| INFORMATIE - OUDERSCHAPSBEMIDDELING
De positie van het kind
in de familiale bemiddeling
Op 1 oktober 2001 treedt de Wet van 19 februari 2001 betreffende
de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken in werking. Omdat
die wet nauw aansluit bij de echtscheidingsproblematiek, lijkt het
mij niet oninteressant om hieraan wat extra aandacht te besteden.
Voor deze bespreking nam ik als leidraad het artikel "De
positie van het kind in de familiale bemiddeling" geschreven
door Gerd Verschelden, Assistent Vakgroep Burgerlijk Recht aan de
UG, dat verscheen in het Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten
van juni 2001.
1. Inleiding
De bovengenoemde wet werd aangenomen op federaal niveau
en regelt de rechtbankverbonden bemiddeling. Het behoort immers
tot de bevoegdheid van de federale staat om de procedures te regelen
die worden gevolgd voor de rechtbanken zelfs als die verband houden
met de gezinssituatie van de partijen.
De gemeenschappen mogen echter binnen het raam van hun bevoegdheid
inzake hulp en bijstand aan gezinnen en kinderen, andere vormen
van gezinsbemiddeling invoeren. Vandaar dat er momenteel bij
de Vlaamse Gemeenschap twee voorstellen van decreet rond scheidingsbemiddeling
op tafel liggen. Hun toepassingsgebied is echter veel beperkter,
omdat die enkel de scheidingsbemiddeling betreffen op initiatief
van de betrokkenen. Hier gaat het dus niet om rechtbankverbonden
bemiddeling.
2. Toepassingsgebied van deze wet
Nergens in deze wet staat het begrip bemiddeling gedefinieerd,
hiervoor worden Europese initiatieven op dat vlak afgewacht. Wel
duidelijk blijkt het fundamentele verschil tussen "bemiddeling"
en "begeleiding", waarbij in het laatste geval slechts
één persoon wordt bijgestaan waar er bij bemiddeling
steeds meer partijen betrokken zijn.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel werd uitgegaan van de term "echtscheidingsbemiddeling",
die werd door de Kamercommissie uitgebreid tot "gezinsbemiddeling"
en door de Senaatscommissie tot "bemiddeling in familiezaken",
zodat het toepassingsgebied ervan nu het kerngezin overstijgt.
Wanneer kan een rechter nu een bemiddelaar aanwijzen ?
Dat is mogelijk bij vorderingen die betrekking hebben op :
- verplichtingen die uit het huwelijk of de afstamming ontstaan
(art. 203-211 B.W.)
- vorderingen m.b.t. het primair huwelijksstelsel (art. 212-224
B.W.)
- de gevolgen van de echtscheiding (art. 295-307 bis B.W.)
- de echtscheidingsprocedures (art. 1254-1310 Ger.W.)
- het ouderlijk gezag (art. 371-387 bis B.W.)
- de buitenhuwelijkse samenwoning, zowel wettelijk als feitelijk
(art. 1475-1479 B.W.)
Wie kan als bemiddelaar worden aangeduid ?
Naast advocaten en notarissen komen ook alle andere natuurlijke
personen in aanmerking, zodra zij daartoe door de Gemeenschappen
erkend zijn. Uiteraard dienen die mensen een opleiding te hebben
gevolgd, waarvan de specifieke voorwaarden nog in een Koninklijk
Besluit moeten worden vastgelegd.
3. Verloop van de procedure
De bemiddeling kan door de rechter niet worden opgelegd. De partijen
dienen dus in te stemmen zowel met de bemiddeling op zich als met
de bemiddelaar zelf. Zodra die instemming er is, zal de rechter
in zijn beslissing niet alleen een bemiddelaar aanwijzen maar ook
een datum vastleggen waarnaar de zaak verdaagd wordt. Tijdens de
bemiddelingsprocedure hebben partijen echter het recht om (via een
eenvoudig verzoekschrift of door conclusies in te dienen) de zaak
opnieuw voor de rechter te brengen, waarna er binnen de 15 dagen
een rechtszitting moet plaatsvinden. Als de bemiddelingsprocedure
volledig doorlopen is, dan wordt de rechter op de datum die hij
had vastgelegd in kennis gesteld van het resultaat.
Op dat moment zijn er drie mogelijke scenario's :
1. Er is een overeenkomst bereikt : de partijen bezorgen dan de
door hen ondertekende conclusies aan de rechter die een akkoordvonnis
opmaakt.
2. Er is een gedeeltelijke overeenkomst bereikt : de rechter maakt
een akkoordvonnis omtrent de punten waarover de partijen het eens
zijn geraakt. Voor de geschilpunten kunnen de partijen om een nieuwe
termijn verzoeken (en dus de bemiddeling verder zetten) of vragen
dat de procedure voor de rechtbank wordt voortgezet.
3. Er is geen overeenkomst bereikt : de partijen kunnen ook dan
om een nieuwe termijn verzoeken (en dus de bemiddeling verder zetten)
of vragen dat de procedure voor de rechtbank wordt voortgezet.
Documenten en mededelingen uit de procedure zijn vertrouwelijk
en kunnen dus in geen enkele procedure worden aangevoerd, tenzij
die geheimhoudingsplicht wordt opgeheven met instemming van beide
partijen én van de bemiddelaar.
Zowel wat de provisie betreft als voor de vergoeding voor de bemiddelaar
geldt het principe dat partijen dat in onderling overleg kunnen
verdelen. Maar indien hierover geen akkoord wordt bereikt, dan betalen
ze principieel elk de helft, tenzij de rechter daar anders over
beslist omwille van iemands financiële toestand.
