Informatie - Wetgeving
     
   
Adviezen | Advocaat | Bank | Belastingen | Bestaansmiddelen | Detective | Deurwaarder | Echtelijke woning
Echtscheiding door onderlinge toestemming | Erfenis | Gezinnen | Gezinswoning | Gevoelens | Gevolgen echtscheiding
Geweld | Hulpverlening | Huwelijksplichten | Huwelijksstelsel | Jongeren na echtscheiding | Jurisprudentie Justitiehuizen | Kerk | Leven na scheidingNieuwe gezinsvormen | Nieuwe relatie | Nieuw-samengestelde gezinnen
Notaris | Omgangsrecht | Onderhoudsgelden | Onderwijsaangelegenheden | Ouderlijk gezag | Ouder-naam
Ouderschapsbemiddeling | Overlijden | Overspel | Procedure | Relaties | Samenwoning | Scheidingsbemiddeling Vaderschap bij scheiding | Vereffening en verdeling | Wetgeving | Woonstvergoeding
   
    Artikels :
 

- Wetten die van betekenis kunnen zijn - mei 2014 (naamgeving - alimentatievordering)
-
De woorden 'bij voorrang' in artikel 374, §1, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek. Een bron van verwarring of een handig instrument?
Rond gelijk verdeeld verblijf van kinderen bij scheiding

- Wetsvoorstel tot wijziging van het hoorrecht voor kinderen - Senaat 17 maart 2008
- Automatisch erfrecht voor wettelijk samenwonenden
- Wet van 12 mei 2007 over
Buitenhuwelijkse kinderen – Erfrechtelijke bescherming
- 1 JULI 2006. — Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan
- De Belgische wetgeving over de naamsverandering - Wet van 15 mei 1987
- Geen onverantwoorde discriminatie in de pensioenen van uit de echt gescheiden mensen tussen ambtenaren en werknemers – beslissing Arbitragehof 2006-04 d.d. 11-1-2006
- Scheidingscultuur
- Recht van de niet-inwonende ouder om documenten op te vragen voor zijn kind(eren)
- Afstammingsregels aangepast
- Relevante wetgeving
- Trouwen en samenwonen wordt eenvoudiger en kosteloos
- Wet tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen
- Genadeloze aanval op het alimentatiefonds : alimentatieverplichting tegenover weigering omgangsrecht
- Ombudsjan op VRT 1 lijkt zich te keren tegen gescheiden mannen - uitzending 6 mei 2004
- De nieuwe voogdijwet
    - Wet tot invoering van de wettelijke samenwoning - Staatsblad 12-1-1999
   
     
   

"Never doubt that a small group of thoughtful committed citizens can change
the world; indeed it's the only thing that ever does."
Margaret Mead, anthropologist.

"Twijfel er nooit aan dat een kleine groep van bedachtzame geëngageerde burgers de wereld kunnen veranderen; dat is inderdaad het enige dat dit ooit tot stand brengt"
Margaret Mead, anthropologe.


     
   
Omhoog
   
 

Wetten die van betekenis kunnen zijn (mei 2014)

Wet wijziging naamsoverdracht kind
8 MEI 2014. - Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, BS 26/05/2014, bl. 41053

Wet wijziging naamsoverdracht kind - in werking op 1 juni 2014
28 MEI 2014. - Koninklijk besluit tot bepaling van de datum van inwerkingtreding van de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, BS 30/05/2014, bl. 42167

Omzendbrief wijziging naamsoverdracht kind
30 MEI 2014. - Omzendbrief betreffende de wet van 8 mei 2014 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek met het oog op de invoering van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen bij de wijze van naamsoverdracht aan het kind en aan de geadopteerde, BS 30/05/2014, bl. 42170

_______________

Wijziging invordering onderhoudsschulden – Dienst voor alimentatievorderingen
12 MEI 2014. - Wet houdende wijziging van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën en tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, met het oog op een effectieve invordering van onderhoudsschulden, BS 30/05/2014, bl. 41946




 
    Omhoog
   
 

De woorden 'bij voorrang' in artikel 374, §1, 2de lid van het Burgerlijk Wetboek. Een bron van verwarring of een handig instrument? - Rond gelijk verdeeld verblijf van kinderen bij scheiding

Otis Claes

Onder wetenschappelijke begeleiding van Michèle Dekervel

Jura Falconis Jg. 48, 2011-2012, nummer 4

1. INLEIDING (samenvatting van wat behandeld wordt)

Maatschappelijke en culturele ontwikkelingen geven aanleiding tot een toename van het aantal scheidingen, en bijgevolg tot een toename van kinderen die functioneren in gezinsvormen die sterk verschillen met het klassieke gezin (gehuwde vader en moeder).1 In onze hedendaagse samenleving heeft ongeveer 1 op 4 minderjarigen in Vlaanderen te kampen met de echtscheiding van zijn of haar ouders.2 Het valt niet te ontkennen dat een scheiding een blijvende impact heeft op het leven en de ontwikkeling van een minderjarige. Het is daarom aan de wetgever om de rechten en belangen van de kinderen in een dergelijke situatie te versterken.
In dit werk bestuderen we artikel 374, §2, 2e lid van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), zoals ingevoerd door de wet van 18 juli 2006 betreffende het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeeld verblijf.3 Het artikel omvat een referentiemodel, waarbij bepaald wordt dat de rechter bij voorrang het gelijkmatig verdeeld verblijf moet onderzoeken. Naar aanleiding van een wetsvoorstel van 7 juli 2011 zijn er in de praktijk een aantal vragen gerezen over de doeltreffendheid van een dergelijk referentiemodel.
De twee woorden ‘bij voorrang’; een bron van verwarring of een handig instrument? In het licht van de onderzoeksvraag wordt onderzocht of het referentiemodel voorgeschreven in artikel 374, §2, 2e lid, achterhaald is in de praktijk. Daartoe wordt bestudeerd welke gevolgen het referentiemodel met zich mee brengt. Bovendien wordt ook nagegaan in welke mate het verblijfsco-ouderschap bevorderend is voor het welzijn van het kind. Wordt er voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind? Ook het Kinderrechtencommissariaat pleit voor het in rekening brengen van de rechten en belangen van de kinderen bij het aanbrengen van wijzigingen aan het regelgevend kader inzake scheiding, en bij alle bijkomstigheden zoals de verblijfsregeling.
Het is belangrijk een verblijfsregeling uit te werken, waarin kinderen het gevoel hebben dat met hen rekening wordt gehouden. Een regeling waarmee iedereen het eens is en die voldoende flexibel is, dat is een streefdoel.
In een eerste deel van dit werk wordt aandacht besteed aan de inhoud van de wet van 2006. Daartoe wordt ingegaan op de onderscheiden situatie wanneer de ouders al dan niet een akkoord kunnen treffen over de verblijfsregeling. Vervolgens worden de randvoorwaarden en de criteria voor het toepassen van de wet besproken. Verder wordt dieper ingegaan op de tegenindicaties die de rechter toelaten om het gelijkmatig verdeeld verblijf niet op te leggen.
In een tweede deel wordt nagegaan of de wet nog een meerwaarde biedt. In het verlengde daarvan wordt de impact van het wetvoorstel van 7 juli 2011 onderzocht. Nagegaan wordt of het referentiemodel, voorgeschreven in artikel 374, §2, 2e lid BW, nog enige functie heeft in de praktijk. Daarbij wordt bestudeerd of het referentiemodel achterhaald is in de praktijk. De toepassing en de gevolgen van de wet krijgen hierbij een bijzondere aandacht. Vervolgens wordt het verblijfsco-ouderschap onderzocht in het licht van de belangen van het kind. Daarbij wordt nagegaan hoe we de belangen van het kind optimaal kunnen waarborgen. Er wordt hierbij gesteund op de belangrijkste rechtspraak en rechtsleer, evenals op de opvattingen van magistraten en advocaten.

Lees het hele document in pdf-formaat

4. BESLUIT – DE WOORDEN ‘BIJ VOORRANG’ IN ARTIKEL 374, §2, 2DE LID VAN HET BURGERLIJK WETBOEK. EEN BRON VAN VERWARRING OF EEN HANDIG INSTRUMENT?
 

Het verblijfsco-ouderschap dat als een model naar voren wordt geschoven in het artikel 374, §2, 2e lid BW is achterhaald in de praktijk. Het verblijfsco-ouderschap is in se een goed systeem omdat op die manier de rechten van beide ouders gerespecteerd worden. De vader krijgt meer de kans om zich als vaderfiguur te bewijzen. Bovendien is het ook in het belang van het kind dat het contact met beide ouders wordt onderhouden. Het is dan ook aangewezen om steeds de mogelijkheid tot een gelijkmatig verdeeld verblijf te onderzoeken.
De voorkeursregeling gaat daarentegen in de praktijk niet meer op. Het wetsvoorstel van 7 juli 2011 komt daaraan tegemoet door de woorden ‘bij voorrang’ te schrappen. Het is aangewezen om niet alleen het verblijfsco-ouderschap te onderzoeken, maar daarnaast ook de diversiteit aan mogelijkheden bij verblijfsregelingen. Elk gezin is anders en een oplossing op maat is te verkiezen boven een modelregeling. Die oplossing op maat zal dan een geschikte regeling inhouden. Mijn inziens doet het soort regeling er voor de kinderen niet toe. Wat volgens mij wel het belang van de kinderen dient, is een flexibele regeling, waarbij de kinderen niet klem komen te zitten in een aanslepend conflict tussen de ouders. Een regeling die de kinderen gelukkig maakt, is er één die ruimte biedt om rekening te houden met wat voor het kind echt belangrijk is. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk dat het mogelijk is voor het kind om aan de vader te vragen zijn moeder op te bellen om het wisselmoment te vervroegen zodat hij naar zijn favoriete tv- programma kan kijken.
Zoals reeds eerder aangehaald vormt de mogelijkheid tot een flexibele regeling, waarmee iedereen het eens is, een streefdoel. Mijn inziens is dat streefdoel realiseerbaar door naast het schrappen van de woorden ‘bij voorrang’, waardoor de rechter een variëteit van verblijfsregelingen in acht kan nemen, ook de bemiddeling meer toegankelijk te maken. Bemiddeling staat garant voor een klimaat waarin dialoog mogelijk is. Dit is volgens mij essentieel om te komen tot een regeling waarmee iedereen het eens is, zowel de ouders als de kinderen.De woorden ‘bij voorrang’ vormen noch een bron van verwarring, noch een handig instrument. De schrapping lijkt mij dan ook evident.

Commentaar

In de laatste zin staat de conclusie: schrappen uit de wet van "bij voorrang".

Tegen die conclusie is wel heel wat in te brengen: is die voorrangstoekenning in de wet in verband met gedeeld verblijf niet in het voordeel van heel wat vragen die bij niet overeenstemming van de partijen en bij vraag van de vader in de meeste gevallen geen garantie dat de rechter ernstig reflecteert over zijn beslissing in functie van de gelijke of gelijkwaardige verdeling van het verblijf van de kinderen? Die prioriteit is belangrijk. Bij behoud van de woorden kan de rechter de andere mogelijkheden van een ongelijk verblijf evenzeer onderzoeken en op grond van de concrete situatie zijn beslissingen nemen en funderen.

Ook is niet alles correct in de tekst. Daartoe een uittrekseltje:

“Een zeer omstreden voorwaarde in de rechtsleer is de leeftijd van het kind.44 Volgens BOWBLY en zijn hechtingstheorie is een verblijfsco-ouderschap niet aan te raden voor kinderen tussen 0 en 3 jaar. De hechtingstheorie bepaalt dat het in het belang is van het kind om een vroege veilige hechtingsrelatie te ontwikkelen. Het kind kan vele hechtingsrelaties hebben zoals bijvoorbeeld met vader en familie. De primaire hechtingsfiguur is de moeder, die door het kind gebruikt wordt om de wereld te ontdekken. Als het misgaat kan het steeds terugkeren naar deze figuur. Door deze band tussen moeder en kind is de aanwezigheid van de moeder in de beginjaren een vereiste voor de latere ontwikkeling van het kind op emotioneel, sociaal en psychisch vlak.”

Dat een verblijfsco-ouderschap niet aan te raden is voor kinderen tussen 0 en 3 jaar is een complete misvatting. Beide hechtingsfiguren zowel de moeder als de vader zijn in die leeftijd van bijzonder groot belang voor de latere ontwikkeling van het kind. Er is geen primaire hechtingsfiguur. Elk van beide ouders heeft zijn specifieke rol in die leeftijd. De moeder geeft het kind affectie en geborgenheid. In tegenstelling tot wat in het tekstje staat behoort het tot de rol van vader na enkele maanden het kind te helpen de wereld rondom zich te verkennen en te ontdekken.

Overigens bevat de tekst heel wat belangrijke informatie voor ouders die voor de beslissing staan al dan niet de verblijfsregeling door de rechter te laten vastleggen.



 
   
Omhoog
   
 

Wetsvoorstel tot wijziging van verschillende bepalingen over het recht van minderjarigen om door de rechter te worden gehoord

(Ingediend door Sabine de Bethune en Martine Taelman)
Wetgevingsstuk nr. 5-115/1


TOELICHTING

1. Het recht van minderjarigen om gehoord te worden : de huidige regelgeving

Het hoorrecht van kinderen werd in 1994 ingeschreven in artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek, om vertaling te geven aan artikel 12 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Dat artikel stelt dat iedere minderjarige zijn mening mag uiten in iedere juridische of administratieve procedure die hem aanbelangt.

Krachtens artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek kan de minderjarige die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, in elk geding dat hem betreft, op zijn verzoek of op beslissing van de rechter, worden gehoord door de rechter of door de persoon die deze aanwijst, zonder dat de partijen bij dat onderhoud aanwezig zijn.

Deze regeling, die ook wel het « gemeenrechtelijk » hoorrecht genoemd wordt, betreft derhalve een facultatieve mogelijkheid voor het horen van de minderjarige : het initiatief hiervoor kan zowel van de minderjarige zelf uitgaan als van de rechter. Indien de rechter beslist om de minderjarige te horen, kan deze evenwel weigeren. Indien het initiatief uitgaat van de minderjarige, kan de rechter slechts weigeren het kind te horen bij een speciaal gemotiveerde beslissing, uitsluitend gegrond op het feit dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek hanteert bijgevolg het beschikken over het vereiste onderscheidingsvermogen als criterium. Tegen de beslissing van de rechter om de minderjarige al dan niet te horen is geen hoger beroep mogelijk.

Daarnaast werd in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming een nieuw artikel 56bis opgenomen, dat de jeugdrechter verplicht om elke minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt op te roepen in burgerlijke geschillen die verband houden met het ouderlijk gezag, het beheer van de goederen van de minderjarige, de uitoefening van het bezoekrecht of de aanwijzing van een toeziend voogd.

In tegenstelling tot artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek betreft het hier een oproepingsplicht, waarop geen uitzondering mogelijk is, en wordt de minimumleeftijd van twaalf jaar als criterium gehanteerd. De jeugdrechter heeft wel steeds de mogelijkheid om een minderjarige onder de leeftijd van twaalf jaar te horen indien hij dit aangewezen acht (artikel 51, eerste lid, van de jeugdbeschermingswet).

2. De onvolkomenheden van de huidige regelgeving

Dat het hoorrecht is ingevoerd in het Belgische interne recht is uiteraard een goede zaak. Het betekent een belangrijke stap voorwaarts in de juridische erkenning van het kind als rechtssubject, vooral omdat er in artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek een algemene draagwijdte aan werd gegeven die verder reikt dan de echtscheidingsprocedures (Deli, D., « Het horen van minderjarigen volgens het gewijzigde artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek », Rechtskundig Weekblad, 1995, nr. 36, blz. 275).

In de bestaande regelgeving zijn er nochtans heel wat onvolkomenheden.

Enerzijds is er de vaststelling dat zowel artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek als artikel 56bis van de jeugdbeschermingswet elk op hun eigen wijze en met hun eigen voorwaarden het horen van de minderjarige regelen. Artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek voert een facultatieve hoormogelijkheid in voor minderjarigen die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikken, en dit in elk geding dat hen betreft. Artikel 56bis van de jeugdbeschermingswet daarentegen voorziet in een oproepingsplicht van alle minderjaringen vanaf twaalf jaar in een aantal limitatief opgesomde materies.

