliceert evenwel de procedure waarbij de partijen bijzonder veel gegevens moeten aanreiken aan de rechter en waarbij de rechter heel nauwkeurig zijn beslissing moet motiveren tegenover de partijen. Over het principe van de onderhoudsuitkering hoeft niet de minste twijfel te bestaan: een kind heeft recht op die bijdragen in functie van zijn opvoeding tot volwassene. Bij scheiding moet op basis van het nieuwe systeem een groter rechtvaardigheidsgevoelen kunnen ontstaan bij zowel betaler als bij de trekker van de bijdragen. Als de rechter heel ernstig de financiële mogelijkheden van de beide ouders in acht neemt voor de vastlegging van beider bijdragen voor de kinderen, dan moet dat in de meeste gevallen door de rechtzoekenden ook als billijk ervaren worden en dus psychisch veel dragelijker zijn dan met de tot dusver geldende wetgeving.
In elk geval brengt de nieuwe wet een ingrijpende verandering tot stand voor de onderhoudsbijdragen voor de kinderen bij scheiding.
Ghislain Duchâteau
27 juli 2009
Voor de volledige tekst in het Nederlands en het Frans klik opDOC 52 0899/007
Onderhoudsgeld voor kinderen en kinderbijslag bij scheiding
Bij een scheiding hebben de kinderen, of de ouder die voor hen verantwoordelijk is, recht op onderhoudsgeld. Een scheiding kan ook gevolgen hebben voor de kinderbijslag.
1. Alimentatiegeld
Hoeveel?
Het alimentatiebedrag kan door de ex-partners in onderling overleg worden vastgesteld, via tussenkomst van een scheidingsbemiddelaar of advocaten. Indien zij geen akkoord bereiken, kan de vrederechter het bedrag vaststellen.
Er bestaan geen vastgelegde wettelijke bedragen. Wel wordt er doorgaans gewerkt met de zogenaamde schaal van Renard om de onderhoudsbedragen voor kinderen te berekenen. Deze formule is gebaseerd op de feitelijke uitgaven van het gezin en op de leeftijd van het kind. De Gezinsbond van Wezemaal ontwikkelde een online tool om indicatieve onderhoudsbedragen te berekenen.
Fiscale aftrek
Het betaalde alimentatiegeld is voor 80% fiscaal aftrekbaar. Lees meer in het artikel 'Kinderen en de fiscus'.
Dienst voor Alimentatievorderingen
Omdat er heel vaak problemen waren met de correcte betaling en inning van het alimentatiegeld tussen ex-partners, werd door de federale regering de Dienst voor Alimentatievorderingen (Davo) in het leven geroepen. Het gaat om een onderdeel van de FOD Financiën die kan tussenkomen om het onderhoudsgeld te innen. De Davo kan ook een aantal kosten, en in sommige gevallen het alimentatiegeld zelf, voorschieten.
Procedure
Dien de aanvraag schriftelijk en in twee exemplaren in bij een DAVO-kantoor of een registratiekantoor. De formulieren moeten ondertekend worden door de schuldeiser, zijn wettelijke vertegenwoordiger of door zijn advocaat. Het aanvraagformulier en meer toelichting om het in te vullen vind je hier. Het Davo-kantoor in je buurt kan je opzoeken met deze tool of in deze lijst.
Het DAVO-kantoor zal de aanvraag analyseren en een ‘voorstel van mandaat’ terugsturen, een soort contract waarbij je de Dienst de toestemming geeft om in jouw naam op te treden. Teken dit mandaat voor akkoord en stuur het zo snel mogelijk terug.
De Davo zal vervolgens een aangetekende brief sturen naar de onderhoudsplichtige ex-partner, met de melding dat je een aanvraag tot tegemoetkoming hebt ingediend en dat ze in jouw naam zal optreden. Hij of zij krijgt dan vijftien dagen om te weerleggen dat hij/zij alimentatiegeld verschuldigd is.
Binnen de 30 dagen nadat het dossier volledig is, neemt de Davo een beslissing. Die kan positief, negatief of gedeeltelijk positief zijn (in dit laatste geval beslist de Davo een lager bedrag in te vorderen dan waarop je recht denkt te hebben). De Davo brengt je via een aangetekende brief op de hoogte van haar beslissing. Indien die beslissing niet positief is, kan je nog aan de beslagrechter vragen om tussen te komen.
De Davo zal de onderhoudsplichtige ex-partner een aangetekende brief sturen met een ingebrekestelling en een verzoek om het achterstallige en toekomstige onderhoudsgeld te betalen. Bij niet-betaling kan de invorderingsprocedure worden opgestart: beslag kan gelegd worden op loon, roerende goederen,...
Kosten
Beide ex-partners moeten bijdragen in de werkingskosten van de DAVO.
De onderhoudsgerechtigde betaalt 5 % van het bedrag dat de Davo bij de onderhoudsplichtige kan invorderen. Dit bedrag wordt ingehouden op de bedragen die de Dienst doorstort. Op voorschotten is de bijdrage van 5% niet verschuldigd.
De onderhoudsplichtige betaalt 10 % van het bedrag van de in te vorderen hoofdsom (dit omvat het maandelijkse onderhoudsgeld, de achterstallen, en eventueel het bedrag van de buitengewone kosten).
Meer weten?
De FOD Financiën biedt op zijn website een brochure aan over de Davo en de toekenning van voorschotten.
2. Kinderbijslag
Of en welke impact een scheiding heeft op de uitbetaling van kinderbijslag, hangt af van verschillende factoren:
Bij een feitelijke (geen wettelijke) scheiding van gehuwde partners, of bij een scheiding van niet-gehuwde partners, gaat het kinderbijslagfonds ervan uit dat er co-ouderschap is, waarbij beide ouders samen het ouderlijk gezag uitoefenen. Breng zelf het kinderbijslagfonds op de hoogte van de nieuwe gezinssituatie.
Bij een wettelijke echtscheiding zal de gemeente het kinderbijslagfonds inlichten dat de echtscheiding is uitgesproken.
Is er een officieel document dat het ouderlijk gezag over de minderjarige kinderen regelt (een echtscheidingsvonnis of een onderlinge overeenkomst), stuur dan een kopie hiervan naar je kinderbijslagfonds.
Co-ouderschap
Bij co-ouderschap blijft hetzelfde kinderbijslagfonds verder betalen aan dezelfde gerechtigde. Op verzoek van beide ouders kan de uitbetaling wel gebeuren op een gemeenschappelijke rekening waartoe zij beiden toegang hebben. Soms leidt deze regeling tot conflicten tussen ex-partners. De Open VLD'er Patrick Vankrunkelsven heeft daarom onlangs een wetsvoorstel ingediend waardoor beide ouders na een echtscheiding elk een deel van het kindergeld uitbetaald zouden kunnen krijgen.
Woont het kind officieel bij de vader, dan kan de kinderbijslag aan hem betaald worden. Dat moet hij schriftelijk aanvragen bij zijn kinderbijslagfonds. Hij kan de kinderbijslag krijgen vanaf de maand na zijn aanvraag.
De ouder die de kinderbijslag ontvangt, kan eventueel aanspraak maken op een toeslag als alleenstaande ouder met beperkte inkomsten.
Voor kinderen met een vreemde nationaliteit is de regeling van co-ouderschap niet van toepassing, ook al is het kind nog minderjarig. Het kinderbijslagfonds van de ouder waarbij het kind woont zal de kinderbijslag uitbetalen aan diezelfde ouder.
Als de ouders gescheiden leven en de vader het kind nadien erkent, zullen de regels van co-ouderschap toegepast worden vanaf de datum van de erkenning.
Geen co-ouderschap
Als slechts één van beide ouders alleen het ouderlijk gezag heeft, wordt de kinderbijslag betaald aan de ouder bij wie het kind woont, door het kinderbijslagfonds van die ouder.
Meerderjarige kinderen
Als een kind 18 jaar wordt of ontvoogd is, dan is de regeling van co-ouderschap niet langer van toepassing. Het kinderbijslagfonds van de ouder bij wie het kind woont, zal de kinderbijslag dan uitbetalen aan die ouder.
Als het meerderjarig kind afwisselend en even lang bij beide ouders verblijft, dan kan het co-ouderschap verder worden toegepast (beurtouderschap). Vul hiervoor het formulier Verklaring van gelijk verdeelde huisvesting van een meerderjarig kind in en stuur het naar uw kinderbijslagfonds.
Hertrouwd?
Ouders die hertrouwen, kunnen kinderbijslag aanvragen voor hun eigen kinderen, hun gemeenschappelijke kinderen en de kinderen van hun partner. De kinderen van het gezin worden dan gegroepeerd, wat invloed kan hebben op de bedragen die voor elk kind worden uitgekeerd. De hoogte van de kinderbijslag wordt immers bepaald door de 'rangorde' van elk kind binnen het gezin. Meer info op de site van de RKW.
Hertrouwen kan ook inhouden dat je bepaalde rechten verliest, zoals de verhoogde wezenbijslag, het recht op kinderbijslag op basis van een overlevingspensioen, of een sociale toeslag op basis van de situatie van het gezin.
Levenslange alimentatie voor wie gescheiden is voor 1 september 2007
Het Grondwettelijk Hof heeft op 3 december 2008 art. 42 § 5 van de wet van 27 april 2007, die van toepassing werd op 1 september 2007, vernietigd.
Hier is de tekst van de vernietigde artikelparagraaf:
Art. 42 § 5
"§ 5. Artikel 301, § 4, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 7, is van toepassing op de uitkeringen tot levensonderhoud, die zijn vastgesteld door een vonnis dat voorafgaat aan de inwerkingtreding van deze wet.
Indien de duur van de uitkering niet werd bepaald, neemt de in artikel 301, § 4, bepaalde termijn een aanvang op de datum van de inwerkingtreding van deze wet.
Indien de duur van de uitkering werd bepaald, blijft deze duur van toepassing, zonder dat ze de beperking waarin wordt voorzien in het tweede lid kan overschrijden."
De regeling beperkt het onderhoudsgeld die een van de ex-partners moet betalen tot de duur van het huwelijk. Met andere woorden: wie vier jaar getrouwd is, hoeft niet meer dan vier jaar onderhoudsgeld aan zijn ex-partner uit te keren. Het omgekeerde geldt voor de onderhoudsgerechtigde ex-partner.
Die bepaling gold ook met terugwerkende kracht. Bij koppels die nog onder de oude wet waren gescheiden en waarvan een ex-partner die door de rechter tot onderhoudsgeld voor onbepaalde duur was veroordeeld, kon rekenen op stopzetting van zijn alimentatieverplichting. Door dat arrest van het Grondwettelijk Hof wordt die nu opnieuw gedwongen onderhoudsgeld uit te keren en dat voor de rest van zijn leven. De onderhoudsgerechtigde vrouwen worden er daarentegen goed mee gediend.
De Raad van Franstalige vrouwen in België trok samen met de vzw's Ligue des familles en Vie féminine en een paar vrouwen die belang hebben bij de vernietiging naar het Grondwettelijk Hof om die paragraaf in de wet te laten annuleren. Ze zijn daarin geslaagd.
Het Grondwettelijk Hof vindt het discriminerend dat koppels die onder de oude wet zijn gescheiden en goede voorwaarden hebben bedongen, die door de nieuwe wet zouden moeten afgeven.
Volgens het hof zouden vooral vrouwen erdoor benadeeld worden, omdat zij meestal alimentatie van hun partner krijgen en omdat zij er vaker voor hebben gekozen niet te gaan werken of deeltijds te werken.
Het hof gaat in tegen de bedoeling van de wetgever, die levenslange alimentatie ten opzichte van de alimentatieplichtige partners in deze tijd niet meer billijk vindt. Vooral mannen zijn dus de dupe van deze justitiële beslissing.
Voor wie onder de echtscheidingswet van 27 april 2007 valt, blijft echter de in de tijd beperkte alimentatieregeling wél gelden. Wie een echtscheidingsverzoek indient na 1 september 2007 kan naargelang van de behoeftigheid van één van de ex-partners verplicht worden alimentatie te betalen of kan een onderhoudsuitkering voor zichzelf bedingen. Die alimentatie moet normaal worden uitgekeerd of wordt normaal ontvangen voor de duur dat het koppel getrouwd is geweest.
