Informatie - Procedure
 

Adviezen | Advocaat | Bank | Belastingen | Bestaansmiddelen | Detective | Deurwaarder | Echtelijke woning
Echtscheiding door onderlinge toestemming | Erfenis | Gezinnen | Gezinswoning | Gevoelens | Gevolgen echtscheiding
Geweld | Hulpverlening | Huwelijksplichten | Huwelijksstelsel | Jongeren na echtscheiding | Jurisprudentie Justitiehuizen | Kerk | Leven na scheidingNieuwe gezinsvormen | Nieuwe relatie | Nieuw-samengestelde gezinnen
Notaris | Omgangsrecht | Onderhoudsgelden | Onderwijsaangelegenheden | Ouderlijk gezag | Ouder-naam
Ouderschapsbemiddeling | Overlijden | Overspel | Procedure | Relaties | Samenwoning | Scheidingsbemiddeling Vaderschap bij scheiding | Vereffening en verdeling | Wetgeving | Woonstvergoeding

Artikels :

- Nieuwe tarieven voor de rolrechten op 1 juni 2015
Circulaire nr. 2/2015 dd. 26.05.2015 (Verbeterde versie)

- Elkaar bestelen in een aflopend huwelijk of in een relatie
- Onderscheid tussen verzoening, afstand van rechtsvordering en afstand van geding
- Aansprakelijkheid na echtscheiding
- Begrijpe wie kan - over verkeersboetes, omgangsrecht en onderhoudsgeld (Johan Dewil)
- Krachtlijnen van het echtscheidingsrecht
- Procedure vrederechter herziening voorlopige maatregelen
- Dringende en voorlopige maatregelen bij feitelijke scheiding (verslag)
- Naar de griffie als je zaak niet vooruitgaat
- Overzicht van de rechtspraak (1994-2000) m.b.t. de echtscheiding op grond van grove beledigingen, gewelddaden en mishandelingen (art. 231 B.W.)
- Zwarte inkomsten
Omhoog
 

Nieuwe tarieven voor de rolrechten op 1 juni 2015
Circulaire nr. 2/2015 dd. 26.05.2015 (Verbeterde versie)

Wet van 28 april 2015 – Rolrechten - Art. 2691, 2692, 2693 en 2791 W.Reg.
Federale Overheidsdienst FINANCIEN
Algemene Administratie van de PATRIMONIUMDOCUMENTATIE
Operationele expertise en ondersteuning
Juridische expertise

Dossier nr. EE/G 177


Dit document op de Goudi-website omvat een beperkte weergave van de hele circulaire. Enkel wat relevant is in (echt)scheidingsmateries wordt hier opgenomen. Dat is in extenso wat de rolrechten betreft die voorzien zijn voor de familierechtbanken die een voorkeurtarief genieten.

G.D.


Deze circulaire geeft een toelichting bij de wet van 28 april 2015 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen (hierna: wet) en het koninklijk besluit van 12 mei 2015 dat het model vastlegt van de pro fiscoverklaring zoals voorzien in artikel 2691 W.Reg. en dat ook de datum van inwerkingtreding bepaalt van de voornoemde wet op de hervorming van de griffierechten (hierna: koninklijk besluit). De wet en het koninklijk besluit werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 26 mei 2015.

Deze circulaire vervangt de circulaires die betrekking hebben op de rolrechten en vervolledigt de circ. nr. 18/2014 van 18 november 2014 met betrekking tot de continuïteit van de ondernemingen (www.fisconetplus.be).

I. INWERKINGTREDING VAN DE WET

In uitvoering van het koninklijk besluit, treedt de wet in werking op 1 juni 2015. Om het toepasselijke tarief te bepalen dient rekening te worden gehouden met de datum van inschrijving van de zaak op een rol.

II. DOEL VAN DE WET

De wet heeft tot doel de rolrechten te hervormen, te vereenvoudigen en te moderniseren door een aanpassing van de artikels 2691, 2692, 2693 en 2791 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten (hierna: W.Reg.).

De vereenvoudiging bestaat in de invoering van een eenvormig rolrecht ongeacht het type van procedure. De wet voert een algemeen tarief in voor de burgerlijke rechtbanken, een bijzonder stelsel (vrijstelling tot € 250.000 en het algemeen tarief boven € 250.000) voor de arbeidsrechtbanken en de fiscale kamers (voorzien in 2691 W.Reg.), alsook een voorkeurtarief voor de familierechtbanken (bedoeld in 2692 W.Reg.).

De wet voert rolrechten in die bepaald worden door de waarde van de vordering en die van toepassing zijn op het algemeen tarief en op het bijzonder stelsel (boven € 250.000). Overeenkomstig een model opgenomen in het koninklijk besluit moet door iedere eiser een pro-fiscoverklaring worden ingevuld met opgave van de waarde van de vordering. Het voorkeurtarief is een eenvormig en verminderd recht, onafhankelijk van de waarde van de vordering (dus zonder pro-fiscoverklaring).

4.3. Vier tariefstelsels Vanaf 1 juni 2015 gelden vier verschillende tariefstelsels inzake rolrechten.

De wet creëert drie afzonderlijke tariefstelsels met daarnaast het behoud van een enig recht inzake de continuïteit van ondernemingen:
- een algemeen tarief voor de burgerlijke rechtbanken verschuldigd per eisende partij en die wijzigt naargelang de aard van de rechtbank, de aanleg en de waarde van de vordering (art. 2691 W.Reg.);
- een bijzonder stelsel voor de arbeidsrechtbanken en de fiscale kamers, namelijk een vrijstelling of algemeen tarief wijzigend naargelang van de aanleg of de waarde van de vordering (art. 2691 W.Reg.);
- een voorkeurtarief voor de familierechtbanken, zijnde een eenvormig en verminderd recht ongeacht de waarde van de vordering en het aantal eisende partijen (art. 2692 W.Reg.).
- een enig rolrecht van € 1.000 voor het inleiden van een procedure van gerechtelijke reorganisatie met betrekking tot de continuïteit van de ondernemingen (art. 2694 W.Reg.)(3).

VII. VOORKEURTARIEF – FAMILIERECHTBANKEN

7.1. Familierechtbank. De wet van 30 juli 2013 (B.S., 27 september 2013, 2de ed., blz. 68429), die in werking is getreden op 1 september 2014, heeft in de schoot van de rechtbank van eerste aanleg een jeugd- en familierechtbank opgericht omvattend een familierechtbank en een jeugdrechtbank en kamers voor minnelijke schikking.

De familierechtbank neemt de burgerrechtelijke bevoegdheden over van de jeugdrechtbank evenals de bevoegdheden die inzake familieaangelegenheden waren toegewezen aan de burgerlijke rechtbank, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg en aan de vrederechter.

7.2. Voorkeurtarief en waarde van de vordering. Geen enkele pro-fiscoverklaring. De waarde van de vordering is geen criterium voor vorderingen ingeleid voor de familierechtbanken (familierechtbank, familiekamer van het hof van beroep, Hof van Cassatie).

Het voorkeurtarief is van toepassing ongeacht de waarde van de vordering (art. 2692 nieuw, eerste lid W.Reg.). Gevolg: geen pro-fiscoverklaring vereist in deze zaken.

7.3. Eenvormig en verminderd recht. De wet heeft een voorkeurtarief ingevoerd in de vorm van een eenvormig en verminderd recht dat enkel wijzigt naargelang de aard van de rechtbank en de aanleg.
Het voorkeurtarief is van toepassing ongeacht het aantal eisende partijen en ongeacht de waarde van de vordering. Het is voorzien in artikel 2692 nieuw W.Reg. en is een overname van het vroegere tarief:


VOORKEURTARIEF (familierechtbanken)

Aard van de rechtbank

Bedrag van het recht

Familierechtbank (afdeling van de rechtbank van eerste aanleg)

€ 100

Hof van beroep (familiekamer)

€ 210

Hof van Cassatie tegen arresten van het hof van beroep of de uitspraken van de familierechtbank uitgesproken in graad van beroep

€ 375

Het voorkeurtarief is van toepassing op de meeste zaken ingeleid voor de familierechtbanken, namelijk:
- familierechtbank, afdeling van de rechtbank van eerste aanleg;
- familiekamer van het hof van beroep;
- Hof van Cassatie uitspraak doende in familiezaken tegen arresten van het hof van beroep of de uitspraken van de familierechtbank uitgesproken in graad van beroep.

7.4. Toepassingsgebied van het voorkeurtarief. Verschuldigdheid van het recht. Dit voorkeurtarief is van toepassing op alle zaken ingeleid voor de familierechtbanken, ongeacht het type van betwisting.

Een recht is verschuldigd voor iedere nieuwe vordering ingeschreven:
- in de familierechtbank in verband met familiale geschillen in de ruime betekenis (art. 572bis Ger.W.) en de beroepen tegen beschikkingen van de vrederechter in familiale aangelegenheden (art. 577, tweede lid Ger.W.);
- in hoger beroep tegen een vonnis van de familierechtbank;
- in Cassatie tegen een dergelijk arrest.

Uit de parlementaire voorbereiding en een antwoord verstrekt door de minister van Financiën op de vragen van de leden blijkt dat « Voor elke zaak die wordt ingeschreven voor de familierechtbank bedraagt het rolrecht (verminderd) »(6). Dezelfde minister voegt er nog aan toe: « De uniformering van de bedragen van de rolrechten voor vorderingen ingesteld bij de familierechtbank, ongeacht het type van rolregister waarin ze worden ingeschreven, is te verantwoorden doordat het overgrote deel van bevoegdheden in de familiale sfeer worden toegewezen aan één rechtbank, daar waar zij voorheen waren verspreid tussen verschillende rechtbanken »(7).

Wat de vorderingen betreft die worden geacht spoedeisend te zijn voorzien in artikel 1253ter/7, § 1, Ger.W., deze zijn onderworpen aan een enig recht geïnd bij de inleiding van de eerste vordering.

7.5. Zaken die geacht worden spoedeisend te zijn. Voortdurende aanhangigheid. Enig recht van € 100. Alle zaken behorende tot de bevoegdheid van de familierechtbank zijn onderworpen aan de voortdurende aanhangigheid.

Het betreft vorderingen voorzien in artikel 1253ter/7, § 1 en 1253ter/4, § 2, Ger.W., zijnde met betrekking tot :
1° afzonderlijke woonst;
2° ouderlijk gezag;
3° het verblijf en de rechten in verband met persoonlijk contact met een minderjarig kind;
4° onderhoudsverplichtingen;
5° bezoekrecht en grensoverschrijdend bezoek;
6° toestemming tot huwelijk (art. 167 BW) en weigering tot wettelijk samenwonen (art. 1476quater, vijfde lid BW);
7° voorlopige maatregelen genomen op basis van artikel 1253ter/5 Ger.W.

Deze zaken worden geacht spoedeisend te zijn in die zin dat het niet nodig is het spoedeisend karakter aan te tonen en dat de rechter, op korte termijn, een beslissing ten gronde kan nemen.

