| Omzendbrief: Ouderlijk
gezag in onderwijsaangelegenheden
Referentie : NO/2005/01 (13AC)
Publicatiedatum : (14/04/2005)
Wettelijke basis : Artikel 371-375bis van het burgerlijk
wetboek van 21/3/1804
Opheffing : omzendbrief 13AC/WJ/SH van 22 januari 1997
Contactpersoon : Erik
Moncarey, 02-553 65 54
Inhoud :
Titularissen en inhoud van het ouderlijk gezag.- Aangewezen procedures
voor de scholen.- Informatieve omzendbrief aan de schooldirecties
van het basis-, secundair en deeltijds kunstonderwijs en de directies
van de centra voor leerlingenbegeleiding.
1. INLEIDING
De beslissingen over een minderjarige worden genomen door de personen
die het ouderlijk gezag uitoefenen. Voor de school is het niet altijd
evident te weten wie het ouderlijk gezag uitoefent of hoe en wanneer
de school met hen best communiceert. Bovendien kan de gezinssituatie
wijzigen in de loop van de schoolloopbaan. De ouders verwachten
dan meestal dat ook de school met deze wijzigingen rekening houdt,
pedagogisch en administratief-organisatorisch.
Deze omzendbrief wil u informeren over het ouderlijk gezag en over
de beste handelwijze bij contacten met de ouders. De concrete toepassing
van deze principes blijft de verantwoordelijkheid van het schoolbestuur.
Het departement Onderwijs staat niet in voor de handhaving of sanctionering
van deze rechten en plichten.
In de communicatie met de meeste gezinnen stellen zich geen problemen.
Beide ouders nemen de beslissingen betreffende het onderwijs samen
en vragen zo nodig ook de instemming van hun kind. Ook als maar
één persoon het ouderlijk gezag heeft, is er weinig
kans op betwisting van zijn of haar beslissingen betreffende het
onderwijs en recht op informatie van de school. In de meeste gevallen
zal gezond verstand volstaan en is het niet nodig om de ouders met
bijkomende formaliteiten te belasten.
Moeilijkheden ontstaan vooral tijdens en na echtscheidingsprocedures.
Uiteraard is het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van
de ouders om de gezamenlijke opvoeding van hun kinderen te organiseren,
daarover onderlinge afspraken te maken en een goede communicatie
te onderhouden.
2. Titularissen van het ouderlijk
gezag 1
2.1. OUDERS
In principe zijn de beide oudersvan een minderjarige gezamenlijk
verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kind (co-ouders). Zij
hoeven daarvoor niet gehuwd te zijn of samen te wonen, maar dat
zal in de regel wel het geval zijn. Zij nemen solidair de beslissingen
betreffende het onderwijs aan hun kind. Eén van de ouders
(vader of moeder) kan namens beide ouders optreden tegenover derden
die "te goeder trouw" zijn, op basis van een vermoeden
van akkoord. 2
Welke personen "te goeder trouw" zijn, is een feitenkwestie
die per individueel geval beoordeeld moet worden, desnoods door
een rechtbank. De school mag dus de beslissingen (zoals de inschrijving)
van één van de ouders uitvoeren, tenzij de school
weet dat de andere ouder het er niet mee eens is. In het laatste
geval moet de school weigeren de beslissing uit te voeren, zonder
uitdrukkelijk akkoord van de andere ouder.
Een rechtbank kan beslissen dat één van de (gescheiden)
ouders het exclusief ouderlijk gezag krijgt. Deze exclusieve ouder
heeft, met uitsluiting van de andere, het gezag over de opvoeding
en de goederen van het kind. Bovendien heeft hij of zij (meestal)
het kind feitelijk bij zich en neemt hij of zij de beslissingen
over de school- en studiekeuze en de keuze godsdienst of zedenleer
of vrijstelling. In dat geval moet de school een inschrijving door
de andere ouder weigeren.
De rechtbank bepaalt meestal, eventueel op voorstel van de ouders,
een tussenoplossing waarbij bepaalde beslissingen met instemming
van beide ouders moeten worden genomen en voor het overige één
ouder alleen verantwoordelijk is. 3
De rechtbank kan ook één of beide ouders volledig
of gedeeltelijk ontzettenuit het ouderlijk gezag. In dat geval heeft
de betrokken ouder geen beslissings- of toezichtsrecht meer, maar
wel nog de onderhoudsplicht. De niet-ontzette ouder of een aangestelde
"provoogd" oefent het gezag over de minderjarige uit.