Die berekening van de indexaanpassing van de onderhoudsgelden moet
gebeuren na een vonnis voorlopige maatregelen bij de vrederechter,
ook bij een kortgeding voorlopige maatregelen in echtscheiding bij
de rechter van 1ste aanleg, na een echtscheidingsvonnis en na een
echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT). De formule is van
toepassing zowel op de onderhoudsgelden voor de kinderen als op
de onderhoudsuitkeringen tussen (ex)-echtgenoten, die in de gerechtelijke
vonnissen vervat liggen.
Zo kan de vrederechter in dringende voorlopige maatregelen een
bepaalde som als alimentatie vastleggen voor de kinderen. In dat
vonnis kan staan dat de onderhoudsplichtige de onderhoudsgerechtigde
die som elke maand voor de 1ste of de 5de van de maand moet overdragen.
Daarbij kan staan dat er om het jaar of om de zes maanden een indexaanpassing
van die som moet worden gedaan en dan moet de oorspronkelijke som
of de al eerder aangepaste som worden verhoogd met wat de berekening
van de indexaanpassing oplevert.
De wetgever wil daarmee verzekeren dat het bedrag van de onderhoudsgelden
dezelfde evolutie volgt als de lonen en de prijzen in het land.
Nu bestaan er daartoe wel twee indexen : de gewone consumptie-index
en de gezondheidsindex. Je moet dus aanpassen naargelang één
van beide indexen in het vonnis of in de EOT-akte wordt vermeld.
Hoe nu de indexaanpassing te berekenen ?
Dat moet gebeuren aan de hand van de wettelijke standaardformule :
- Het basisbedrag van het onderhoudsgeld stemt overeen met het
indexcijfer van de consumptieprijzen of van de gezondheidsindex
van de maand waarin het vonnis of het arrest (bij hoger beroep)
kracht van gewijsde heeft gekregen (dat is wanneer er geen beroep
of verzet meer aangetekend kan worden).
- Om het jaar of om de 6 maanden zoals vermeld in het vonnis volgt
er een aanpassing in verhouding met de verhoging of de verlaging
van het indexcijfer van de consumptieprijzen of van de gezondheidsindex
van de maand die overeenstemt met de maand van het basisindexcijfer.
- Het aangepaste bedrag of het vroegere bedrag met de verhoging
erbij is verschuldigd vanaf de eerstvolgende maandvervaldag die
volgt op de publicatie van het nieuwe indexcijfer in het Belgisch
Staatsblad.
Voorbeeld 1: Een vonnis voorlopige maatregelen op 15
november 1994 verooordeelt een vader ertoe aan de moeder voor zijn
beide minderjarige kinderen een onderhoudsgeld te betalen van 250
euro per maand - geïndexeerd met jaarlijkse aanpassing. Het
vonnis wordt betekend op 2 december 1994. Het treedt bijgevolg in
kracht van gewijsde op 3 januari 1995.
Vanaf februari 1996 is het aangepast bedrag verschuldigd, nl.
250 euro (basisbedrag) X 121,84 index januari 1996
___________________________________________ = 254,90 euro
119,50 index januari 1995
Voorbeeld 2 : In een echtscheidingsvonnis in kracht
van gewijsde op 6 maart 2002 met 6-maandelijkse indexaanpassing
aan de index van de consumptieprijzen moet in september 2002 voor
het eerst de onderhoudsuitkering worden aangepast. Het bedrag van
de onderhoudsuitkering is 500 euro per maand.
We passen de wettelijke standaardformule toe :
500 euro (basisbedrag) X 110,91 consumptie-index augustus
2002
_____________________________________________________=
110,69 consumptie-index maart 2002
500,99376 euro - afgerond 500, 99 euro
Voorbeeld 3: In een vonnis voorlopige maatregelen
bij de vrederechter in kracht van gewijsde op 10 augustus 2000 met
jaarlijkse indexaanpassing aan de index van de consumptieprijzen
en waarbij de alimentatie overdraagbaar is de 1ste van elke maand
moet die alimentatie in september 2002 voor de 2de maal worden aangepast.
Het vonnis bevat een onderhoudsgeldverplichting voor 3 kinderen
tesamen van 300 euro per maand.
We berekenen met de wettelijke standaardformule de som van de onderhoudsgelden
te betalen voor september 2002 :
300 euro (basisbedrag) X 110,91 consumptie-index augustus
2002
_____________________________________________________=
106,68 consumptie-index augustus 2000
311,89538 euro - afgerond 311,90 euro
Je kan de indexaanpassing van onderhoudsgeld (en huur) ook makkelijk
berekenen op de pagina van de Gezinsbond:
Dan moet je nog gewoon het beginbedrag weten, de beginreferentiemaand
en de nieuwe beginmaand. De rest doet de javascript op de pagina.
Lijkt een interessante link
Met dank aan Leo Truyen
Voor vonnissen daterend uit vroegere jaren is er een
omrekening noodzakelijk van de huidige index (basis 2004) naar basis 1996. Dan vermenigvuldig je met 1,1493. Om de gezondheidsindex
naar basis 1996 om te rekenen vermenigvuldig je met 1,1377.
Het indexcijfer met basis 2004 werd van toepassing op 1 januari 2006.
* Federale Overheidsdienst Economie... (FOD): voor het opzoeken van de index van de consumptieprijzen of van de gezondheidsindex vertrekt u van de volgende koppeling:
Indien u een consumptieprijsindex of een gezondheidsindex voor een bepaalde maand zoekt, volstaat het dat u jaar en maand invoert.
Vervolgens krijgt u zowel de consumptieprijsindex als de gezondheidsindex op alle beschikbare basissen. U leest:
Gelieve hieronder het jaar en de maand in te vullen
[jjjj] [mm]
Klik dan op Toon indexen.
* Om voor de beginfase van de onderhoudsverplichtingen
of in het verloop ervan een vroeger indexcijfer op te zoeken kunt
u voor de jaren 1998 tot nu klikken op de volgende websitepagina van het Federaal Planbureau
De indexcijfers van het lopende jaar vindt u op hun financiële
pagina's in de belangrijkste Vlaamse kranten als De Standaard en
De Tijd.
Je kan de basisgegevens over de prijzenindex ook opvragen
per telefoon bij een automatisch antwoordapparaat van het Ministerie
van Economie.... Dat kan je 24 uur op 24 uur doen op
het nummer 02/206 56 40. Je krijgt te horen hoe de stand
is van de gezondheidsindex, van de normale index van de consumptieprijzen
en van de inflatie.
De buitengewone kosten bij onderhoudsverplichtingen voor kinderen
Veelvuldige betwistingen komen voor bij ouders met kinderen die gescheiden zijn over de zogenaamde buitengewone kosten.
Die betwistingen zijn toe te schrijven aan absolute onduidelijkheid over de criteria van toekenning en over de inhoud en de bedragen van die kosten.
De onderhoudsverplichting voor ouders is voornamelijk vastgelegd in art. 203, § 1 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is echter op dit ogenblik nog geen sprake van buitengewone kosten. Die komen wel voor in de rechtsleer en in de rechtspraktijk. Zie daarvoor:
S. BROUWERS en M. GOVAERTS, «Alimentatievorderingen»,
in Notariële Praktijkstudies, Wolters Kluwer België, 2004, 466, nr. 748.
Nagenoeg alle recente vonnissen rond de onderhoudsverplichting naar kinderen toe bevatten een bepaling van die buitengewone kosten. Een voorbeeld hiervan volgt hieronder.
In een vredegerechtvonnis van 26 juni 2008 statueert de vrederechter als volgt:
“Veroordeelt verweerder om aan eiseres te betalen t.b.v. de drie voornoemde kinderen, de helft van de volgende buitengewone kosten:
- medische kosten als daar zijn: de medische uitgaven n.a.v. hospitalisatie, thuisverpleging, orthodontie, kosten van gespecialiseerde medische of tandheelkundige onderzoeken, als daar zijn: radiologie, scanner, echografie, kinesitherapie, logopedie, bril of lenzen, steunzolen en zulks na verrekening van iedere tussenkomst van mutualiteit, hospitalisatieverzekering of elke andere derde;
- schoolkosten als daar zijn: de schooluitgaven m.b.t. de meerdaagse schoolreizen in middelbaar en hoger onderwijs, het inschrijvingsgeld, de studieboeken en –materiaal in het hoger onderwijs, de gebeurlijke huur van een studentenkamer in het hoger onderwijs, de aanschaf van een laptop, de inschrijvingsgelden, de vervoerskosten van en naar school, zoals o.m. trein- en/of busabonnement;
- naschoolse kosten als daar zijn: taalcursussen en taallabo, lid- en inschrijvingsgeld van balletschool, sportclubs, dans- sport- en taalkampen of stages, specifieke hobbykleding, muziekcursussen, muziekkampen en stages, huur of aankoop van muziekinstrumenten, sportmateriaal, cursussen en boeken, vakanties via de ziekenkas, basketkampen, chirobivaks, enz.;
- kosten voor het behalen van een rijbewijs; (hier specifiek geëist)
en dit met ingang van 01 december 2007, op voorlegging van de stavingsstukken van bedoelde uitgaven.
Persoonlijk vindt de schrijver van deze tekst dat het begrip ‘buitengewone kosten’ een onzalig beginsel is in de rechtspraak, omdat het tot zovele moeilijkheden tussen ouders aanleiding geeft.
Rond de thematiek hebben volksvertegenwoordiger en lid van de justitiecommissie en van de subcommissie Familierecht Sabien Lahaye-Battheu e.a. op 22 april 2008 een wetsvoorstel bij de Kamer ingediend. Het heet ‘Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de buitengewone kosten in het kader van een onderhoudsuitkering’ Zie: http://www.dekamer.be/FLWB/PDF/52/1092/52K1092001.pdf.
Vooral de Toelichting bij dat wetsvoorstel geeft ons relevante informatie.
De indieners stellen dat er nergens in de wet de notie ‘buitengewone kosten’ is vermeld en dat er geen wettelijke omschrijving of definitie van het begrip bestaat. In grote trekken kunnen ze worden ingedeeld in de volgende drie categorieën:
1° de gezondheidstoestand van het kind (belangrijke (para)medische uitgaven zoals hospitalisatiekosten, chirurgische ingrepen, bijzondere medische behandelingen,…);
2° de opleiding van het kind (inschrijvingsgeld, kosten van hogere studies, studiemateriaal, schoolreizen,…);
3° de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind (taalkampen, culturele activiteiten, sportkampen,…).
Het gevolg van het ontbreken van de wettelijke basis voor die ‘buitengewone kosten’ is dat de rechtspraak heel verschillend is en dat rechters vaak verschillende criteria voor het bepalen van die ‘buitengewone kosten’ hanteren.
Zo stelt een arrest van het Hof van Beroep in Brussel in 2005 (Verwijzing naar Brussel 15 november 2005, 2003/KR/428, onuitg.) dat alle medische kosten en paramedische kosten (logopedie, lenzen, brilglazen maar niet de gewone huisartsconsultaties) en de kosten van hogere studies (verplaatsingen, huur studentenkamer, cursussen) beschouwd konden worden als buitengewone kosten. Kosten van schoolreizen van meer dan één dag, hobby’s en culturele opvoeding werden niet beschouwd als buitengewone kosten.
Een Franstalige kamer van het Hof van Beroep van Brussel stelde echter in 2004 dat alle schoolkosten als buitengewoon aangezien moesten worden en dat de ouders dus ook allebei
moesten instaan voor meerdaagse schoolreizen zoals bos- of sneeuwklassen. (Verwijzing naar Brussel (Jk.) 10 december 2004, 2004/JR/94, onuitg.)
Als «buitengewoon» worden doorgaans de uitgaven met een uitzonderlijk, onverwacht, onvoorzien, noodzakelijk en eenmalig karakter aanvaard waarbij die criteria niet cumulatief aanwezig moeten zijn. Dat lijkt wel een goede basis te zijn voor een omschrijving.
Conflictscheppend is ook de veroordeling door de rechter tot een maandelijks onderhoudsgeld én de helft van de buitengewone kosten. In die gevallen beslist immers de onderhoudsgerechtigde alleen over dergelijke uitgaven en kan de andere ouder niet anders dan een beroep doen op een rechter om zich daartegen te verzetten.