4. De positie van het kind
In deze wet is enkele de verplichting voor de rechter opgenomen
om de overeenkomst te toetsen aan het belang van het kind bij het
bekrachtigen ervan in een akkoordvonnis. Daarbuiten wordt er echter
nauwelijks aandacht besteed aan de positie van het kind binnen de
bemiddelingscontext. Dat werd in de Senaatscommissie door verscheidene
leden betreurd ; er werd zelfs expliciet de vraag gesteld of een
kind in een bemiddeling niet als een gelijkwaardige gesprekspartner
beschouwd moet worden.
Ook in de voorstellen van decreet wordt nergens duidelijk gemaakt
wat de inbreng van het kind in de bemiddelingsprocedure kan zijn.
Het Kinderrechtencommissariaat gaf zijn visie te kennen via een
advies waaruit o.a. de volgende standpunten blijken :
* Het moet gaan om een kwaliteitsvolle bemiddeling via erkende
bemiddelaars, waardoor kinderen minder in het conflict betrokken
worden.
* Indien kinderen dat zelf wensen, moeten ze de mogelijkheid krijgen
om een persoonlijke inbreng te hebben bij het construeren van een
akkoord tussen hun ouders.
* De hoormogelijkheid van kinderen (art. 931 Ger.W.) vormt voor
hen een spreekrecht dat inroepbaar wordt wanneer onvoldoende rekening
wordt gehouden met hun eigen beleving.
* Kinderen moeten zoveel mogelijk uit de conflicten geweerd worden
en dienen zekerheid te krijgen over een blijvend contact met beide
ouders.
* Het is aan te bevelen kinderen afzonderlijk te horen (dus buiten
de aanwezigheid van hun ouders), aandacht te besteden aan de relatie
met eventuele broers/zussen en hun uit te leggen waartoe de bemiddeling
dient, waarbij beklemtoond moet worden dat hun niet gevraagd wordt
een keuze te maken.
* Bemiddeling wordt gezien als een manier om op een constructieve
wijze bestaande conflicten op te lossen en toekomstige conflictsituaties
te vermijden.
Een kindvriendelijke bemiddeling is bijgevolg grotendeels afhankelijk
van de bemiddelaars zelf, die de ouders voldoende attent moeten
maken om hun kind de mogelijkheid tot een actieve inbreng in het
bemiddelingsproces te bieden. Zo zal het zelf zijn belang kunnen
invullen als betrokken partij, wat uiteraard volledig afhangt van
zijn/haar leeftijd en bekwaamheid.
5. Vrijwilligheid versus verplichting
In België heeft men dus niet geopteerd voor een verplichte
scheidingsbemiddeling in tegenstelling tot landen als Noorwegen
en Groot-Brittannië, waar ouders met jonge kinderen verplicht
worden de bemiddeling te proberen.
Onze wetgever is van oordeel dat een oplossing die door alle betrokkenen
na overleg wordt aanvaard, meer kans heeft om nageleefd te worden
dan een eenzijdig (door de rechter) opgelegde regeling. Persoonlijk
ben ik het daar niet echt mee eens, omdat er geen akkoord wordt
opgedrongen maar enkel de verplichting om tenminste de bemiddelingsmethode
te proberen. Wel zijn er bij ons al stemmen opgegaan om een verplicht
informatie- en kennismakingsmoment met die methode in te voeren,
waarbij gehoopt wordt dat dit een mentaliteitswijziging tot stand
zou kunnen brengen bij ouders die nog al te vaak redeneren in termen
van winnen en verliezen.
6. Persoonlijke mening
Ons land is blijkbaar nog niet rijp voor de inlassing van een verplicht
kennismakingsmoment - laat staan voor de invoering van een verplichte
scheidingsbemiddeling.
Vanuit mijn ervaring binnen BGMK merk ik telkens opnieuw, dat de
bemiddeling als alternatief voor het afdwingen van een gerechtelijke
procedure eenvoudigweg weinig of niet bekend is. Wat weerhoudt onze
regering ervan een grootscheepse informatiecampagne te voeren, waardoor
die methode in al haar facetten aan het grote publiek zou kunnen
worden bekend gemaakt ? Mijns inziens zou het wel eens kunnen, dat
er vanuit de advocatuur hiertegenover een zekere terughoudendheid
bestaat en de redenen hiervoor zouden wel eens niet zo eerbaar kunnen
zijn.
Bij een geslaagde bemiddeling zullen immers niet langer twee (namelijk
de advocaten van beide partijen) maar slechts één
(namelijk de bemiddelaar) persoon zich kunnen verrijken en is de
kans op het instellen van een hoger beroep ook veel kleiner. Principieel
is het immers onmogelijk hoger beroep in te stellen tegen een akkoordvonnis
(wel mogelijk is dat de bemiddeling pas slaagt in hoger beroep na
een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg of van de jeugdrechtbank
; in dat geval spreekt men van een akkoordarrest). Dat betekent
dus minder beroepsprocedures waar juist veel geld mee te verdienen
valt
Nochtans zou de bemiddeling juist een hulpmiddel kunnen vormen
om ons rechtssysteem wat te verlichten. En ik die dacht dat dàt
nu net één van de grote betrachtingen van ons Ministerie
van Justitie was
Sofie Van Steenberghe
Juriste en educatieve medewerkster BGMK
Uit het tijdschrift "Hoop!" ts. van BGMK vzw - 23e jg.
nr. 8 blz. 3-5. (oktober 2001)
|