Logica, coherentie en rechtszekerheid zijn hierdoor ver zoek. Het hoorrecht wordt immers verschillend gewaarborgd naargelang de bevoegde rechtbank, ook al gaat het soms om dezelfde materies.

Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren.

Volgens het gemeenrechtelijk hoorrecht moet een twaalfjarige die wil worden gehoord in een procedure voor de vrederechter over wie van de ouders het ouderlijk gezag zal uitoefenen, de vrederechter hierom (schriftelijk) verzoeken. De vrederechter kan dit verzoek afwijzen, indien hij meent dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt.

Indien dit identieke geschil door de jeugdrechter moet worden beslecht, wordt de minderjarige, overeenkomstig artikel 56bis van de jeugdbeschermingswet, wél verplicht opgeroepen om met de jeugdrechter te praten.

Tijdens de echtscheidingsprocedure wordt de omgang en het verblijf geregeld voor de rechtbank in kort geding, waar geen oproepingsplicht bestaat (gemeenrechtelijke regeling) en de minderjarige zelf de vraag moet stellen om gehoord te worden. Eens de scheiding een feit is, wordt de jeugdrechter bevoegd voor discussies inzake omgang en verblijf. Daar wordt de minderjarige (vanaf twaalf jaar) dan weer wél verplicht opgeroepen.

Anderzijds kunnen er ook bezwaren gemaakt worden bij het grotendeels facultatieve karakter van het horen van minderjarigen binnen de regeling van artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek. Minderjarigen krijgen hierdoor onvoldoende garanties om het hoorrecht uit te oefenen. Knelpunt is het feit dat artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek niet voorziet in een systematische oproepingsplicht, maar enkel stipuleert dat minderjarigen kunnen worden gehoord, hetzij op eigen initiatief, hetzij op initiatief van de rechter.

Wat de minderjarige zelf betreft, bestaat het risico dat hij niet eens op de hoogte is van het feit dat er een geschil hangende is waarin hij zou kunnen worden gehoord of, als hij daarvan al op de hoogte is, niet weet bij welke rechter hij terecht kan of wat de stand van het geding is. Vaak weten kinderen trouwens niet eens dat ze een mogelijkheid tot tussenkomst hebben.

Daarnaast bestaat het gevaar dat de minderjarige geen initiatief durft te nemen om gehoord te worden, hetzij omdat hij onder zware druk wordt gezet door zijn omgeving, hetzij omdat hij zelf geen loyauteitsconflicten wenst te creëren (Deli, D., l.c., nr. 38).

Wat de rechter betreft, is het risico reëel dat hij enkel de beslissing tot het ambtshalve horen zal nemen indien hij op basis van de door partijen verstrekte gegevens niet tot een besluit kan komen. Het hoorrecht wordt aldus meer een middel om een geschil te beslechten dan een recht van het kind zelf (Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red) Mogen wij nu iets zeggen ? Over kinderen, echtscheiding en hun recht om gehoord te worden, Brugge, Die Keure, 1996, 17).

Bovendien kunnen we ons vragen stellen bij de grote discretionaire bevoegdheid van de rechter wanneer de minderjarige zelf verzoekt om te worden gehoord. Het komt de rechter immers toe om te oordelen of de minderjarige over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. De vraag rijst op welke basis de rechter daarover oordeelt. Het risico is denkbeeldig dat een druk bezet magistraat sneller oordeelt dat een minderjarige niet over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt. Hoe kan de rechter trouwens het onderscheidingsvermogen van een minderjarige beoordelen zonder hem op voorhand te hebben gezien ? De rechter is weliswaar verplicht zijn weigering een kind te horen afdoende te motiveren, maar deze motivering kan niet getoetst worden gezien hoger beroep niet mogelijk is. Dit leidt niet alleen tot een uitholling van de motiveringsplicht, maar in sommige gevallen zou dit wel eens kunnen leiden tot een uitholling van het hoorrecht zelfs (Deli, D., l.c., nr. 21). Een minderjarige die wenst gehoord te worden is bijgevolg afhankelijk van het subjectieve oordeel van de rechter.

3. Ons voorstel : oproepingsplicht van minderjarigen vanaf zeven jaar

a) Oproepingsplicht gekoppeld aan verschijningsplicht

Met dit wetsvoorstel pleiten wij ervoor om het recht van minderjarigen om gehoord te worden effectief te waarborgen door het te koppelen aan een oproepingsplicht en een verschijningsplicht.

De oproepingsplicht is de verplichting van de rechter om de minderjarige bij elke procedure waarin hij betrokken is op te roepen. De verschijningsplicht is de verplichting van de minderjarige om voor de rechter te verschijnen wanneer hij wordt opgeroepen voor een gesprek.

De oproepingsplicht heeft tot gevolg dat iedere minderjarige automatisch wordt ingelicht over de ingeleide procedure en zo de kans krijgt om te beslissen over de uitoefening van het spreekrecht. Het kind beschikt immers over een spreekrecht, geen spreekplicht : het is bij verschijning niet verplicht te spreken (Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red), o.c., 18-19).
In ons voorstel hebben wij het bewust over het « spreekrecht » van minderjarigen, eerder dan de gebruikelijk gehanteerde term « hoorrecht ». Vanuit de positie van het kind gaat het immers om het recht om te spreken en niet om het recht om te horen (Deli, D., l.c., noot onder 1 en Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red), o.c., 18).

Wij onderschrijven de mening van de « Werkgroep artikel 12 » dat het spreekrecht van kinderen zodanig moet worden georganiseerd dat het kind er optimaal gebruik van kan maken. Dit betekent dat alle mogelijke hinderpalen moeten worden weggewerkt, zonder daarbij evenwel het evenwicht tussen de participatie van het kind en de bescherming van het kind uit het oog te verliezen (Maes, C.; Stappers, L.; Bouteligier, L.; Degrande, D. en Van Gils, J. (red), o.c., 14). « Werkgroep artikel 12 » bestaat uit praktijkmensen uit de juridische wereld (magistraten, advocaten, juristen, ...) en de psychologische wereld (psychologen en pedagogen) die, sedert 1992, vrijwillig en actief nadenken over hoe het recht van minderjarigen om gehoord te worden in gerechtelijke procedures moet worden geconcretiseerd.
Tegenstanders van het verplicht horen van kinderen voeren onder meer aan dat door het horen van kinderen in echtscheidingsprocedures deze in het midden van een conflict terechtkomen. Zij vrezen ook dat het aantal conflictueuze situaties tussen ouders en kinderen zal toenemen.

Volgens de « Werkgroep artikel 12 » is het « inderdaad evident dat vanuit het standpunt van de kinderen het beter is dat er geen conflicten, geen echtscheidingen en geen procedures zijn. Maar intussen zijn die er wél en hebben kinderen ermee te maken of ze dat nu willen of niet. Het is dan belangrijker met de kinderen rekening te houden en hen ernstig te nemen en hen zodoende minstens de mogelijkheid te geven hun stem te laten horen dan alles over hun hoofd heen te laten gebeuren. Door het inleiden van een procedure alleen al zijn de kinderen betrokken in het conflict. Ze overal buitenlaten is niet alleen een miskenning van hun recht op een eigen benadering en mening, maar kan daarenboven de onzekerheid voeden. Niettemin zal de wijze waarop men met dit spreekrecht omspringt doorslaggevend zijn voor het belang van het kind : de loyauteit van kinderen ten aanzien van beide ouders moet absoluut gerespecteerd worden en het manoeuvreren van kinderen in een machtspositie dient vermeden te worden » (Maes, C.; Stappers, L.; Bouteligier, L.; Degrande, D. en Van Gils, J. (red), o.c., 16).

Ook het Kinderrechtencommissariaat beklemtoont dat het betrekken en horen van kinderen niet enkel een fundamentele erkenning inhoudt van het kind als persoon maar daar bovenop ook nog preventief kan inwerken op mogelijke problemen op een later tijdstip [Jaarverslag Kinderrechtencommissariaat 1998-1999, Vlaams Parlement, Stuk nr. 42 (1999-2000) nr. 1, p. 135]. Hoewel kinderen bij een echtscheiding geen juridische partij zijn en ook geen verantwoordelijke partij, zijn zij wel degelijk betrokken partij. Hun betrokkenheid blijkt onder meer uit cijfers van verzoeken en/of vragen die daarover binnenkomen bij bijvoorbeeld de Kinderrechtswinkel, de Kinder- en Jongerentelefoon en bij het Kinderrechtencommissariaat (ibidem).

Andere tegenstanders beweren dat de oproepingsplicht van kinderen een gevaar inhoudt van beïnvloeding van het kind door de ouders of van een te zware psychologische belasting van het kind.

De kans dat het kind gemanipuleerd wordt bestaat steeds. Maar wij zijn van mening dat deze kans juist groter is indien het horen facultatief is, omdat het risico inherent is dat het kind, onder druk van (één van) zijn ouders, niet durft te vragen om gehoord te worden (zie ook boven).

Ook hier delen wij de mening van Werkgroep artikel 12 dat de oproepingsplicht de positie van het kind ten aanzien van zijn ouders precies duidelijker maakt. Het belang van beïnvloeding wordt immers een stuk afgezwakt, omdat het kind verplicht wordt opgeroepen voor de rechter en de ouders op dit vlak geen impact meer hebben. De ouders zullen het verschijnen van het kind als een verplichte formaliteit binnen een procedure moeten beschouwen (Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red.), o.c., 18).

b) Voor alle kinderen vanaf zeven jaar

In ons voorstel geldt de oproepingsplicht voor alle burgerlijke procedures die betrekking hebben op minderjarigen die de leeftijd van zeven jaar hebben bereikt.

Het huidige artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek bevat geen leeftijdscriterium, maar kent een spreekrecht toe aan die minderjarige die over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt. Artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag daarentegen heeft het over « het kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen ». Dit criterium is minder streng dan het « beschikken over voldoende onderscheidingsvermogen ». Wij zijn van oordeel dat ook jongere kinderen in staat zijn om een mening te hebben, om een klare en eerlijke kijk op hun dagelijkse leefsituatie te hebben en aan een rechter te vertellen wat ze voelen en wat ze denken in aangelegenheden die hen persoonlijk aanbelangen. Uit de bestaande praktijk blijkt dit al het geval te zijn bij vrij jonge kinderen (van zes tot acht jaar). Het lijkt ons dan ook realistisch om het invoeren van de oproepingsplicht te laten ingaan vanaf zeven jaar, zijnde de leeftijd waarop een kind verbaal zijn mening behoorlijk kan weergeven (zie ook Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red.), o.c., 21), hoewel we ons er van bewust zijn dat het vastleggen van een bepaalde leeftijd steeds enigszins arbitrair en subjectief is.

De oproepingsplicht voor minderjarigen vanaf zeven jaar betekent niet dat jongere kinderen in geen enkel geval hun mening kunnen uiten. De mogelijkheid om ook jongere kinderen op te roepen moet daarom blijven bestaan, voor het geval zij hierom zelf verzoeken (alhoewel dit misschien niet zoveel zal voorkomen), maar vooral om ook jongere kinderen uit eenzelfde gezin mee te kunnen oproepen. Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om alle kinderen uit een zelfde gezin te horen om te vermijden dat enkel de oudsten het gewicht dragen van het gesprek (Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red.), o.c., 21). Op deze wijze krijgt de rechter een completer zicht op de verhoudingen en de wisselwerkingen binnen het gezin.

Voor de minderjarigen jonger dan zeven jaar blijft de huidige regeling de facultatieve hoormogelijkheid van artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek dan ook behouden, mits enkele wijzigingen.

Dit betekent dat minderjarigen jonger dan zeven jaar door de rechter kunnen worden gehoord in burgerrechtelijke geschillen die hen betreffen, hetzij op initiatief van de rechter zelf (waarbij ook zij beschikken over het zwijgrecht), hetzij op eigen verzoek.

In het laatste geval kan een rechter slechts weigeren het kind te horen bij een speciaal gemotiveerde beslissing, uitsluitend gegrond op het feit dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt of om reden dat het een zaak betreft van kennelijk ondergeschikt belang. Een andere grond komt niet in aanmerking.

Een belangrijke nieuwigheid in ons voorstel is dat een rechter slechts kan beslissen dat een minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt als hijzelf (of de persoon die hij heeft aangewezen) dit persoonlijk heeft vastgesteld. Dergelijke beslissing vereist dus dat de rechter (of de persoon die hij heeft aangewezen) de minderjarige voorafgaandelijk heeft ontmoet, en kan niet meer genomen worden zonder de minderjarige te zien, louter op basis van de brief van de minderjarige.

c) Uitzondering

In ons voorstel bieden wij de rechter de mogelijkheid om bij gemotiveerde beslissing af te wijken van de oproepingsplicht, wanneer het een zaak betreft van kennelijk ondergeschikt belang.

Aldus wordt vermeden dat de rechter de minderjarige ook moet oproepen in geval van vrij minieme geschilpunten tussen de ouders of ingeval het slechts bijkomstige aspecten van de problematiek van gezag of omgang betreft. De afwijkingsgrond moet uitdrukkelijk aangetoond worden in de beslissing van de rechter. Ook in het Nederlandse recht is de verplichting tot horen de regel, maar kan een uitzondering gemaakt worden inden « naar het oordeel van de rechter het een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft » (Senaeve, P., « De invoering van het hoorrecht van minderjarigen », in De hervorming van het jeugdbeschermingsrecht, Senaeve, P. en Peeters, J. (eds), Leuven, Acco, 1994, 133, nr. 240).

De minderjarige dient hiervan op de hoogte gesteld te worden en beschikt over de mogelijkheid om bewaar aan te tekenen tegen deze beslissing, mondeling of schriftelijk, wat inhoudt dat de rechter verplicht wordt om de argumenten van het kind te horen.

d) Gerichte opleiding van magistraten

Voor een efficiënte hoorrechtpraktijk is het noodzakelijk dat rechters een gerichte opleiding krijgen in het horen van kinderen. Uit praktijkonderzoeken is gebleken dat rechters vaak terughoudend zijn om (jonge) kinderen te horen. Deze terughoudendheid vloeit voort uit een gebrek aan ervaring met het horen en uit het feit dat rechters niet opgeleid werden om dergelijke gesprekken met kinderen te voeren, noch om de woorden van (vooral jonge) kinderen te duiden.

Wij menen dat het gebrek aan deskundigheid geen argument kan zijn om aan de uitoefening van het spreekrecht van kinderen beperkingen op te leggen.

Daarom pleiten wij voor een goede opleiding van rechters die hen in staat moet stellen om zelf deskundigheid te verwerven. « Werkgroep artikel 12 » heeft, in samenwerking met de centra voor geestelijke gezondheidszorg, een gespecialiseerde cursus voor rechters uitgewerkt, met als titel « Hoe hoor ik kinderen ? ». Die cursus had als doel de rechters meer inzicht te geven in de psychologie en de ontwikkeling van het kind en hen te leren op welke wijze een gesprek met kinderen het best wordt gevoerd. In de periode oktober 1994-oktober 1995 werd de cursus, bestaande uit zes sessies, in diverse arrondissementen door een negentigtal magistraten gevolgd.

Wij zijn van oordeel dat rechters die in de praktijk met kinderen worden geconfronteerd zouden moeten worden verplicht om een dergelijke opleiding te volgen.

e) Concrete uitwerking van het horen van minderjarigen

Het zesde lid van het huidige artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de minderjarige alleen wordt gehoord, behalve wanneer de rechter in het belang van de minderjarige beslist dat hij moet worden bijgestaan.

Die bijstand aan de minderjarige kan worden verleend door een vertrouwenspersoon van de minderjarige, een arts, een maatschappelijk assistent, een psycholoog, ..., of eventueel door een advocaat.

Zowel vanuit juridisch als vanuit psychologisch standpunt is deze mogelijkheid uiterst waardevol. Door de aanwezigheid van een vertrouwenspersoon zal een kind vaak meer op zijn gemak zijn en gemakkelijker en meer vrijuit spreker (Deli, D., l.c., nr. 26).
Minder gelukkig is echter dat de rechter souverein beslist of de minderjarige al dan niet wordt bijgestaan. Gezien het gaat over het spreekrecht van de minderjarige, is het de minderjarige zelf die hierover moet kunnen beslissen (Deli, D., l.c., ibidem). Vandaar ons voorstel dat de minderjarige zich kan laten vergezellen door een vertrouwenspersoon. We hebben geopteerd voor de term « vergezellen » omdat het verlenen van bijstand een specifieke betekenis heeft in de handelingsonbekwaamheidsregeling van de ontvoogde minderjarige (Deli, D., l.c., ibidem).