Een nieuw wettelijk systeem met objectivering van de onderhoudsuitkeringen waarbij ook rekening wordt gehouden met de buitengewone kosten zou een uniformisering in de rechtspraak tot stand brengen en een gelijke billijke behandeling van elk kind moeten garanderen. Ook bij het opstellen van de akte van onderlinge toestemming zouden de ouders heel duidelijk moeten overeenkomen over de onderhoudsuitkering en daarbij rekening houden met de bijzondere kosten.
Het wetsvoorstel van de kamerleden wil dan ook een artikel 203 quater invoegen in het Burgerlijk Wetboek. Dat zou als volgt geformuleerd zijn:
«Art. 203quater. — Indien een ouder door een rechterlijke beslissing veroordeeld wordt tot de betaling van een onderhoudsuitkering om te voldoen aan zijn verplichting die voortvloeit uit artikel 203, § 1, of 203bis, kan hij ook tot een bijdrage in de buitengewone kosten van onderhoud, opvoeding en opleiding worden verplicht.
Buitengewone kosten zijn kosten met betrekking tot de gezondheidstoestand, de opleiding en de ontwikkeling van de persoonlijkheid van het kind en hebben een uitzonderlijk, onvoorzien, en noodzakelijk karakter.». Dit voorstel heeft het niet gehaald en aan de buitengewone kosten wordt nu een andere inhoud gegeven.
Intussen immers is in de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 11 juni 2009 een wetsontwerp over de objectivereing van de onderhoudsbijdragen voor kinderen goedgekeurd waarin de bijzondere kosten worden gelegaliseerd.
Bij art. 203bis in het Burgerlijk Wetboek wordt een § 3 ingevoegd:
“De kosten omvatten de gewone kosten en de buitengewone kosten.
De gewone kosten zijn alle gebruikelijke kosten m.b.t. het dagelijkse onderhoud van het kind.
Onder buitengewone kosten wordt verstaan de uitzonderlijke, noodzakelijke of onvoorziene uitgaven die voortvloeien uit toevallige of ongewone gebeurtenissen en die het gebruikelijke budget voor het dagelijkse onderhoud van het kind dat desgevallend als basis diende voor de vaststelling van de onderhoudsbijdragen, overschrijden”.
De wet moet nog worden goedgekeurd in de Belgische Senaat. We mogen verwachten dat de nieuwe wet zowat in februari 2010 van toepassing zou kunnen worden.
De omschrijving van de gewone en de buitengewone kosten in de wet geeft een duidelijker houvast, zodat voor de toekomst verwacht mag worden dat daarover veel minder betwistingen ontstaan. De nieuwe wet zou dan haar doel bereiken:
een humanisering of vermenselijking van de procedures bij de toekenning van de alimentatie voor de kinderen bij scheiding van hun ouders.
Hoe bereken je alimentatiegeld? (De Tijd 20-7-2008)
GELD & GEZIN - Geen enkele methode laat toe om precies het onderhoudsgeld van kinderen te berekenen wanneer ouders uit elkaar gaan. De website alimentatie-online.be tracht een zo nauwkeurig mogelijk beeld te geven.
Tussentiteltjes van het artikeltje:
- Een overschatte bijdrage
- Hoeveel moet je nu betalen?
Op 16 juni 2006 stelde de Gezinsbond zijn ONDERHOUDSGELDCALCULATOR voor om onderhoudsgeld voor kinderen te berekenen. Intussen heeft de Gezinsbond in 2009 een nieuwe versie gepubliceerd, waarbij de vorige versie nog werd verfijnd. Over de onderhoudsgeldcalculator vindt u informatie op de website van de Gezinsbond.
Klik daarvoorhier.
De recentste handleiding cd-rom "Onderhoudsgelden voor kinderen" kan in pdf kunt u hier vinden.
U kunt de CD-Rom bestellen bij de Gezinsbond.
Hij kost 20 euro (verzendingskosten inbegrepen) voor niet-leden en 10 euro voor leden van de Gezinsbond. Mail naar studiedienst@gezinsbond.be - telefonisch bestellen: 02 507 88 47.
Deze informatie werd bijgewerkt op vrijdag 4 september 2009.
Over de berekeningsmethode publiceerde Luc Coppens op 16 juni 2006 in De Standaard de volgende tekst.
De kosten van het kind
Bijna één huwelijk op drie in dit land loopt op de klippen, waarna voor de kinderen een pendeltocht begint tussen de ouders. Die moeten het eens worden over onderhoudsgeld. En dat loopt niet altijd van een leien dakje.
Over het onderwerp wordt weinig gepubliceerd, de bedragen die worden toegekend, variëren, sterk naargelang van het gerechtelijk arrondissement, de berekening ervan steunt vaak op subjectieve gronden en ze worden door de rechtbanken weinig of niet gemotiveerd. “En wat je niet begrijpt, aanvaard je niet”, meent Anne-Mie Drieskens van de Gezinsbond. Daarom zette die Yves Coemans van zijn studiedienst aan het werk.
Het resultaat is een cd-rom die met alle facetten van de scheiding rekening houdt. Een klassiek verwijt is bijvoorbeeld dat bij onderhoudsgeld te weinig wordt gekeken naar de draagkracht van de ouders. Daarom berekent het programma de inkomensverhouding tussen beide ouders pas nadat eerst langs beide kanten het leefloon in mindering werd gebracht. Als een van beide ouders een bijzonder hoog inkomen geniet, kan dat worden afgetopt om te vermijden dat die partner een onredelijk grote bijdrage moet leveren.
De cd-rom houdt niet alleen rekening met primaire kosten als huisvesting, voeding, kleding, gezondheidszorgen, … zelfs sparen, maar ook met de meerkosten die ontstaan door het wegvallen van de “schaalvoordelen” van een gezin. Zo moet elk van de ouders over een voldoende ruime woning beschikken, zelfs als hij of zij de kinderen maar een weekeinde op drie te zien krijgt. De koelkast moet voldoende groot zijn, net als de auto…
Voorts hebben de kinderen op beide adressen een bed, een kast, een bureau, vaak een computer, een muziekinstallatie, een fiets, … De scheiding kan voor een van beide partners ook meer verplaatsingen meebrengen omdat die verder van de school, de sportclub, … van de kinderen gaat wonen. Het programma kan met elk van die meerkosten rekening houden.
Afhankelijk van de concrete situatie kan het programma bepaalde kosten ook bij de ene of de andere ouder onderbrengen. Zo kan het bijvoorbeeld dat het kledingbudget volledig bij de moeder belandt, terwijl de vader de studiekosten voor zijn rekening neemt. En zo kunnen we nog even doorgaan.
De cd-rom biedt de mogelijkheid om eerst een “voorcalculatie” te doen en die anderhalf tot twee jaar later te corrigeren nadat de respectieve aanslagbrieven zijn toegekomen. Ideaal moet je de cd-rom dus twee keer per jaar door je computer halen.
De cd-rom kost 20 euro, verzending inbegrepen. Voor de leden van de Gezinsbond is de prijs 10 euro. Te bestellen bij de Gezinsbond.
Luc Coppens
De Standaard, vrijdag 16 juni 2006 p.E9 Economie en Financiën – Service – Centen tellen.
Advocaten in Nederland bepleiten afkoop van alimentatie
(Reformatorisch Dagblad 4-4-07)
In België bestaat dat systeem en wordt het gehandhaafd. Hier heet dat kapitalisatie van de onderhoudsuitkeringen. Je betaalt als onderhoudsplichtige aan de onderhoudsgerechtigde één som en je bent verder vrijgesteld van betalingen. Bij mijn weten wordt het niet vaak toegepast, maar het is hier volkomen legaal.Je kan hier vrijelijk overeenkomen om al dan niet voor het systeem te kiezen.
"§ 8. De uitkering kan op elk ogenblik worden vervangen
door een kapitaal mits een door de rechtbank
gehomologeerd akkoord tussen de partijen. Op verzoek
van de uitkeringsplichtige, kan de rechtbank eveneens
op elk ogenblik de omzetting in een kapitaal toestaan."
Reformatorisch Dagblad – INTERNET EDITIE
Geplaatst: 4-04-2007 | 10:14
Advocaten bepleiten afkoop alimentatie
DEN HAAG (ANP) - De rechter moet bij een echtscheiding een afkoopsom voor de alimentatie kunnen opleggen.
Dat zei Kyra Pijls-Olde Scheper, voorzitter van de vereniging van Familierecht Advocaten Scheidingsbemiddelaars (vFAS) dinsdag.
Bij een afgekochte alimentatie ontvangt de alimentatiegerechtigde in een keer een geldbedrag na de scheiding in plaats van een maandelijkse bijdrage gedurende maximaal twaalf jaar.
Volgens Pijls kan deze vorm van alimentatie fiscaal gunstig zijn voor beide ex-echtgenoten. Degene die betaalt, kan in een keer een groot bedrag ten laste van zijn inkomen brengen, hierdoor wordt belasting bespaard. Degene die het geld ontvangt heeft de zekerheid dat het bedrag ook daadwerkelijk is betaald en kan dit gebruiken voor bijvoorbeeld een direct ingaande lijfrente, waarvan uitsluitend de betaalde termijnen worden belast.
Toch zijn volgens Pijls niet alleen de financiële aspecten van belang. „Veel vrouwen -het zijn voornamelijk vrouwen die alimentatie ontvangen- ervaren de maandelijkse alimentatie als handje ophouden. En voor een bedrogen partner die tegen wil en dank is gescheiden, kan het ook pijnlijk zijn om iedere maand een bedrag op de rekening van zijn ex te storten.”
Commentaar:
Vanuit BGMK.BE Antwerpen kregen we de volgende commentaar.
"Als gescheiden man is er maar één reden om te kiezen voor kapitalisatie: als je na de scheiding snel wil hertrouwen. Je ex mag dan namelijk een verhoging van het onderhoudsgeld vragen en door de kapitalisatie ontsnap je daaraan.
In alle andere gevallen is kapitalisatie in het nadeel van de gescheiden man:
- door de hele alimentatie in één keer te betalen heb je geen enkel wapen meer in handen als je ex het omgangsrecht met de kinderen weigert. Natuurlijk zijn onderhoudsgeld + omgangsrecht niet aan elkaar gekoppeld, maar de praktijk leert ons dat dreigen om niet meer te betalen wel helpt als drukmiddel voor onwillige moeders.
- als je ex hertrouwt heb je normaal gezien recht op een vermindering van het onderhoudsgeld. Door de kapitalisatie geef je dat recht op.
- het argument van de belastingsaftrek is nep, want bij de normale (sic) regeling mag je de alimentatie ook aftrekken - maar natuurlijk niet alles ineens.
- we wensen het onze ex niet toe, maar als ze overlijdt krijg je het geld van de kapitalisatie niet terug. Als je de normale maandelijkse regeling had, stopt de onderhoudsverplichting. Als jullie kinderen hadden gaat jouw kapitalisatiegeld naar hen, maar als het huwelijk kinderloos was erven jouw ex-schoonouders alles.
- als je zelf vooroverlijdt (= van het werkwoord vooroverlijden) erven jouw kinderen alles van jou. Als je evenwel voor kapitalisatie gekozen had, is het geld al naar je ex.
Dat advocaten voorstander zijn van kapitalisatie is simpel: als een vrouw opeens een paar tienduizend euro van haar ex krijgt zal ze de rekening van de advocaat kunnen betalen en bovendien die rekening niet te kritisch bekijken: wie 40.000 euro "krijgt" vindt het niet erg als dat uiteindelijk maar 35.000 netto op de bankrekening wordt. Maar wie een rekening van 5.000 euro van zijn/haar advocaat krijgt, slaapt enkele nachten niet.
Het minste dat Nederland moet vragen, is dat de keuze tussen kapitalisatie of een maandelijkse onderhoudsuitkering aan de onderhoudsplichtige moet toekomen."
Alimentatie in Nederland
: wat kosten de kinderen?
Brabants Dagblad, door Brenda van Dam, 5 maart 2005
http://www.brabantsdagblad.nl/regioportal/BD/1,1478,3955
-Zoekeninhetnieuws-Zoeken!Innieuws!__2604651_,00.html?ArchiefID=2604651
Zaterdag 5 maart 2005 - Bij een scheiding mogen ex-partners
in principe zelf afspraken maken over de hoogte van - alimentatiebedragen.