De voortdurende aanhangigheid is een uitzondering op de aanhangigheid (principe van openbare orde waarbij een rechter die een definitieve beslissing neemt in een zaak zijn rechtsmacht uitput). Deze uitzondering dient strikt te worden geïnterpreteerd.

Het mechanisme van voortdurende aanhangigheid laat toe, wanneer zich een nieuw element voortdoet of een element dat reeds bestond zonder gekend te zijn door een partij, om een herziening van de definitieve beslissing te bekomen in een zaak waarin eerder werd uitspraak gedaan. Het laat niet toe een nieuwe vordering in te dienen waarover de rechter niet eerder een definitief oordeel heeft geveld.

De vorderingen beschouwd als spoedeisend in artikel 1253ter/4, § 2, Ger.W. (zie hiervoor ingelijst) zijn onderworpen aan een enig recht van € 100, bij toepassing van het voorkeurtarief voorzien in artikel 2692 W.Reg. (zie hiervoor nr. 7.3.). Dit recht is onafhankelijk van het aantal eisende partijen.
Het enig recht van € 100 wordt slechts één maal geheven op het ogenblik van de inleiding van de vordering.
In geval van een nieuwe vordering – los van de voortdurende aanhangigheid –, is een nieuw recht van € 100 verschuldigd.

Voorbeeld.
Mevrouw dient een verzoek in tot afzonderlijk verblijf, gezamenlijk ouderlijk gezag, de hoofdverblijfplaats, bijdrage in de kosten tot onderhoud van de kinderen en dringende maatregelen voor zichzelf (art. 223 BW). Een recht van € 100 is verschuldigd.
Nadien gaan de partijen in echtscheiding en de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel is nadelig voor mevrouw.
Deze vordert een onderhoudsgeld na echtscheiding. Het gaat hier om het instellen van een nieuwe vordering. Daar de rechtbank hierover geen beslissing heeft genomen, is de voortdurende aanhangigheid niet van toepassing en is een nieuw recht van € 100 verschuldigd.

Variant.
Mevrouw leidt dezelfde vordering in. Een recht van € 100 is verschuldigd.
Nadien wordt mevrouw gehospitaliseerd en ze vraagt de rechtbank om een verhoging van de noodhulp. Hier wordt de rechtbank gevraagd een eerder genomen definitieve beslissing te wijzigen. De voortdurende aanhangigheid is van toepassing en er is geen nieuw recht verschuldigd.

7.6. Hoger beroep of cassatie. Enig recht van € 210 of € 375. Indien hoger beroep (of voorziening in cassatie) is ingesteld tegen een beslissing uitgesproken door de familierechtbank in dezelfde zaak is een enig rolrecht verschuldigd van € 210 (of € 375)
.
7.7. Uitsluiting van het voorkeurtarief. Toepassing van het algemeen tarief. De wet heeft bepaalde materies buiten het bevoegdheidsdomein van de familierechtbank gehouden.

Voorzitter in kort geding in geval van absolute noodzaak

Algemeen tarief (rb. 1ste aanleg)

Beschermende maatregelen genomen tegenover een minderjarige in gevaar of die een als misdrijf gekwalificeerd feit heeft gepleegd

Verzoeken met betrekking tot bedragen die aan een minderjarige toekomen

Betwistingen tussen feitelijk samenwonenden, UITGEZONDERD betwistingen met betrekking tot de kinderen van feitelijk samenwonenden (zie hiervoor nr. 7.3)

Wat de zaken betreft die behoren tot de bevoegdheid van de vrederechter zijn deze bij hun inleiding onderworpen aan het algemeen tarief van toepassing op het vredegerecht (zie hiervoor nr. 5.2.). Men denke in het bijzonder aan de verhoogde algemene bevoegdheid (van € 1860 tot € 2.500) en aan sommige nieuwe bevoegdheden van de vrederechter voorzien bij wet van 30 juli 2013, namelijk:

Begrafenis en begraafplaatsen

Algemeen tarief (vredegerecht)

Onderhoudsverplichtingen gekoppeld aan het leefloon

Vermoeden van afwezigheid

Aanwijzing van een curator voor een doofstomme die niet kan schrijven, of nog de aanwijzing van een sekwester

Zaken in verband met maatregelen voor gerechtelijke bescherming (ter vervanging van het voorlopig bewind, onbekwaamverklaring en gerechtelijk raadsman) zijn vrijgesteld van het recht (zie hierna nr. 9.9).

Wat de geschillen betreft inzake leercontracten (meestal in verband met minderjarigen), deze behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank met als gevolg vrijstelling of het bijzonder tarief eigen aan de arbeidsrechtbanken (zie supra nrs. 6.3. tot 6.5.).

De minister van Financiën,
Johan VAN OVERTVELDT

De minister van Justitie,
Koen GEENS

Om de volledige circulaire te raadplegen klik op:

Circulaire nr. 2/2015 dd. 26.05.2015 (Verbeterde versie)


 
Omhoog
 

Elkaar bestelen in een aflopend huwelijk of in een relatie

Waarom kunnen echtgenoten elkaar niet bestelen en samenwonenden wel? Is dat discriminatie?

Een Brusselse onderzoeksrechter vraagt het Arbitragehof zich uit te spreken over de vraag of artikel 472 van het Strafwetboek in strijd is met de Grondwet en bijgevolg ook discriminerend is. De rechter moet een zaak onderzoeken waarin een diefstal is gepleegd bij een paar dat samenwoont. Omdat de twee niet met elkaar gehuwd zijn, kan de dader strafrechterlijk vervolgd worden.

Als het paar wel gehuwd zou zijn, zou van die strafechterlijke vervolging geen sprake zijn. Artikel 462 van het Strafwetboek zegt immers dat diefstallen gepleegd door een gehuwde ten nadele van zijn echtgenoot, of door de weduwe of weduwnaar, alleen aanleiding geven tot een burgerrechtelijke vergoeding. De echtgenoot kan wel verplicht worden om het geld terug te geven, maar riskeert geen strafrechtelijke procedure.

De vraagsteller vindt het vreemd dat tot dusver niemand zich afgevraagd heeft waarom die bescherming geldt voor gehuwden, maar samenwonenden niet op die wettelijke verschoning kunnen rekenen, zelfs al hebben ze met elkaar een samenlevingscontract gesloten. Volgens de onderzoeksrechter ruikt dat naar discriminatie tegenover die nieuwere samenlevingsvormen.

Advocaat Bruno Schoenaerts noemt artikel 462 uit de Strafwet gewoon een gevolg van het feit dat in een huwelijk alles gemeenschappelijk bezit is, tenzij een huwelijkscontract daar anders over beslist. "Je kan moeilijk aan de rechtbank gaan vragen om je vrouw te vervolgen omdat ze ervandoor is met het tapijt, en daarmee vier huizen verder woont. De rechter zal antwoorden dat je dan maar moet scheiden en dat bij die scheiding de goederen moeten worden verdeeld. Die vereffening of verdeling gebeurt steeds op een moment van echtscheiding."

Dat het artikel niet geldt voor samenwonenden, ook niet voor hen met een samenleveingscontract, vindt Schoenaerts logisch. "Er is daar geen sprake van een geheel van goederen. Permanent zit iedereen daar met zijn eigen bezit."

Volgens de Gentse strafpleiter Piet Van Eeckhaut is het artikel zonder twijfel een gevolg van de Code Napoléon, die hoge bescherming gaf aan het gezin.

25 oktober 2006

Commentaar

We nemen hier tot op zekere hoogte afstand van de juridische invalshoek vanwege de onderzoeksrechter en zeker ook van de uitspraken van de advocaten Schoenaerts en Van Eeckhaut. Die juridische benadering houdt geen rekening met de menselijke implicaties van het feit dat gehuwden niet van elkaar kunnen stelen. Bij echtelijke moeilijkheden in het vooruitzicht van een vlug komende scheiding geeft die bepaling in het Strafwetboek aanleiding tot schrijnende onmenselijke situaties. Er wordt eerst stiekem geroofd en als de andere huwelijkspartner dat begint door te hebben, escaleert de situatie en ontstaan er hoogoplopende ruzies en zelfs heftig wederzijds huiselijk geweld, waarbij de politiediensten dikwijls moeten tussenkomen. Op dat ogenblik is het elk voor zich: zoveel mogelijk pakken en doen verdwijnen met alle pijnlijke gevolgen daarvan voor elk van de twee partijen. Ook bij scheidende samenwonenden al dan niet met een samenlevingscontract doen zich dergelijke toestanden voor. We koesteren al jarenlang de idee om aan een dergelijk gebrek aan elementaire menselijkheid een absoluut einde te stellen door een wijziging in de wetgeving. Omdat de juristen overtuigd zijn van de juridische logica van de huidige wetgeving en bij het fenomeen niet stilstaan, is die diefstal onder echtgenoten nooit in vraag gesteld en zijn er in die richting ook nooit parlementaire initiatieven geweest om die wantoestanden te verhelpen. Nu kunnen alleen dringende voorlopige maatregelen via de vrederechter of in kortgeding voor eerste aanleg deze toestanden doen stoppen door een afzonderlijk verblijf van de vechtende partijen uit te spreken. Vooraleer een dergelijk vonnis komt, verlopen vaak bijna eindeloze weken van ruziënd samen verblijven in de gezinswoning met alle schrijnende toestanden van pakken en vechten om de dingen die in het huis aanwezig zijn. Dat is vechtscheiding in de letterlijke zin en op zijn ergst. Wij zullen in deze legislatuur de aandacht van de nieuw verkozen volksvertegenwoordigers op deze bedroevende toestanden vestigen, met de hoop dat daarin verandering kan worden gebracht.

Ghislain Duchâteau



 
Omhoog
 

Onderscheid tussen verzoening, afstand van rechtsvordering en afstand van geding


A. Verzoening tussen de echtgenoten

In 2011 is de procedure voor de afschaffing van de verzoening binnen de echtscheidingsprocedure aanhangig bij het Belgische Parlement. Het valt te voorzien dat ze eind 2011 uit het Gerechtelijk Wetboek wordt geschrapt en de scheidende partners daarvoor niet meer naar de rechtbank moeten. (G.D.)

De rechtsvordering tot echtscheiding vervalt indien verzoening tussen de echtgenoten tot stand komt, ook als de verzoening tot stand komt in de loop van de echtscheidingsprocedure (artikel 1284 Ger. W).

Verzoening houdt in dat de ene echtgenoot de andere vergeeft, dat de andere dat aanvaardt en de wil uit niet meer te hervallen in de vroegere tekortkomingen. Het loutere feit dat de echtgenoten nog contact hebben met elkaar en zelfs nog samenwonen is geen afdoend bewijs van verzoening.

De echtgenoot die de echtscheidingseis poogt af te weren door de verzoening in te roepen, moet zelf het bewijs daarvan leveren, wat een moeilijke opgave zal zijn.