Ten slotte willen we er nog op wijzen dat de rechter bij het begin van het onderhoud duidelijk moet maken aan de minderjarige wat de bedoeling is van dit onderhoud. Het gaat er om dat de rechter inzicht krijgt in zowel de dagdagelijkse leefwereld van de minderjarige, als in de persoonlijke belevingen van de minderjarige in de problematische situatie. Er wordt van de minderjarige dus niet verwacht dat hij een keuze maakt tussen één van beide ouders. Aan de minderjarige moet van meet af aan duidelijk gemaakt worden dat er geen stellingname wordt verwacht. Het kind verplichten voor één van zijn ouders te kiezen is niet alleen traumatiserend, maar kwetst eveneens het kind in zijn fundamentele loyauteit tegenover zijn beide ouders. Het hoeft geen betoog dat dit indruist tegen het belang van het kind.

De rechter moet aan de minderjarige verduidelijken dat hij naar hem zal luisteren en dat zijn mening belangrijk is, maar dat hijzelf, de rechter, uiteindelijk de beslissing zal nemen. De mening van de minderjarige is bijgevolg belangrijk, maar niet doorslaggevend. Vandaar de bepaling in ons wetsvoorstel dat de rechter « passend belang » zal hechten aan de mening van de minderjarige, afhankelijk van diens leeftijd en rijpheid.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 2

Het nieuwe derde lid voert de verplichting in voor de rechter om de minderjarige die de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt te horen in elk geschil dat op de minderjarige betrekking heeft.

Het vierde lid heeft betrekking op het horen van minderjarigen die nog geen zeven jaar oud zijn.

In de volgende leden wordt de regeling van het horen van minderjarigen verder uitgewerkt.

Artikel 3

Dit artikel verplicht rechters die te maken krijgen met minderjarigen een gerichte vorming te volgen over het horen van minderjarigen.

Artikelen 4 en 5

Deze bepalingen heffen de artikelen 51 en 56bis van de jeugdbeschermingswet op. Het horen van minderjarigen door de jeugdrechter wordt voortaan ook geregeld bij artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door dit voorstel.

WETSVOORSTEL

Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek worden het derde tot het zevende lid, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994, vervangen door de volgende leden :

« Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming, wordt de minderjarige die de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt, door de rechter of door de persoon die deze aanwijst, gehoord in elk geschil dat hem betreft, tenzij de rechter bij een speciaal gemotiveerde beslissing oordeelt dat het een zaak betreft van kennelijk ondergeschikt belang. Tegen deze weigering van de rechter kan de minderjarige bezwaar aantekenen.

Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming, kan de minderjarige die de leeftijd van zeven jaar niet heeft bereikt, in elk geding dat hem betreft, op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, worden gehoord door de rechter of door de persoon die deze aanwijst. De rechter kan het verzoek van de minderjarige om te worden gehoord enkel weigeren bij een speciaal gemotiveerde beslissing nadat hijzelf of de persoon die hij daartoe heeft aangewezen, heeft vastgesteld dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Hij kan eveneens weigeren om de minderjarige te horen om de reden bepaald in het tweede lid. Tegen deze weigering van de rechter kan de minderjarige bezwaar aantekenen.

De minderjarige is verplicht aan de oproeping van de rechter gevolg te geven. Hij kan evenwel weigeren om de vragen te beantwoorden. Deze weigering moet worden meegedeeld bij de aanvang van het onderhoud met de rechter.
Het horen van de minderjarige heeft niet tot gevolg dat hij partij in het geding wordt. Aan de mening van de minderjarige wordt passend belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.

De partijen zijn bij het onderhoud niet aanwezig. De daaraan verbonden kosten worden in voorkomend geval over de partijen verdeeld.

De minderjarige wordt alleen gehoord of kan zich laten vergezellen door een vertrouwenspersoon.

Het onderhoud geschiedt op een plaats die door de rechter geschikt wordt geacht. Van het onderhoud wordt een proces-verbaal opgemaakt dat een samenvatting bevat van het onderhoud en dat bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd, zonder dat evenwel een afschrift ervan aan de partijen wordt bezorgd. »

Art. 3

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 931bis ingevoegd, luidende :
« Art. 931bis. De Koning bepaalt welke bijzondere opleiding moet worden gevolgd door rechters die oordelen in geschillen die minderjarigen betreffen. »

Art. 4

Artikel 51 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, gewijzigd bij de wetten van 21 maart 1969 en 2 februari 1994, wordt opgeheven.

Art. 5

Artikel 56bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 februari 1994, wordt opgeheven.

Sabine de Bethune

Korte commentaar :

Dit wetsvoorstel is een loffelijke poging om het hoorrecht of zoals in de tekst het "spreekrecht" van de kinderen in zaken die henzelf betreffen in procedures , te verfijnen. Het steunt ook op gedegen voorafgaande studie. Wij blijven bij ons standpunt dat dit recht van kinderen een bijzonder delicate materie is, die veel tact en invoelingsvermogen vergt. Het risico dat het dit recht in echtscheidingsaangelegenheden de tegenstellingen tussen de ouders nog kan vergroten is niet echt denkbeeldig. Het is wel normaal dat kinderen de kans wordt gegeven niet om partij te kiezen, maar toch om hun visie op de te beslissen situatie uit te brengen. Hun loyaliteitsgevoel ten overstaan van beide ouders wordt wel op de proef gesteld, hoe verfijnd het verhoor ook wordt afgenomen. Verder is onze heiligste huiver de beïnvloeding vooraf voor het horen van de kinderen door één van de betrokken partijen, doorgaans de partij (de moeder) bij wie het kind inwoont. Dat zet de verklaring van de kinderen volslagen op de helling. De indienster Mevrouw de Béthune is zich bewust van dit gevaar, maar ze stapt over dit bezwaar al te lichtvaardig heen.

G.D.

 
 
   
Omhoog
   
 

Automatisch erfrecht voor wettelijk samenwonenden

De kamercommissie Justitie heeft dinsdag 12 december 2006 een wetsontwerp goedgekeurd dat wettelijk samenwonenden automatisch erfrecht toekent wanneer één van de twee sterft. De langstlevende samenwonende krijgt voortaan automatisch het vruchtgebruik van de woning en de huisraad. Alle partijen stemden voor, behalve het Vlaams Belang, dat tegen stemde.

De wet van 23 november 1998 biedt wel een juridische omkadering voor wettelijke samenwonenden, maar het statuut heeft geen gevolgen op het vlak van erfopvolging. Zelfs indien er een testament wordt opgemaakt, heeft de langstlevende samenwonende slechts recht op een beperkt deel van de nalatenschap.

Een gelijkschakeling van het erfrecht tussen gehuwden en wettelijk samenwonenden komt er niet. Er blijven een aantal verschillen bestaan. De nieuwe regeling geldt niet voor feitelijk samenwonenden.

Belga

Hervorming erfrecht voor samenwonenden

Het beperkt erfrecht voor wettelijk samenwonenden is nu feitelijk in de wetgeving opgenomen.

"Op 8 mei 2007 verscheen in het B.S. de Wet van 28 maart 2007, voluit “Wet tot wijziging, wat de regeling van het erfrecht van de langstlevende wettelijk samenwonende betreft, van het Burgerlijk Wetboek en van de Wet van 29 augustus 1988 op de erfregeling inzake landbouwbedrijven met het oog op het bevorderen van de continuïteit”.

Sedert 18 mei 2007, de inwerkingtreding van deze wet, hebben wettelijk samenwonende partners een beperkt intestaatserfrecht sui generis in elkaars nalatenschap."

Bron: Erfrecht wettelijk samenwonenden, Christoph Castelein Uitg. Larcier, 2007

Gh. D. - 14 oktober 2007



 
   
Omhoog
   
 

Wet van 12 mei 2007 over buitenhuwelijkse kinderen - erfrechterlijke bescherming

Art. 2. Artikel 295 van het Burgerlijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« Art. 295. Indien de gescheiden echtgenoten zich opnieuw verenigen door hun huwelijk andermaal te doen voltrekken, is artikel 1465 alleen van toepassing als er kinderen zijn die niet gemeenschappelijk zijn. »
Art. 3. In artikel 1465 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden « uit een vroeger huwelijk » telkens vervangen door de woorden « die niet gemeenschappelijk zijn ».

Koppeling naar de wettekst in het Staatsblad


 
   
Omhoog
   
 

1 JULI 2006. — Wet tot wijziging van de bepalingen van het
Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de
afstamming en de gevolgen ervan

- Publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad 29-12-2006

- Teksten in verband met de nieuwe wet op de afstamming

- Circulaire betreffende de wet van 1 juli 2006 op de afstamming

03/07 Nieuwe wet op de afstamming sinds 1 juli van kracht


Sinds zondag 1 juli 2006 is een nieuwe wet op de afstamming van kracht. Hierdoor verandert nogal wat. Sommige discriminaties van mannen worden weggewerkt, maar ook kinderen die uit overspel geboren zijn en ouders van een doodgeboren kind, worden beter van de nieuwe wet. Grootouders krijgen dan weer minder rechten. Frederik Swennen, professor Familierecht aan de Universiteit van Antwerpen en advocaat, legt de ingewikkelde wet, een samenraapsel van zeven voorstellen en tientallen amendementen, uit.



Wie is vader, wie is zoon? Voor de niets vermoedende burger lijkt het simpel, maar voor de jurist kan het soms aartsmoeilijk zijn. Er komen steeds meer nieuw samengestelde gezinnen en de zeden worden losser. Naar schatting 10% van de kinderen in gewone burgerlijke gezinnen, hebben een andere vader dan ze denken. Het buitenechtelijk kind krijgt stilaan volledig dezelfde rechten als het wettige kind.

Maar het afstammingsrecht hinkt achterop. Het is een ingewikkeld kluwen met verschillende wettelijke bepalingen voor moeders en vaders, verschillende behandelingen van vaders naargelang ze al dan niet met de moeders gehuwd zijn, verschillende behandelingen van verschillende soorten kinderen en fel uiteenlopende regelingen met andere voorwaarden en inspraakmogelijkheden om het vaderschap van een kind te vestigen.

Onder druk van het Arbitragehof moest het parlement de afstammingswet wijzigen, want 's lands hoogste Hof ontdekte nogal wat discriminaties. De nieuwe wet maakt de procedures en regelingen eenvormiger, maar het wordt er niet echt simpeler op. De nieuwe wet past het recht ook aan de nieuwe gezinsvormen aan. Het klassieke gezin laat daardoor wat pluimen, maar dat was in de werkelijkheid ook al zo.

Professor Frederik Swennen kent het afstammingsrecht als geen ander. Hij zet de belangrijkste wijzigingen op een rijtje.

Binnen het huwelijk

"Normaal gezien stamt een kind af van zijn moeder en van de man waarmee zij getrouwd is. De nieuwe wet verandert daar een en ander aan. Een voorbeeld. De melkboer komt langs bij een schatrijke notarisvrouw en verwekt bij haar een kind. Laten we dat kind het koekoeksjong noemen. De notaris is officieel getrouwd met de vrouw en hij is dus officieel de vader van dit kind. De melkboer kan dat niet betwisten. Sinds 1 juli kan de melkboer het vaderschap van de notaris echter wél betwisten, tot één jaar nadat hij ontdekt heeft dat hij de biologische vader is en niet de notaris. Sterker: alle biologische vaders (alle "melkboeren") hebben tot 1 juli 2008 de tijd om het vaderschap van hun koekoeksjong op te eisen. Omgekeerd kan ook de echtgenoot van de vrouw (in het voorbeeld: de notaris) het vaderschap van het kind aanvechten, tot 1 jaar nadat hij heeft ontdekt dat het een koekoeksjong van de melkboer is. Vrouwen die in het verleden een scheve schaats reden, hoeven echter niet meteen te schrikken, want als er een gezinsleven is en het koekoeksjong behoort daartoe, blijft alles zoals het was".

Feitelijk gescheiden ouders

"Er komt een oplossing voor het veel voorkomend probleem van mensen die uit elkaar zijn gegaan, maar niet gescheiden. Stel: de notaris heeft zijn vrouw aan de deur gezet en zij trok in bij de melkboer. Na twee jaar gaat zij samen met de melkboer haar nieuwe baby aangeven bij de burgerlijke stand. Kan niet, zegt men daar. De officiële vader is immers de notaris, want die is nog altijd met de vrouw getrouwd. En zolang dat zo is, is hij de officiële vader. Ook dat veranderde op 1 juli: als de notaris al meer dan 300 dagen feitelijk gescheiden leeft van zijn vrouw en dat blijkt uit een verschillend adres, dan wordt hij niet meer vermoed de vader te zijn."

Ongehuwde moeder

"Als de biologische vader binnen het jaar na de geboorte van zijn kind bij een ongehuwde moeder, dat kind wil erkennen, kan die moeder er zich niet meer met succes tegen verzetten (dat verzet kon tot 1 juli nog wel). Behalve als ze verkracht werd door die biologische vader in de periode van de verwekking."

Inspraak kinderen

"Kinderen krijgen voortaan vanaf 12 jaar inspraak in de procedure waarbij een 'vader' hen wil erkennen. Als het kind niet akkoord gaat, wordt onderzocht of de erkenning in strijd is met zijn belangen en beslist de rechter over de zaak. Voorheen bedroeg die leeftijd 15 jaar. Een echt vetorecht krijgt het kind pas vanaf 18 jaar. Maar dat laatste was vroeger ook zo."

"Bovendien zal een minderjarig kind niet meer kunnen worden erkend door een vader die de moeder heeft verkracht in de periode dat het kind werd verwekt. Tenminste als moeder of kind zich tegen die erkenning verzetten."

Grootouders

"Nieuw is ook dat de erkenning van een kind niet meer kan betwist worden door de ouders van de erkenner (de grootouders van het kind), maar die regel geldt pas definitief vanaf 1 juli 2008."

Schoon- en stiefouders

"Ook kinderen uit een relatie tussen schoonouder en schoonkind of stiefouder en stiefkind kunnen voortaan worden erkend. Tot 9 juli 2007 kan zo'n kind worden erkend als het huwelijk waardoor de schoon- of stiefrelatie is ontstaan, al is ontbonden door echtscheiding of overlijden. Bijvoorbeeld: een vader kan een kind erkennen dat hij heeft bij de dochter van zijn vooroverleden echtgenote, als die dochter uiteraard niet zijn eigen dochter is. Vanaf 9 juli 2007 valt de voorwaarde weg dat het huwelijk moet ontbonden zijn. Dan kan een vader dus een kind erkennen dat hij heeft bij de echtgenote van zijn zoon, ook al is zijn zoon nog met de schoondochter getrouwd! Uiteraard moet dan eerst het wettelijke vaderschap van de zoon worden betwist."

Buitenechtelijke kinderen

"De regeling voor de erkenning van buitenechtelijke kinderen wordt eenvoudiger. De erkenning door een overspelige vader moest door de rechtbank worden gehomologeerd om definitief te worden. Nu is zo'n erkenning meteen definitief en moet ze enkel ter kennis worden gebracht van de bedrogen echtgenote".

"En verder: tot 1 juli kreeg een buitenechtelijk (of ook: overspelig) kind bij de geboorte niet vaders- maar moedersnaam. Om zijn familienaam naar vadersnaam te kunnen wijzigen, was de toestemming van de bedrogen echtgenote nodig. Voortaan krijgen alle kinderen, ook de buitenechtelijke, bij de geboorte de familienaam van hun vader. Als pas na de aangifte van de geboorte bekend wordt wie de biologische vader is, dan moet de bedrogen echtgenote geen toestemming meer geven om het buitenechtelijke kind de familienaam van de vader te geven."

"Kinderen die uit overspel geboren zijn, krijgen bovendien voortaan hun volwaardig erfdeel in de goederen die vererfd worden (meubelen, aandelen in familiebedrijf, ...). Dat was tot 1 juli niet zo. Tot dan konden ze alleen maar de tegenwaarde van die goederen in geld krijgen – daar hadden ze altijd recht op -, als de wettige kinderen dat zo beslisten. De buitenechtelijke kinderen kunnen bovendien het initiatief nemen om het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenote, met wie zij niets te maken hebben, om te zetten in geld. Ook dat kon vroeger niet".