4
2.2. Voogden
Wanneer een minderjarige geen ouders (meer) heeft, wordt een voogd
aangesteld. 5
De voogd vertegenwoordigt dan de minderjarige 6
en het ouderlijk gezag wordt vervangen door het voogdijgezag. De
school voert de beslissingen van de voogd uit en informeert de voogd
zoals andere ouders.
2.3. Pleegvoogdij en bijzondere plaatsingsinstituten
Pleegvoogden hebben niet alle rechten en verplichtingen die voortvloeien
uit het ouderlijke gezag of het voogdijgezag. Het ouderlijk gezag
of het voogdijgezag blijft in dit geval bij de ouders of voogd.
De pleegvoogden oefenen wel enkele prerogatieven van de ouders of
voogd uit, zoals het recht van bewaring, als de minderjarige bij
hen woont 7
en ze hebben een onderhoudsplicht 8.
De zeldzame pleegvoogdij staat los van de meer gangbare gezinsplaatsing
in een feitelijk pleeg-, gast- of opvanggezin, dat geen wettelijk
gezag of statuut kent. 9
In de praktijk communiceert de school met de pleegvoogden of het
pleeggezin over de praktische zaken. De ouders nemen evenwel de
beslissingen, die eventueel via de pleegvoogden of het pleeggezin
aan de school gecommuniceerd kunnen worden.
Geplaatste minderjarigen 10
staan onder toezicht van de jeugdrechtbank, via de sociale dienstvan
de Vlaamse Gemeenschap. 11
2.4. Meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen
Meerderjarigen en ontvoogde minderjarigen zijn zelf verantwoordelijk
voor hun daden. Zij nemen zelf de beslissingen betreffende hun onderwijs
en kunnen zelf de documenten met betrekking tot hun schoolloopbaan
ondertekenen.
Een leerling is meerderjarig vanaf de leeftijd van 18 jaar. 12
Een minderjarige is ontvoogd als hij of zij huwt of door een beslissing
van de jeugdrechtbank. Er is dan wel een curator van rechtswege
(de meerderjarige echtgenoot of echtgenote) of er wordt een curator
aangesteld. 13
In de praktijk heeft de curator vooral bevoegdheden over het vermogen
en minder over de persoon van de ontvoogde minderjarige. De school
kan met de ontvoogde minderjarige communiceren en overleggen.
Een meerderjarige die in staat van verlengde minderjarigheid is
verklaard, wordt gelijkgesteld met een minderjarige. 14
2.5. Feitelijke bewaring
Personen of instellingen kunnen de leerling feitelijk onder hun
bewaring hebben, zonder enig ouderlijk gezag. Dit is het geval bij
gezinsplaatsing of plaatsing in een instelling, opvoeding door de
grootouders of andere familieleden,...
In verschillende bepalingen in het onderwijsrecht wordt het begrip
ouders gedefinieerd als: "de personen die het ouderlijk gezag
uitoefenen of in rechte of in feite de minderjarige onder hun bewaring
hebben". 15
De "personen die het ouderlijk gezag uitoefenen" zijn
de (beide) ouders, voor zover ze niet uit het ouderlijk gezag ontzet
zijn. De "personen die in rechte de minderjarige onder hun
bewaring hebben" zijn bijvoorbeeld de pleegvoogden.
De "personen die in feite de minderjarige onder hun bewaring
hebben" zijn niet de personen die een minderjarige occasioneel
onder hun hoede hebben, maar wel de pleeg- of stiefouders bijvoorbeeld,
die het kind werkelijk bij zich opvoeden.
Hoewel zij geen ouderlijk gezag hebben, worden zij in het onderwijsrecht
soms met de ouders gelijkgesteld en krijgen zij voor de toepassing
van die bepalingen dezelfde rechten.
In dat geval kan de school in afwijking op het ouderlijk gezag met
deze personen overleggen voor de toepassing van de berokken bepalingen
uit de onderwijswetgeving.
3. Recht van opvoeding
Het recht van opvoeding omvat het recht van zorg of dagelijkse opvoeding
en het beslissingsrecht, onder meer over taal, school, onderwijsrichting,
beroep. Het is een recht dat voorbehouden is aan de titularissen
van het ouderlijk gezag, als onderdeel van het gezag over de persoon
van de minderjarige.