Wanneer na de verzoening, de beledigde echtgenoot een nieuwe echtscheidingsprocedure start, zal deze vordering niet enkel gesteund moeten zijn op feiten die dateren van na de verzoening, hij zal zich tevens kunnen beroepen op oude feiten om de nieuwe vordering te staven (artikel 1285 Ger.W). Bijgevolg kunnen zowel feiten van vóór als van na de verzoening ingeroepen worden (Rb. Arlon 10 januari 1997, J.L.M.B. 1997, 1576). In dergelijke situatie is de exceptie (verweermiddel) van verzoening door de verwerende partij vruchteloos en is het voor de feitenrechter van geen belang na te gaan of de gedingvoerende partijen in het verleden op een zeker ogenblik al dan niet verzoend zijn. De bodemrechter onderzoekt immers de feiten in hun geheel, zonder dat een onderscheid gemaakt hoeft te worden tussen deze van voor, dan wel van na de verzoening. De ingeroepen feilen die dateren van na de verzoening hoeven evenmin van dezelfde aard te zijn als die van voordien; is zulks wel het geval, dan moeten die laatste feiten niet van dezelfde graad van ernst zijn.

B. Afstand van rechtsvordering

Afstand van rechtsvordering is een eenzijdige rechtshandeling waarbij de gedingpartij afziet van zowel de rechtspleging als van het recht zelf (artikel 821 Ger. W).
Afstand van rechtsvordering is slechts toegestaan in zoverre ze tot doel heeft het huwelijk in stand te houden. Een nieuwe echtscheidingsvordering is bijgevolg slechts mogelijk indien die gebaseerd is op nieuwe feiten.
Dat betekent dat een duidelijk onderscheid gemaakt moet worden tussen de afstand van rechtsvordering en de verzoening.
Bij afstand van rechtsvordering kunnen dezelfde feiten niet meer ingeroepen worden, terwijl bij de verzoening de eiser, benevens feiten van na de verzoening zich eveneens kan beroepen op de oude feiten om de nieuwe echtscheidingsvordering aangetoond te zien. Daar de afstand van rechtsvordering een eenzijdige rechtshandeling is, kan hierop naderhand niet worden teruggekomen. Bovendien heeft de afstand van rechtsvordering geen enkel retroactief gevolg. Uitsluitend de bodemrechter is bevoegd om kennis te nemen van de afstand van rechtsvordering.

C. Afstand van geding

Bij afstand van geding ziet men af van de rechtspleging. Afstand van rechtsvordering is slechts mogelijk met betrekking tot een recht dat mag worden prijsgegeven en waarover de partij kan beschikken.
Afstand van geding is geoorloofd in alle zaken (artikel 823 Ger. W).
De afstand van geding moet door de wederpartij worden aanvaard, behoudens ingeval de tegenpartij nog geen conclusies heeft ingediend, in welk geval de afstand van geding een eenzijdige rechtshandeling is. De partij die overging tot afstand van geding kan naderhand toch dezelfde feiten gebruiken om de echtscheiding te doen uitspreken.

De aanvaarding kan uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend geschieden (artikel 824 Ger. W). Het ondertekenen van een gewone akte, bijvoorbeeld een conclusie, vormt de uitdrukkelijke aanvaarding, terwijl de stilzwijgende aanvaarding moet blijken uit akten en bepaalde met elkaar overeenstemmende feiten.
In geval van aanvaarding behoudt de rechtbank haar controle, gelet op het feit dat de afstand van geding betrekking heeft op de staat van de persoon (gehuwd, gescheiden) en bijgevolg van openbare orde is. Aldus zal de rechtbank oordelen of de afstand van geding oprecht is, vrij van iedere vorm van dwang en collusie tussen de echtgenoten (collusie: heimelijke verstand­houding om het opsporen van strafbare feiten te belemmeren).

Emmanuel Ollieuz, coördinator BGMK
Hoop! februari 2006 – 5

Hoop! is het tijdschrift van BGMK vzw. Relatie en Scheiding

 
Omhoog
 

Aansprakelijkheid na echtscheiding

Vraag

Mijn man is verleden jaar bij mij weggegaan en heeft een kleine gemeubelde studio gehuurd. Hij is werkloos en doet hele dagen niets. Ik verdien zeer goed mijn boterham maar moet daar ook dag en nacht voor werken. Wij hebben geen kinderen.

Twee maanden geleden is er brand uitgebroken in de studio van mijn ex waardoor er zeer grote schade is, niet alleen aan de studio die hij huurt maar ook aan de studio daarnaast en de gerneenschappelijke gang en lift. Ik heb nu gehoord dat hij niet zou verzekerd zijn en dat de brand ontstaan is doordat hij vertrokken was en een elektrisch verwarmingstoestel had laten aanstaan, tekort bij de overgordijnen waardoor deze vuur hebben gevat en waardoor de hele boel vuur heeft gevat.

Mijn verzekeringsagent is mij komen verwittigen dat de studio door mijn man niet verzekerd was en dat het risico bestaat dat de schade door mij zal betaald moeten worden omdat wij nog altijd niet officieel gescheiden zijn en mijn man geen inkomen heeft en ik wel. Wij zijn wel feitelijk gescheiden en zijn al voor de Vrederechter verschenen die in zijn vonnis heeft bepaald dat ik in de woning mocht blijven wonen en dat mijn man elders zijn intrek moest nemen.

Ik heb onmiddellijk contact opgenomen met mijn ex. Hij geeft wel toe dat er geen verzekering is, maar betwist dat de brand door zijn fout is ontstaan. Hij houdt bij hoog en bij laag vol dat een elektrische kortsluiting de oorzaak is. Hoe zal alles nu verder gaan? Loop ik het risico dat ik moet gaan opdraaien voor zijn stommiteiten? Dan ben ik volledig geruïneerd en is mijn hele leven naar de vaantjes terwijl hij gewoon verder zijn dop kan trekken en zijn leven verder zetten zoals hij altijd gedaan heeft. Dan heeft hij precies wat hij moet hebben! Dat kan toch niet bewaarheid worden; dat zou toch totaal onrechtvaardig zijn. Wat raadt U mij aan? Moet ik bepaalde stappen ondernemen? Graag kreeg ik spoedig Uw advies.


Mevr. V. uit K.

Antwoord

U mag zeker niet panikeren in deze situatie; het is begrijpelijk dat U zich zorgen maakt, maar volgens ons zal alles voor U wel in de juiste plooi vallen.

Hoe zal alles verder gaan? Wanneer uw ex-man de oorzaak van de brand betwist, zal er meer dan waarschijnlijk een gerechtelijke expertise bevolen worden door de Voorzitter van de Rechtbank zetelend in kortgeding op verzoek van de schadelijders en/ol hun respectieve verzekeringsmaatschappijen om de oorzaak van de brand vast te stellen en de schadebedragen te bepalen.

De brandverzekeraar van de eigenaar bijvoorbeeld zal de schade aan de eigenaar vergoeden en dan nagaan of deze schade verhaald kan worden op de voor de brand verantwoordelijke partij en/of diens brandverzekeraar. Vermits uw ex geen brandverzekering heeft afgesloten, zullen ze dus bij hem als huurder persoonlijk terecht komen. Uw ex-man zal dus naar alle waarschijnlijkheid worden gedagvaard.

***


Mochten de schadelijders of hun verzekeraars u mee in de procedure betrekken, dan moet u er toch voor zorgen dat u een advocaat raadpleegt om uw belangen te behartigen en zeker niet dezelfde advocaat als die uw ex-man eventueel zal raadplegen omdat er tegenstrijdige belangen tussen u en hem zullen ontstaan.

Uw verdediging moet er immers in bestaan dat u buiten de zaak moet worden gesteld omdat u feitelijk gescheiden leeft en u de huurovereenkomst niet mee heeft aangegaan. U heeft immers met de huurovereenkomst niets te maken.

Mogelijk dat de Voorzitter van de Rechtbank in kortgeding deze verdediging voorlopig terzijde zal schuiven en zal stellen dat de Rechtbank ten gronde hierover uitspraak moet doen waarbij hij enkel ten voorlopigen titel een deskundige zal aanduiden om de oorzaak van de schade te onderzoeken en de schadebedragen vast te leggen. Dit onderdeel van de zaak is immers zeer dringend.

Wanneer de expertise zal zijn afgerond en indien zou blijken dat uw ex-man wel fout heeft aan de brand, zullen de schadelijders en/of hun verzekeraars vervolgens een nieuwe dagvaarding uitbrengen. In die tweede procedure zullen zij dan concreet de terugbetaling eisen van de schadebedragen die de expert heeft vastgesteld.

Indien u ook in die procedure betrokken zou worden, zal de Rechtbank wel uitspraak moeten doen over de vraag of de schadelijders ook u persoonlijk kunnen aanspreken.

***


Ik meen u toch op dit punt gerust te kunnen stellen: in een gelijkaardige zaak heeft het Hof van Beroep van Antwerpen reeds geoordeeld dat het sluiten van een huurovereenkomst door een feitelijk gescheiden echtgenoot, geen verplichtingen met zich meebrengt in hoofde van de andere echtgenoot. De verplichting tot vergoeding van de schadelijders blijft dan ook een eigen schuld in hoofde van uw ex-man omdat hij gehandeld heeft in het uitsluitend belang van zijn eigen vermogen. Het gemeenschappelijk vermogen tussen u beiden dat nog niet officieel verdeeld is omdat de echtscheiding nog niet officieel achter de rug is, heeft zeker geen voordeel gehaald uit de huur van de betreffende studio. Het gemeenschappelijk vermogen heeft totaal niets te maken met die huur.

Het zal er dus op aan komen u juist te laten verdedigen wanneer u aangesproken wordt door de schadelijders en/of hun verzekeraars of wanneer u gedagvaard wordt. Indien men u niet in gebreke stelt en niet dagvaardt, moet u verder zelfs niets ondernemen

SOCIUS
VANAGT& POOLS ADVOCATENASSOCIATIE GENK

Uit : De Volkswil Jg. 60 nr. 18 - 20 mei 2005

 
Omhoog
 

BEGRIJPE WIE KAN!!

Over verkeersboetes, omgangsrecht en onderhoudsgeld

Iedereen heeft momenteel de mond vol van de superverkeers-boetes. Dergelijke hoge boetes knagen aan het gezinsbudget van jan modaal. Daarom werd beslist sommige boetes te verminderen en daarom werd er ook beslist dat mensen met een laag inkomen kunnen kiezen voor een alternatieve straf. Het land beeft en de Belg zal zijn rijgedrag moeten aanpassen.

Voor een goed begrip wil ik toch wel even uitleggen dat in het geheel der misdrijven er drie categorieën zijn: de overtredingen, de wanbedrijven en de misdaden. Ik noem ze volgens de ernst van de gepleegde feiten.