Onderhoudsgeld

"Sinds 1 juli kan de moeder altijd onderhoudsgeld vragen van de vermoedelijke vader van haar kind. Voor 1 juli kon dat alleen in de eerste drie jaar na de geboorte of nadat de verwekker de hulp die hij vrijwillig gaf, had stopgezet. Er komt dan een gerechtelijke procedure die nagaat of de 'vermoedelijke verwekker' tijdens het tijdvak van de verwekking geslachtsgemeenschap had met de moeder. Zo ja, dan moet hij een onderhoudsuitkering betalen, als het kind uiteraard nog geen juridische vader heeft. Voor de rest ontstaat géén ouderschap. Enige bijkomende gevolg is een huwelijksbeletsel tussen kind en vermoedelijke verwekker."

Doodgeboren kinderen

"Kinderen van 180 dagen oud die doodgeboren zijn, worden sinds 1999 geregistreerd. Hun overlijden wordt aangegeven en in die akte worden de naam van de moeder én de vader vermeld. Sinds 1 juli mag ook de naam van de persoon die het kind erkent erbij, als de moeder niet getrouwd is. Ook zonder erkenning mag de naam van de biologische vader erbij, als de moeder daarmee akkoord gaat."

"En als een kind snel na de geboorte overlijdt, kan de biologische vader het voortaan nog erkennen binnen het jaar na de geboorte. Dat is heel belangrijk voor het psychologisch verwerkingsproces van het overlijden van het kind".

3 JULI 2007


 
   
Omhoog
   
 

De Belgische wetgeving over de naamsverandering - Wet van 15 mei 1987

Volgens de wet van 15 mei 1987 kan men een naamsverandering aanvragen. Daarvoor moet men wel een goede reden opgeven. Men kan daar ook binnen een bepaalde termijn verzet tegen aantekenen. Hoe daarvoor tewerk gaan geven we onderaan mee.

Hierbij staat de volledige tekst van de wet van 15 mei 1987

Tekst van de wet


HOOFDSTUK I. - Toegelaten voornamen.

Artikel 1. De ambtenaar van de burgerlijke stand mag in de akte van geboorte geen voornamen opnemen die aanleiding geven tot verwarring dan wel het kind of derden kunnen schaden.

HOOFDSTUK II. - Verandering van naam en voornamen.

Art. 2. Elke persoon die enigerlei reden heeft om van naam of voornamen te veranderen, kan daartoe aan de Minister van Justitie een met redenen omkleed verzoek richten.
Het verzoek wordt ingediend door de betrokkene zelf of door zijn wettelijke vertegenwoordiger.

Art. 3. De Minister van Justitie kan de voornaamsverandering toestaan indien de gevraagde voornamen geen aanleiding geven tot verwarring en de verzoeker of derden niet kunnen schaden.
De Koning kan de naamsverandering uitzonderlijk toestaan indien hij van oordeel is dat het verzoek op ernstige redenen steunt en dat de gevraagde naam geen aanleiding geeft tot verwarring en de verzoeker of derden niet kan schaden.

Art. 4. De vergunning tot verandering van voornamen is definitief in de zin van artikel 253, derde lid, van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, op de datum van het ministerieel besluit.
Zodra de vergunning is verleend, wordt de verzoeker daarvan bij ter post aangetekende brief in kennis gesteld.

Art. 5. In het Belgisch Staatsblad wordt melding gemaakt van het koninklijk besluit waarbij een naamsverandering wordt toegestaan.
Binnen zestig dagen na de in het eerste lid bedoelde bekendmaking, kan iedere belanghebbende verzet aantekenen tegen de vergunning.
De Koning beschikt op het verzet bij een met redenen omklede beslissing.
In het Belgisch Staatsblad wordt melding gemaakt van het koninklijk besluit dat de vergunning intrekt.
De verzoekers evenals degenen die verzet hebben aangetekend, worden van de beslissing in kennis gesteld bij ter post aangetekende brief.

Art. 6. Indien geen verzet gedaan werd, wordt de vergunning tot verandering van naam definitief in de zin van artikel 253, derde lid, van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten, na verloop van zestig dagen te rekenen vanaf de bekendmaking van het besluit in het Belgisch Staatsblad.
Indien er tijdig verzet gedaan werd, wordt de vergunning definitief, in de zin van hetgeen in het voorgaande lid is bepaald, op de datum van de afwijziging van het verzet. De begunstigden evenals degenen die het verzet aantekenden worden van de beslissing bij ter post aangetekende brief in kennis gesteld.

Art. 7. Een afschrift van het besluit dat de verandering van naam of voornamen toestaat of een uittreksel uit dat besluit wordt binnen zestig dagen na de registratie door de begunstigden of door een van hen tegen onvangstbewijs aan de ambtenaar van de burgerlijke stand toegezonden of hem ter hand gesteld.
De bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand is :
1° die van de plaats waar de begunstigde of een van de begunstigden is geboren;
2° die van de plaats waar de begunstigde of een van de begunstigden zijn gewone verblijfplaats heeft, wanneer geen van de begunstigden in België is geboren;
3° die van het eerste district van Brussel, indien geen van de begunstigden in België is geboren noch er zijn gewone verblijfplaats heeft.
De vergunning wordt als niet bestaande beschouwd indien zij niet binnen de voorgeschreven termijn aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand werd toegezonden of ter hand gesteld.

Art. 8. Binnen vijftien dagen na de toezending of de terhandstelling van het afschrift van of het uittreksel uit het koninklijk of ministerieel besluit, schrijft de ambtenaar van de burgerlijke stand het beschikkende gedeelte van dat besluit in zijn registers over.
De verandering van naam en de verandering van voornamen hebben gevolg op de dag van de overschrijving. De naamsverandering geldt vanaf die dag voor de minderjarige kinderen tot wie het verzoek is uitgebreid.
De naamsverandering geldt eveneens voor de kinderen geboren na de indiening van het verzoek.
Van de overschrijving wordt melding gemaakt op de kant van de akte van de burgerlijke stand die betrekking hebben op de begunstigden en op de kant van de akten die betrekking hebben op hun kinderen geboren na de datum van het verzoek.

Art. 9. De ambtenaar van de burgerlijke stand geeft kennis van de overschrijving aan de Minister van Justitie en aan de ambtenaren van de burgerlijke stand die, overeenkomstig artikel 8, vierde lid, hiervan melding moeten maken op de kant van hun akten.

Art. 10. Wanneer het ministerieel besluit houdende vergunning tot verandering van voornaam wordt ingetrokken of vernietigd, verzoekt de Minister van Justitie of zijn gemachtigde de in artikel 8, eerste lid, bedoelde ambtenaar van de burgerlijke stand het beschikkende gedeelte van het besluit of het arrest over te schrijven. Artikel 8, vierde lid, en artikel 9 zijn op die overschrijving toepasselijk.
Het eerste lid is van toepassing wanneer het koninklijk besluit houdende vergunning tot verandering van naam wordt ingetrokken na de overshrijving ervan.

HOOFDSTUK III. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Art. 11. In de Franse tekst van het opschrift van hoofdstuk XVIII van Titel I van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten en van het opschrift van afdeling II van hetzelfde hoofdstuk, wordt het woord " permis " vervangen door het woord " autorisations ".

Art. 12. In de Franse tekst van artikel 237 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1974, wordt het woord " permis " vervangen door het woord " autorisations ".

Art. 13. Artikel 248 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1981, wordt aangevuld met de volgende leden :
" De Koning kan bij een met redenen omkleed besluit dat recht verminderen, met dien verstande dat het aldus verminderde recht niet minder dan 20 000 frank mag bedragen voor de gezamenlijke personen in de open brief bedoeld.
De vermindering kan slechts worden verleend wanneer de begunstigde of een van de begunstigden, of een van hun bloedverwanten in de opgaande of nederdalende lijn, aan het Land buitengewone diensten heeft bewezen van vaderlandslievende, wetenschappelijke, culturele, economische, sociale of humanitaire aard. "

Art. 14. Artikel 249 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 2 juli 1974 en 2 juli 1981, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 249. § 1. Voor vergunningen tot verandering of tot toevoeging van een of meer voornamen bedraagt het recht 20 000 frank.
" De Minister van Justitie kan dat recht verminderen tot 2 000 frank wanneer de voornamen, waarvan de wijziging wordt gevraagd, op zichzelf of samengenomen met de naam, belachelijk of hatelijk zijn, vreemdklinkend, of tot verwarring aanleiding kunnen geven.
In het ministerieel besluit wordt de reden van de vermindering vermeld.
§ 2. Voor vergunningen om van naam te veranderen bedraagt het recht 2 000 frank.
§ 3. Voor vergunningen om aan een naam een andere naam of een partikel toe te voegen of een hoofdletter door een kleine letter te vervangen bedraagt het recht 30 000 frank.
De Koning kan dat recht verminderen, met dien verstande dat het aldus verminderde recht niet minder dan 20 000 frank mag bedragen voor de gezamenlijke personen in het besluit bedoeld.
Deze vermindering mag slechts worden toegestaan onder de voorwaarde bepaald bij artikel 248, derde lid.
In het koninklijk besluit wordt de reden van de vermindering vermeld. "

Art. 15. In artikel 250 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1974, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen door de volgende bepaling :
" In de gevallen bedoeld in artikel 248, eerste lid, en in artikel 249, § 1, § 2 en § 3, eerste lid, is elke begunstigde een recht verschuldigd ";
2° in het tweede lid wordt het woord " permis " vervangen door het woord " autorisations ".

Art. 16. Artikel 251 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1981, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 251. Wanneer een ministerieel besluit houdende vergunning tot verandering van voornaam wordt ingetrokken of vernietigd terwijl de registratierechten reeds geïnd zijn, betaalt de verzoeker, behalve als hij te kwader trouw was, geen rechten meer wanneer hem een nieuwe vergunning wordt verleend.
Het eerste lid is van toepassing in geval van intrekking van een koninklijk besluit houdende vergunning tot verandering van naam. "

Art. 17. Artikel 252 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1974, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Art. 252. Het recht wordt berekend volgens het tarief van kracht op de datum van het besluit tot verheffing in de adelstand, dat aan de ondertekening van de adelbrieven voorafgaat, of op de datum van het besluit houdende vergunning tot verandering of toevoeging van naam of voornamen. "

Art. 18. In artikel 253 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1974, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden " koninklijke besluiten houdende vergunning tot verandering van naam of van voornamen " worden tweemaal vervangen door de woorden " koninklijke of ministeriële besluiten houdende vergunning tot verandering van naam of van voornamen ";
2° de woorden " van de dag waarop het koninklijk besluit definitief is geworden " worden vervangen door de woorden " van de dag waarop het koninklijk of ministerieel besluit definitief is geworden ".

Art. 19. In de Franse tekst van artikel 254 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 2 juli 1974, worden de woorden " arrêté accordant permission de changer de nom ou de prénoms " vervangen door de woorden " arrêté autorisant le changement de nom ou de prénoms ".

HOOFDSTUK IV. - Opheffingsbepaling.

Art. 20. De wet van 11 germinal jaar XI " relative aux prénoms et changements de nom ", gewijzigd bij de wet van 2 juli 1974, wordt opgeheven.

HOOFDSTUK V. - Overgangsbepaling.

Art. 21. De bepalingen van hoofdstuk II en III vinden slechts toepassing op de verzoeken die na de inwerkingtreding van deze wet worden ingediend.
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Brussel, 15 mei 1987.

BOUDEWIJN
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
J. GOL
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
J. GOL


Hoe verzet aantekenen tegen de aanvraag tot naamsverandering ?

Het kan best dat de moeder van je kind of kinderen de naamswijziging aangevraagd heeft zonder dat je het weet. Op zich is dat niet erg: de laatste stap van die procedure is publicatie in het Staatsblad. Vanaf dan heb je 60 dagen tijd om in beroep te gaan tegen de wijziging.

Ik raad je aan om een serieuze zoekopdracht op het Staatsblad te doen en vanaf dan elke twee weken een gewone zoekopdracht te doen.

http://www.staatsblad.be - dan: Belgisch Staatsblad, dan: Nederlands

-Trek je niets aan van de datum.

- Bovenaan zie je nu "Nieuwe opzoeking"

- Tik nu in de eerste regel bij Woord(en) van tekst: wet van 15 mei 1987

- Tik nu in de tweede regel van Woord(en) van tekst: x (de huidige familienaam van het kind)

- Klik nu op "Lijst"

- Als je "0" krijgt is alles in orde.

- Herbegin, maar nu met de familienaam van de moeder van je kinderen. En dan nog eens met de voornamen van je kinderen.

- Controleer ook eens of je goed bezig bent: vul Peeters i.p.v. x (de huidige familienaan van het kind) in en zie of je een 15-tal antwoorden krijgt.

- Als je tijd hebt en alle naamswijzigingen wil lezen, opgelet dan: soms staan er meer wijzigingen in hetzelfde bericht.

(Met dank aan Dries De Preter van BGMK.be Antwerpen voor deze strategie)


 
   
Omhoog
   
 

Geen onverantwoorde discriminatie in de pensioenen van uit de echt gescheiden mensen tussen ambtenaren en werknemers – beslissing Arbitragehof 2006-04 d.d. 11-1-2006

Voor werknemers bestaat het pensioen van de echtgescheiden echtgenoot. In dat stelsel wordt er geen onderscheid gemaakt of die ex nog leeft of overleden is. Dat pensioen is er niet bij leven voor de persoon die echtgenoot of echtgenote was van een ambtenaar. Enkel bij het overlijden van de ambtenaar kan die persoon aanspraak maken op een pensioen in functie van het aantal jaren dat hij of zij met die ambtenaar gehuwd is geweest. Daarover werd door de Turnhoutse rechtbank aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag gesteld. Het Arbitragehof besluit dat het onderscheid tussen beide pensioensstelsels op basis van het beroepsstatuut verantwoord is.

Wie huisman of huisvrouw wil blijven, trouwt best niet met een ambtenaar. Of: wie wil trouwen met een ambtenaar, blijft best geen huisman of -vrouw. Als het huwelijk misloopt, krijgt hij of zij niets na de pensionering van de partner. Een thuis werkende partner van een werknemer of zelfstandige krijgt wel een deel van het pensioen van de ex.

Voor de ambtenaar zelf zitten er ook gevaren aan vast: de ex krijgt wel een pensioen zodra de ambtenaar overlijdt...

Het Arbitragehof, het Belgisch grondwettelijk hof, vindt die verschillende behandeling van huisvrouwen en -mannen naargelang van het beroepsstatuut van hun ex geen discriminatie. Het meldde dat aan een rechter in Turnhout die daarover vragen had gesteld. Die rechter kreeg een vrouw voor zich die getrouwd was geweest met een man die een tijd als ambtenaar gewerkt had en een tijd als werknemer in de privésector. Bij zijn pensionering kreeg zij een deel van zijn werknemerspensioen maar niet van zijn ambtenarenpensioen.

Klopt, zegt het Arbitragehof. Er zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld als aan de ex van een ambtenaar bij de scheiding zelf een alimentatie is toegekend, of als een vrederechter voordien het recht gaf een deel van het loon op te eisen, maar de regel is dat de ex van een ambtenaar niets krijgt zolang die ambtenaar in leven is.

Dit is een gevolg, zo zegt het arrest, van een eis van de ambtenarenvakbonden. Zij stonden erop dat hun pensioen geen sociale uitkering zou zijn waarvoor ze bijdragen moeten betalen. Het moest en zou ,,uitgesteld loon'' blijven. De regering heeft daarover met hen een akkoord gesloten en het parlement heeft daarmee ingestemd, wetend dat dit het gevolg was, aldus het hof.

,,Uitgesteld loon'' is de theorie die zegt dat een ambtenaar tijdens zijn loopbaan minder betaald wordt (wat niet altijd zo is) maar in ruil daarvoor, na zijn pensionering, een ,,uitgesteld loon'' krijgt (dat hoger is en ook anders belast wordt dan het pensioen van werknemers en zelfstandigen).

Een loon, ook een uitgesteld loon, zo redeneert de overheid dan, kan niet betaald worden aan iemand die niet voor de overheid gewerkt heeft, en dus kan de ex geen deel van het rustpensioen krijgen.

Voor het weduwen- of overlevingspensioen (het pensioen voor de partner na het overlijden van de ambtenaar) betalen de ambtenaren wel een bijdrage: 7,5 procent voor het FOP, het Fonds voor de Overlevingspensioenen. Als de ambtenaar overlijdt, kan de ex plots wel een pensioen krijgen, want wat uit dat fonds komt, is geen uitgesteld loon: er zijn daarvoor bijdragen betaald.