Dit recht impliceert voor de school dat de titularissen van het
ouderlijk gezag beslissingsrecht hebben met betrekking tot een aantal
sleutelmomenten in de schoolloopbaan, zoals:
- de school- en studiekeuze;
- de inschrijving;
- kennisname van of akkoord met het schoolreglement;
- informatie over jaarprogramma, aanpak van de school, ...;
- keuze of vrijstelling van levensbeschouwelijke vakken;
- keuze moedertaal en tweede taal;
- weigering van leerlingenbegeleiding;
- toestemming extra-muros-activiteiten;
- lidmaatschap ouderverenigingen;
- kiesrecht voor en stemrecht in bestuurs- of medezeggenschapsorganen;
- orde en tucht, uitsluiting, ...;
- klachten en vertegenwoordiging in rechte in interne beroepsprocedures
en gerechtelijke procedures;
- evaluatie en bespreking van de leerling;
- attestering;
- schoolverandering en verwijzing buitengewoon onderwijs.
Om dat recht van opvoeding te respecteren is het aanbevolen hiermee
rekening te houden in een aantal procedures.
In ieder geval is bij de inschrijving enige waakzaamheid geboden.
De omzendbrief NO/205/SH/AS/MPV
van 10 november 1983: "Inschrijving van leerlingen in onderwijsinrichtingen"
bepaalt welke documenten de inschrijver voor kan leggen om de identiteit
van de leerling te bevestigen.
In geval van twijfel over de identiteit van de inschrijvende (vermeende)
ouder en/of van de relatie tot de leerling kan de school telefonisch
contact nemen met de bevolkingsdienst of de vorige school of kunnen
bijkomende documenten zekerheid verschaffen. 16
De beste garanties biedt de gezamenlijke inschrijving door beide
ouders. Een afzonderlijke inschrijving door de ouder die de leerling
feitelijk bij zich heeft, met machtiging of instemming van de andere
ouder is een goed alternatief.
Maar een afzonderlijke inschrijving kan ook zonder een uitdrukkelijke
machtiging of instemming van de andere ouder. Het is dan van belang
om uitdrukkelijk, maar tactvol te vragen naar de gezinssituatie,
meer bepaald of de ouders co-ouders zijn. In dat laatste geval moet
de school op gelijke wijze met beide ouders overleggen en communiceren.
Als de school op de hoogte is van onenigheid, bijvoorbeeld door
ervaring met een broer of zus, vraagt u toch best de uitdrukkelijke
instemming van beide ouders.
De inschrijving 17
(of de periode onmiddellijk daarna) is ook het beste moment om afspraken
te maken over de bepaling van "het gezinshoofd", over
de communicatie (in persoon, via de leerling, via de post, telefoon,
e-mail, ...) met alle belanghebbenden (ouders, grootouders, stiefouder,
pleegouders, ...), over de familiale verzekering en over het adres
voor de facturen. Deze afspraken kunnen dan verder worden gerespecteerd
tot de overgang naar een andere school of tot ze worden gewijzigd,
op initiatief van de (bij voorkeur beide) co-ouders of van de exclusieve
ouder. Bij twijfel laat u best deze afspraken nog eens schriftelijk
bevestigen. Als de ouders bij de inschrijving twee verschillende
adressen opgeven, zal de briefwisseling naar beide adressen moeten
gestuurd worden, tenzij de ouders hiervan uitdrukkelijk willen afwijken.
Het schoolreglement is een ideaal instrument om het gezinsbeleid
in het algemeen van de school te expliciteren en om vooraf te bepalen
hoe de communicatie met de ouders in de regel verloopt. Bij de inschrijving
moeten de school en de ouders dan enkel bijkomende afspraken maken
die wenselijk of vereist zijn door de specifieke gezinssamenstelling.
4. Recht van toezicht
Als één van de (gescheiden) ouders het exclusief ouderlijk
gezag krijgt, heeft de andere ouder het recht op toezicht. Dit houdt
onder meer in dat hij of zij geïnformeerd moet worden over
de opvoeding van het kind (schoolresultaten, oudercontacten, leerlingenbegeleiding,
...) en dat hij of zij bij de jeugdrechtbank of de kortgedingrechter
een verhaalrecht heeft tegen beslissingen van de exclusieve ouder.
De school zelf kan absoluut niet in de rol van rechter worden gemanoeuvreerd.
Het recht van de toeziende ouder of voogd op toezicht op de opvoeding
van de leerling en het recht op objectieve informatie hierover is
niet afhankelijk van de goedkeuring van de exclusieve ouder en kan
niet beperkt worden op grond van praktische bezwaren.