Een verkeersinbreuk is een overtreding en om deze te plegen is er helemaal geen opzet vereist. Men kan verstrooid zijn en door het rode licht rijden. Toch wordt dit zeer streng gestraft.

Weigering van het omgangsrecht is een wanbedrijf. BGMK stelt vast dat er hier wel opzet in het spel is: men weigert opzettelijk het contact met de andere ouder. Hoe treedt vadertje staat hiertegen op? Met superboetes. Neen hoor, doodgewoon door een eenmalige klacht te seponeren. Zijn er meer klachten, dan wordt er overgegaan tot schuldbemiddeling, en indien deze succesvol is, wordt er niet vervolgd. Met andere woorden: hier is elke verhouding zoek in het sanctioneerbeleid.

Eén van de fundamentele elementen waarop ons strafrecht is gebaseerd is de moraal. BGMK vindt het immoreel dat men onthouden wordt van een fundamenteel recht, namelijk volwaardig ouder kunnen zijn. Vandaar dat ik zou willen pleiten voor juiste verhoudingen in de strafmaat.
Trekt men aan de basis op, dan zal een trapje hoger ook moeten opgetrokken worden.

Maar... wordt men veroordeeld tot een correctionele gevangenisstraf en is die straf lager dan zes maanden, dan moet men deze niet gaan uitzitten. De gevangenissen zitten immers te vol.

Er is één uitzondering: het niet betalen van onderhoudsgeld. Zelfs een straf van één maand moet daadwerkelijk uitgezeten worden. Akkoord, er zijn nog steeds mensen die pertinent weigeren onderhoudsgeld te betalen. Onbegrijpelijk, zeker als je weet dat er een behoorlijke fiscale aftrek mogelijk is.
Maar wat met diegenen die door onrealistische voorlopige maatregelen tot de bedelstaf veroordeeld worden, helemaal niet kunnen betalen en zelfs geen geld meer hebben om in de meest elementaire noden te voorzien? Zij willen betalen, maar kunnen niet. Van opzet is hier geen sprake.

BGMK heeft steeds bij elke minister van justitie aangedrongen om een correctie, maar telkens ving men bot.
BGMK pleit ook voor meer kwaliteit in vonnissen en arresten. Voorlopige maatregelen moeten heel zeker getoetst worden aan hun haalbaarheid. Een raming van te verwachten inkomsten en uitgaven voor de beide partijen moet naast elkaar gelegd worden, zodat niemand het spook van de armoede moet tegenkomen.

Voor de lezer die in de verre toekomst deze tekst zou lezen, wens ik de aandacht erop te vestigen dat we in het jaar 2004 zijn en niet 1904.

Johan Dewil
Ondervoorzitter BGMK
Voorzitter Afdeling Hasselt BGMK

25 maart 2004

 
Omhoog
 

Krachtlijnen van het echtscheidingsrecht

I. FEITELIJKE SCHEIDING

Hypothese / begrip feitelijke scheiding : U bent een aantal jaren gehuwd, plots loopt het mis. U of uw partner verlaat het echtelijk dak en vestigt zich elders.

Partijen zijn de facto, de visu … feitelijk ‘uit elkaar’.

Vraag :
Welke gevolgen heeft deze feitelijke toestand? Moeten er, gezien deze feitelijke toestand, specifieke regelingen getroffen worden? Moet er iets ‘op papier’ komen, zeker wanneer de relatie met uw partner volledig verzuurd is? Etc…
Welke stapen moet/kan u ondernemen om met het een en ander in regel te zijn of om (verdere) problemen te voorkomen?

Antwoord :
Voorafgaand
U bent destijds gehuwd, met welbepaalde juridische gevolgen van dien (ontstaan huwelijksstelsel, ontstaan wederzijdse echtelijke rechten en plichten,…). Deze juridische gevolgen van het huwelijk zijn welomschreven en voorzien in het Burgerlijk Wetboek.

Omtrent het statuut van partners die feitelijk gescheiden zijn is evenwel niets specifieks voorzien in het Burgerlijk Wetboek.

Hieruit vloeit voort dat de huwelijkse rechten en plichten blijven voortbestaan, en daarmee ook het huwelijksstelsel.

Dergelijke toestand is vaak problematisch.

Vb. : Het bestaan van het huwelijksstelsel kan met zich meebrengen dat men beiden aanspreekbaar blijft voor schulden gemaakt door de andere partner.

Vb. : Eén der partners verlaat de echtelijke woning en gaat elders een onderkomen huren. Inmiddels moet de hypothecaire lening van de echtelijke woning nog verder worden afbetaald. De bank kan zich gebeurlijk richten tot beide echtgenoten. Zo kan één partner plots geconfronteerd worden met én huur die hij moet betalen én het aflossen van de hypothecaire lening van een woning waarin hij niet meer verblijft.

Vb. : In het Belgische Strafrecht is voorzien dat echtgenoten niet kunnen stelen van elkaar. Wat indien uw partner na uw vertrek uit de echtelijke woning goederen laat ‘verdwijnen’ en u heeft geen enkel bewijs van het feit dat deze goederen er ooit waren?

Vb. : Uit het huwelijk vloeit de plicht tot samenwoning voort; in principe kan de echtgenoot die het echtelijk dak verlaat worden gesanctioneerd (toekenning schadevergoeding, echtscheidingsgrond, geen aanspraak op onderhoudsgeld,…). In uitzonderlijke gevallen neemt de rechtspraak evenwel aan dat men mag verzaken aan de samenwoningsverplichting voor zover de voortzetting ervan ondraaglijk is geworden voor de betrokken partner of de kinderen.
Vb. : Uit het huwelijk vloeit de plicht van trouw voort; echtgenoten moeten exclusief met elkaar gemeenschap hebben. Overspel is een echtscheidingsgrond.

Vb. : De feitelijke scheiding brengt geen wijziging aan in de uitoefening van het ouderlijk gezag. Maar wat indien de ene ouder het omgangsrecht van de andere ouder met de kinderen fnuikt?

Etc…

Vermits er geen specifiek statuut voor feitelijk gescheiden partners is voorzien in de wet, dienen partijen zelf initiatief te nemen om deze feitelijke toestand behoorlijk te ‘organiseren’.

Dit kan als volgt :

1. Zelf overeenkomst sluiten ?

Opgelet! De huwelijkse plicht tot samenwonen is van openbare orde. Dit wil zeggen dat elke overeenkomst die de feitelijke scheiding tot stand brengt en/of in stand houdt, nietig is.

Een bijkomende overeenkomst naar aanleiding van de feitelijke scheiding kan wel geoorloofd zijn.

Vb. : omgangsrecht met de kinderen
Vb. : gebeurlijk omtrent een te betalen onderhoudsgeld
Maar: een vervroegde vereffening/verdeling van het huwelijksvermogensstelsel kan niet.

2. Naar de rechtbank ?

2.1. Dringende en voorlopige maatregelen (DVM)

De vrederechter is bevoegd om dringende en voorlopige maatregelen te bevelen betreffende de persoon en de goederen van de echtgenoot en de kinderen.

Deze procedure is zeer nuttig in geval van echte crisissituaties. Men bekomt zeer snel voorlopige maatregelen zoals afzonderlijke woonst, regeling van het ouderlijk gezag, recht op contact, enz.

Er wordt ook bedenktijd gelaten, zodat men het nemen van definitieve beslissingen even kan uitstellen. Dat laat partijen toe zich te bezinnen of de breuk wel definitief moet zijn en zelfs als dat wel het geval is, worden er voorlopige maatregelen getroffen die partijen toelaten rustig te onderhandelen om gebeurlijk (en best) tot een echtscheiding met onderlinge toestemming te komen.

Voorbeelden van mogelijke maatregelen :

- Afzonderlijke woonst. Opgelet: niet tegenstelbaar aan verhuurder / financiële instelling m.b.t. echtelijke woonst.
- Toekennen van onderhoudsgeld of ontvangstmachtiging.
- Maatregelen m.b.t. onderhoudsgeld voor en omgangsrecht met de kinderen.
- Maatregelen m.b.t. de goederen (verplaatsings-, vervreemdingsverbod, blokkeren van rekeningen, toekenning gebruiksrecht, opstellen inventaris, …).

Deze maatregelen worden meestal beperkt in tijd, met het oog op mogelijke verzoening of een definitieve echtscheiding.

Het verzoekschrift houdende dringende en voorlopige maatregelen wordt ingediend ter griffie van het vredegerecht van de laatste echtelijke verblijfplaats.

Bij het verzoekschrift wordt gevoegd:

- Rolrecht: 40 euro ter griffie te betalen (30 euro wanneer de voorlopige maatregelen enkel het onderhoudsgeld betreffen).
- Attest van woonst van de tegenpartij (te verkrijgen op de dienst bevolking van uw gemeente, kost ongeveer 10 euro).


Beide echtgenoten worden opgeroepen door middel van een gerechtsbrief, uitgaande van het vredegerecht, een kopie van het verzoekschrift wordt meegestuurd.

Partijen dienen samen te verschijnen voor de vrederechter, al dan niet bijgestaan door een raadsman (advocaat).

Nota vanwege Goudi :

Heel veel advocaten sturen aan op een dergelijke procedure DVM voor de vrederechter. Deze procedure is in de meeste gevallen totaal overbodig. Ze kost geld, duurt een tijd en vergt veel energie van de betrokkenen. Als voor één van de partijen de echtscheiding werkelijk onvermijdelijk is, dan slaat men de vredegerechtsprocedure over en dient men bij de rechtbank van 1ste aanleg een echtscheidingsverzoek in met daarbij een verzoek in kortgeding voor dezelfde voorlopige maatregelen als die de vrederechter kan treffen. Meestal komt men anders toch bij 1ste aanleg terecht voor dat kortgeding, maar dan heeft men eerst een onnodige procedure uitgevochten bij de vrederechter.

2.2. De jeugdrechter ?

Maatregelen met betrekking tot de uitoefening van het ouderlijk gezag.

Inleiding bij verzoekschrift, neer te leggen ter griffie van de bevoegde Jeugdrechtbank.

2.3. Rechtbank van eerste aanleg ?

Bepaalde specifieke vorderingen (b.v. wijziging huwelijksvermogensstelsel) kunnen ingeleid worden voor de (burgerlijke) rechtbank van eerste aanleg of de voorzitter van de (burgerlijke) rechtbank van eerste aanleg (b.v. vaststelling overspel).

II. ECHTSCHEIDING

Hypothese / begrip echtscheiding: U bent een aantal jaren gehuwd, plots loopt het mis. U of uw partner verlaat het echtelijk dak en vestigt zich elders. U heeft destijds deze feitelijke toestand al of niet ‘georganiseerd’ (zie hoger).

Thans wenst u het huwelijk voor de toekomst te ontbinden, zodat daarmee alle huwelijkse rechten en plichten verdwijnen.