- Zijn er kinderen in het spel, dan stelt de rechter de hoogte van
de kinderalimentatie vast. - Daarbij zijn twee vragen cruciaal:
welk bedrag kan de alimentatieplichtige betalen en hoeveel heeft
de alimentatie-- gerechtigde nodig?
’Ik moet van mijn advocaat de kosten voor mijn kinderen in
kaart brengen. Hoe doe ik dat?“, vraagt een moeder die in
scheiding ligt.
In veel gevallen kan in tabellen worden afgelezen hoeveel er aan
de kinderen wordt besteed. Vooral bij hogere inkomens moeten kosten
expliciet gemaakt worden. Het belangrijkste is dat ex-partners samen
afspraken maken over wie wat betaalt.
Ex-partners mogen in principe altijd zelf afspraken maken over de
hoogte van alimentatiebedragen. Zijn er kinderen in het spel, dan
zal altijd de rechter de hoogte van de kinderalimentatie vaststellen.
Twee vragen zijn cruciaal: welk bedrag kan de alimentatieplichtige
betalen? En welk bedrag heeft de alimentatiegerechtigde nodig?
Draagkrachtloos inkomen
Om te bepalen wat een alimentatieplichtige kan betalen, hanteert
de rechter in de meeste gevallen de zo genoemde Trema-normen. Daarbij
wordt eerst een draagkrachtloos inkomen bepaald: het deel van het
inkomen dat de alimentatieplichtige nodig heeft om zelf van te leven.
Als dit draagkrachtloos inkomen van het netto inkomen wordt afgetrokken,
resteert de draagkrachtruimte. Een deel van deze draagkrachtruimte
is bestemd voor de alimentatieplichtige zelf. De rest - ongeveer
de helft - is bestemd voor alimentatie.
Als er kinderen zijn, wordt het alimentatiebedrag in eerste instantie
gebruikt voor de kinderalimentatie.
Wat kosten die kinderen nu eigenlijk?
Er wordt altijd geprobeerd om de levensstandaard van de kinderen
in de situatie vóór de scheiding niet te laten dalen.
Er wordt dus gekeken naar de kosten van kinderen vóór
de scheiding.
Op basis van CBS-onderzoek zijn er door het Nibud speciale tabellen
ontwikkeld voor wat ouders gemiddeld genomen bij verschillende inkomenscategorieën
zelf bijdragen aan de kosten van hun kinderen los van wat zij nog
aan kinderbijslag ontvangen. Dit wordt het eigen aandeel in de kosten
van kinderen per maand genoemd.
Bij een netto gezinsinkomen van 2500 euro en twee kinderen van zes
en acht jaar, is de bijdrage aan de kinderen bijvoorbeeld 565 euro
per maand.
„De tabellen kunnen niet altijd worden toegepast“, zegt
mr. Geert Warnaar, voorzitter van de Vereniging van Familierecht
Advocaten en Scheidingsbemiddelaars (VFAS). „De tabellen geven
een gemiddelde situatie aan. Ze zijn alleen bruikbaar voor de lagere
en middeninkomens. Bij inkomens hoger dan netto 3500 euro per maand
moet je de kosten van de kinderen voor de rechter aantonen.“
Geldwijzers
Het NIBUD geeft een aantal GeldWijzers uit waarin voor jonge kinderen
en voor scholieren heel gedetailleerd beschreven wordt, welke kosten
je precies aan de kinderen kunt toeschrijven.
Posten als persoonlijke verzorging, huisdieren, vervoer, verzekeringen
en dergelijke worden daarbij al snel vergeten, maar horen wel in
het lijstje thuis.
Vroeger was het bijna altijd zo dat de kinderen naar de moeder gingen
en de vader een omgangsregeling kreeg.
De man betaalt dan de kinderalimentatie. „Nu wordt er steeds
vaker gesproken van een zorgverdeling“, legt Warnaar uit.
„Er wordt bijvoorbeeld afgesproken dat de kinderen elke twee
weken zes dagen bij de vader en acht dagen bij de moeder zijn. Als
de draagkracht het toelaat, worden de kosten ook op die manier verdeeld.“
Warnaar doet ook aan scheidingsbemiddeling. „Bij bemiddeling
spreken ex-partners bijvoorbeeld af een speciale kinderrekening
te openen. Daarop storten ze de dan allebei een bedrag. Daarvan
worden dan kleding, schoolspullen of de sportclub betaald. Elk jaar
voor het nieuwe schooljaar wordt de gang van zaken geëvalueerd.“
Er wordt als het ware een heel plan voor de kinderen na de scheiding
opgesteld. „Daarmee kom je in de buurt van een nieuw wetsontwerp
van minister Donner“ , zegt Warnaar. „Daarin wordt de
term voortgezet ouderschap genoemd. Wie wil gaan scheiden, zou eerst
een ouderschapsplan moeten opstellen waarin is aangeven hoe de zorg
voor de kinderen en de kosten worden verdeeld.“
Zo ver is het nog niet, maar ook de VFAS is van mening dat ouders
na een scheiding beiden (financieel) verantwoordelijk voor hun kinderen
blijven.
De Dienst voor Alimentatievorderingen
(Davo) vordert nog geen alimentatie (DS 30/12/2004 en De Morgen
22/3/2005)
- Bericht in De Standaard
van 30 december 2004
BRUSSEL - De Dienst voor Alimentatievorderingen
(Davo), die op 1 juni van start ging, wordt absoluut niet overrompeld
door aanvragen. Voor de 120.000 mogelijke klanten, heeft men nog
maar 1.438 complete dossiers geregistreerd.
Davo is een dienst die helpt bij het recupereren van het alimentatiegeld.
Veel alimentatiegeld wordt immers niet (op tijd) betaald door de
schuldenaar.
Zodra een schuldenaar in het afgelopen jaar tweemaal "niet
of onvoldoende" heeft betaald, kan de Davo worden ingeschakeld
door de schuldeiser. De Davo kan dan de alimentatie vorderen van
de onderhoudsplichtige, indien die blijft weigeren te betalen.
In ons land zijn ongeveer 600.000 volwassenen die een scheiding
achter de rug hebben. De helft van hen heeft recht op alimentatie
voor zichzelf of voor de kinderen. Volgens ruwe schattingen zou
ruim 40 procent van hen het alimentatiegeld niet of onregelmatig
ontvangen. Alles bijeen heeft de Davo dus zo'n 120.000 tot 140.000
mogelijke klanten rondlopen in België.
Slechts een fractie van hen maakt ook gebruik van de diensten die
de Davo aanbiedt. Eind oktober klokte men af op 1.438 dossiers,
629 in Vlaanderen, 644 in Wallonië en 165 in Brussel. Dat blijkt
uit een antwoord van minister van Financiën Reynders (MR) op
een schriftelijke vraag van VLD-kamerlid Sabien Lahaye-Battheu.
De Davo ging op 1 juni 2004 van start. Dossiers kunnen worden ingediend
bij de 145 registratiekantoren in België. In dertig kantoren
worden opvang en persoonlijke hulp bij het invullen van de aanvraagformulieren
aangeboden. 180 ambtenaren zijn speciaal voor die taak opgeleid.
Oorspronkelijk was het de bedoeling dat de dienst ook voorschotten
zou uitkeren aan de schuldeiser. Maar omdat het financiële
plaatje nog niet rond is, blijven tot op heden de OCMW's die voorschotten
uitkeren. "Tot effectieve vorderingen van alimentatie kwam
Davo tot op vandaag nog niet", zegt Lahaye-Battheu. "Zoals
de dienst nu bestaat, is het een lege doos."
Volgens het liberale parlementslid is de Davo in feite overbodig.
"De vordering van onderhoudsgeld is vastgelegd in een vonnis.
Het is dus de taak van een advocaat of gerechtsdeurwaarder om de
betaling daarvan af te dwingen, niet die van de staat."
(wov)
***
- Artikel in De Morgen
van dinsdag 22 maart 2005
Staat draait op voor onbetaalde alimentatie
Eigen berichtgeving Cathy Galle
BRUSSEL
FONDS VOOR ONDERHOUDSGELD: WIE WIL
BETALEN KAN NIET, TERUGVORDERINGEN GEBEUREN NIET
Niet de schuldenaar maar de Belgische
staat betaalt op dit ogenblik de niet betaalde alimentatiegelden.
De dienst die speciaal opgericht werd om de sommen die het OCMW
voorschiet terug te vorderen, slaagde er nog niet in om ook maar
één dossier rond te krijgen. Minister van Maatschappelijke
Integratie Christian Dupont (PS) en zijn collega van Financiën
Didier Reynders (MR), beiden bevoegd voor dit dossier, zullen deze
week werken aan een oplossing.
Op 1 juni 2004 werd de Dienst voor Alimentatievordering (Davo)
opgericht.
Wie het onderhoudsgeld waar hij of zij recht op heeft, niet krijgt,
kan een aanvraag indienen bij de dienst. Die probeert dan de gelden
terug te vorderen bij de schuldenaar. Wie minder dan 1.100 euro
netto per maand verdient, kan bij het OCMW terecht voor een voorschot.
Dat voorschot geldt wel enkel voor kinderen en kan maximaal 104
euro per kind bedragen.
Dat maar weinig mensen een aanvraag indienen bij de Davo, is al
eerder gebleken. Nu blijkt ook dat er van de terugvorderingen zelf
weinig tot zelfs niets in huis komt. “Sinds de oprichting
van de dienst is er nog in geen enkel dossier afkomstig van een
OCMW een terugvordering gebeurd”, stelt Nathalie Debast, verantwoordelijke
OCMW bij de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG). “De
OCMW’s zijn in de nieuwe regeling verplicht om alle voorschotdossiers
die ze openen door te sturen naar de overheidsdienst Maatschappelijke
Integratie.
Die dienst moet volgens de wet dan de dossiers doorsturen naar
de Davo. Alleen lukt dat blijkbaar niet.” Het probleem is
tweeërlei. Maatschappelijke Integratie valt onder de bevoegdheid
van minister Christian Dupont (PS), de Davo valt dan weer onder
Financiën met bevoegd minister Didier Reynders (MR). Twee verschillende
ministeries dus, waarvan de computersystemen blijkbaar niet helemaal
compatibel zijn.
Ander groot probleem is de privacy, stelt Tina Verraes, woordvoerster
van minister Dupont. “Om te kunnen terugvorderen heeft de
Davo allerhande gegevens nodig. Een deel daarvan komt binnen via
de OCMW’s van onze overheidsdienst Maatschappelijke Integratie.
Een ander deel moet de Davo uit de Kruispuntenbank van de Sociale
Zekerheid halen. En daar wringt het schoentje.
Die gegevens zijn namelijk beschermd door de wet op de privacy.
De Davo kan er dus niet bij.” Beide problemen samen maken
dat de Davo de afgelopen negen maanden nog geen enkel dossier afkomstig
van een OCMW heeft kunnen behandelen. Het gaat naar schatting om
minimaal 13.000 dossiers van kinderen die recht hebben op onderhoudsgeld.
En dat heeft grote gevolgen op het terrein, stelt Nathalie Debast.
“Het betekent dat die kinderen dus enkel het maximumbedrag
van 104 euro kunnen krijgen en niet het volledige bedrag dat door
de rechter werd betaald. Maar het betekent vooral ook dat onderhoudsplichtigen
op dit ogenblik gewoon niet kunnen betalen, als ze dat zouden willen.
In heel wat dossiers is het zo dat de schuldenaar af en toe wel
eens betaalt, wanneer zijn financiële situatie het toelaat.
Maar volgens de wet mag hij niet meer rechtstreeks aan de ex-partner
of diens advocaat betalen, maar mag dat enkel nog via de Davo gebeurden.
Die krijgt de dossiers niet ingevoerd in het systeem, dus krijgen
de schuldenaars ook geen aanmaningsbrief met een referentienummer.
Dat nummer hebben ze nodig om te kunnen betalen.” Bij de
Davo maken ze zich sterk dat ze wel al enkele betalingen binnen
hebben. Die komen van mensen die op eigen initiatief contact genomen
hebben met de dienst en gevraagd hebben waar ze mogen betalen. “De
omgekeerde wereld dus”, zucht Debast. “In plaats van
hen aan te manen tot betalen moeten de schuldenaars nu bij de dienst
gaan vragen of ze mogen betalen.” Ondertussen blijven de OCMW’s
dus maar voorschotten uitbetalen.