Dit is geen willekeurige regeling. Er is een verantwoording voor en bovendien is de benadeling niet onoverkomelijk zwaar: de ex die geheel zonder inkomen valt, kan een beroep kan doen op de Inkomensgarantie voor Ouderen (IGO), het vroegere bestaansminimum, aldus het Arbitragehof.

Kies op de website van het Arbitragehof in het menu Rechtspraak - Arresten - 2006 -04 (pdf-doc) : http://www.arbitrage.be

Wij verwijzen voor deze materie ook graag naar een artikel in De Standaard van 13 januari 2006
Trouw als huisvrouw/-man niet met ambtenaar


 
   
Omhoog
   
 

Scheidingscultuur

Prof. Diekstra kant zich in zijn artikel nogmaals tegen het vergemakkelijken van de echtscheidingswetgeving in Nederland. In dat land blijkt een stroming te bestaan van intellectuelen die de nadelen van het scheiden, vooral voor de kinderen, herhaaldelijk in de media aan de orde stellen. Waar het wetsvoorstel Luchtenveld toch een veel menswaardiger scheiding in het vooruitzicht stelt via o.m. een ouderschapscontract, blijven de behoudsgezinden zich roeren. Na deze constatering laten we Prof. Diekstra hier aan het woord met zijn recent artikel. Oordeel zelf of hij u overtuigt.

Scheidingscultuur

Staatscourant nr. 207, dinsdag 25 oktober 2005 P. 2

Is de Tweede Kamer bezig ervoor te zorgen dat er straks in ons land (nog) meer gescheiden gaat worden? Het antwoord zou weleens ‘ja’ kunnen luiden. In november komt het wetsvoorstel-Luchtenveld weer aan de orde en zoals het er nu naar uit ziet, zal het dan met enkele wijzigingen worden aangenomen. Kort door de bocht gezegd, komt het er straks op neer dat mensen met kinderen die willen scheiden, een ouderschapscontract op basis van gelijkwaardigheid moeten opstellen en dat aan de rechter moeten voorleggen. Mensen zonder kinderen hoeven niet langs de rechter, maar kunnen met een eenvoudige administratieve handeling, een overeenkomst, opgesteld door bijvoorbeeld een advocaat of een erkend mediator en vastgelegd bij de ambtenaar van de burgerlijke stand, van elkaar af.

Voor een grote groep wordt scheiden dus gemakkelijker. Daar gaat een belangrijke boodschap vanuit. Namelijk dat wij als samenleving mensen die geen kinderen hebben zo weinig mogelijk in de weg willen leggen als ze van elkaar af willen. Is dat wijs? Ik betwijfel het. Scheiding, of er nu wel of geen kinderen in het spel zijn, is doorgaans een ingrijpende gebeurtenis met grote sociale en gezondheidsgevolgen. De Amerikaanse biofysicus Harold Morowitz heeft eens uitgerekend dat het effect van scheiding op de gezondheid ongeveer even groot is als het tien jaar lang roken van 20 sigaretten per dag. Scheiding, of dreigende scheiding is verder een belangrijke factor van relatiegeweld, het geweld tussen (ex-)partners, met nogal eens een dodelijke afloop. Maar er valt ook een belangrijke morele kanttekening te maken bij het voornemen om scheiden te vergemakkelijken. Het leidt tot een uitholling van het huwelijk of liever gezegd van het commitment dat door twee mensen wordt aangegaan op het moment van de huwelijksvoltrekking. Het huwelijk wordt in toenemende mate tot een ervaring die je tenminste een keer moet hebben meegemaakt. Zoals je ook een keer een berg moet hebben beklommen of het Pieterpad gelopen. Maar al te serieus hoef je het niet te nemen, want je kan er haast nog sneller vanaf dan je eraan begonnen bent.

Die huwelijkscultuur is overigens al duidelijk in opmars, getuige de (gelovige!) jeugdige popster Britney Spears. Begin vorig jaar trouwde ze met jeugdvriend Jason Allen Alexander om na twee dagen van hem te scheiden. Haar verklaring was dat het huwelijk een geinige opwelling was geweest. Dat is geheel in lijn met een studie die laat zien dat hoe minder eisen er in een land aan scheiden worden gesteld, hoe hoger het percentage (recente) huwelijken dat in scheiding eindigt. Zo blijkt dat landen waar stellen lang moeten wachten voordat een scheiding formeel wordt, een aanzienlijk lager scheidingspercentage hebben dan landen zonder noemenswaardige wachttijd. Ook de wettelijke eis dat scheiden pas kan nadat de echtelieden gedurende een bepaalde periode relatiebegeleiding hebben geprobeerd, drukt het scheidingspercentage aanmerkelijk.

Deze gegevens passen in een goed gefundeerde psychologische theorie, die stelt dat menselijk gedrag voor een groot deel bepaald wordt door twee factoren: aanvaardbaarheid en beschikbaarheid. Hoe meer aanvaardbaar een bepaald gedrag wordt gevonden en hoe gemakkelijker beschikbaar, hoe vaker het gedrag ook vertoond wordt. Is dat de cultuur die wij in Nederland willen, een scheidingscultuur? Als het aan de Tweede Kamer ligt dus blijkbaar wel.

René F.W. Diekstra


 
   
Omhoog
   
 

Recht van de niet-inwonende ouder om documenten op te vragen voor zijn kind(eren)

De wet van 13 april 1995 over de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag stelt als principe dat de niet-inwonende ouder het gedeeld gezag krijgt samen met de andere ouder. Dat heeft zijn betekenis voor het opvragen aan de administratie van bijvoorbeeld de gemeente van een identiteitsbewijs voor het kind of een reispas zo die nodig is. Daarover bestaat op dit ogenblik nog ruime onwetendheid zowel bij de betrokken ouders als bij de gemeentelijke administratieve diensten.

Zo de gemeente die weigert document X af te leveren aan de alleenstaande ouder, tenzij hij of zij een volmacht heeft gekregen van de andere ouder. Die alleenstaande ouder heeft volgens de wet en de gerechtelijke beslissing nochtans gedeeld gezag.

Een ouder met gelijkmatig gedeeld verblijf (verblijfsco-ouderschap) schrijft mij n.a.v. een vraag daarover :

"Vooral de eis (vanwege de moeder) om een ouderlijke machtiging viel bij mij in verkeerde aarde. We hebben tenslotte (en dat weet zij ook) co-ouderschap met gezamenlijk gezag.

Ik heb de Dienst Bevolking van mijn gemeente gebeld; de behulpzame beambte wist het nu ook niet zeker en vond niet onmiddellijk informatie die mij zou kunnen helpen; ze verwees wel naar Binnenlandse Zaken.

Gezien gemeenten nogal verschillen wat betreft afgifte van documenten of interpretatie van richtlijnen, heb ik dus geïnformeerd bij Binnenlandse Zaken (BiZa).
Volgens BiZa is een ouderlijke machtiging in mijn situatie niet vereist. Er bestaan voor alle gevallen (o.a. co-ouderschapsregeling) richtlijnen sedert 2002 waar alle gemeenten over beschikken. "Algemene Onderrichtingen aangaande Bevolking door Binnenlandse Zaken".

Ik heb mijn gemeente hierover ingelicht: ze zullen de richtlijnen nakijken en het personeel op de hoogte stellen.

Gezien mijn ex met mijn kind naar een andere gemeente is verhuisd, heb ik daar de dienst Bevolking aangesproken. Daar stelt men duidelijk dat, als de rechter mij niet van de ouderlijke macht ontheven heeft, ik wel degelijk het recht heb om documenten aan te vragen voor mijn kind, zonder dat dit via mijn voormalige echtgenote dient te gebeuren. Ik hoef enkel het vonnis mee te brengen om het gezamenlijk hoede- en gezagsrecht aan te tonen. Ouderlijke machtiging is niet vereist in dit geval.

Deze situatie is voor mij aldus uitgeklaard.

Maar het is nu ook duidelijk dat sommige mensen, als ze dat willen, misbruik kunnen maken van bepaalde situaties doordat:
- Gemeente kent haar richtlijnen onvoldoende en stuurt de rechthebbende vraagsteller wandelen. (1)
- Gemeente stelt te weinig vragen om de werkelijke situatie te kennen van de vraagsteller.
- Rechthebbenden worden verkeerdelijk of onvoldoende geïnformeerd.(1)
- Rechthebbenden weten niet steeds welke informatie zij dienen voor te leggen omdat die informatie doorgaans niet wordt vermeld door de gemeente (op welke manier ook) en er is soms een drempel om gegevens te verstrekken die je als privé beschouwt. (1)

(1) Het lijkt mij daarom raadzaam dat gemeenten informatie, zoals ik hierna toevoeg, uitbreiden met de uitzonderingsregels, teneinde iedereen op een duidelijke manier te informeren. Ik vraag mijn gemeente alvast om hieraan tegemoet te komen."

Met betrekking tot de afgifte van een identiteitsbewijs voor kinderen beneden de twaalf jaar kunnen wij terecht op de portaalwebsite van de Federale Overheidsdienst (FOD). Daar staat duidelijk : "Dit document wordt afgegeven door de gemeentebesturen voor elk kind onder de twaalf jaar op verzoek van de persoon of de personen die het ouderlijk gezag uitoefenen over het kind. Het dient om een snelle identificatie van het kind mogelijk te maken in België of in het buitenland."

Om de belangstellende lezer de volledige informatie daarover te verstrekken geven wij hier een directe koppeling daarnaartoe.
Klik op : Identiteitsbewijs kind jonger dan 12 jaar

Volledige klaarheid over het afleveren van een identiteitsbewijs voor een kind van minder dan 12 jaar ook aan de niet-inwonende ouder die mede het gezag heeft over het kind geeft de volgende omzendbrief van de administratie van Binnenlandse Zaken

Omzendbrief van 31 januari 2007: de afgifte van identiteitsbewijzen voor kinderen onder de twaalf jaar.

De vaste regels zijn:
- elk van beide ouders met het volle ouderlijk gezag bekleed al dan niet wonend waar het kind woont, kan dat identiteitsbewijs aanvragen
- de gemeente kan het maar één keer uitreiken tenzij het door verlies e.a. vervangen moet worden

- bij de aanvraag kan vereist zijn dat het kind in persoon aanwezig is, maar dat verschilt naargelang van de gemeente
- het kind is eigenaar van het document en moet het bij zich hebben als het van de ene ouder naar de andere overgaat
- het identiteitsbewijs blijft 2 jaar geldig
- alleen bij duidelijk voorafgaand schriftelijk verzet van één ouder mag de gemeente het identiteitsbewijs niet afleveren aan de andere ouder.

Ghislain Duchâteau


 
   
Omhoog
   
 

Afstammingsregels aangepast

Tijdens de legislatuur 2003-2007 is de afstammingswet grondig aangepast. Er is een nieuwe wet op de afstamming ontstaan d.d. 1 juli 2006, waarin de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek werden gewijzigd over de vaststelling van de afstamming en de gevolgen ervan. Voor een overzicht van de wijzigingen raadpleeg de volgende tekst op de website van de Orde van Vlaamse Advocaten:

wet van 01/07/2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, alsook aanpassingen door de wet van 27/12/2007 houdende diverse bepalingen (I)
De belangrijkste wijzigingen in de nieuwe afstammingswet: klik hier (en wat naar beneden scrollen)

Op 7 mei 2007 ontstond een circulaire rond deze wet. Die werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 30/05/2007, bl. 29203. Om die circulaire te raadplegen klik hier.

____________________

De commissie Familierecht is klaar met haar eerste grote project: het aanpassen van de afstammingsregels. Dat was nodig na arresten van het Arbitragehof. De wet hield ook geen rekening met de veranderde samenleving en nieuwe gezinsvormen.

Het Arbitragehof had aangeklaagd dat de toestemming van de moeder nodig is als een vader zijn kind wil erkennen. Dat het omgekeerde niet het geval is, houdt een discriminatie in. Het Arbitragehof vroeg ook rekening te houden met de mening van het kind, zodra dat de leeftijd van vijftien jaar bereikt.

Voortaan zijn de voorwaarden voor vaders en moeders gelijk wat betreft erkenning. Dat betekent dat als een man de biologische vader is, de rechtbank de erkenning niet langer ,,in het belang van het kind'' mag afwijzen. De biologische werkelijkheid primeert.

Dat geldt ook voor andere aanpassingen, zoals die waarbij een erkenning niet mogelijk is op basis van aanverwantschap. Dat is bijvoorbeeld geval wanneer een man een kind verwekt bij de vrouw van zijn zoon. Zodra die scheidt, en het huwelijksbeletsel wegvalt, kan er een erkenning zijn.

Het vermoeden van vaderschap wordt behouden, maar uitgehold door een bijkomende bepaling. Bij een kind dat binnen het huwelijk geboren wordt, blijft men ervan uitgaan dat de echtgenoot de vader is. Betwistingen moeten nog altijd via de rechtbank verlopen.

Is het huwelijk nog niet ontbonden, maar wonen de echtelieden al meer dan driehonderd dagen niet meer samen, dan geldt dat vermoeden niet meer - tenzij beide echtelieden verklaren dat zij de ouders zijn. Tot voor de aanpassing deden zich aan de loketten van de burgerlijke stand soms schrijnende toestanden voor, waarbij vaders plots te horen kregen dat ze wettelijk niet de vader waren omdat hun partner nog met iemand anders getrouwd is. Met de aanpassing kan men op basis van domicilie eenvoudig dat vermoeden van vaderschap opheffen.

Omdat dat zo'n technische juridische materie is, werd er deze week in de commissie Justitie maar ,,indicatief'' over gestemd. De aanpassing is nu voor advies verstuurd naar zes professoren. Hun is gevraagd zich enkel over de technische kant van de zaak uit te spreken, beklemtoont Guy Swennen (SP.A), de voorzitter van de subcommissie Familierecht.

10 maart 2005


 
   
Omhoog
   
 

Relevante wetgeving

- Wet van 8 februari 2001 tot wijziging van de wet op de begraafplaatsen en de lijkbezorging
- Wet van 19 februari 2001 aangaande de proceduregebonden bemiddeling in familiezaken
- Wet van 29 april 2001 tot hervorming van de voogdij over minderjarigen
- Wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie
- Wet van 22 autustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt
- Programmawet 1 van 24 december 2002 aangaande de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen
- Wet van 28 januari 2003 tot toewijzing van de gezinswoning aan de echtgenoot of aan de wettelijk samenwonende die het slachtoffer is van fysieke gewelddaden
- Wet van 13 februari 2003 tot opentstelling van het huwelijk voor personen van hetzelfde geslacht
- Wet van 13 februari 2003 (reparatiewet ouderlijk gezag en voogdij)
- Wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD financiën

- Wet van 26 maart 2003 houdende regeling van de autopsie na het onverwachte en medisch onverklaarbare overlijden van een kind van minder dan 18 maanden
- Wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie
- Wet van 3 mei 2003 tot wijziging van het voorlopig bewind
- Wet van 11 mei 2003 betreffende het onderzoek op embryo's in vitro
- Vlaams Decreet van 18 juli 2003 houdende instelling van het recht op informatie en een recht van antwoord t.a.v. radio en televisie



Voor ruime nagenoeg volledige informatie over die nieuwe wetgeving sinds 2000 kan je terecht in het Compendium van het Personen- en Familierecht van Prof. Dr. Patrick Seynaeve - 8ste herwerkte uitgave - Uitgeverij Acco Isbn 90 334 5519 6 - Prijs 99,50 Euro.

Dit Compendium biedt een inleiding in de begrippen, beginselen en belangrijkste regels van het Belgisch positief personen- en familierecht. Het bestrijkt alle gedeelten van deze erg gevarieerde rechtstak.



Uitgeverij Acco, Brusselsestraat 153, 3000 Leuven
Tel. : 016/62 80 00(41)
E-mail : uitgeverij@acco.be
Website : http://www.uitgeverij.acco.be



 
   
Omhoog
   
 

HUWELIJKSAANGIFTE

Trouwen en samenwonen wordt eenvoudiger en kosteloos

Op initiatief van de staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging, Vincent Van Quickenborne, en de federale minister van Justitie heeft de ministerraad vrijdag 18 februari 2005 het voorontwerp van wet om de huwelijksaangifte te vereenvoudigen, goedgekeurd. Hierdoor zullen jaarlijks ca. 39.000 Belgische huwelijkskandidaten eenvoudiger in het huwelijk kunnen treden. Ze hoeven niet langer onnodig afschriften en bewijzen af te halen en voor te leggen voor hun huwelijksaangifte. De belasting wordt eveneens afgeschaft.