Vraag:
Hoe begint u hieraan? Wat als uw partner niet bereid is om hieraan mee te werken? Wat indien u en uw partner terzake wél overeenkomen en de echtscheiding samen wensen te bestendigen?
Welke stappen moet / kan u ondernemen?

Antwoord:
Voorafgaand
Het Belgische echtscheidingsrecht kent verschillende gronden tot echtscheiding, meer bepaald :

1. echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk;
2. echtscheiding door onderlinge toestemming (hierna EOT genoemd);

Behalve in het geval van EOT, gaat het initiatief tot echtscheiding uit van één partner. Wellicht omdat partijen het niet eens worden over een regeling of omdat communicatie niet meer mogelijk is.

In dat geval wendt één partner zich tot de rechtbank en wordt de regeling overgelaten aan de rechtbank (die procedures nemen meer tijd in beslag en zijn ontegensprekelijk duurder). Tevens zal men zich moeten neerleggen bij de beslissingen van de rechtbank.

N.B. Uiteenzetting schuldprincipe/schuldvraag en repercussies naar gerechtigheid op onderhoudsgeld toe.

N.B. Tijdens / vanaf dergelijke procedure strekkende tot echtscheiding, kunnen er dringende en voorlopige maatregelen worden gevraagd aan de voorzitter zetelend in kortgeding.

(Zie de Goudi-nota hierboven)

1. Echtscheiding op grond van fout / op grond van bepaalde feiten [is niet meer van toepassing sinds
1 september 2007
]

Welke feiten, welke fout ?

- Overspel van één van de partners.
- Gewelddaden, mishandelingen, grove beledigingen door één van de partners.

Een greep uit de rechtspraak, dus loutere casuïstiek:

- Verlaten echtelijke woonst, evenwel te beoordelen op basis van achterliggende omstandigheden.
- Homoseksualiteit van één van de partners.
- Het niet-nakomen van de onderhoudsverplichting.
- Luiheid van één van de partners.
- Verwaarlozing van het gezin.
- Filosofische of godsdienstige onverdraagzaamheid.
- Weigering om kinderen te hebben.
- Eis om tot abortus over te gaan.
- …

Bewijs ?

- Strafbundels, briefwisseling (wat i.v.m. het briefgeheim? Hoe verkregen?), …
- Privé-detective? Vermoeden, inachtname wet op de privacy
- Foto’s en telefoongesprekken veelal niet.
- Getuigen?
- Vaststelling overspel.
- …

Let op! In geval van verzoening, vervalt de echtscheidingsgrond.

Procedure wordt ingeleid bij dagvaarding of door middel van vrijwillige verschijning van partijen.
De echtscheiding is een rechtsfeit tussen partijen van zodra het vonnis of arrest kracht van gewijsde heeft bekomen.

Ten overstaan van derden is de echtscheiding slechts tegenstelbaar van zodra het in kracht van gewijsde gegane vonnis of arrest werd overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2/3. Echtscheiding op grond van feitelijke scheiding [is niet meer van toepassing sinds 1-9-2007, kan wel binnen de huidige echtscheidingswet aangevoerd worden als grond van de onherstelbare ontwrichting van het huwelijk]

Voorwaarden ?
- Feitelijke scheiding, gewild door één der partijen gedurende één jaar (dus niet: gevangenisverblijf, afwezigheid wegens beroepsactiviteit,…) en nooit onderbroken.
Bewijs beginpunt ? Attesten van woonst, vonnissen, afzonderlijke fiscale administratie, …
- Onherstelbare ontwrichting van het huwelijk.
- De materiële toestand van de kinderen mag niet gevoelig verminderen ingevolge de echtscheiding.

Specifiek geval:
- De feitelijke scheiding is het gevolg van de mentale toestand van de echtgenoot.

4. Echtscheiding door onderlinge toestemming (EOT)

De echtscheiding door onderlinge toestemming is gebaseerd op het akkoord van beide echtgenoten. Dit akkoord moet zowel op de echtscheiding als op alle daaraan verbonden gevolgen staan (regeling omtrent alle materiële en familiale aspecten).

Deze echtscheidingsvorm biedt de mogelijkheid om, zonder elkaar de schuld te geven, de regeling van de echtscheiding zelf in te vullen, dit binnen de toelaatbaarheid van de wet.

Enkele algemene voorbeelden: hoe de meubelen en de gelden worden verdeeld, of er onderhoudsgeld betaald zal worden en hoeveel, hoe het omgangsrecht met de kinderen er zal uitzien, wat het lot zal zijn van de gezinswoning, enz. …

Om een EOT aan te gaan stelt het Burgerlijk Wetboek echter twee voorwaarden, nl. :

- de echtgenoten moeten elk de leeftijd van 20 jaar bereikt hebben;
- de echtgenoten moeten ten minste 2 jaar gehuwd zijn opde dag van de eerste verschijning voor de rechtbank.

Bijkomend, het weze herhaald, is het noodzakelijk dat partijen nopens alle vermogensrechterlijke en familierechterlijke gevolgen akkoord gaan.
Tussen partijen wordt ter zake een overeenkomst gesloten.

Die omvat het volgende:

4.1. Vermogensrechtelijke overeenkomst

Inhoud:
- Verdeling van goederen (al of niet gelijk, zelfs te stipuleren dat een gedeelte tijdelijk onverdeeld blijft, …)
- Inventaris ?
- Schulden ?
Uit deze regelingsakte moet blijken dat de echtgenoten een overeenkomst bereikten over al hun goederen en schulden.
- Wat indien één van de echtgenoten tijdens de echtscheidingsprocedure komt te overlijden? (herroeping testament, …)

Vorm:
Authentieke akte (tussenkomst notaris) voor zover betrekking op overdracht van zakelijke onroerende rechten tussen de echtgenoten, hypothecaire lening, behoud van onverdeeldheid in geval van een ander stelsel dan scheiding van goederen, herroeping testament…

4.2. De familierechtelijke overeenkomst

Inhoud:

Op straffe van nietigheid :
- Verblijfplaats van de echtgenoten,
- Ouderschap en recht op persoonlijk contact nopens de minderjarige kinderen, gezamenlijk ouderlijk gezag (co-ouderschap) met gedetailleerde verblijfsregeling (thans het principe)! Exclusief ouderlijk gezag met recht op persoonlijk contact voor de andere ouder (thans uitzondering).
- Bijdrage in onderhoud en opvoeding van de kinderen,
- Uitkering tussen de echtgenoten.

( Zie Goudi – Informatie – Echtscheiding door onderlinge toestemming : voorbeeld van een familierechtelijke overeenkomst)

Facultatief
- taalkeuze,
- bevoegde rechtbank,
- …

Vorm
Geen notariële akte vereist. Een geschrift opgesteld door en tussen beide echtgenoten volstaat.

Let op! Het mogelijk voordeel van het opstellen van een notariële akte is de uitvoerbaarheid ervan.

Procedure

1. Inleiding bij verzoekschrift mét vermogensrechtelijke en familierechtelijke overeenkomsten.

2. Beperkt advies van het Openbaar Ministerie.

3. Binnen de maand na indiening van het verzoekschrift eerste verschijning voor de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

4. Tweede verschijning binnen een maand nadat 3 maanden zijn verlopen na de eerste verschijning én opnieuw advies van het Openbaar Ministerie.

5. Uitspraak echtscheiding. Beslissing in kracht van gewijsde. Overschrijving in de registers van de burgerlijke stand (gemeente waar het huwelijk afgesloten was).

Opgelet! Wijzigingen?
Wijzigingen tijdens de procedure zijn mogelijk mits gezamenlijk voorstel en mits nieuwe en ingrijpende omstandigheden.

Wijzigingen na de procedure: in onderling overleg mogelijk, eenzijdig NIET mogelijk tenzij maatregelen in het belang van de kinderen en in het laatste geval wegens omstandigheden buiten de wil van de echtgescheiden ouders om.

LET DERHALVE OP TOT WAT U ZICH VERBINDT IN EEN EOT-AKTE! Deze problematiek is vaak pijnlijk op het vlak van het toegekend persoonlijk onderhoudsgeld.

III. VEREFFENING / VERDELING

Veruit het belangrijkste gevolg van de echtscheiding betreft de ontbinding van het huwelijksvermogensstelsel in een minnelijke of gerechtelijke vereffening en verdeling.

- Retro-actief t.a.v. echtgenoten, t.a.v. derden vanaf de overschrijving in de registers van de burgerlijke stand.
- Vereffening. Aflijnen van de vermogens, opstellen van vergoedingsrekeningen.
Verrekening van kosten en vergoedingen.
- Verdeling van goederen, in beginsel in natura, anders openbare verkoop.

(Notities voor een voordracht)

Astrid Clabots, advocate

Bron : Hoop! Tijdschrift van BGMK – 25ste jg. nr. 6 nov.-dec. 2003 pp. 5-11 (lichtjes aangepast i.f.v. wetswijzigingen).


 
Omhoog
 

PROCEDURE HERZIENING VOORLOPIGE MAATREGELEN BIJ DE VREDERECHTER
(DOOR DE AANLEGGER PERSOONLIJK INGEDIEND - MET SUCCESRIJK RESULTAAT)


B E S L U I T E N

Voor : De Heer H. (familienaam) M. (voornaam), wonende te (postnummer) (woonplaats) (straatnaam en huisnummer)
Aanlegger,
Verweerder op tegeneis,

Tegen : Mevrouw P (familienaam) L., wonende te (postnummer) (woonplaats) (straatnaam en huisnummer)
Verweerster,
Aanlegster op tegeneis,

Raadsman : Meester J. D. R.
Advocaat
(Adres advocaat)

==================================================

VREDERGERECHT EERSTE KANTON Hasselt
A.R. 98 A *** - zitting 7.10.1998


==================================================


- Gelet op het vonnis van de heer Vrederechter A.R. 96.1524 d.d. 20 maart 1997 voorlopige en dringende maatregelen
- Gelet op het verzoekschrift van aanlegger d.d. 8 februari 1998
- Gelet op de besluiten van verweerster, aanlegster op tegeneis d.d. 24.2.1998 inzake voorlopige en dringende maatregelen
- Gelet op de beschikking van de heer Vrederechter d.d. 5.3.1998 waarbij de heer vrederechter een deskundig verslag beveelt
- Gelet op het deskundig eindverslag van Mevrouw A. T., maatschappelijke werkster d.d. 11.8.1998

TEN GRONDE

1 Uitoefening van het ouderlijk gezag

In overeenstemming met de bestaande regeling van co-ouderschap wenst concluant met aandrang de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag bevestigd te zien om in overeenstemming met de wet van 1995 alle medezeggenschap te blijven behouden in verband met de belangrijke beslissingen die over de kinderen in de toekomst worden getroffen.

Concluant is het volkomen eens met de conclusies van het eindverslag van Mevr. T. waarbij zij tot de bevinding komt dat het in het belang van de kinderen is dat de bilocatieregeling wordt opgeheven. Concluant gaat ermee akkoord dat de beide kinderen gehuisvest en gedomicilieerd worden bij de moeder.