Bij Maatschappelijke Integratie zit men duidelijk verveeld met
de kwestie. De OCMW’s krijgen hun voorschotten terugbetaald
door de POD Maatschappelijke Integratie, maar aangezien de Davo
niet kan terugvorderen, draait nu de staat op voor de niet-betaalde
alimenatiebedragen. “We zijn ons terdege bewust van de problemen”,
stelt de woordvoerster van minister Dupont. “De minister wil
daarom deze week samen gaan zitten met zijn collega Reynders en
de mensen van Davo om een oplossing te zoeken.”
Standpunt over de
alimentatie voor de ex-partner na echtscheiding
Nu men toe is aan een herziening van de wetgeving en men gaat in
de richting van de schuldloze echtscheiding is het wellicht nuttig
eens stil te staan bij de essentie van alimentatie bij echtscheiding.
Indien er schuldloze echtscheiding komt is mijn
standpunt heel eenvoudig samen te vatten : na echtscheiding
is geen alimentatie
van de ene partij verschuldigd t.o.v. de andere partij en dit om
een paar heel eenvoudige redenen.
Eerst en vooral gaat echtscheiding over de beëindiging van
het huwelijk. Het is dan ook niet
logisch dat men een enkel aspect van het huwelijk
namelijk de verplichting tot bijstand
laat voortduren buiten het huwelijk en op die
manier het huwelijk de facto laat voortbestaan zij het dan op dit
ene punt.
Verder is het zo dat in onze
maatschappij iedereen die in nood is recht heeft op bijstand van
de overheid. Waarom zou dan iemand louter omwille
van het feit ooit getrouwd geweest te zijn daar dan geen recht op
hebben en iemand die nooit getrouwd was wel? Kan men het ene individu
t.o.v. het andere sociale zekerheid (want straf heet het dan niet
meer omwille van het wegvallen van de schuldvraag) laten spelen
in een maatschappij zoals de onze? Een maatschappij waarin ook mensen
die zelfs nooit hebben bijgedragen tot het sociaal zekerheidsstelsel
recht krijgen op een uitkering (de schoolverlaters die geen werk
vinden). Een maatschappij ook waarin het wettelijk kan voor zover
dit de relatie tussen de ouders en de kinderen zou kunnen verstoren
dat kinderen voor hun ouders geen alimentatie meer moeten betalen
als die ouders geld tekort komen om hun rustoordfactuur te betalen.
Als men toch het systeem herbekijkt waarom dan niet grondig zodat
men het ene individu niet langer voor vele jaren op een negatieve
manier aan het andere bindt. Want dit werkt uiteraard verzuring
in de hand en wil men dat niet liever vermijden? Denkt men indien
de alimentatie zou uitgesproken worden van het ene individu t.o.v.
het andere zonder schuldvraag dat het dan niet als straf zal ervaren
worden? En dat rechtszaken over de hoogte van deze alimentatie geen
geld en frustraties zullen kosten? Mijn
standpunt is dat er een systeem moet komen dat zoveel mogelijk de
gevoelens van de mensen ontziet en tegelijk zo rechtvaardig en zo
sociaal mogelijk is voor alle partijen. Hierbij heeft sociale zekerheid
een grote rol.
Het huidige systeem waarbij iemand
die in fout was tijdens het huwelijk daar levenslang kan voor boeten
terwijl zelfs een moordenaar niet echt meer levenslang gestraft
wordt is uiteraard door dit feit alleen al
reeds decennia voorbijgestreefd. Willen we nu het systeem veranderen,
laat het dan zijn op een echt menselijke manier en op een echt vooruitstrevende
manier. En laat ons ons dit keer niet meer decennia ten achter blijven.
Regi ROTTY
Ere-voorzitter BGMK
Joannes Schinckdreef 46
9031 Drongen
De nieuwe wet
op de Dienst voor alimentatievorderingen
Vanaf oktober 2003 zou de nieuwe wet op de Dienst voor alimentatievorderingen
van toepassing worden. We nemen uit het Belgisch Staatsblad de volledige
tekst van de wet over in onze rubriek Informatie - Wetgeving
op de Goudi-site. We geven daarbij in onze commentaar ook advies
aan mannen die onderhoudsplichtig zijn hetzij ten opzichte van hun
kinderen hetzij ten opzichte van hun (vroegere) vrouw. Klikken maar
op Informatie - Wetgeving.
We noteren op 15 oktober 2003 dat er nog veel discussie en onzekerheid
over heerst wanneer het fameuze alimentatiefonds echt met zijn werking
begint. Eerst werd de start verlegd van 1 september 2003 naar 1
september 2004. Het budget is er nog steeds niet om dat fonds te
laten werken. Uit andere politieke bron valt te vernemen dat het
fonds gedeeltelijk zijn werkzaamheden aanvat op 1 juni 2004. Dan
zouden enkel de invorderingen beginnen van achterstallige betalingen
bij wie onderhoudsgeld moeten betalen.
De nieuwe wet blijft contestatie uitlokken. Enerzijds willen de
vrouwen dat de wet vlug van toepassing wordt. Anderzijds wordt de
wet in zijn inhoud aangevochten door het Franstalige MEP, Mouvement
pour L'égalité Parentale - Antenne Bruxelloise, dat
er ernstig studiewerk heeft van gemaakt.
Wij blijven deze aangelegenheid van dichtbij volgen. Wij verwijzen
voor meer informatie nogmaals naar onze rubriek Informatie
- Wetgeving op de Goudi-site
Staat het niet-vorderen van de indexaanpassing van onderhoudsuitkeringen
gelijk met een verzaking aan achterstallige aanpassingen en aan
de indexering zelf ?
De heer Durant was door de rechtbank veroordeeld tot betaling van
een onderhoudsuitkering aan zijn ex-echtgenote. Gedurende jaren
betaalde hij het alimentatiegeld zonder het te indexeren, tot op
de dag dat zijn echtgenote de achterstallige indexaanpassingen vorderde.
Voor de rechtbank pleitte de heer Durant dat zijn ex-echtgenote
verzaakt had aan de indexering van het onderhoudsgeld vermits zij
gedurende al die jaren nog nooit geprotesteerd had tegen de niet-indexering.
De betrokken rechtbank oordeelde dat de verzaking aan een recht
niet vermoed wordt, en dat dit enkel afgeleid mag worden uit feiten
die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn. Het lange stilzwijgen
van de ex-echtgenote impliceert niet noodzakelijk haar wil om te
verzaken aan de contractueel voorziene indexaanpassing van de onderhoudsuitkering.
Er bestaat geen algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk een subjectief
recht uitdooft wanneer haar titularis een gedrag vertoont dat objectief
onverenigbaar is met dat recht.
Er is evenmin sprake van enig misbruik van recht vermits het nadeel
dat de heer Durant zal lijden door de betaling van de achterstallen
niet buiten verhouding staat tot het voordeel dat deze betaling
aan zijn ex-echtgenote zal opleveren.
De heer Durant heeft overigens alles aan zichzelf te verwijten.
Het was hem immers mogelijk om het bedrag van de indexaanpassingen
te berekenen zonder hulp van zijn ex-echtgenote en om de geïndexeerde
alimentatiegelden spontaan te betalen.
Voor zover hij zijn verplichtingen niet kon nakomen omwille van
zijn financiële situatie had hij steeds de mogelijkheid de
bevoegde rechtbank aan te spreken, wat hij niet gedaan heeft.
Hij geniet echter wel de bescherming van artikel 2227 van het Burgerlijk
Wetboek dat een verjaringstermijn van vijf jaren voorziet en dat
hem beschermt tegen een buitensporig oplopende schuld.
De verzaking aan een recht wordt niet vermoed. Dat mag enkel afgeleid
worden uit feiten die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn.
Josette Hubaille, Doctor in de Rechten
Uit "Krantje de zelfstandige" - 35e jg. - 15 aug. 2001
nr. 16.
Conclusie (vanwege de redactie van "Hoop!")
:
Het niet spontaan betalen van de geïndexeerde alimentatiegelden
is heel riskant, omdat je na jaren opeens geconfronteerd kan worden
met een vordering van de achterstallige indexaanpassingen !
Gebeurt dat echter meer dan 5 jaar later, dan kan je hoogstens
veroordeeld worden tot het terugbetalen van de indexaanpassingen
van de voorbije 5 jaar.
Uit "Hoop!" ts. van BGMK vzw 23e jg. nr. 8 blz. 7
(oktober 2001)
Alimentatie berekenen tussen
ex-echtgenoten / voor kinderen
Voor de personen
en diensten die actief bezig zijn met familierecht is de begroting
van alimentatie een moeilijk en delicaat probleem. Bij de vaststelling
van het alimentatiebedrag beschikt men meestal alleen maar over
een aantal vage criteria.
Alibel is een softwarepakket ontwikkeld door Meester Jan Roodhooft
en uitgegeven door de firma Larcier. Het systeem is een poging om
via een normeringsmodel de onderhoudsuitkering tussen gewezen echtgenoten
na echtscheiding, op grond van twee jaar feitelijke scheiding of
op grond van fout, te ramen.
Het pakket is aangepast aan de Belgische wetgeving en wordt door
justitie aangeschaft en verdeeld aan magistraten als hulpmiddel
bij het bepalen van de alimentatie bij gerechtelijke beslissingen.
In de praktijk wordt de berekening van de alimentatie volgens dit
model opgebouwd rond vijf stappen.
1. Eerst wordt het type echtscheiding en het eruit voortvloeiend
begrotingsregime bepaald.
2. Vervolgens worden in stap twee de fiscale gegevens verwerkt van
de beide betrokken partijen.
De basis hiervan is de fiscale aangifte van de ex-echtgenoten.
3. Op basis van deze gegevens wordt een alimentatieberekening gedaan
in drie stappen.
Eerst wordt een referentiestandaard berekend.
Deze referentiestandaard wordt bepaald op basis van het bruto gezinsinkomen,
van de gezinsbelastingen en van een coëfficiënt.
Deze referentiewaarde komt grosso modo overeen met 65% van het fictieve
netto gezinsinkomen.
4. In stap vier van de berekening wordt de draagkracht van de onderhoudsschuldeiser
berekend (meestal de vrouw).
5. In stap vijf wordt de draagkracht van de onderhoudsplichtige
berekend (meestal de man).
Tenslotte wordt op basis van deze gegevens, de netto alimentatie
berekend en omgezet in een bruto te betalen bedrag.
Dit bruto bedrag is bepaald rekening houdende met de fiscale aftrekbaarheid
van de bruto bedragen die als alimentatie betaald dienen te worden.
Hoewel deze manier van berekenen geen wettelijke basis heeft, buiten
het feit dat de alimentatie beperkt dient te worden tot 1/3 van
het inkomen van de alimentatieplichtige in bepaalde omstandigheden,
heeft deze berekening een feitelijke erkenning verworven bij beroepsmagistraten
en advocaten.
Karel Vanbosch
ALIBEL Alimentatie tussen (ex)-echtgenoten Dr. J. ROODHOOFT
Digitaal berekeningsprogramma van onderhoudsuitkeringen (met inbegrip
van de fiscale implicaties):
Prijs CD-rom 2003 (beknopte handleiding incl.) : 177,20 EUR - l.g.v.
abonnement 15 % korting. Let wel : de CD-rom is op dit ogenblik
niet beschikbaar!
Prijs handboek : 33,45 EUR
Door te klikken op het woord "website"
komt u bij de directe informatie terecht van de uitgever.
Bij dezelfde uitgever is voor de berekening van de
onderhoudsuitkering voor de kinderen ook gepubliceerd
:
PCA
- Proposition de Contribution Alimentaire / VOB - Voorstel tot Onderhoudsbijdrage
Méthode Renard pondérée et informatisée
/ Gewogen en geïnformatiseerde Methode Renard
door Roland Renard, Pierre-André Wustefeld, Raoul Serra
Verslag van de studiedag
rond "Onderhoudsgelden" op woensdag 11 oktober 2000 te
Kortrijk
Aangezien het programma van deze interessante studiedag vrij omvangrijk
was, zal ik mij hier beperken tot de samenvatting van de eerste
twee onderwerpen. De overige sprekers komen in een volgende "Hoop
!" aan bod.