In elk geval (behoudens ontzetting uit het ouderlijk gezag) en dus
ook zonder co-ouderschap moet de school beide ouders informeren
over schoolresultaten, begeleidingsactiviteiten, oudercontacten,
informatievergaderingen, bevoegd centrum voor leerlingenbegeleiding,
schoolfeesten, enzovoort (actieve informatieplicht). Als een tuchtprocedure
wordt gestart tegen de leerling, moeten beide ouders op de hoogte
gebracht worden.
De school kan niet automatisch veronderstellen dat de informatie
beide ouders bereikt, maar kan wel met de ouders afspreken dat informatie,
zoals de klasagenda, via de ene ouder bij de andere ouder terecht
komt. De school zal ook zoveel mogelijk alle informatie die de leerling
meekrijgt dubbel of parallel aanbieden.
Ondanks dergelijke afspraak mag de school de informatie niet weigeren
als de andere ouder daarom vraagt (passieve informatieplicht). 18
Dit betekent niet dat de school verplicht is vragen te beantwoorden
die onredelijke eisen qua tijd en middelen stellen, zoals het opstellen
van een verslag of het invullen van een vragenlijst.
Ook familieleden hebben recht op informatie. De grootouders en iedereen
die een bijzondere affectieve band aantoont (de stief- of pleegouder,
broers en zussen bijvoorbeeld), hebben in principe recht op persoonlijk
contact met de leerling. Bij gebrek aan overeenkomst, beslist de
jeugdrechtbank. 19
Meer algemeen wijs ik er op dat de onderwijsinstellingen ook onderworpen
zijn aan de openbaarheid van bestuur. 20
5. Betwistingen
De ouder die niet aanwezig was bij de inschrijvingdoor de andere
ouder en die deze inschrijving niet wil aanvaarden, kan verhaal
aantekenen bij de rechter. De leerplichtige leerlingen moeten uiteraard
aanwezig zijn op de school waar ze ingeschreven zijn. 21
Als een co-ouder of exclusieve ouder de leerling in een tweede school
inschrijft en deze school de formaliteiten inzake schoolverandering
vervult, zoals de verwittiging van de eerste school, is de leerling
een regelmatige leerling in de laatste school. Een leerling die
in twee scholen ingeschreven is, is geen regelmatige leerling. 22
De school aanvaardt evenwel geen beslissing van een co-ouder, als
de andere co-ouder zich daar uitdrukkelijk tegen verzet heeft. Het
behoort niet tot de taak van de school om de andere co-ouder te
vragen naar zijn of haar intenties hiertoe. De school moet steeds
uitgaan van een vermoeden van instemming. De school komt niet tussen
in de echtelijke betwistingen en respecteert het ouderlijk gezag
en de beslissingen die de co-ouders genomen hebben toen ze het vermoedelijk
nog eens waren.
De school zelf kan absoluut niet in de rol van rechter worden gemanoeuvreerd.
Als de ouders hun kind in verschillende scholen willen inschrijven,
kan de school niet trancheren. Het kind is dan ingeschreven tot
uit de feiten het tegendeel blijkt.
Als een ouder zich niet kan verzoenen met een beslissing van of
informatieaan de andere ouder en de school met de beide ouders geen
overeenstemming kan bereiken, kan de school de ouders verwijzen
naar het centrum voor leerlingenbegeleiding, dat in het kader van
zijn draaischijffunctie, na onderzoek, de ouders verder kan doorverwijzen.
Dit alles ontslaat de school echter niet van haar verantwoordelijkheid
om eventuele onwettelijke situaties te melden aan de bevoegde instanties.
De school licht de beide ouders hiervan vooraf in.
Het Kinderrechtencommissariaat is bevoegd om klachten te onderzoeken
van zowel het kind, als de ouders of een derde betreffende de toepassing
van het internationaal verdrag van 20november 1989 inzake de rechten
van het kind. 23
In het uiterste geval beslist de jeugdrechtbank 24
wie de beslissing mag nemen of de jeugdrechtbank beslist zelf, in
het belang van het kind, en zo nodig na het kind zelf te hebben
gehoord 25.
Bij geschillen tussen een minderjarige leerling en zijn of haar
ouders, hebben de ouders het laatste woord, onverminderd hun wederzijdse
plicht tot respect 26.
Een minderjarige kan (formeel) zelf de rechtbank niet vragen om
tussen te komen.