2 Omgangsregeling

Concluant gaat in globo ook akkoord met de voorgestelde verblijfsregeling waarbij de kinderen in de week bij de moeder verblijven, dat zij het eerste, derde en vijfde weekend van de maand van vrijdagmiddag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur bij de vader vertoeven en dat zij tijdens de schoolvakantiedagen van meer dan drie dagen voor elk de helft bij iedere ouder verblijven.

M.b.t. de schoolvakanties wenst concluant gezien de huidige moeilijke verhouding tussen beide partijen om elk misverstand in de toekomst te voorkomen dat de heer vrederechter de volgende specifiëring van die schoolvakanties zou willen statueren :

voor de vakanties van Allerheiligen, Kerstmis, Krokus en Pasen zouden de kinderen in de pare jaren de 1ste helft bij de vader verblijven en in de onpare jaren de 1ste helft bij de moeder en omgekeerd ;

voor de zomervakantie stelt concluant voor die te verdelen in periodes van 14 dagen. In de pare jaren zouden de kinderen de 1ste periode bij de vader verblijven en in de onpare jaren de 1ste periode bij de moeder. Voor de volgende periodes zullen ze aansluitend bij de 1ste periode afwisselend bij de ene en dan bij de andere ouder verblijven.

3 Onderhoudsgeld voor de kinderen

Uit de conclusies van de verweerster, aanlegster op tegeneis meent concluant onder alle voorbehoud op te maken dat hem per kind per maand 5.000 F. onderhoudsgeld wordt gevorderd. Concluant gaat uiteraard akkoord zijn billijke bijdrage in het onderhoud en in de opvoeding van de kinderen te willen brengen. Op dit ogenblik is de situatie zo dat verweerster, aanlegster op tegeneis wellicht gezien het verblijf en de domiciliëring bij de moeder de volledige toekenning van het kindergeld zal worden toegekend. Dat is op het ogenblik voor beide kinderen samen inbegrepen het verhoogde kindergeld voor de zoon V. al 24.000 F. per maand. Concluant brengt hier een afschrift bij van zijn aanslagbiljet van de belastingen voor zijn inkomsten van 1996. Daaruit blijkt dat hij een inkomen heeft van 40.000 F. per maand. Dat is sinds die aanslag lichtjes verhoogd. Daartegenover moet de moeder in verhouding tot haar middelen evenzeer bijdragen in het onderhoud en de opvoeding van de kinderen. Aangezien zij als k… een zeer laag inkomen aangeeft waar dat in feite veel hoger ligt , ontstaat er een reële wanverhouding tussen beide inkomens en acht concluant de aanspraak van 5.000 F. per kind per maand overdreven. Rekening houdend met het bovenstaande en met zijn reële inkomen van dit ogenblik meent hij dat het billijk is dat bij het bepalen van zijn onderhoudsbijdrage ten volle rekening gehouden wordt met zijn draagkracht en dat zij beperkt blijft tot 3.500 F. per kind per maand.

Anderzijds staat concluant gedurende de verblijfsperiodes volledig in voor het onderhoud van de kinderen. Het is niet billijk dat hij op dat ogenblik ook nog onderhoudsgeld uitkeert aan de moeder. Daarom verzoekt concluant de heer vrederechter te bepalen dat hij voor die perioden in verhouding tot het aantal dagen dat de kinderen bij hem vertoeven het onderhoudsgeld in mindering zou mogen brengen.

OM DEZE REDENEN
BEHAGE HET DE VREDERECHTER
In hoofdorde


De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag over beide kinderen van partijen zoals voorheen bepaald te handhaven.

Evenwel te zeggen voor recht dat de kinderen gehuisvest en gedomicilieerd worden bij de moeder.

Te bepalen dat de kinderen in de week bij de moeder verblijven,

het eerste, derde en vijfde weekend van de maand bij de vader vertoeven van vrijdagnamiddag na schooltijd tot zondagavond 19.00 uur en

dat iedere ouder recht heeft op de helft van de schoolvakanties met dien verstande dat voor de vakanties van Allerheiligen, Kerstmis, Krokus en Pasen de kinderen in de pare jaren de 1ste helft bij de vader verblijven en in de onpare jaren de 1ste helft bij de moeder en omgekeerd ;

de zomervakantie verdeeld wordt in periodes van 14 dagen. In de pare jaren verblijven de kinderen de 1ste periode bij de vader en in de onpare jaren de 1ste periode bij de moeder. Voor de volgende periodes zullen ze aansluitend bij de 1ste periode afwisselend bij de ene en dan bij de andere ouder verblijven.

Voor recht te stellen dat concluant een onderhoudsbijdrage voor de kinderen op een rekening van verweerster, aanlegster op tegeneis, betaalt van 3.500 F. per kind te storten voor 5de van elke maand.

Dat concluant vrijgesteld wordt van betaling van onderhoudsgelden voor de perioden dat de kinderen bij de vader verblijven te berekenen per dag in verhouding tot het toegekende onderhoudsgeld.

Kosten als naar recht.

Onder alle voorbehoud.

H. (gemeente), 10 september 1998.

In persoon concluant
M. H.
(Straatnaam - huisnummer - postnummer - gemeente)

INVENTARIS BIJGEBRACHTE STUKKEN :

Enig stuk :

Aanslagbiljet Personenbelasting en aanvullende belastingen Aanslagjaar 1997, inkomsten van het jaar 1996 ten name van concluant.


 
Omhoog
 

Dringende en voorlopige maatregelen bij feitelijke scheiding.
Verslag themavergadering Hasselt - oktober 2000
Spreker : Mr. Marc Sampermans, advocaat.

Als echtgenoten uit elkaar gaan na bijvoorbeeld een ernstige verstoring van de verstandhouding of na grof plichtsverzuim zonder dat ze meteen de echtscheidingsprocedure willen inzetten, dan is het nodig om bij de vrederechter dringende en voorlopige maatregelen aan te vragen.

Wat is de procedure ?

* De vrederechter van de verblijfplaats waar de echtgenoten voor het laatst samenwoonden is bevoegd.

* De procedure wordt ingeleid bij verzoekschrift dat je moet indienen bij de vrederechter. In het verzoekschrift moeten de volgende gegevens vermeld staan :
- naam, voornaam, beroep, woonplaats, plaats en datum van geboorte van de echtgenoten en de kinderen.
- plaats en datum van het huwelijk.
- de naam van de vrederechter.
- een omschrijving van de eisen en de maatregelen die je vraagt en de reden waarom je dat doet.
- datum en handtekening.
Bij het opstellen van het verzoekschrift kan je je laten bijstaan door een advocaat, maar dat is absoluut niet verplicht.

* Na indienen van het verzoekschrift zullen beide echtgenoten per gerechtsbrief worden opgeroepen om voor de vrederechter te verschijnen. Het vredegerecht zal de zaak achter gesloten deuren behandelen in de raadkamer of in het bureau van de vrederechter, zonder publiek (dat geldt voor de meeste vredegerechten).
Ga je niet akkoord met de uitspraak van de vrederechter, dan heb je 30 dagen de tijd om in beroep te gaan (de tijd gaat in vanaf de dag dat de gerechtsbrief met het vonnis vertrekt van het vredegerecht).

* Een vonnis van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad. Indien één van beiden zich niet houdt aan de rechterlijke uitspraken, dan kan worden overgegaan tot een gedwongen uitvoering. Je moet dan wel gebruik maken van een gerechtsdeurwaarder.

Welke voorlopige maatregelen kunnen opgelegd worden ?

* Maatregelen betreffende afzonderlijke woonst.
Omdat echtgenoten verplicht zijn om samen te wonen, moet je de rechter vragen om een afzonderlijke woonst te mogen betrekken (doe je dit zonder toelating van de rechter, dan kan dat later tijdens de eventuele echtscheidingsprocedure tegen je gebruikt worden, want het verlaten van de echtelijke woonst wordt beschouwd als een grove belediging).

* Maatregelen betreffende het ouderlijke gezag.
Het beste is om als ouders een overeenstemming te bereiken en samen met je advocaat iets op papier te zetten. Gebeurt dat niet, dan bepaalt de rechter hoe het ouderlijk gezag zal worden uitgeoefend. De wet stelt als principe de gezamenlijke uitoefening, maar de rechter kan ook beslissen tot exclusieve of uitsluitende uitoefening door één ouder.

* Maatregelen betreffende onderhoudsgelden
Bij het bepalen van het onderhoudsgeld voor de kinderen zal de rechter rekening houden met de volgende criteria : 1. In het belang van de kinderen.
2. naar de mogelijkheden van de ouders toe.
3. de levensstandaard die de partijen gekend hebben ten tijde van het
huwelijk.
Diezelfde criteria gelden ook voor onderhoudsgelden tussen beide echtgenoten.

* Maatregelen betreffende roerende en onroerende goederen
Je kan de verdeling van de gemeenschappelijke goederen aanvragen bij de rechter. Dat behelst het feitelijk maar tijdelijk gebruik (tot aan de definitieve echtscheiding) van de goederen. Je kan ook een vervreemdingsverbod aanvragen. De rechter beveelt dan dat het de echtgenoten verboden is om de goederen te verkopen. Als de rechter dat doet, dan moet je een inventaris laten opmaken van alle aanwezige goederen in de echtelijke woning (door de notaris of onderhands).
Let op: deze maatregelen houden geen verdeling in van de eigendom. Dat gebeurt pas na de echtscheiding.

Hoelang gelden dringende en voorlopige maatregelen ?

Voorlopige maatregelen worden geacht slechts een overgangsfase te zijn. Ofwel komt er een verzoening, ofwel wordt de echtscheidingsprocedure ingezet. Het principe is dat vrederechters een termijn koppelen aan de voorlopige maatregelen (bijv. zes maanden). Na deze termijn vervallen dan de maatregelen. Je kan een verlenging van de maatregelen aanvragen door een nieuw verzoekschrift in te dienen. Valt elke kans op verzoening uit te sluiten, dan kan de vrederechter zich onbevoegd verklaren en doorverwijzen naar de echtscheidingsprocedure. Tijdens de uitvoering van de voorlopige maatregelen kan je op ieder moment, bij de vrederechter, een nieuwe maatregel vorderen als de omstandigheden gewijzigd zijn.
Let op : de praktijk leert dat rechters de neiging hebben om de voorlopige maatregelen ook na de echtscheidingsprocedure te behouden. Het bepalen van de voorlopige maatregelen is dus in de meeste gevallen van zeer groot belang bij het verdere verloop van de echtscheidingsprocedure.