Na een korte verwelkoming werd de spits afgebeten door Mevrouw
Katleen Vanlede, assistente aan de K.U.Leuven, met een uiteenzetting
over de onderhoudsverplichting tussen echtgenoten en ex-echtgenoten.
Eerst en vooral belichtte zij de situatie tussen feitelijk gescheiden
echtgenoten, waarbij als meest "interessante" procedure
voor de financieel zwakkere doch "schuldige" echtgenoot
deze voor de kortgedingrechter blijkt te zijn en dit in het kader
van art. 1280 Ger.Wb. (kortgedingprocedure rond de voorlopige maatregelen
m.b.t. de persoon, het levensonderhoud en de goederen zowel van
de partijen als van de kinderen).
De kortgedingrechter mag hierbij immers geen rekening houden met
de schuldvraag. De vrederechter daarentegen heeft bij een procedure
in het kader van dringende en voorlopige maatregelen geen verplichting
om de schuldvraag te beslechten maar heeft wél de mogelijkheid
om rekening te houden met de vaststaande schuld indien dit wordt
opgeworpen. Uit de rechtspraak blijkt bijvoorbeeld dat overspel
als feitelijk gegeven in het kader van het onderhoudsvraagstuk toch
mee kan spelen in de beoordeling van de rechter maar ook enkel en
alleen ais dit overspel vaststaat. Een proces?verbaal van vaststelling
van overspel mag nochtans volgens de wet enkel aangewend worden
tijdens de definitieve echtscheidingsprocedure en dus NIET in het
kader van een procedure betreffende voorlopige maatregelen.
Daarnaast bracht spreekster eveneens de uitkering na echtscheiding
op grond van bepaalde feiten ter sprake. De begrenzing van de onderhoudsuitkering
tot maximum 1/3 van het inkomen van de onderhoudsplichtige geldt
wél bij een echtscheiding op grond van bepaalde feiten maar
niet op grond van twee jaar feitelijke scheiding. Volgens de terechte
uitspraak van het Arbitragehof (3 mei 2000) roept dit een situatie
in het leven die strijdig is met het gelijkheidsbeginsel. Er dringt
zich dan ook volgens de spreekster een snelle interventie op van
de wetgever om deze ongrondwettigheid te verhelpen.
Zij vervolgde haar betoog met een vergelijking tussen de ontvangstmachtiging
en het beslag. In het verleden leek de techniek van het beslag -
dat in tegenstelling tot de ontvangstmachtiging ook kan worden gelegd
op onroerende goederen - niet echt interessant aangezien het enkel
uitgevoerd kan worden voor reeds vervallen termijnen (dus alleen
voor periodes die reeds voorbij waren en niet voor toekomstige schuldvorderingen).
De Wet van 29 mei 2000 breidt deze toepassing van het beslag echter
uit naar nog te vervallen termijnen maar zal echter niet meer vóór
2001 in werking treden !
Tenslotte eindigde Mevrouw Katleen Vanlede haar uiteenzetting met
het bespreken van de mogelijkheden tot een globale herziening van
de schulden van de onderhoudsplichtige. Enerzijds kan dit in het
kader van een vordering tot toekenning van een ontvangstmachtiging
gebeuren waarbij het initiatief uitgaat van de onderhoudsgerechtigde
die deze vordering instelt (huidig artikel art. 1390 quater Ger.Wb.
dat zal vervangen worden door het nieuwe art. 1390bis Ger.Wb.) Indien
de onderhoudsplichtige met verschillende alimentatiegerechtigden
tegelijk wordt geconfronteerd kan de rechter een verdeling en/of
herziening van de schulden uitspreken.
Anderzijds is dit eveneens mogelijk in het kader van een vordering
tot collectieve schuldenregeling (artt. 1675/2-19 Ger.Wb.) waarbij
het initiatief uitgaat van de schuldenaar voor de beslagrechter.
De lopende onderhoudsschulden genieten hierbij een voorkeursbehandeling
maar de achterstallige onderhoudsschulden worden echter in de boedel
opgenomen met de kans dat die zullen worden kwijtgescholden.
De tweede spreker die aan bod kwam was Professor Senaeve,
Buitengewoon Hoogleraar aan de K.U.Leuven, die de onderhoudsverplichting
belichtte binnen het sinds 1 januari 2000 in werking getreden instituut
van de wettelijke samenwoning en binnen het "vrije"
concubinaat.
I. De onderhoudsverplichting tussen wettelijk samenwonenden
A. Tijdens de wettelijke samenwoning
1) de bijdrageplicht
Tussen wettelijk samenwonenden geldt de hulpplicht niet maar enkel
en alleen de bijdrageplicht in de lasten van het samenleven naar
evenredigheid van hun mogelijkheden. Deze lasten worden gevormd
door alle noden die voortvloeien uit de samenleving al dan niet
met kinderen, waarbij het van geen belang is of dit gemeenschappelijke
kinderen zijn of niet.
Het bijdragen naar evenredigheid van hun mogelijkheden doelt niet
enkel op de actuele inkomsten van beide partners maar tevens op
de persoonlijke inspanningen en zelfs op de inkomsten die iemand
zou kunnen verwerven door het leveren van een redelijke inspanning.
Uiteraard bepaalt de wet niets over de vorm waarin deze bijdrageplicht
dient te gebeuren, aangezien het tot de individuele vrijheid behoort
om het gezinsleven zelf te organiseren.
De niet?naleving kan enkel aanleiding geven tot de veroordeling
van de nalatige partner tot een onderhoudsgeld; een ontvangstmachtiging
of inkomstendelegatie is echter niet mogelijk.
Het is de vrederechter die bevoegd is om de onderhoudsuitkering
te bevelen.
2) dringende voorlopige maatregelen
Enkel wanneer de verstandhouding tussen de partners ernstig verstoord
is, kunnen via de vrederechter dringende voorlopige maatregelen
worden bekomen. Net als bij gehuwden is dan
wel hoogdringendheid vereist maar daarenboven moet de vrederechter
expliciet de geldigheidsduur ervan bepalen (wat niet verplicht is
bij gehuwden). Deze maatregelen betreffen het betrekken van de gemeenschappelijke
verblijfplaats, de persoon en de goederen van de wettelijke samenwonenden
en van de kinderen, en de wettelijke en contractuele onderlinge
verplichtingen. Zodra de wettelijke samenwoning, op welke grond
ook, beëindigd wordt vervallen deze maatregelen echter automatisch
en dit geldt eveneens voor al wat de kinderen betreft.
Prof. Senaeve betreurt het feit dat de mogelijkheid om voor de vrederechter
dringende voorlopige maatregelen te vragen enkel gekoppeld werd
aan het nieuwe statuut van de wettelijke samenwoning en dit systeem
dus niet voor alle samenwonenden werd ingevoerd.
B. Na de beëindiging van de wettelijke samenwoning
1) de bijdrageplicht
De bijdrageplicht vervalt meteen zodra er een einde komt aan de
wettelijke samenwoning waardoor het werkelijke nut ervan grotendeels
tot niets is herleid. Immers wanneer iemand tot een onderhoudsgeld
wordt veroordeeld is het voldoende om het samenleven te beëindigen
om hieraan te kunnen ontsnappen.
2) dringende voorlopige maatregelen
De wet bepaalt dat een ex?wettelijke samenwonende nog een verzoek
om dringende voorlopige maatregelen kan indienen bij de vrederechter
uiterlijk tot drie maanden na het beëindigen van de wettelijke
samenwoning. De vrederechter mag echter enkel die maatregelen gelasten
die ingevolge de beëindiging van de wettelijke samenwoning
gerechtvaardigd zijn. De duur ervan mag tevens niet langer dan één
jaar bedragen.
Het toekennen van een onderhoudsgeld is echter onmogelijk aangezien
hiervoor geen enkele rechtsgrond voorhanden is in de wet vermits
er niet in een onderhoudsverplichting is voorzien voor de periode
na de ontbinding van de wettelijke samenwoning. De loutere vermelding
in de wet dat de vrederechter de dringende voorlopige maatregelen
beveelt "die ingevolge de beëindiging gerechtvaardigd
zijn" kan, volgens Prof. Senaeve, wegens zijn vaagheid daartoe
onmogelijk een voldoende rechtsgrond vormen.
II. De onderhoudsverplichting tussen concubinerenden
A. Tijdens het concubinaat
Aangezien er tussen concubanten geen juridisch erkende band bestaat,
ontstaan er evenmin persoonlijke rechten of plichten. Toch wordt
het bestaan van een natuurlijke verbintenis om bij te dragen in
de lasten van de gemeenschappelijke huishouding aanvaard, zodat
terugvordering van betaalde onderhoudsbijdragen achteraf onmogelijk
is. Anderzijds wordt geoordeeld dat wie samenwoont financieel volledig
of toch minstens gedeeltelijk ? afhankelijk van de financiële
situatie van de partner ? in staat is in zijn onderhoud te voorzien,
zodat wettelijke onderhoudsplichtigen niet langer of slechts voor
een lager bedrag dienen tussen te komen.
B. Na de beëindiging van het concubinaat
1 / door de dood
Op grond van de reeds vermelde natuurlijke verbintenis worden de
kosten van laatste ziekte en van begrafenis respectievelijk crematie
geacht betaald te moeten worden door de financieel sterkere langstlevende
partner.
2 / door de verbreking van de relatie
Vermits het concubinaat geen geïnstitutionaliseerd samenlevingsmodel
vormt bestaat er bijgevolg ook geen wettelijke onderhoudsplicht.
In de Belgische rechtspraak en rechtsleer bestaat er
grote onenigheid over de vraag of er echt sprake is van een natuurlijke
verbintenis tot onderhoud na het beëindigen van de samenwoning
op initiatief van één der partners.
Prof. Senaeve is van oordeel dat er geen maatschappelijk aanvaarde
plicht kan bestaan tussen personen die op een vrije basis samenleven
en er dus bijgevolg geen afdwingbare burgerrechtelijke verbintenis
voorhanden is. Een aantal recente uitspraken en tevens ook de Franse
rechtspraak gaan echter wel uit van de theorie van de natuurlijke
verbintenis waarbij deze echter niet juridisch afdwingbaar is door
de schuldeiser. Deze theorie kan dus enkel uitgevoerd worden in
geval de schuldenaar spontaan blijft betalen na het einde van de
relatie.
III. De conventionele onderhoudsverplichting tussen wettelijk
samenwonenden en tussen concubinerenden
A. Contractuele verbintenissen in het algemeen
Samenlevingsovereenkomsten zijn principieel geldig zolang ze binnen
de beperkingen van het gemeen recht blijven. Elke verbintenis die
een beperking inhoudt van de persoonlijke vrijheid, is uiteraard
nietig, aangezien het recht tot verbreking van de samenleving niet
contractueel beperkt kan worden. De nietigheid van eén beding
betekent echter niet automatisch de nietigheid van de globale samenlevingsovereenkomst.
Dit is uiteraard eveneens van toepassing op de overeenkomst waarin
partners hun relatie regelen in het kader van de wettelijke samenwoning.
Het Burgerlijk Wetboek verplicht echter dat deze de vorm van een
authentieke akte aanneemt en verleden wordt voor een notaris. Wordt
die overeenkomst gesloten vóór de aanvang van de wettelijke
samenwoning dan moet die vermeld worden in de schriftelijke verklaring
van wettelijke samenwoning die de partners moeten overhandigen aan
de ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Deze notariële overeenkomst
moet ook altijd vermeld worden in het bevolkingsregister.
B. Onderhoudsovereenkomsten tussen wettelijk of feitelijk samenlevende
personen
1 / tussen concubanten
Samenlevenden kunnen rechtsgeldig een eenzijdige of wederkerige
onderhoudsverbintenis tussen elkaar overeenkomen. Deze overeenkomsten
worden volledig beheerd door de regels van het verbintenissenrecht,
zodat deze niet vatbaar zijn voor eenzijdige herroeping maar enkel
met wederzijds goedvinden gewijzigd kunnen worden.