Deze vereenvoudigingen gelden ook voor koppels die kiezen voor een samenlevingscontract.

Simpel gesteld: de gegevens die de overheid reeds kent in verband met haar burgers (naam, geboortedatum, woonplaats, nationaliteit, burgerlijke staat, afstamming) hoeven niet opnieuw door de burger opgehaald en meegedeeld te worden. Met de vereenvoudiging komt een antwoord op vele gelijkaardige meldingen op het Kafka-meldpunt.

De vereenvoudiging van de aangifte kent twee luiken:

1. Huwen en samenwonen zonder verplaatsing en zonder rompslomp

Wie vandaag wil huwen, moet de volgende documenten voorleggen:

- een voor eensluidend verklaard afschrift van de akte van geboorte
- een bewijs van identiteit
- een bewijs van nationaliteit
- een bewijs van de ongehuwde staat, en in voorkomend geval van de ontbinding of nietigverklaring van de vorige huwelijken
- een bewijs van de inschrijving in het bevolkings-, vreemdelingen- of wachtregister en/of een bewijs van de actuele verblijfplaats

Concreet

Stel dat een Belg geboren in Kortrijk trouwt met een Belgische geboren uit Hasselt. Beiden wonen in Brussel en willen daar huwen. Ze moeten beiden vrij nemen om een afschrift af te halen van hun geboorteakte in de respectieve geboorteplaats. Daarna doen ze hetzelfde met de bewijzen die ze moeten verzamelen in het gemeentehuis van Brussel.

Dat is in tegenspraak met het principe van 'unieke gegevensinzameling', opgenomen in het regeerakkoord van juli 2003, waarbij een burger slechts eenmaal een bepaalde informatie moet aanleveren aan de overheid.

De ambtenaar van burgerlijke stand zal zelf alle controles doen zonder dat de huwelijkskandidaten nog worden belast met het ophalen van allerlei documenten. Zo zullen twee Belgen die beiden geboren zijn in België en die wonen in België geen enkel document meer hoeven af te halen in hun geboorte- of woonplaats. De onnodige verplaatsing naar het gemeentehuis van hun geboorteplaats verdwijnt. Bovendien wordt komaf gemaakt met de absurde situatie dat men bij twee loketten in het gemeentehuis van de woonplaats moet aanschuiven om alle huwelijksformaliteiten in orde te brengen.

Hetzelfde geldt voor vreemdelingen wier geboorteakte in België is ingeschreven in de registers van de Burgerlijke Stand.

2. Belasting op huwen en samenwonen afgeschaft

Een bijkomend effect van de vereenvoudiging is dat de belasting op de aangifte om te huwen en samenwonen wordt afgeschaft. Vandaag betaalt men 6,5 euro zegeltaks per afschrift of bewijs. Omdat burgers de afschriften niet meer zelf zullen moeten voorleggen, hoeven ze geen zegelrecht meer te betalen. Een kandidaat-huwer heeft gemiddeld 3 attesten nodig. Dit betekent een besparing van 19,5 euro per persoon, een kleine 40 euro per koppel.

Staatssecretaris Vincent Van Quickenborne: "Huwen en samenwonen wordt eenvoudiger en goedkoper. Dat is het concrete resultaat van deze vereenvoudiging. De filosofie erachter is eenvoudig: door beter gebruik te maken van de gegevens die de overheid reeds kent, worden burgers niet langer onnodig belast met allerhande rompslomp. Zo hebben jaarlijks bijna 39.000 koppels die willen huwen en de vele duizenden samenwoners recht op meer plezier en minder papier."

Het wetsontwerp dat het Burgerlijk Wetboek aanpast, gaat nu naar de Raad van State en daarna naar het Parlement. Deze vereenvoudiging treedt in werking op de eerste dag van de tweede maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

Concreet: naar alle waarschijnlijkheid op 1 januari 2006.

Bron : VLD-website - Durven Vernieuwen - Klik hier


 
   
Omhoog
   
 

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN
21 FEBRUARI 2003.

Wet tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën (1)


ALBERT II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

HOOFDSTUK II. - Definities
Art. 2. Voor de toepassing van deze wet, wordt verstaan onder :
onderhoudsgeld :
a) het onderhoudsgeld dat verschuldigd is aan de kinderen en dat werd vastgesteld hetzij door een uitvoerbare gerechtelijke beslissing, hetzij in een overeenkomst als bedoeld in artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, hetzij bij een uitvoerbare schikking bedoeld in de artikelen 731 tot 734 van het Gerechtelijk Wetboek;
b) het onderhoudsgeld dat verschuldigd is tussen echtgenoten of tussen samenwonenden en dat werd vastgesteld hetzij door een uitvoerbare gerechtelijke beslissing, hetzij in een overeenkomst als bedoeld in artikel 1288, 4°, van het Gerechtelijk Wetboek;
de Dienst voor alimentatievorderingen : de dienst bij de FOD Financiën die bevoegd is voor de niet-fiscale invorderingen.

HOOFDSTUK III. - De tegemoetkoming van de Dienst voor alimentatievorderingen
Art. 3. § 1. De Dienst voor alimentatievorderingen is belast met de toekenning van voorschotten op een of verscheidene welbepaalde termijnen van onderhoudsgelden en met de inning of invordering van de toegekende voorschotten alsook van het saldo en de achterstallen van de alimentatievorderingen ten laste van de onderhoudsplichtige.
§ 2. De betaling van de alimentatievorderingen door de Dienst voor alimentatievorderingen doet geen afbreuk aan de toepassing van de strafbepalingen voorgeschreven in geval van niet-betaling van die vorderingen door de onderhoudsplichtige en met name van de artikelen 360bis, 391bis en 391ter van het Strafwetboek.
Art. 4. Het bedrag van elk van de voorschotten is gelijk aan het onderhoudsgeld, in voorkomend geval geïndexeerd, met een maximum van 175 euro per maand en per onderhoudsgerechtigde.
In geval van gedeeltelijke betaling van een termijn van het onderhoudsgeld door de onderhoudsplichtige ten belope van een bedrag dat lager is dan het bedrag vastgesteld in het eerste lid, wordt het voorschot beperkt tot het verschil tussen het bedrag vastgesteld in het eerste lid en het werkelijk ontvangen bedrag.
De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad het maximumbedrag en de toekenningsmodaliteiten van het voorschot wijzigen.
Art. 5. De tegemoetkoming van de Dienst voor alimentatievorderingen geeft aanleiding tot de betaling van een bijdrage in de werkingskosten van deze dienst.
Het bedrag van die bijdrage wordt bepaald als volgt :
1) ten laste van de onderhoudsplichtige : 10 % van het bedrag van de te innen of in te vorderen hoofdsommen;
2) ten laste van de onderhoudsgerechtigde : 5 % van het bedrag van het saldo van de geïnde of ingevorderde alimentatievordering en van de geïnde of ingevorderde achterstallen.

Art. 6. De onderhoudsgerechtigde kan de tegemoetkoming van de Dienst voor alimentatievorderingen aanvragen indien de onderhoudsplichtige zich gedurende twee, al dan niet opeenvolgende termijnen in de loop van de twaalf maanden die aan de aanvraag voorafgaan, geheel of ten dele onttrokken heeft aan de verplichting tot betaling van het onderhoudsgeld.
De toepassing van deze wet is beperkt tot de onderhoudsgerechtigden die hun woonplaats of gewone verblijfplaats in België hebben.

Art. 7. De aanvraag wordt in twee exemplaren ingediend bij de Dienst voor alimentatievorderingen.
De aanvraag is ondertekend door de onderhoudsgerechtigde, zijn wettelijke vertegenwoordiger of zijn advocaat en bevat :
1° de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en woonplaats van de onderhoudsgerechtigde;
2° de naam, voornamen, geboortedatum, geboorteplaats en de laatst gekende woonplaats van de onderhoudsplichtige;
3° het bedrag van de alimentatievordering en de aanduiding van de datum en het bedrag van de termijnen waaraan de onderhoudsplichtige zich geheel of ten dele heeft onttrokken;
4° de opdracht aan de Dienst voor alimentatievorderingen om de integrale termijnen van het onderhoudsgeld en de achterstallen te innen of in te vorderen;
5° in voorkomend geval, de stukken met betrekking tot een ingebrekestelling of andere uitvoeringsmaatregelen die de onderhoudsgerechtigde heeft ondernomen om de verschuldigde bedragen in te vorderen.
Bij de aanvraag wordt gevoegd de uitgifte of de minuut, voorzien van het formulier van tenuitvoerlegging, van de gerechtelijke beslissing of van de akte bedoeld in artikel 1288, 3° of 4°, van het Gerechtelijk Wetboek, van de uitvoerbare gerechtelijke beslissing of van de uitvoerbare schikking, waarin het onderhoudsgeld wordt vastgesteld of gewijzigd, de stukken van betekening van de gerechtelijke beslissing, evenals de stukken van tenuitvoerlegging.
Art. 8. Onmiddellijk na ontvangst van de aanvraag, geeft de Dienst voor alimentatievorderingen de onderhoudsplichtige, bij een ter post aangetekende brief, kennis van de aanvraag tot tegemoetkoming. Deze kennisgeving vermeldt uitdrukkelijk dat, indien de tegemoetkoming wordt toegestaan, de Dienst voor alimentatievorderingen in de plaats van de onderhoudsgerechtigde zal overgaan tot inning en invordering van de alimentatievorderingen.
De onderhoudsplichtige beschikt over een termijn van vijftien dagen, te rekenen vanaf de datum van het aangetekend versturen van de kennisgeving bedoeld in het eerste lid, om aan te tonen dat hij de gerechtelijke beslissing of de overeenkomst als bedoeld in artikel 1288, 3° of 4°, van het Gerechtelijk Wetboek regelmatig heeft uitgevoerd of dat de door de onderhoudsgerechtigde ingeroepen titel van de alimentatievordering niet meer actueel is.
Art. 9. § 1. Zodra de aanvraag volledig is, beschikt de Dienst voor alimentatievorderingen over een termijn van dertig dagen om te beslissen of de onderhoudsgerechtigde al dan niet recht heeft op de tegemoetkoming van de Dienst voor alimentatievorderingen.
§ 2. De Dienst voor alimentatievorderingen geeft bij gewone brief kennis van zijn beslissing aan de onderhoudsgerechtigde.
§ 3. Wanneer de beslissing niet gunstig beschikt op de aanvraag van de onderhoudsgerechtigde of wanneer geen beslissing is genomen binnen de bij § 1 bepaalde termijn, kan hij de zaak aanhangig maken bij de beslagrechter middels een verzoekschrift dat op straffe van verval moet zijn ingediend binnen een termijn van één maand, te rekenen van de in § 2 bedoelde kennisgeving.
Art. 10. § 1. Indien de tegemoetkoming wordt toegestaan, geeft de Dienst voor alimentatievorderingen de onderhoudsplichtige bij een ter post aangetekende brief, ervan kennis dat hij in de plaats van de onderhoudsgerechtigde overgaat tot inning en invordering van de alimentatievordering en van de achterstallen.
Deze kennisgeving bevat de identiteit van de onderhoudsgerechtigde, de titel van de alimentatievordering, een overzicht van de te betalen sommen en van de data waarop het onderhoudsgeld moet worden betaald alsook het nummer van de rekening van de Dienst voor alimentatievorderingen waarop de bedragen moeten worden betaald.
§ 2. In voorkomend geval geldt deze kennisgeving als ingebrekestelling voor de sommen die ze aanduidt.
§ 3. Vanaf de datum van de kennisgeving tot aan de datum vermeld in de in artikel 11, § 2, bedoelde kennisgeving van de beëindiging van de tegemoetkoming zijn enkel de betalingen aan de Dienst voor alimentatievorderingen bevrijdend.
§ 4. Ieder nieuw gegeven dat van invloed kan zijn op het bedrag van de voorschotten, van het onderhoudsgeld of op de inning en de invordering van deze sommen, moet door de meest gerede partij of door een derde worden gemeld aan de Dienst voor alimentatievorderingen.
Art. 11. § 1. De onderhoudsgerechtigde kan op elk ogenblik afzien van de tegemoetkoming van de Dienst voor alimentatievorderingen. De betaling van voorschotten eindigt zodra alle vervallen termijnen van het onderhoudsgeld gedurende ten minste zes opeenvolgende maanden aan de Dienst voor alimentatievorderingen zijn betaald.
§ 2. De Dienst voor alimentatievorderingen geeft van de beëindiging van haar tegemoetkoming bij gewone brief kennis aan de onderhoudsgerechtigde en bij een ter post aangetekende brief aan de onderhoudsplichtige en, in voorkomend geval, aan de derden-schuldenaars. De kennisgeving aan de onderhoudsplichtige vermeldt bovendien dat vanaf de datum waarop de tegemoetkoming wordt beëindigd enkel de betalingen aan de onderhoudsgerechtigde bevrijdend zijn.

HOOFDSTUK IV. - De inning en invordering van de alimentatievordering
Afdeling I. - Inning en invordering ten laste van de onderhoudsplichtige
Art. 12. De Dienst voor alimentatievorderingen treedt, ten belope van het bedrag van het toegekende voorschot, van rechtswege in de plaats van de onderhoudsgerechtigde, met name in de burgerlijke rechten en vorderingen en in de waarborgen waarover die met het oog op de inning en de invordering van zijn alimentatievordering beschikt.
Voor de inning en de invordering van het bedrag van het saldo en de achterstallen van de alimentatievordering, treedt de Dienst voor alimentatievorderingen op voor rekening en in naam van de onderhoudsgerechtigde.
Art. 13. Ten vroegste één maand na de kennisgeving bedoeld in artikel 10, gaat de Dienst voor alimentatievorderingen over tot de invordering van de verschuldigde bedragen door middel van een dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
Art. 14. § 1. Na de betekening van het in artikel 13 bedoelde dwangbevel kan de Dienst voor alimentatievorderingen, bij een ter post aangetekende brief, uitvoerend beslag onder derden leggen op de bedragen en zaken die de bewaarnemer of de schuldenaar van de onderhoudsplichtige verschuldigd is of moet teruggeven. Het beslag wordt eveneens bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de onderhoudsplichtige gebracht.
§ 2. Voor het overige zijn de bepalingen bedoeld in artikel 85 bis, § 1, tweede en derde lid, § 2 en § 3, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, van toepassing.
Art. 15. Indien de onderhoudsgerechtigde zich door de rechter heeft doen machtigen om, met uitsluiting van de onderhoudsplichtige, onder de voorwaarden en binnen de grenzen door het vonnis gesteld, de inkomsten van deze laatste of iedere andere hem door een derde verschuldigde geldsom te ontvangen, kan de Dienst voor alimentatievorderingen, onverminderd de gebruikelijke uitvoeringsmaatregelen en na kennisgeving bij een ter post aangetekende brief van de beslissing tot tegemoetkoming, de gerechtelijke beslissingen of de in artikel 1288, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde overeenkomst tegen alle tegenwoordige en toekomstige derden-schuldenaars inroepen.
De derde-schuldenaar kan na de kennisgeving slechts bevrijdend betalen aan de Dienst voor alimentatievorderingen.
Art. 16. § 1. De in de artikelen 1409, 1409bis en 1410, § 1, § 2, 1° tot 6°, § 3 en § 4, van het Gerechtelijk Wetboek vastgelegde beperkingen en uitsluitingen inzake de overdracht en het beslag zijn niet van toepassing.
§ 2. Geen enkele invordering mag nochtans geschieden zolang de onderhoudsplichtige het leefloon geniet of indien hij slechts beschikt over bestaansmiddelen die lager liggen of gelijk zijn aan het bedrag van het leefloon waarop hij aanspraak zou kunnen maken.
Bovendien mag de invordering niet tot resultaat hebben dat de onderhoudsplichtige slechts zou beschikken over bestaansmiddelen die lager liggen dan het bedrag van het leefloon waarop hij aanspraak zou kunnen maken.