Gezien de duidelijke en volledige uiteenzetting van de spreker werden slechts enkele vragen gesteld.
- We vernamen dat men ook verkeerd kan dagvaarden : bijvoorbeeld tegelijkertijd maatregelen in kortgeding vragen in Leuven ondanks het feit dat men in Limburg woont.
- Hoe rekent men de indexverhoging aan ? Dat kun je zelf !
Voorbeeld : 5000 Bef x nieuwe index gedeeld door de basisindex

Tonia Hamal, Bilzen
Verslaggeefster

 
Omhoog
 

INFORMATIE - PROCEDURE - VOORUITGANG - GRIFFIE

Naar de griffie als je zaak niet vooruit gaat.

Een van onze oudere klanten belt mij op. Hij is al meer dan 10 jaar met zijn scheiding bezig. Verleden jaar is hij van advocaat veranderd en die heeft een echtscheidingsverzoek ingediend op grond van feitelijke scheiding. Zijn zaak gaat niet vooruit. Ik zeg dat zijn advocaat een pleitdatum moet vragen op de burgerlijke griffie van de Rechtbank van 1ste Aanleg. Hij belt me terug met de mededeling dat zijn advocaat hem aan de telefoon categoriek gezegd heeft dat ze daar wel weten hoe ze hun werk moeten doen. Dan beloof ik hem dat we zelf naar de griffie zullen stappen en kijken wanneer de eerstvolgende rechtsdatum is voorzien.

De man moet van ver komen, maar zit al op mij te wachten als ik de grote toegangshal van het gerechtsgebouw binnenstap. Ik vraag aan de baliebediende waar die griffie nu gevestigd is. Hij zegt me dat ze in de zaal zit waar vroeger de Vrederechter van het 2de Kanton zetelde. We kloppen en stappen binnen. Ik geef de meegebrachte documenten af en vraag of ze willen nakijken wanneer de volgende zittingsdag is in zijn zaak. Heel vriendelijk worden we gevraagd om even te wachten, terwijl de griffiebeambte het dossier op haar computerscherm oproept.

Ja, de hele vroegere zittingszaal staat nu vol computers met schermen en printers. Nooit heb ik dat gezien. Waar is de tijd dat in het Vredegerecht van Genk de eerste computers die ze van het ministerie ter beschikking kregen, onuitgepakt op de archiefkasten bleven rusten ? Nee, getik en gekijk en gebogen over de documenten zaten ze allemaal ijverig te computeren, die bedienden.

Het duurde even, en dan moest onze mevrouw toch nog een collega raadplegen en daarop verdween ze uit de zaal, misschien zelfs om de voorzitter van de rechtbank te raadplegen, die blijkbaar zelf de data van de rechtszittingen eigenhandig vastlegt.

Het duurde wat en dan kwam ze toch terug met het dossier en met de officiële brief van de advocaat die we haar overhandigd hadden. Daar stond bovenaan in Chinese inkt een groot dossiernummer op bijgeschreven. En dan opende ze voorzichtig het dossier. De echtscheiding was vorig jaar ingeleid en de laatste stap in de procedure was de indiening van de besluiten van de tegenpartij op 22 februari van dat jaar....

Al die maanden en we zijn nu eind september had de advocaat van onze vriend niets gedaan en hem ook niet meegedeeld hoever de stand van zaken was. Hij moest nu besluiten opmaken en dan pas kon hij een pleitdatum gaan aanvragen via de griffie. De griffiebeambte suggereerde ons voorzichtig contact op te nemen met de advocaat.

We stapten blijgezind naar buiten naar de grote toegangshal. Ik zei ons lid dat ik onmiddellijk een brief zou schrijven naar de bewuste onachtzame advocaat. Binnen de 14 dagen zou hij besluiten moeten opmaken en ons dat laten weten en dan zou hij stelling kunnen vragen via de griffie op een datum.

Bij het buitengaan passeerden we nog even bij de balie. Ik zei schertsend dat ik dat op de rechtbank nog nooit gezien had, zoveel computers en dat ze er vroeger nooit geweest waren. Zelfs de baliebediende en de telefoniste hadden een computer op hun tafel staan. De telefoniste antwoordde ons dan : "Wij werken er wel niet mee, die staan hier voor de galerij."

Op de griffie deden ze dat wel en ze waren ook nog vriendelijk voor ons. Mocht je zelf een onverklaarbare vertraging in de vooruitgang van je zaak moeten meemaken, ga dan eens langs bij de griffie. Dat kan je misschien wel weer vooruit helpen… als het aan de advocaat ligt.

G.D.


 
Omhoog
 

PROCEDURE - ECHTSCHEIDING OP GROND VAN GROVE BELEDIGINGEN, GEWELDDADEN, MISHANDELINGEN

DOOR DE NIEUWE ECHTSCHEIDINGSWET DIE OP 1 SEPTEMBER 2007 VAN TOEPASSING WERD
WORDT HET SCHULDPRINCIPE ENKEL NOG IN EEN SCHEIDINGSPROCEDURE
AANGEVOERD VOOR DE TOEKENNING VAN ALIMENTATIE AAN EEN ECHTGENOOT
EN OOK WEL EENS VOOR HET BEWIJZEN VAN DE ONHERSTELBARE ONTWRICHTING
VAN HET HUWELIJK

Overzicht van de rechtspraak (1994-2000) m.b.t. de echtscheiding op grond van grove beledigingen, gewelddaden en mishandelingen (art. 231 B.W.)


Hierna volgt een samenvatting van het door K.Herbots geschreven gelijknamige artikel gepubliceerd in het Echtscheidingsjournaal van juni 2000.

"Ieder der echtgenoten kan echtscheiding vorderen op grond van gewelddaden, mishandelingen of grove beledigingen door de andere echtgenoot jegens hem gepleegd", luidt art. 231 B.W. dat bijgevolg drie wettelijke gronden opsomt die bruikbaar zijn als basis voor het inleiden van deze echtscheidingsprocedure.

1. De wettelijke gronden

Eerst en vooral de gewelddaden waaronder elke handeling wordt verstaan die gepaard gaat met fysiek geweld waarbij eventueel het leven van de echtgenoot in gevaar wordt gebracht, kortom alle zware slagen en ernstige verwondingen.

Daarnaast bestaan de mishandelingen als echtscheidingsgrond waarbij niet alleen de fysieke maar ook de psychische integriteit van de mede-echtgenoot wordt aangetast door o.a. bedreigingen, beschuldigingen, getier…
Meestal worden gewelddaden en mishandelingen als één echtscheidingsgrond ingeroepen.

De wettelijke grond die echter steeds meer als overkoepelende term gebruikt wordt om deze procedure in te leiden, is die van de grove beledigingen en dit wegens de ruime interpretatiemogelijkheden ervan.
Onder grove beledigingen worden immers alle gedragingen, handelingen en/of feiten aanvaard door één der echtgenoten gesteld (of nagelaten te stellen) waardoor hetzij het echtelijke leven onmogelijk of toch minstens grondig verstoord wordt , hetzij de andere echtgenoot ten zeerste in zijn/haar gevoelens, eer en waardigheid wordt gekrenkt. Deze grove beledigingen kunnen ofwel een zware tekortkoming aan de huwelijksplichten uitmaken ofwel een elementair gebrek van respect en aandacht inhouden. Verder in deze samenvatting komen we uitgebreid terug op wat hieronder kan begrepen worden.

2. De algemene voorwaarden

Het enkel "bestaan" van de ingeroepen feiten als echtscheidingsgrond is niet voldoende voor het inleiden van een echtscheidingsvordering. Tegelijkertijd moeten immers ook de vier volgende voorwaarden vervuld zijn :

1) Het zwaarwichtig karakter

Het is uiteraard logisch dat een echtscheiding niet zomaar bij de minste onenigheid zal uitgesproken worden en dat de schending van één of meerdere huwelijksplichten een zwaar en ernstig karakter moet vertonen. Elk feit op zich is misschien niet ernstig genoeg maar het geheel van de feiten kan zwaar genoeg wegen om een echtscheidingsvordering te kunnen inleiden. Bij de beoordeling van de ernst van één of meerdere feiten zal de rechter steeds rekening houden met omstandigheden waarin deze feiten plaatsgrepen.

2) Het vrijwillige en toerekenbare karakter

Tevens moet ook bewezen worden dat het stellen of het nalaten van bepaalde handelingen vrijwillig gebeurde en dat de echtgenoot wist of moest weten dat hij/zij de partner daardoor ernstig zou kwetsen en/of beledigen. Hiermee hangt uiteraard samen dat de echtgenoot zich bewust moet zijn van zijn foutieve en kwetsend gedrag. Deze zogenoemde toerekenbaarheid wordt slechts in drie situaties opgeheven namelijk bij fout tengevolge van overmacht of toeval (dus buiten de wil om van de "schuldige" echtgenoot) ; bij geestesstoornis en bij gedragingen te wijten aan een ziekte. De rechter oordeelt opnieuw in het licht van de concrete situatie en kan eventueel een deskundigenonderzoek bevelen om na te gaan in hoeverre bepaalde gedragingen al dan niet toe te schrijven zijn aan een bepaalde ziekte of geestestoestand.

3) Het beledigende karakter

Daarnaast moet ook bewezen worden door diegene die de gestelde of nagelaten handeling(en) inroept dat hij/zij zich als gevolg ervan beledigd voelt. Dit al dan niet beledigend karakter wordt beoordeeld op het ogenblik van de feiten en uiteraard opnieuw in het licht van de specifieke omstandigheden.
Er bestaat echter geen systeem van foutcompensatie in ons echtscheidingsrecht, waarmee bedoeld wordt dat de schending van de huwelijksplichten door de ene echtgenoot, de andere niet het recht geeft om op zijn/haar beurt hieraan te verzaken. De verplichting de huwelijksplichten en - rechten te eerbiedigen blijft hoe dan ook bestaan.
Het beledigend karakter van bepaalde feiten valt pas weg als er enerzijds door beide echtgenoten tekortkomingen zijn gepleegd en anderzijds er een oorzakelijk verband bestaat tussen de verschillende feiten.

4) Feiten die dateren van tijdens het huwelijk

Aangezien het hier tekortkomingen van de huwelijksplichten betreft vormen feiten van vóór het huwelijk geen grond tot echtscheiding. Hierop wordt door de rechtbanken volgende uitzondering gemaakt namelijk de verborgen feiten die - als ze vooraf gekend waren - het huwelijk hadden verhinderd. De feitelijke scheiding tussen de echtgenoten heeft geen opheffing van de huwelijkse verplichtingen tot gevolg.
Feiten die dateren van na het inleiden van de echtscheidingsvordering kunnen niet op zichzelf, maar wel in samenhang met andere bewezen feiten van vóór de inleiding, een grond tot echtscheiding uitmaken.
Door de exceptie (of uitzondering) van verzoening in te roepen kan de echtscheidingsvordering komen te vervallen. Hiervoor moeten twee elementen bewezen worden namelijk de hervatting van het samenleven en het intentionele element van de verzoening, m.a.w. de bereidheid om de gebeurde feiten te vergeven en de belofte om hierin niet meer te hervallen. Gebeurt dit laatste toch dan kan een nieuwe echtscheidingsvordering ingesteld worden waarbij feiten van vóór de verzoening mogen gebruikt worden.