In geval van een overspelig concubinaat kan de echtgenoot/echtgenote
van de overspelige partner wél de nietigheid van zo'n overeenkomst
inroepen wegens strijdigheid met de openbare orde en/of de goede
zeden, wanneer deze kan aantonen dat hij/zij daardoor beledigd is.
Ook hier geldt uiteraard de nietigheid van de overeenkomst zodra
er een beperking van de persoonlijke vrijheid uit voortvloeit. Dit
betekent evenwel niet dat een overeenkomst noodzakelijkerwijze nietig
zou zijn wanneer een onderhoudsverplichting ? zowel beperkt in bedrag
als in tijd ? zou ten taste gelegd worden aan diegene die het concubinaat
verbreekt. Dit moet echter telkens beoordeeld worden in het licht
van de concrete omstandigheden.
Wanneer een onderhoudsverbintenis enkel werd aangegaan met het bedrieglijk
inzicht om de rechten van andere personen te benadelen kan deze
uiteraard te allen tijde worden nietig verklaard.
Bij de samenloop tussen wettelijk onderhoudsgerechtigden met samenwonende
onderhoudsgerechtigden kunnen er wel problemen van tegenstelbaarheid
en voorrang rijzen.
2/ tussen wettelijk samenwonenden
Tussen wettelijk samenwonenden bestaat er tijdens hun samenleven
een wettelijke onderhoudsverbintenis op basis van hun bijdrageplicht
in de lasten van het samenleven, zodat het niet mogelijk is om hiervan
via overeen
komst afstand te doen. Een overeenkomst met betrekking tot deze
onderhoudsplicht is wél mogelijk zolang deze slechts de modaliteiten
ervan regelt. Zodra de samenleving beëindigd wordt, bestaat
er echter geen wettelijke onderhoudsplicht meer en in geval van
een overeenkomst enkel nog een conventionele onderhoudsplicht.
Sofie Van Steenberghe
Educatieve medewerkster BGMK
Uit het ts. HOOP! - 22e jaargang nr. 10 blz. 12-15.
UITSPRAAK Arbitragehof"mijlpaal
in echtscheidingsrecht"
Alimentatie niet hoger dan derde van inkomen
BRUSSEL - Het alimentatiegeld dat een "schuldige echtgenoot"
moet betalen, mag nooit meer bedragen dan een derde van zijn inkomsten.
Dat is het gevolg van een recente uitspraak van het Arbitragehof.
Van onze redacteur Filip Verhoest
De Juristenkrant, die de uitspraak van het Arbitragehof
bekendmaakte, spreekt van "een mijlpaal in het alimentatierecht".
Veel gescheiden mensen die meer dan een derde van hun inkomen aan
alimentatie besteden, zouden - gewapend met de uitspraak van het
Arbitragehof - aan de rechter een vermindering kunnen aanvragen.
Het gaat om personen die een echtscheiding aanvroegen omdat ze meer
dan enkele jaren apart van hun ex-echtgenoot/ex-echtgenote woonden.
Het recht spreekt in dit geval van een echtscheiding op grond
van feitelijke scheiding. Op de alimentatieverplichting van
de gescheidenen staat geen grens.
Daarentegen betaalt een echtgenoot die bijvoorbeeld overspel pleegde,
nooit meer dan een derde van zijn inkomen, voor een uitkering tot
levensonderhoud. In dit geval is sprake van een echtscheiding op
grond van feiten. Andere redenen voor zo'n scheiding zijn slagen
en verwondingen toegebracht aan de partner, beledigingen, enzovoorts.
De schuldige echtgenoot, bij een echtscheiding op grond van feiten,
betaalt volgens het Burgerlijk Wetboek nooit meer dan een derde
aan alimentatie. Het Arbitragehof vindt dit verschil in behandeling
een discriminatie en in strijd met de grondwet. Het arrest dateert
van 3 mei jongstleden.
Gescheiden mensen die meer dan een derde betalen,
kunnen rechter vermindering vragen
De dader van een bewezen fout (bv. Overspel) geniet een gunstiger
behandeling dan de dader van een veronderstelde fout, luidt de commentaar
van de Juristenkrant.
Bij overspel lijkt het evident dat de echtgenoot een fout beging.
Maar ook bij een feitelijke scheiding wordt de fout voor de misgelopen
relatie altijd bij een van de partners gelegd, namelijk bij degene
die de echtscheiding aanvraagt.
De praktische gevolgen van de uitspraak zijn, volgens de Juristenkrant
"uitermate belangrijk". Bij aanvragen tot echtscheiding
op grond van feitelijke scheiding, kan de aanvrager de rechter vragen
de alimentatie te beperken tot een derde van zijn inkomsten; ook
al laat de wet een hoger bedrag toe.
De VU-kamerleden Geert Bourgeois en Karel Van Hoorebeke dienden
in februari al een wetsvoorstel in om die discriminatie weg te werken.
Het parlement besprak toen een vermindering van de termijn voor
apart wonen voor een feitelijke scheiding, van vijf tot twee jaar.
De reductie van die termijn is aanvaard. Maar het VU-amendement
niet: de meerderheid verwees naar de hangende rechtszaak voor het
Arbitragehof.
Nu dit Hof een uitspraak heeft gedaan, vraagt VU-voorzitter Geert
Bourgeois de dringende behandeling van zijn wetsvoorstel. Hij wijst
erop dat, door de nieuwe termijn van twee jaar, steeds meer feitelijk
gescheiden mensen naar de rechter zullen stappen. Zij moeten zekerheid
krijgen, zegt Bourgeois.
(Uit De Standaard van donderdag 25 mei 2000)
Commentaar
En de Juristenkrant én dan ook De Standaard spreken
over alimentatie en over alimentatie na echtscheiding op grond van
feitelijke scheiding als over een vanzelfsprekendheid. Het is toch
schrijnend onrechtvaardig dat zomaar op grond van veronderstelde
schuld - een begrip dat helemaal in de lucht hangt - echtscheidingen
kunnen blijven uitgesproken worden waarbij één partij,
de zogenaamd schuldige, levenslang tot onderhoudsuitkering wordt
verplicht. Vanuit onze visie blijven we in deze aangelegenheid resoluut
en categoriek : de wetgeving moet in die materie bij feitelijke
scheiding het schuldprincipe uit de wet bannen en geen alimentatieverplichting
meer opleggen als daar geen absolute evidenties voor zijn. Wij willen
de banning van het schuldprincipe uit alle systemen van echtscheidingsprocedures.
Daar lijken nu toch wel alle politieke partijen van overtuigd te
zijn ook na haar zwenking de CVP (nu CD&V). Maar zolang dat
niet gerealiseerd wordt, bijvoorbeeld op basis van het VLD-wetsvoorstel
van Coveliers e.a. moeten we realist blijven en lijkt ons de behandeling
van het wetsvoorstel Bourgeois-Van Hoorebeke in het vooruitzicht
van beters een dringende aangelegenheid zeker nu na het arrest van
3 mei 2000 van het Arbitragehof en nu de Wet Erdman van toepassing
is. Daaruit zou dan een in de tijd beperkte wet kunnen voortspruiten,
waarbij de gesignaleerde discriminatie wordt opgeheven. Een spoedige
behandeling van het wetsvoorstel Coveliers e.a. zou deze materie
kunnen achterhalen en zelfs een dergelijke wet overbodig maken.
Wij dringen aan op die spoedige aanpak van het beloftevol wetsvoorstel
vanuit de VLD. Toch blijft een zogenaamd "alimentatierecht"
een heikel thema in de echtscheidingshervorming. Wij zijn in tegenstelling
tot het KAV en de CVP (CD&V) gekant tegen levenslange alimentatietoekenning
als uitermate onbillijk en onrechtvaardig.
Een kans tot hernieuwing van de echtscheidingswetgeving zou op het
einde van het jaar 2002 kunnen komen. Wordt die niet gebruikt, dan
zou ze kunnen komen in een nieuwe legislatuur. Politici eisen van
echtscheiders een eindeloos geduld.
Bij een echtscheiding door onderlinge toestemming moeten de echtgenoten
die uit de echt willen scheiden, onder meer afspraken maken over
de bijdrage die zij elk zullen leveren in het levensonderhoud van
hun kinderen. Veelal wordt dan afgesproken dat één
van hen aan de andere een maandelijks bedrag aan alimentatie betaalt
voor de kinderen (bijvoorbeeld een bedrag van 5.000 frank of 124
Euro per maand).
Het gebeurt heel vaak dat één van de (dan intussen
ex-)echtgenoten een paar jaar later die afspraak opnieuw ter discussie
wil stellen. En dit bijvoorbeeld omdat het afgesproken bedrag zogenaamd
te laag zou zijn geworden, nu de kinderen ouder zijn geworden en
naar een andere school gaan. Of omdat diegene die de uitkering betaalt,
intussen een andere (beter betaalde) job heeft. Maar kan men eigenlijk
wel terugkomen op zo'n afspraak?
Indien beide ex-echtgenoten het eens zijn om het destijds afgesproken
bedrag aan alimentatie aan te passen - naar boven dan wel naar beneden
- is er geen probleem. De ex-echtgenoten zijn vrij dat in onderling
akkoord te doen. Ze hoeven daarvoor, als er een akkoord is, volgens
de meeste rechters niet opnieuw langs de rechtbank te passeren.
Het is natuurlijk wel aangewezen dit nieuwe akkoord ook op papier
te zetten, kwestie van de afspraak te kunnen bewijzen.
Is er geen akkoord, dan zal de ex-echtgenoot die de aanpassing
wil verkrijgen, daarvoor langs de rechtbank moeten passeren, en
daar een wijziging van de uitkering moeten vragen. Om die te kunnen
krijgen, zal hij echter moeten kunnen aantonen dat er nieuwe omstandigheden
voorliggen die een ingrijpende invloed hebben en onafhankelijk zijn
van de wil van de partijen (bijvoorbeeld het kind of één
van de echtgenoten werd ziek, de onderhoudsplichtige verloor zijn
job, ). Want er was nu eenmaal een overeenkomst over de hoogte
van de onderhoudsuitkering, die men niet zomaar opnieuw ter discussie
kan stellen.
Men kan dus niet voor het minste van de rechtbank vragen dat die
de onderhoudsuitkering aanpast. De omstandigheden zullen overigens
alleszins ook onafhankelijk moeten zijn van de wil van de partijen.
Het volstaat dus bijvoorbeeld niet dat de onderhoudsplichtige ontslag
neemt en bij dezelfde werkgever in het zwart gaat werken om een
vermindering van de onderhoudsuitkering te kunnen vragen. Of dat
die in het buitenland gaat werken en daar een minder goed betalende
job aanneemt. Discussie bestaat of een loutere verhoging van de
inkomsten van de uitkeringsplichtige ouder (die verdient intussen
bijvoorbeeld het dubbele van vroeger) in aanmerking mag worden genomen
om een wijziging van de onderhoudsuitkering te vragen.
In de overeenkomst die naar aanleiding van de echtscheiding door
onderlinge toestemming wordt gesloten, kunnen de echtgenoten zelf
afspreken in welke gevallen de alimentatie voor de kinderen kan
worden aangepast; het is alleszins aangewezen dat zo tewerk wordt
gegaan. Op die manier kunnen immers latere discussies worden vermeden,
en weten de echtgenoten op voorhand in welke gevallen zij een wijziging
van de uitkering zullen kunnen vragen.
Door in de echtscheidingsovereenkomst al goede afspraken te maken,
kunnen latere procedures tot wijziging van de uitkering worden vermeden.
Zo kan men de onderhoudsuitkering koppelen aan de schommelingen
van de index. Het verdient daarbij aanbeveling het indexcijfer waaraan
men koppelt (gezondheidsindex of index der consumptieprijzen) duidelijk
te omschrijven en de formule van aanpassing eveneens in de overeenkomst
weer te geven.
Een tweede optie bestaat erin een variërend bedrag aan alimentatie
op te nemen in functie van de leeftijd van het kind (bijvoorbeeld
tot 6 jaar 4.000 frank of 99 Euro per maand, vanaf 6 tot 12 jaar
5.000 frank of 124 Euro en boven 12 jaar 6.000 frank of 149 Euro
per maand). Een andere vaak opgenomen clausule heeft betrekking
op de buitengewone kosten van levensonderhoud (bijvoorbeeld operaties,
studiekosten, ).