§ 3. Indien de onderhoudsplichtige overeenkomstig artikel 1675/2 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek een collectieve schuldenregeling heeft verkregen, wordt de Dienst voor alimentatievorderingen, wanneer hij optreedt krachtens artikel 6 of artikel 8, voor de toepassing van de artikelen 1675/7 en 1675/13 van het Gerechtelijk Wetboek, geacht een schuldeiser van onderhoudsgelden te zijn.
Afdeling II. - Terugvordering ten laste van de onderhoudsgerechtigde
Art. 17. De Dienst voor alimentatievorderingen kan de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van de betaalde sommen vorderen wanneer de onderhoudsgerechtigde de Dienst niet in kennis heeft gesteld van ieder nieuw gegeven dat van invloed kan zijn op het bedrag van de voorschotten of van de alimentatievordering en waarvan hij kennis had, wanneer hij wetens en willens een onjuiste of onvolledige verklaring heeft afgelegd of wanneer komt vast te staan dat het onderhoudsgeld op basis van bedrieglijke handelingen of verklaringen werd bepaald.
Het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende de verklaringen af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, is van toepassing.
Art. 18. De ten onrechte uitbetaalde sommen worden door de Dienst voor alimentatievorderingen teruggevorderd door middel van een dwangbevel, overeenkomstig de bepalingen van artikel 94 van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991.
Art. 19. De onderhoudsgerechtigde kan, op straffe van verval, binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel, de tenuitvoerlegging slechts stuiten door een vordering in rechte in te stellen bij de beslagrechter.
Art. 20. De Dienst voor alimentatievorderingen kan voor de terugvordering ten laste van de onderhoudsgerechtigde gebruik maken van het uitvoerend beslag onder derden bedoeld in artikel 14.
Art. 21. De Dienst voor alimentatievorderingen betaalt aan de onderhoudsplichtige de sommen terug die hij onverschuldigd heeft betaald evenals de kosten die daarmee gepaard zijn gegaan.
Deze terugbetaling geschiedt naargelang van de sommen die werkelijk van de onderhoudsgerechtigde worden teruggevorderd.
Afdeling III. - Inlichtingen die moeten worden verstrekt door de openbare diensten, door instellingen en organisaties en door bepaalde openbare ambtenaren en privé-personen
Art. 22. Teneinde de invordering te garanderen zijn de openbare diensten of de instellingen die belast zijn met een opdracht van openbaar nut ertoe gehouden op hun kosten alle nuttige inlichtingen te verstrekken met betrekking tot de bestaansmiddelen, de woonplaats of de verblijfplaats van de onderhoudsplichtige. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de toepassing van deze bepaling.
Zonder afbreuk te doen aan de reglementering met betrekking tot het beroepsgeheim mag de Dienst voor alimentatievorderingen de vrederechter van de woonplaats van de onderhoudsplichtige bij verzoekschrift vragen de privé-personen die hij aanwijst te bevelen alle inlichtingen mee te delen of alle documenten over te zenden in verband met het bedrag van het inkomen of andere goederen van de onderhoudsplichtige.

HOOFDSTUK V. - Ontvangsten en uitgaven met betrekking tot onderhoudsgelden
Afdeling I. - Toerekening van de ontvangsten
Art. 23. Een betaling door de onderhoudsplichtige wordt achtereenvolgens in mindering gebracht van :
1° de invorderingskosten die door de Dienst werden voorgeschoten;
2° de werkingskosten bedoeld in artikel 5;
3° de interesten;
4° de toegekende voorschotten;
5° het verschil tussen het bedrag van de alimentatievordering en het bedrag van het toegekende voorschot;
6° het bedrag van de achterstallen die bestonden op datum van de aanvraag tot tegemoetkoming.
Afdeling II. - Financiële verrichtingen
Art. 24. § 1. De rekenplichtige belast met de ontvangst van het onderhoudsgeld en de betaling van het saldo en de achterstallen, opent een financiële rekening die hij beheert. Deze financiële rekening wordt enkel gebruikt voor de ontvangsten en uitgaven van het onderhoudsgeld, voor de terugbetalingen van de onverschuldigde betalingen door de onderhoudsplichtige en voor de betaling van de invorderingskosten.
De Minister van Financiën stelt de voorwaarden en modaliteiten vast voor de opening, het gebruik en het afsluiten van de financiële rekening.
De Minister van Begroting wordt van de opening en het afsluiten van de financiële rekening op de hoogte gebracht.
§ 2. De beheerskosten van de financiële rekeningen worden ten laste genomen door de dienst waartoe de rekenplichtige behoort.
Art. 25. Alle ontvangsten en uitgaven op de financiële rekening worden geacht te geschieden voor rekening van derden.
De ontvangsten die overeenstemmen met het bedrag van de toegekende voorschotten worden in de schatkist gestort, volgens de modaliteiten en voorwaarden vast te stellen door de Minister van Financiën.
De ontvangsten die overeenstemmen met het bedrag van het saldo van het onderhoudsgeld en van de achterstallen worden gestort aan de onderhoudsgerechtigde, volgens de modaliteiten en voorwaarden vast te stellen door de Minister van Financiën.
De ontvangsten die overeenstemmen met het bedrag van onverschuldigde betalingen worden gestort aan de onderhoudsplichtige, volgens de modaliteiten en voorwaarden vast te stellen door de Minister van Financiën.
Ter betaling van de invorderingskosten worden aan de rekenplichtige geldvoorschotten toegestaan, volgens de modaliteiten en voorwaarden vast te stellen door de Minister van Financiën.
Art. 26. § 1. Indien de rekenplichtige vaststelt dat de invordering van de toegekende voorschotten onmogelijk is, verzoekt hij de Minister van Financiën of zijn gemachtigde om de invorderingsopdracht op te schorten.
Het bedrag waarvan de invordering werd opgeschort wordt geboekt als "voor onbepaalde tijd uitgesteld".
De rekenplichtige gaat opnieuw tot invordering over indien de invordering opnieuw mogelijk is.
§ 2. Indien de rekenplichtige van oordeel is dat toegekende voorschotten definitief oninvorderbaar zijn, kan hij de Minister van Financiën of zijn gemachtigde vragen van de invordering ervan af te zien en ze te annuleren. De rekenplichtige wordt op de hoogte gebracht van de beslissing dat de schuldvordering is geannuleerd.
Art. 27. § 1. Indien de rekenplichtige vaststelt dat de invordering van het saldo van het onderhoudsgeld of van de achterstallen of de interesten onmogelijk is, geeft hij daarvan bij een ter post aangetekende brief kennis aan de onderhoudsgerechtigde.
Het bedrag waarvan de invordering werd opgeschort wordt geboekt als "voor onbepaalde tijd uitgesteld".
Wanneer de onderhoudsgerechtigde nieuwe elementen met betrekking tot het inkomen of het vermogen van de onderhoudsplichtige kan mededelen, kan hij de rekenplichtige verzoeken om opnieuw tot invordering over te gaan.
§ 2. Indien de rekenplichtige van oordeel is dat het saldo van het onderhoudsgeld, de achterstallen of de interesten definitief oninvorderbaar zijn, kan hij de Minister van Financiën of zijn gemachtigde vragen van de invordering ervan af te zien en de schuldvordering te annuleren. De rekenplichtige wordt op de hoogte gebracht van de beslissing dat de schuldvordering is geannuleerd.
De rekenplichtige geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van de beslissing van de Minister van Financiën aan de onderhoudsgerechtigde.

HOOFDSTUK VI. - Fiscale bepalingen
Art. 28. § 1. Artikel 162 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten wordt aangevuld als volgt :
"47° de akten, vonnissen en arresten betreffende de tegemoetkomingen bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën;".
§ 2. Artikel 59-1 van het Wetboek der zegelrechten wordt aangevuld als volgt :
363° de akten, vonnissen en arresten betreffende de tegemoetkomingen bedoeld in de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën;".

HOOFDSTUK VII. - Oprichting van een evaluatiecommissie
Art. 29. Bij de FOD Financiën wordt een commissie tot evaluatie van de wet van 21 februari 2003 tot oprichting van een Dienst voor alimentatievorderingen bij de FOD Financiën, opgericht. De commissie bestaat uit een gelijk aantal leden van elk geslacht. Zij is belast met het jaarlijks opmaken van een evaluatieverslag voor de Minister bevoegd voor de Financiën en voor de Minister bevoegd voor de Begroting, en met het voorleggen van adviezen.
De Minister van Financiën legt het verslag voor aan de federale Wetgevende Kamers, aangevuld met de bemerkingen van de ministers vermeld in het eerste lid.
De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de Commissie.

HOOFDSTUK VIII. - Opheffingsbepaling en inwerkingtreding
Art. 30. De volgende artikelen van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn worden opgeheven :
1° artikel 68bis, ingevoegd bij de wet van 8 mei 1989 en gewijzigd bij de wet van 29 december 1990, het koninklijk besluit van 11 december 2001 en de wet van 26 mei 2002;
2° artikel 68ter , ingevoegd bij de wet van 8 mei 1989 en gewijzigd bij de wet van 29 december 1990;
3° artikel 68quater, ingevoegd bij de wet van 8 mei 1989 en gewijzigd bij de wet van 29 december 1990.
Art. 31. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de zesde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. (Publicatie in het Staatsblad op 28-03-2003! - inwerkingtreding van de wet op 1 oktober 2003!-uitgesteld: zie hieronder volgend document)
Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Gegeven te Brussel, 21 februari 2003.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Financiën,
D. REYNDERS
Met 's Lands zegel gezegeld :
De Minister van Justitie,
M. VERWILGHEN
_______
Nota
(1) Parlementaire verwijzingen :
Stukken van de Kamer van volksvertegenwoordigers :
50-1627-2001/2002 :
- Nr. 1 : Wetsvoorstel van de dames Herzet, Coenen, Burgeon, de heer Verherstraeten, Mevr. Grauwels, de heer J.-J. Viseur en de dames De Meyer, Moerman, Van Weert en Cahay-André.
- Nr. 2 - 9 : Amendementen.
- Nr. 10 : Advies van het Rekenhof.
- Nr. 11 : Advies van de Raad van State.
50-1627-2002/2003 :
- Nr. 12 - 17 : Amendementen.
- Nr. 18 : Verslag.
- Nr. 19 : Tekst aangenomen door de commissie (artikel 77 van de Grondwet).
- Nr. 20 : Tekst aangenomen door de commissie (artikel 78 van de Grondwet).
- Nr. 21 : Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat (artikel 78 van de Grondwet).
Integraal verslag : 23 januari 2003
Stukken van de Senaat :
2-1439 - 2002/2003
- Nr. 1 : Ontwerp niet geëvoceerd door de Senaat.

Publicatie Belgisch Staatsblad : 2003-03-28

Commentaar :

Wij adviseren vanuit onze ervaring aan alle mannen die in scheiding komen zich zoveel mogelijk te onttrekken aan die nieuwe wet door gewoon hun alimentatieverplichtingen na te komen.

Als het gaat om onderhoudsgelden voor hun eigen kinderen mag daar geen seconde over getwijfeld worden. Als het mogelijk is voor de onderhoudsuitkeringen aan hun ex, is het ook best meteen gevolg te geven aan de betaalverplichtingen. Dan is de wet voor de stipte betalers niet van toepassing.

Dan halen ze zich ook geen onnodige ellende op de hals en komen ze nooit door achterstallen in benarde financiële omstandigheden terecht. Dat heeft dan ook geen invloed op de verdere afwikkeling van hun echtscheidingsprocedure en op de omgang met de kinderen.

Deze zienswijze betekent echter niet dat een zwaar getroffen onderhoudsplichtige niet alle wettige middelen hoeft aan te wenden om van zijn onderhoudsgelden tegenover zijn vroegere partner bevrijd te geraken. Bevrijding op wettelijke basis van onderhoudsgeld voor de echtgeno(o)t(e) van weleer betekent vaak nieuwe kansen op een kwalitatief goed geherstructureerd leven in de toekomst.

G.D.

 
 
   
Omhoog
   
 

De gevoelens van vaders zijn niks waard !

Alimentatieverplichting tegenover weigering omgangsrecht


De laatste weken zijn twee onderwerpen niet weg te branden uit de actualiteit: de vele seponeringen van de boycot van het omgangsrecht en het nieuwe Fonds voor Alimentatievorderingen. In deze nieuwsbrief zal je merken dat de discussie rond beide onderwerpen volop leeft.

Volgens de wettenmakers van dit land is het Fonds voor Alimentatievorderingen opgericht voor wie zijn alimentatie niet WIL betalen. Kan best zijn, maar het gevolg is wel dat wie onderhoudsgeld niet KAN betalen er gedurende zes maanden een boete van 10 % bij krijgt, plus nalatigheidsintresten, plus deurwaarderskosten, plus jarenlange vervolging door Financiën. Wie het (b.v. door de scheiding) financieel niet gemakkelijk heeft, wordt door dit Fonds dus nog verder de dieperik ingeduwd. Eigenlijk was het Fonds zelfs overbodig, want er was al een systeem waarbij de onderhoudsbehoeftige via het OCMW een voorschot kan vragen. Het niet betalen van onderhoudsgeld is bovendien een strafrechterlijk misdrijf waar een gevangenisstraf op staat. Eén van onze leden heeft voor het niet betalen van onderhoudsgeld trouwens al eens een paar maanden tussen drugdealers, straatrovers en bankovervallers moeten zitten.

De tijd en energie die de wetgever spendeert aan het Alimentatiefonds staan in schril contrast tot de passiviteit om iets te doen aan de massale overtreding van dat andere familiemisdrijf, de boycot van het omgangsrecht. En de reden is simpel: de staat is niet geïnteresseerd in onze emoties, maar wel in onze centen. Wat kost het de staat als het omgangsrecht van vaders geboycot wordt ? Niks. Wat brengt het de staat op als vaders hun omgangsrecht wel kunnen uitoefenen ? Ook niks. Bij het niet betalen van onderhoudsgeld ligt dat evenwel helemaal anders, want een OCMW-medewerker die een alimentatievoorschot moet recupereren stuurt geen deurwaarder naar een vader die geen werk heeft en in een leeg appartementje woont (omdat de scheidingsrechter hem alleen een stoel, een tafel, een mes en een vork heeft toegewezen). Voor het OCMW wordt dit dus een schuld die afgeschreven wordt. Het Alimentatiefonds daarentegen wordt een dienst van het ministerie van Financiën, en daar is men niet zo begripvol als bij het OCMW: wie zijn belastingen niet betaalt krijgt automatisch een deurwaarder over de vloer. Als die ook de vork en het mes heeft weggehaald verschuift Financiën de openstaande schuld door via de jaarlijkse belastingsbrief.

Het ergste vinden we nog het feit dat een vader via het nieuwe Alimentatiefonds geen aanspraak kan maken op de schuldbemiddeling die bij de oude regeling (via het OCMW) wel mogelijk was. Maar zoals ik al zei: onze emoties interesseren hen niet – wel onze centen. Dat vaders er intussen niet in slagen om uit de (financiële) put te kruipen is ook niet hun zorg, zolang die vaders maar elke maand de boetes en de nalatigheidsintresten betalen …

“Een kei kan je niet stropen”: advocaten gebruiken die uitspraak om te zeggen dat het geen zin heeft een deurwaarder te sturen naar iemand die niets heeft. Onze minister van Financiën zal via het Fonds voor Alimentatievorderingen bewijzen dat men een kei wél kan stropen.

Er gaat bijna geen dag voorbij dat in een televisieprogramma, een krant of een weekblad niet gezegd wordt dat het schandalig is dat het omgangsrecht van gescheiden vaders geboycot wordt. En toch staan gedupeerde vaders alleen in de strijd, want de drie machten van dit land doen niets tegen dat onrecht. De wetgevers vinden dat ze al genoeg gedaan hebben door te zeggen dat het niet mag. Rechters weigeren om serieuze dwangsommen op te leggen of moeders te veroordelen die het omgangsrecht boycotten (in de veronderstelling dat het tot een proces komt uiteraard, want meestal seponeren de parketten de klachten van vaders). En de politie kan (mag ?) niet meer doen dan wat P.V.’s op te maken die de overtredingen vaststellen.

Gescheiden vaders zijn in dit land echt vogelvrij verklaard en zelfs varkens worden beter beschermd ! Niet waar ? Wat dacht u van dit: in het Belgisch Staatsblad van 27 oktober 2003 verscheen het Koninklijk Besluit tot – hou je vast: vaststelling van de officiële Duitse vertaling van het ministerieel besluit van 13 februari 2003 tot wijziging van het ministerieel besluit van 13 november 2002 houdende tijdelijke maatregelen ter bestrijding van de klassieke varkenspest bij everzwijnen en ter bescherming van de varkensstapel tegen de insleep van klassieke varkenspest door everzwijnen. Einde citaat … We vergelijken onszelf hier helemaal niet met varkens, maar we stellen enkel vast dat we nog altijd wachten op de eerste wet die bepaalt dat de verblijfplaats van de kinderen omgekeerd wordt wanneer de moeder het omgangsrecht van de vader drie keer bewust en moedwillig geboycot heeft.