3. Overzicht van de ingeroepen grove beledigingen

De grove beledigingen kunnen opgedeeld worden in twee hoofdcategorieën: enerzijds de tekortkomingen aan één of meerdere huwelijksplicht(en) en anderzijds de tekortkomingen aan de vereiste van elementair respect en aandacht voor de echtgenoot-partner.

A. De tekortkoming aan de in het B.W. aangeduide huwelijksplichten

Art. 213 B.W. luidt als volgt : "Echtgenoten zijn jegens elkaar tot samenwoning verplicht; zij zijn elkaar getrouwheid, hulp en bijstand verschuldigd."

1) De samenwoningsplicht

De weigering tot verder samenleven of de verlating van de echtelijke verblijfplaats is op zich geen grond tot echtscheiding. Daarvan moet immers het ongerechtvaardigde, voortdurende en beledigende karakter worden aangetoond. Bepaalde omstandigheden kunnen dus de onttrekking aan de samenwoningsplicht rechtvaardigen vb. een onveiligheidsgevoel in eigen huis tengevolge van gewelddadig gedrag. Ook het toestemmen, zonder akkoord van de andere echtgenoot, in de intrekking van een derde persoon of de eenzijdige beslissing tot wijziging van de echtelijke verblijfplaats, kan een weigering tot verder samenleven rechtvaardigen.
Voortvloeiend uit de samenwoningsplicht maakt het hebben van geslachtsverkeer met elkaar ook deel uit van de huwelijkse verplichtingen. Een weigering hiervan zonder ernstige redenen of akkoord van de andere echtgenoot kan een grond tot echtscheiding uitmaken. De voortplanting op zich wordt eveneens als een huwelijksplicht beschouwd behalve als er onderling daaromtrent andere voorhuwelijkse afspraken werden gesloten.
De problematiek rond weigering tot ouderschap is echter vrij complex aangezien er een afweging moet gebeuren tussen enerzijds de huwelijksplichten en anderzijds het zelfbeschikkingsrecht over het eigen lichaam en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

2) De getrouwheidsplicht

Naast overspel (sinds 1998 door het Hof van Cassatie ook aanvaard tussen personen van hetzelfde geslacht) kan ook elke andere vorm van seksuele ontrouw een schending vormen van de getrouwheidsplicht en als een grove belediging worden gebruikt in het kader van een echtscheidingsvordering. Ook hier geldt de afwezigheid van foutcompensatie waardoor overspel van de ene echtgenoot dus geen opheffing van de getrouwheidsplicht van de andere echtgenoot betekent.

3) De hulp- en bijdrageplicht en de bijstandsplicht

a. De (materiële) hulpplicht : omvat de verplichting van de financieel sterkere echtgenoot om zijn levensstandaard met de andere te delen.
b. De (materiële) bijdrageplicht : omvat de verplichting voor beide echtgenoten om ieder volgens zijn mogelijkheden bij te dragen in de huwelijkslasten.
c. De (immateriële) bijstandsplicht : omvat de verplichting elkaar de nodige aandacht, respect en genegenheid te tonen.
Een vrijspraak van een strafrechtelijke veroordeling wegens familieverlating (art. 391bis Sw.) belet niet dat bepaalde feiten als een tekortkoming aan de hulp- en bijdrageplicht kunnen worden beschouwd. Ook hier wordt telkens geoordeeld in het licht van de specifieke omstandigheden.

B. De schending van de elementaire plicht tot respect en eerbied

1) De abusieve of lichtzinnige uitoefening van procedurele rechten

Het onterecht instellen van een echtscheidingsvordering op zich kan eveneens als basis dienen voor het instellen van een tegeneis. Ook het om de haverklap instellen van gerechtelijke procedures of het neerleggen van strafklachten die telkens zonder gevolg geklasseerd worden, kan als grove belediging aanvaard worden.

2) De strafrechtelijke veroordeling

Een strafrechtelijke veroordeling vormt op zich geen grond tot echtscheiding maar moet hiervoor ook aan de hierboven opgesomde voorwaarden voldoen. De burgerlijke rechter beoordeelt, onafhankelijk van de strafrechtelijke uitspraak, het al dan niet beledigend karakter van de veroordeling. Hierdoor belet een strafrechtelijke vrijspraak niet automatisch dat de feiten een grove belediging kunnen vormen.

3) Het misbruik van en/of de verslaving aan verdovende middelen

De verslaving op zich vormt geen grond tot echtscheiding maar moet bovendien een vrijwillig, ernstig en beledigend karakter vertonen waardoor het normale echtelijke leven onmogelijk wordt gemaakt. Ook hier wordt bij de beoordeling gekeken naar de concrete omstandigheden. Een weigering of vroegtijdige beëindiging van een ontwenningskuur kan bijvoorbeeld een ernstige tekortkoming aan de huwelijksverplichting uitmaken.

4) Feiten gepleegd ten nadele van derden

Om als grove belediging beschouwd te kunnen worden moeten deze feiten door de echtgenoot zelf ten aanzien van derden zijn gepleegd en noodzakelijk terugwerken op de andere echtgenoot. Meestal betreft het hier feiten ten aanzien van de al dan niet gemeenschappelijke kinderen of ten aanzien van familieleden.

5) De algemene houding, een bepaald gedrag of karakter van de echtgenoot

Karaktertrekken op zich vormen géén grond tot echtscheiding maar moeten deel uitmaken van een groter feitencomplex en een gedrag ten toon spreiden dat onverenigbaar is met het normale echtelijke leven vb. een algemene houding van misprijzen en beledigingen t.o.v. de andere echtgenoot. Ook geldkwesties kunnen een grove belediging uitmaken wanneer ze de waardigheid van de andere echtgenoot aantasten vb. het lenen van grote sommen geld bij derden achter de rug van de echtgenoot om.

4. Besluit

Een rode draad doorheen deze rechtspraak in het kader van de echtscheiding op grond van bepaalde feiten is het feit dat het louter stellen of nalaten van bepaalde handelingen onvoldoende is als echtscheidingsgrond maar dat hiervoor de vier opgesomde voorwaarden cumulatief, dus elk afzonderlijk vervuld moeten zijn. Een steeds terugkerend element is eveneens dat de beoordeling van dit al dan niet vervuld zijn volledig berust bij de rechter en telkens afhankelijk is van de specifieke context en concrete omstandigheden waarin deze feiten zich hebben voorgedaan.


 
Omhoog
 

ZWARTE INKOMSTEN

Heel wat mensen hebben naast hun officiële inkomsten uit een beroepsactiviteit ook zogenaamde 'zwarte inkomsten'. Waar bij sommigen deze zwarte inkomsten eerder beperkt en occasioneel zijn, nemen die bij anderen soms zeer aanzienlijke proporties aan.

Als diegene die de zwarte inkomsten verwerft, gehuwd is en echtelijke moeilijkheden krijgt, kan het wel eens gebeuren dat in het kader van de procedure die dan wordt gevoerd, de zwarte inkomsten ter sprake komen. De andere echtgenoot roept dan het bestaan ervan in om een hoger bedrag aan alimentatie op te vorderen voor zichzelf en, desgevallend, voor de kinderen. Dan rijst de vraag of met die zwarte inkomsten inderdaad rekening kan worden gehouden en of ze enige invloed kunnen hebben op het bedrag aan alimentatie dat wordt toegekend.

De meeste rechters zullen wel degelijk rekening houden met bewezen zwarte inkomsten als het erop aankomt om het bedrag aan alimentatie te begroten. De zwarte inkomsten bepalen nu eenmaal de draagkracht van de andere echtgenoot die ze verwerft.

Maar of de zwarte inkomsten in hun volle omvang in aanmerking mogen worden genomen, is een andere zaak. Want als de fiscus later weet krijgt van de zwarte inkomsten, zal hij daarop een aanslag vestigen.

Bovendien zou het zonder meer in aanmerking nemen van de zwarte inkomsten in hun volle omvang er als het ware toe leiden, dat men diegene in wiens hoofde ze worden aangerekend, ook verplicht in het zwart te blijven werken.

De zwarte inkomsten zouden slechts in aanmerking mogen worden genomen ten bedrage van wat ze zouden opleveren, mochten ze officieel worden aangegeven. Met een aangepast computerprogramma is het overigens niet zo moeilijk om dat te berekenen.

Het risico is niet denkbeeldig dat de fiscus naar aanleiding van een gerechtelijke procedure lucht krijgt van zwarte inkomsten, en daarop ook vervolgens een aanslag vestigt.

Bedenkingen

Bovenstaande beschouwing hebben wij geput uit een juridische kroniek en wij hebben er toch wel enige bedenkingen bij. BGMK heeft er niets op tegen dat rechters oordelen op basis van de realiteit. Integendeel, realiteitszin is wat wij al jaren vragen. Maar mogen wij dan ook vragen dat diezelfde lijn wordt doorgetrokken als het gaat om het kunnen betalen van de alimentatie die wordt opgelegd?

Anderzijds, door het mee betrekken van de zwarte inkomsten bij het bepalen van de draagkracht van de betrokkene, verplicht men de illegale praktijk verder te zetten. Dat was ook de mening van de schrijver van de juridische kroniek. Toch wel raar voor een rechter die de verpersoonlijking van de rechtsstaat moet zijn.

Valt men ziek, dan is er geen sociaal vangnet om deze illegale inkomsten te compenseren. Hoe zit het dan met de draagkracht?

Er wat met degene die voor diezelfde rechter afzweert verder zwarte inkomsten te verwerven? Zal hij geloofwaardig overkomen?

En wat met de bewijsvoering opzichtens degene die geconfronteerd wordt met de bewering dat hij of zij zwarte inkomsten heeft? Is het niet zo dat men onschuldig is totdat de schuld is bewezen? De realiteit leert ons dat rechters eerder verdergaan op beweringen, zonder dat er iets concreet voorligt. Is het de rechter in burgerlijke zaken die nu ineens moet oordelen over bewijzen nopens een illegaliteit, daar waar de strafwetten hem niet vernoemen? Is dat misschien bevoegdheidsoverschrijding?
En wat met degene die naar de strafrechter trekt en zijn onschuld bewijst? Welke repercussie heeft dat op de voorlopige maatregelen? Zal het teveel begrote onderhoudsgeld moeten worden terugbetaald?

Al bij al begeeft men zich hier als vertegenwoordiger van het recht op zeer glad ijs. Beter ware het, zoals wij al jaren stellen, als inkomsten aan te nemen wat de belastingsdienst officieel heeft vastgelegd. Blijken deze gegevens nadien onjuist te zijn, dan kan men nog altijd een regularisatie overwegen.

Uit de Nieuwsbrief december 2002 van BGMK-Hasselt

 
Omhoog
 
 
Laatste update : 6 juni 2015 | Vragen welkom bij : Webmaster Top | Home