6. Bijkomende opmerkingen
6.1. Naamsverandering
Door adoptie krijgt de geadopteerde de naam van de adoptant. 27
De naam kan ook veranderen als de vader het kind pas erkent na de
geboorteaangifte door de moeder. 28
Ook na een echtscheiding of de nieuwe samenstelling van het gezin
kan de leerling (via zijn wettelijke vertegenwoordiger) aan de Federale
Overheidsdienst Justitie vragen om zijn naam te veranderen. Die
naamsverandering is geen recht en kan maar uitzonderlijk onder de
wettelijk bepaalde voorwaarden worden toegestaan. 29
De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan als hij
meent dat het verzoek op ernstige redenen steunt. Adopties, scheiding
en wettiging van kinderen zijn geldige redenen.
Het koninklijk besluit wordt in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.
Zestig dagen na de publicatie wordt de naamsverandering definitief,
maar ze heeft pas gevolgen op de dag van de overschrijving in de
registers van de burgerlijke stand. Vanaf dan kunnen de bevolkingsregisters
en de identiteitskaart, identiteitsstuk of identiteitsbewijs worden
aangepast.
Deze naamsverandering wijzigt op zich niets aan het ouderlijk gezag.
6.2. Privacy
Om de privacy van de leerling en zijn familie niet te schenden is
het aangeraden om de inlichtingen over het gezin bij de inschrijvende
ouder of ouders zelf te verzamelen.
De onderwijsinstellingen moeten uiteraard de wetgeving inzake de
privacy naleven en discreet zijn met de informatie in de leerlingenadministratie,
het leerlingvolgsysteem en/of het leerlingendossier. 30
Het is daarbij belangrijk sober en ter zake te zijn en het inzage-
en verbeteringsrecht van de leerling en de ouders te respecteren.
Voor bewaring in het administratief dossier volstaan veelal de identiteit
en communicatiegegevens van de persoon of personen die beslissingen
mogen nemen en de identiteit en communicatiegegevens van de persoon
of personen die op de hoogte moeten worden gehouden. Op die manier
blijft de informatie ook langer actueel. De officiële documenten
kunnen na controle worden teruggegeven. De informatie wordt overbodig
na de uitschrijving.
6.3. Informatie voor ouders en leerkrachten
Ouders vinden informatie over het bovenstaande in de brochure "Gids
voor ouders met kinderen in het basisonderwijs". 31
Deze brochure is ook beschikbaar in het standaard Arabisch, Engels
en Turks. Er is ook een "Gids voor leerlingen secundair onderwijs"
32,
waarvan ook vertalingen gepland zijn. De cel Publicaties Onderwijs
is bereikbaar via onderwijspublicaties@vlaanderen.be,
telefoonnummer 02-553 66 53 of faxnummer 02-553 66 54.
Leerkrachten vinden hulp in de fiche 13 "Echtscheiding/nieuwe
gezinnen" in de reeks "de eerste lijn" van Klasse
33,
in de studie "Nieuwe gezinsvormen en onderwijsparticipatie
in Vlaanderen" in opdracht van het departement Onderwijs 34
en in de brochure "Leven in een eenoudergezin - Getuigenissen
van ouders en kinderen" (redactie Bea Bossaerts), waarvan elke
leerkracht in het basisonderwijs een gratis exemplaar kreeg 35.
- (1): Opgelet: wat volgt is een beknopte schets van het huidig
juridisch kader sinds 3 juni 1995, dat overigens grotendeels een
federale materie is. Het is onvolledig en voor de leesbaarheid is
een vereenvoudigde terminologie gebruikt. Het is dan ook niet dienstig
om een juridische argumentatie op te bouwen.
- (2): Artikelen 373 en 374, eerste alinea van het Burgerlijk Wetboek.
- (3): Artikel 374, tweede en volgende alinea's van het Burgerlijk
Wetboek.
- (4): Artikelen 32-34 van de wet van 8 april 1965 betreffende
de jeugdbescherming.
- (5): Artikelen 389 en 405 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.
- (6): Artikel 405 van het Burgerlijk Wetboek.
- (7): Artikel 475quater van het Burgerlijk Wetboek.
- (8): Artikel 475bis, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek.
- (9): Zie o.m. de op 4 april 1990 gecoördineerde decreten
inzake bijzondere jeugdbijstand.
- (10): Artikel 37, § 2, 4°, van de wet van 8 april 1965
betreffende de jeugdbescherming; besluit van de Vlaamse regering
van 27 juni 1990 waarbij de voorwaarden worden vastgesteld waaronder
in bepaalde Gemeenschapsinstellingen voor observatie en opvoeding
en in onthaal- en oriëntatiecentra en in de observatiecentra,
ressorterend onder de bijzondere jeugdbijstand, aan de leerplicht
kan worden voldaan.