Desondanks blijven we hopen dat onze strijd niet tevergeefs is. We hopen dat de wetgever (m/v) beseft dat zijn wetten toch niet zo goed zijn als hij denkt. We hopen dat rechters beseffen dat zij de sleutel in handen hebben om voor de ommekeer te zorgen. We hopen dat parketten de nul-tolerantie voor boycot van het omgangsrecht zullen invoeren (zoals ze nu doen voor hooligans die na een voetbalwedstrijd de beest uithangen).

Eric Van Camp, voorzitter en Dries De Preter webmaster BGMK.be vzw
Nieuwsbrief BGMK.be - Antwerpen, 1ste jaargang nr. 11, november 2003.

 
 
   
Omhoog
   
 

Ombudsjan op VRT 1 lijkt zich te keren tegen gescheiden mannen

Verontwaardigd bericht van een geëngageerde medewerker van het Samenwerkingsverband van Ouder- en Belangenverenigingen bij Scheiding

Beste allemaal,

Ik ben weer een illusie armer: tot nu heb ik altijd gedacht dat journalisten van onze staatsomroep staatsambtenaren waren die neutraal moeten blijven bij twijfeldossiers. Jan Van Rompaey had vorige week al laten merken dat hij daar ferm zijn voeten aan veegt, toen hij enkele cliënten van een feministische advocate (en betaalde medewerkster van Ombudsjan) liet klagen over de belastingsschuld van hun echtgenoot van wie ze feitelijk gescheiden leven. Wie de uitzending gezien heeft zal met mij akkoord gaan dat de indruk gegeven werd dat enkel gescheiden mannen schulden veroorzaken (volgens Ombudsjan).

Ook deze week (donderdag 6 mei) zijn gescheiden mannen weer de schietschijf. Ombudsjan heeft het namelijk over het niet betalen van onderhoudsgeld en de traagheid waarmee het Fonds voor Alimentatievorderingen opgestart wordt (let vooral op de allerlaatste zin van dit bericht).

In telegramstijl nog even onze argumenten tegen dat fonds:

- het niet-betalen van onderhoudsgeld is een strafrechterlijk misdrijf waar een gevangenisstraf opstaat. Wie niet betaalt kan dit dus meestal niet. Wij roepen dus zeker niet op om het o.h.g. niet te betalen, integendeel zelfs.

- echt hulpbehoevende onderhoudsgerechtigden kunnen nu aan het OCMW een voorschot op het onderhoudsgeld vragen (via het Fonds wordt dat voorschot lichtjes verhoogd). Het feit dat het OCMW nu weinig invordert toont aan dat de onderhoudsplichtigen geen geld hebben.

- de OCMW-schuldbemiddeling voor vaders die niet kunnen betalen valt weg

- enkele weken achterstand bij de betaling van het o.h.g. mag geen reden zijn om opeens superzwaar gestraft te worden. Het Fonds zadelt de vader voor een periode van minstens 6 maanden op met een boete, met nalatigheidsintresten, met dossierkosten en met zware inningskosten (zoals een deurwaarder). En het o.h.g. zelf blijft uiteraard ook nog te betalen. Het niet betalen van o.h.g. blijft bovendien in het strafwetboek staan zodat ook de gevangenisstraf blijft.

Gevolg: wie het financieel al niet breed heeft wordt door het Fonds helemaal de dieperik ingeduwd. Wedden dat Ombudsjan daar donderdagavond geen aandacht voor heeft?

Hoog tijd dus om het samenwerkingsverband vastere vorm te geven, zodat we voortaan wél gehoord worden in deze discussie. Het interesseert onze leden niet WIE van ons hun standpunt verwoordt: donderdagavond zitten ze allen te vloeken voor hun TV.

Dries

uit http://www.tv1.be:

Alimentatieplicht van Vader Staat

In het voorjaar van 2003 komt de federale regering met een prachtig plan op de proppen: het alimentatiefonds ! Dé oplossing voor gescheiden mensen, die te kampen hebben met een ex die niet of te laat betaalt... In 60% van de scheidingen zou het op dat vlak immers fout lopen! De ex-partner heeft het daardoor vaak moeilijk om rond te komen.

Het fonds zou een tweevoudige werking hebben: voorschotten uitkeren (nu een exclusieve bevoegdheid van het OCMW) en tegelijk achterstallen innen bij de wanbetalers. Het zijn vooral gescheiden vrouwen die al bijna 30 jaar vechten voor zo'n instantie en de realisatie ervan zorgde voor een golf van opluchting...

Het fonds zou een feit moeten zijn in september 2003, maar om budgettaire redenen heeft de regering haar amibitieuze plan moeten bijsturen. Duizenden gescheiden mannen en vrouwen, die vaak keihard moeten werken om het alleen te beredderen, staan nu in de kou.

Het alimentatiefonds komt er wel, maar de bevoegdheid beperkt zich tot het innen van achterstallige betalingen. Om aan een voorschot te geraken, moeten gescheiden mensen aankloppen bij het OCMW. Maar vaak ligt hun inkomen net iets te hoog, waardoor ze ook daar uit de boot vallen.

Ombudsjan schaart zich achter hun verontwaardiging en dringt bij de regering aan op wat meer daadkracht.


Commentaar

Uit de uitzending bleek dat inderdaad de indruk werd gewekt dat enkel mannen hun onderhoudsverplichtingen niet nakomen. Eén enkele vrouw kreeg de gelegenheid haar beklag te doen. Het was een vrouw gerecruteerd uit de feministische denkrichting. Een visie vanuit het standpunt van de mannen die vaak niet in staat zijn aan die financiële verplichting te voldoen kwam vanuit de reporters van Ombudsjan niet aan de orde - wat toch bijzonder eigenaardig is bij deontologisch verantwoorde journalistiek. Enkel de ambtenaar van de Dienst voor Alimentatievorderingen kreeg de kans om de legitimiteit van zijn dienst aan te tonen door te stellen dat een vermogensonderzoek van de betrokkenen de grond moet vormen voor alimentatievordering. Daarvan nemen wij met genoegen akte.

 

 
   
Omhoog
   
 

De nieuwe voogdijwet: wat verandert ?


De regels inzake voogdij zoals ze in het Burgerlijk Wetboek van 1804 voorkwamen, betroffen hoofdzakelijk het bestuur van de goederen van een minderjarig kind, en werden toegepast in alle omstandigheden waar een kind geen twee ouders had die ouderlijk gezag over hem konden uitoefenen. Zo viel de voogdij open zodra één van beide ouders overleden was, maar ook voor ieder kind dat slechts één ouder had (omdat afstamming slechts tegenover één ouder vaststond, of omdat het kind slechts door één persoon was geadopteerd en die persoon niet met de ouder van het kind was gehuwd.)

Wat wordt er nu veranderd met de wet die op 29 maart 2001 door de Senaat werd goedgekeurd en eerstdaags in het Staatsblad zal verschijnen ?

1. De voogdij valt niet meer open zolang er één ouder in leven is

De enige ouder of de langstlevende ouder die titularis is van ouderlijk gezag, neemt ook het beheer van de goederen waar, als ouder, niet meer als voogd. Dat is echter minder spectaculair dan het eruit ziet, omdat de enige ouder in het beheer van de goederen geen erg grote zelfstandigheid geniet. Hij of zij moet immers, net zoals de voogd, voor de meeste handelingen die namens het kind worden gesteld, machtiging van de vrederechter verkrijgen. Hij of zij wordt echter niet gecontroleerd door een toeziend voogd, en de machtiging die de vrederechter verleent, is niet afhankelijk van een beraadslaging van de familieraad. Die wordt immers afgeschaft.

2. De voogd wordt door de vrederechter benoemd

Er zal dus slechts een voogd zijn voor het kind dat géén ouder meer in leven heeft. Hiermee moet worden gelijkgesteld het geval waarin de enige ouder, of de langstlevende ouder, afwezig is, verdwenen of in de onmogelijkheid het ouderlijk gezag uit te oefenen. Onder gelding van het B.W. kende men een wettelijke voogd (de langstlevende ouder, of een van de grootouders, en voor de onbekwaam verklaarde, de echtgenoot), of een testamentaire voogd of een datieve voogd (door de familieraad benoemd), al naargelang van de wijze waarop hij werd aangesteld. Nu is er geen wettelijke voogd meer, enkel een voogd die door de vrederechter wordt aangewezen.

Heeft de langstlevende ouder, of de enige ouder, bij testament of bij verklaring (bij de vrederechter of bij de notaris) een voogd aangewezen - of hebben de ouders daarvoor een gezamenlijke verklaring afgelegd - dan zal deze voogd niet in functie treden dan nadat zijn aanwijzing door de vrederechter is gehomologeerd. Afwijking aan de door de ouder(s) uitgedrukte wil moet gemotiveerd zijn, en mag enkel door het belang van het kind zijn ingegeven.

De taak van de voogd wordt aan niemand opgelegd: iedere persoon is thans vrij om te weigeren. Vroeger konden enkel wettelijke gronden van verschoning worden ingeroepen, en werd daarom de voogdij een verplichte functie genoemd.

Er zal zoals voordien een toeziend voogd worden aangesteld, met een opdracht die nu wat nauwkeuriger en strikter wordt omschreven.

3. De familieraad is afgeschaft

Op deze zes mensen (drie aan moederskant, drie aan vaderskant) die onder voorzitterschap van de vrederechter bijeenkwamen om als voogdijorgaan te functioneren, zal niet meer institutioneel een beroep worden gedaan. Maar de vrederechter zal wel individuele familieleden raadplegen, vooral bij de benoeming van de voogd.

4. De taak van de vrederechter is uitgebreid

Er is geen familieraad meer, de vrederechter beslist voortaan alleen - maar hij krijgt ruim de mogelijkheid om informatie in te winnen over wat het best het belang van de minderjarige zal dienen; hij kan ook via het parket een beroep doen op de bevoegde sociale dienst.
De voogd moet de vrederechter ook jaarlijks een rekening en een verslag voorleggen. Dat betekent dus meer werk voor de vrederechter, maar wel voor een kleiner aantal minderjarigen: er zijn gelukkig niet zo heel veel kinderen die tijdens hun minderjarigheid hun beide ouders (of hun enige ouder) verliezen (cijfers zijn echter niet bekend).

5. Er gaat meer aandacht naar de persoon van de minderjarige

De voogd én de vrederechter krijgen ook uitdrukkelijk de opdracht om zich over de opvoeding en de opvang van de minderjarige te ontfermen. Bovendien krijgt de minderjarige inspraak, en er wordt daarvoor niet louter verwezen naar artikel 931 Ger.W. dat het hoorrecht van de minderjarige vastlegt.

De vrederechter moet de minderjarige oproepen en hem horen voor hij een beslissing neemt. Gaat het om de persoon van de minderjarige, is dat het geval zodra hij twaalf jaar oud is, gaat het om zijn vermogen, dan zodra hij vijftien jaar oud is ; en gaat het om de verkoop van 'souvenirs en andere persoonlijke voorwerpen' zelfs 'zodra hij over het vereiste onderscheidingsvermogen' beschikt.

6. De regels inzake het bestuur zijn aangepast

De wetgever wilde die regels 'moderniseren'. Het zijn er teveel om hier nader toe te lichten. We vermelden er enkele: de mogelijkheid om af te zien van een gedetailleerde notariële boedelbeschrijving bij de aanvang van de voogdij (zonder wijziging echter van de regels die gelden bij aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving van een nalatenschap waarin de minderjarige gerechtigd is), en de mogelijkheid om gelden en effecten te laten beheren door een door de Commissie voor Bank- en Financiewezen erkende instelling.

7. En de ouders ?

Deze belangrijke wet die, ondanks haar onvolkomenheden, op het principiële en op het praktische vlak in vele opzichten een verbetering verwezenlijkt, houdt echter ook voor mij een onbegrijpelijke wijziging in.

Er is immers thans bepaald dat ouders die namens hun kinderen handelen, voor al wat het dagelijks beheer overstijgt, door de vrederechter gemachtigd moeten worden. Die inkrimping van hun ouderlijke bevoegdheden werd verantwoord met de mededeling: de belangen van de kinderen moeten beter beschermd worden. Wat dus betekent dat men ervan uitgegaan is dat de ouders niet erg veel vertrouwen waard zijn, of niet als voldoende competent mogen worden geacht, wanneer ze vermogensbeslissingen nemen voor hun kinderen. De vrederechter zal het beter weten. Dat enige vorm van toezicht nodig is, om misbruik te voorkomen, daar kan ik inkomen. Maar waarom moeten de ouders die gezamenlijk ouderlijk gezag uitoefenen vooraf om machtiging vragen, net als de voogd zelf, en kon hun niet méér zelfstandigheid worden toegezegd ?

Hélène Casman

(in De Juristenkrant nr. 29 van 8 mei 2001)

 
   
Omhoog
   
 

WET TOT INVOERING VAN DE WETTELLIJKE SAMENWONING
Belgisch Staatsblad 12.01.99 : art. 1475 tot en met art. 1479

* Om wettelijk te kunnen samenwonen moeten beide partijen aan de volgende voorwaarden voldoen :
- ongehuwd zijn
- niet wettelijk samenwonen met iemand anders

* Een verklaring van wettelijke samenwoning wordt opgesteld door middel van een document.

Dat document bevat de volgende gegevens :

1. Datum van de verklaring
2. Naam, voornamen, plaats en datum van geboorte en de handtekening van de twee partijen
3. De gemeenschappelijke woonplaats
4. De vermelding dat beide partijen wettelijk willen samenwonen.
5. De vermelding dat beide partijen weten wat wettelijk samenwonen betekent
6. Indien beide partijen een overeenkomst hebben gesloten bij de notaris in verband met eigendommen, erfenissen enz., dan wordt dat ook vermeld in het document.

Het document wordt tegen ontvangstbewijs overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeenschappelijke woonplaats. De ambtenaar gaat na of beide partijen voldoen aan de voorwaarden. Als dat zo is, dan wordt het document vermeld in het bevolkingsregister.

* Wettelijk samenwonenden moeten ieder hun deel van de lasten die het samenwonen met zich meebrengt, dragen. Dat gebeurt naar evenredigheid van hun mogelijkheden.

* Beide partijen zijn verantwoordelijk voor iedere schuld die één van hen aangaat.

* Elk van de wettelijk samenwonenden behoudt de goederen waarvan hij kan bewijzen dat hij de eigenaar is. Ook de inkomsten uit deze goederen en de inkomsten uit arbeid behoudt ieder apart.

Kan de eigendom niet bewezen worden, dan zijn de goederen van beiden. Bij het beëindigen van de wettelijke samenwoning worden die goederen gelijk verdeeld. Bij het overlijden van één van de samenwonenden wordt de helft van de overledene beschouwd als een geschenk aan de overlevende.

* De wettelijke samenwoning houdt op wanneer één van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt.

Ze kan ook worden beëindigd in onderlinge overeenstemming of door één van de samenwonenden. Dat kan door middel van een schriftelijke verklaring die tegen ontvangstbewijs wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.


Die verklaring bevat de volgende gegevens :
1. Datum van de verklaring
2. Naam, voornamen, de plaats en datum van geboorte en de handtekening(en)
3. Woonplaats van beide partijen
4. De vermelding van de wil om de wettelijke samenwoning te beëindigen.


De kosten van die formaliteiten worden betaald door hen die de verklaring afleggen.
De ambtenaar van de burgerlijke stand vermeldt dan in het bevolkingsregister de beëindiging van de wettelijke samenwoning.

Indien de verstandhouding tusssen de samenwonenden ernstig verstoord is, dan kan de vrederechter op verzoek van één van de partijen voorlopige maatregelen treffen in verband met de kinderen, de goederen, de verblijfplaats en de andere contractuele verplichtingen van beide samenwonenden. De geldigheidsduur van deze maatregelen mogen niet langer dan 1 jaar bedragen.

Samenvatting Tonia Hamal - Bilzen


 
   
Omhoog
     
     
   
Laatste update : 5 juni 2014 | Vragen welkom bij : Webmaster Top | Home