Veelal wordt hier bepaald dat elk van de ouders voor de helft bijdraagt
in die kosten. Om ook hier discussies te vermijden, wordt best omschreven
wat precies onder buitengewone kosten wordt verstaan.
Jan Roodhooft
Uit : De Standaard van dinsdag 27 maart 2001.
Deze rubriek verschijnt wekelijks op dinsdag. De auteur is advocaat
bij het advocatenkantoor De Lat, Wuyts en vennoten in Herentals.
Eén van onze kennissen zag in de loop van de jaren zijn
kinderen opgroeien, achttien jaar en meer worden. Hij belt ons op
om te vragen wat hij nu moet doen in verband met de betaling van
het onderhoudsgeld voor zijn zonen die de grens overschrijden van
de meerderjarigheid. Zoals zovelen onder ons is hij het contact
met zijn kinderen na de echtscheiding kwijt geraakt. Hij zou wel
willen vernemen hoe hij aan de weet kan komen of zijn oudste zoon
werkt en een eigen inkomen verwerft. Als dat zo is, dan kan hij
eindelijk eens stoppen met het betalen aan zijn ex-vrouw van onderhoudsgeld
voor die zoon.
Een dergelijke vraag is eerder gesteld dan beantwoord. Bij de VDAB
informeren betekent dikwijls geen antwoord krijgen op grond van
de wet op de privacy. Zelfs een zo direct betrokken partij als de
vader die onderhoudsgeld betaalt, wordt weggestuurd zonder die basisinformatie
te verkrijgen. Dat vinden wij uiteraard volslagen onbillijk. Intussen
is onze man nog niet wijzer geworden.
Wat kan hij uiteindelijk doen om van zijn onderhoudsgeld bevrijd
te worden wanneer zijn kind meerderjarig is en een inkomen heeft?
In de eerste plaats moeten wij stellen dat het beëindigen van
de onderhoudsverplichting formeel moet gebeuren door een beschikking
van de Rechtbank, doorgaans de vrederechter. Je moet daarvoor dus
een procedure voeren en een vonnis verkrijgen. In veruit de meeste
gevallen hoeft het die vaart niet te lopen. Waar er contact en verstandhouding
bestaan tussen onderhoudsplichtige vader, onderhoudsbehoeftig kind
en onderhoudstrekkende moeder, kan dat uiteraard besproken worden
met elkaar en kan een vanzelfsprekende minnelijke afschaffing van
de betaalverplichting ontstaan. Enkel wanneer er nog hevige tegenstelling
bestaat van de kant van de moeder en het kind tegenover de vader
is die procedure de enig mogelijke formele weg.
De kernvraag in die gevallen is natuurlijk of het kind afgestudeerd
is, in de wachttijd zit om in de werklozensteun te worden opgenomen,
dan wel of het door werk een eigen inkomen bezit. In het geval van
onze kennis hebben wij hem de raad gegeven die informatie rechtstreeks
te vragen aan zijn meerderjarige zoon door hem een aangetekend schrijven
te sturen waarin hij hem formeel verzoekt de nodige gegevens mee
te delen bij gebreke waarvan hij in de onmogelijkheid verkeert nog
verder te voldoen aan de onderhoudsverplichting. Wij steunen ons
daarbij juridisch op het artikel uit het burgerlijk wetboek dat
sinds 13 april 1995 stelt dat ouders en kinderen wederzijds eerbied
en respect verschuldigd zijn aan elkaar om het even welke de leeftijd
is. Uit dat artikel dat zelden in procedures juridisch wordt gehanteerd,
maar een vast wetsartikel is, leiden wij dan de betreffende informatieverplichting
af vanwege de zoon naar zijn verre vader toe. Verwerft de vader
dan die noodzakelijke informatie, dan kan hij de passende houding
aannemen: ofwel verder betalen ofwel het onderhoudsgeld (laten)
afschaffen.
Bij minderjarigheid van de kinderen worden in de vonnissen voorlopige
maatregelen doorgaans de moeders aangevoerd aan wie het onderhoudsgeld
voor de kinderen moet worden betaald. Dikwijls wordt daarbij vergeten
dat die moeders eveneens in overeenstemming met hun middelen in
verhouding moeten bijdragen tot het onderhoud en de opvoeding van
diezelfde kinderen. In elk geval krijgen zij normaal gezien de nodige
centen op hun rekening geboekt vanwege de afwezige vader om mee
in dat onderhoud en die opvoeding van de kinderen te voorzien. Wat
nu als diezelfde kinderen meerderjarig worden? Blijft de onderhoudsbepaling
van het vonnis voorlopige maatregelen nog geldig? Moeten die gelden
dan nog verder draagbaar zijn de eerste van de maand aan de moeder?
Meestal blijven de vaders argeloos doorbetalen aan de moeders, ook
al zijn de kinderen zelfstandig, meerderjarig, handelingsbekwaam
en wonen of verblijven zij elders dan bij de moeder.
Dat kan anders. In een lopende procedure over bijvoorbeeld verhoging
van het onderhoudsgeld omwille van hogere studies of door andere
gewichtige omstandigheden kan de vader in besluiten de rechtbank
verzoeken te statueren in het vonnis dat hij voortaan het onderhoudsgeld
rechtstreeks aan zijn meerderjarige kinderen kan overmaken. Doorgaans
stemt de rechter daarmee in. Bij minimaal onderling contact kan
de vader de kinderen op het ogenblik van hun meerderjarigheid ook
verzoeken hem hun rekeningnummer over te maken waarop hij vanaf
hun 18de verjaardag het onderhoudsgeld stort. Hierbij moet hij nooit
vergeten in de "reden tot betaling" te vermelden dat het
wel degelijk om het onderhoudsgeld voor die of die maand van dat
jaar gaat. Bij niet-contact kan hij het betreffende kind eveneens
een aangetekend schrijven - al dan niet met ontvangstmelding - sturen
om dat rekeningnummer mee te delen. Vele verloren zonen zullen dan
hun bankrekening kenbaar maken en dan kan daar voortaan op worden
gestort.
Een belangrijk aspect daarbij mogen we niet uit het oog verliezen.
Het betalen van onderhoudsgelden aan de meerderjarige kinderen zelf
kan zijn fiscale weerslag hebben bij die kinderen. De onderhoudsplichtige
blijft die bedragen voor 80% aftrekken van zijn inkomen. De kinderen
kunnen niet meer ten laste van de moeder worden genomen. Hun "bestaansmiddelen"
moeten zij aan de fiscus aangeven in een eigen belastingaangifte.
Dat betekent nog niet dat zij belastingen moeten betalen. Als zij
blijven onder het grensbedrag van een belastingvrije som voor een
alleenstaande, maakt het voor die kinderen geen verschil, dat zij
nu hun onderhoudsuitkeringen zelf opstrijken. Als zij echter door
een vakantiejob wel boven dat grensbedrag komen, dan betalen zij
belasting op het het deel dat boven het grensbedrag uitstijgt. Het
basisbedrag van de belastingvrije som voor een alleenstaande is
4.095 euro, voor het aanslagjaar 2002 is die som 5.350 euro.
Het betalen van onderhoudsgelden voor meerderjarige kinderen lijkt
een deelprobleempje in de marge, maar het is echt niet onbelangrijk
voor vele gescheiden mannen en hun meerderjarige kinderen.
Onderhoudsuitkering
bij niet-gehuwde samenwonenden
In principe kunnen alleen echtgenoten aanspraak maken op hulpuitkering,krachtens
"Art.213 Echtgenoten zijn jegens elkaar...hulp...verschuldigd",B.W.(=Burgerlijk
Wetboek).
Uitzonderlijk geldt :'De vrederechter is bevoegd krachtens art.591,7°
Ger.W. om kennis te nemen van de vordering tot onderhoudsuitkering
tussen ongehuwd samenwonenden na de beëindiging van hun samenleving.
Wanneer de man tijdens het samenwonen in hoge mate de financiële
lasten van het huishouden droeg en instond voor het onderhoud van
de vrouw, is dit een natuurlijke verbintenis die wordt omgevormd
in een gerechtelijke verbintenis die in rechte afdwingbaar is',
Vred.Gent 4 november 1996, A.J.T.(= Algemeen Juridisch Tijdschrift)
1996-97,323,noot JACOBS,K..
Ga volledigheidshalve naar (geconsolideerde wetgeving) in http://just.fgov.be/index_nl.htm
. Onder 'Juridische aard'(driehoekje) vindt u de Wetboeken.
Bron : be.burgerrechten J. De Moor 24/11/2002 17:39
Graag had ik wat meer uitleg gekregen over het tijdstip waarop
het betalen tot onderhoudsgeld normalerwijze stopt. Mijn man heeft
uit een vorig huwelijk twee kinderen. Hij is gescheiden met onderlinge
toestemming en er is een schriftelijk akkoord dat hij onderhoudsgeld
blijft betalen tot de kinderen meerderjarig zijn, hun studie na
die leeftijd beëindigen, huwen of over een volwaardig inkomen
beschikken.
Betekent dit nu dat de kinderen meerderjarig moeten zijn en over
een inkomen kunnen beschikken? Kan de alimentatie bijvoorbeeld stopgezet
worden van het ogenblik dat de studie voltooid is en zij meerderjarig
zijn, zelfs als zij nog niet over een volwaardig inkomen beschikken?
Antwoord :
Voor het bepalen hoe lang er alimentatie moet worden betaald voor
kinderen gelden niet alleen de bepalingen van de overeenkomst die
n.a.v. de echtscheiding door onderlinge toestemming door de ouders
zijn overeengekomen maar uiteraard ook de wettelijke bepalingen
en de belangen van het kind.
Het eenvoudig meerderjarig worden van het kind doet de onderhoudsplicht
van de ouders niet stoppen. Het criterium is of de jongere in staat
is of in staat moet zijn om in zijn of haar eigen onderhoud te voorzien.
Dat kan uiteraard nog niet wanneer de jongere na 18 jaar te zijn
geworden, zijn studies beëindigt maar nog niet over een volwaardig
inkomen beschikt. Bijvoorbeeld in de wachttijd op werkloosheidsuitkeringen
blijft de onderhoudsplicht verder lopen omdat het kind uiteraard
onderhoudsbehoeftig blijft, ook al staat in de akte van echtscheiding
door onderlinge toestemming uitdrukkelijk vermeld dat de onderhoudsplicht
eindigt de eerste maand waarin het kind meerderjarig wordt en de
studies zijn stopgezet.
Wanneer het kind huwt vervalt uiteraard de onderhoudsplicht van
de ouders, ook al zou het kind nog niet over een volwaardig inkomen
beschikken. Vanaf het huwelijk primeert immers de onderhoudsverplichting
tussen de echtgenoten.
De vraag wat precies een volwaardig inkomen is, zal door de rechtbanken
individueel geval per geval moeten worden beoordeeld indien er tussen
de ouders geen akkoord tot stand komt.
Een werkloosheidsvergoeding dient normalerwijze te worden beschouwd
als een volwaardig inkomen vermits het kind vanaf het ontvangen
van een dergelijke vergoeding, alleszins beschikbaar is op de arbeidsmarkt.
Voor andere personen wordt een werkloosheidsuitkering toch ook als
een volwaardig inkomen beschouwd, hoewel dit in de praktijk ook
niet altijd het geval is.
De stopzetting van de alimentatie moet niet altijd officieel worden
aangevraagd bij een gerechtelijke instantie wanneer partijen ter
zake een akkoord kunnen bereiken en ook bereid zijn dit op papier
te zetten. Wanneer de stopzetting door de onderhoudsgerechtigde
zou worden betwist, moet de beëindiging van betaling worden
gevorderd voor de vrederechter die bevoegd is voor dergelijke geschillen.
Intussen, terwijl de procedure bezig is, dient het onderhoudsgeld
uiteraard verder te worden betaald. Indien de vrederechter dan het
onderhoudsgeld met terugwerkende kracht zou afschaffen, moet het
onverschuldigde betaalde bedrag uiteraard door de onderhoudsgerechtigde
worden terugbetaald. Beroep tegen het vonnis van de vrederechter
is mogelijk bij de rechtbank van eerste aanleg.
Laatste update : 17 oktober 2009 | Vragen welkom
bij : Webmaster