- (11): Artikel 42 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming.
- (12): Artikelen 388 en 488 van het Burgerlijk Wetboek.
- (13): Artikelen 476-486 van het Burgerlijk Wetboek.
- (14): Artikel 487bis van het Burgerlijk Wetboek.
- (15): Zie onder meer artikel 3, 41° van het decreet basisonderwijs
van 25 februari 1997.
- (16): Ter illustratie: identiteitskaart of paspoort met foto
en geboortedatum, identiteitsbewijs min-twaalfjarigen, militair
(NAVO) of enig ander identiteitsbewijs, SIS-kaart, EU-verblijfskaart,
attest van immatriculatie, verblijfs- of vestigingsvergunning, uittreksel
uit de registers van de burgerlijke stand, zoals het bevolkingsregister,
het vreemdelingenregister of wachtregister, getuigschrift van woonst,
bewijs van nationaliteit, samenstelling van het gezin, akte van
bekendheid, adoptie- of voogdijakte, schriftelijk akkoord van co-ouder,
vonnis houdende regeling van of ontzetting uit het ouderlijk gezag,
...; zie ook de omzendbrief van 7 oktober 1992 betreffende het houden
van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, B.S., 15
oktober 1992, in het bijzonder deel I, punt 28 en deel III, punt
68.
- (17): Zie voor het basisonderwijs ook de omzendbrief BaO/2002/01
van 8 februari 2002: "informatie bij eerste inschrijving en
schoolreglement".
- (18): Zie ook de nieuwsbrieven van 27 november 2002 ("Echtscheiding
leeft door op school") en van 4 september 2002 ("Informatierecht
van ouders") van Schooldirect: http://schooldirect.vlaanderen.be.
- (19): Artikel 375bis van het Burgerlijk Wetboek.
- (20): Decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van
bestuur, B.S., 2 juli 2004, http://www.vlaanderen.be/openbaarheid.
- (21): Artikel 3, § 1 van de wet van 29 juni 1983 betreffende
de leerplicht.
- (22): Zie de artikelen 20 tot en met 24 van het decreet basisonderwijs
van 25 februari 1997, de omzendbrief BaO/97/12 van 17 juni 1997
"Schoolveranderen", artikel 48, 2° van het decreet
van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II, het besluit van de
Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van
het voltijds secundair onderwijs en de omzendbrieven SO/2002/06
van 15 augustus 2002: "Afwezigheden en in- en uitschrijvingen
in het voltijds gewoon secundair onderwijs", SO/2002/07 van
15 augustus 2002: "Afwezigheden en in- en uitschrijvingen in
het deeltijds beroepssecundair onderwijs" en SO/2002/05/buso
van 15 augustus 2002: "Afwezigheden en in- en uitschrijvingen
in het buitengewoon secundair onderwijs".
- (23): Artikel 6 van het decreet van 15 juli 1997 houdende oprichting
van een Kinderrechtencommissariaat en instelling van het ambt van
Kinderrechtencommissaris.
- (24): Artikel 373, derde alinea van het Burgerlijk Wetboek.
- (25): Artikel 56bis van de wet van 8 april 1965 betreffende de
jeugdbescherming.
- (26): Artikel 371 van het Burgerlijk Wetboek.
- (27): Artikel 353-1 van het Burgerlijk Wetboek.
- (28): Artikel 335 van het Burgerlijk Wetboek.
- (29): Artikel 2 en volgende van de wet van 15 mei 1987 betreffende
de namen en voornamen.
- (30): Zie onder meer de omzendbrief 13AD/CLB/O/01/1 van 21 juni
2001: "Het multidisciplinair dossier in de Centra voor Leerlingenbegeleiding".
- (31): http://www.ond.vlaanderen.be/basisonderwijs/ouders/gids.htm.
- (32): http://www.ond.vlaanderen.be/gidsvoorleerlingen.
- (33): http://www.klasse.be/specials/specials.taf?doc=eerstelijn.
- (34): http://www.ond.vlaanderen.be/obpwo/projecten_1999/colpin_9907.htm;
zie ook de nieuwsbrief van 13 maart 2002 van Schooldirect ("Schoolbeleid
rond gezinsvormen"), http://schooldirect.vlaanderen.be.
- (35): Zie Klasse nr. 111, p. 18
|