Wetsvoorstel
tot wijziging van verschillende bepalingen over het recht van minderjarigen
om door de rechter te worden gehoord
(Ingediend door Sabine de Bethune en Martine Taelman)
Wetgevingsstuk nr. 5-115/1
TOELICHTING
1. Het recht van minderjarigen om
gehoord te worden : de huidige regelgeving
Het hoorrecht van kinderen werd in 1994 ingeschreven in artikel
931 van het Gerechtelijk Wetboek, om vertaling te geven aan artikel
12 van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind.
Dat artikel stelt dat iedere minderjarige zijn mening mag uiten
in iedere juridische of administratieve procedure die hem aanbelangt.
Krachtens artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek kan de minderjarige
die over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt, in elk geding
dat hem betreft, op zijn verzoek of op beslissing van de rechter,
worden gehoord door de rechter of door de persoon die deze aanwijst,
zonder dat de partijen bij dat onderhoud aanwezig zijn.
Deze regeling, die ook wel het « gemeenrechtelijk »
hoorrecht genoemd wordt, betreft derhalve een facultatieve mogelijkheid
voor het horen van de minderjarige : het initiatief hiervoor kan
zowel van de minderjarige zelf uitgaan als van de rechter. Indien
de rechter beslist om de minderjarige te horen, kan deze evenwel
weigeren. Indien het initiatief uitgaat van de minderjarige, kan
de rechter slechts weigeren het kind te horen bij een speciaal gemotiveerde
beslissing, uitsluitend gegrond op het feit dat de minderjarige
niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Artikel
931 van het Gerechtelijk Wetboek hanteert bijgevolg het beschikken
over het vereiste onderscheidingsvermogen als criterium. Tegen de
beslissing van de rechter om de minderjarige al dan niet te horen
is geen hoger beroep mogelijk.
Daarnaast werd in de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming
een nieuw artikel 56bis opgenomen, dat de jeugdrechter verplicht
om elke minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt
op te roepen in burgerlijke geschillen die verband houden met het
ouderlijk gezag, het beheer van de goederen van de minderjarige,
de uitoefening van het bezoekrecht of de aanwijzing van een toeziend
voogd.
In tegenstelling tot artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek
betreft het hier een oproepingsplicht, waarop geen uitzondering
mogelijk is, en wordt de minimumleeftijd van twaalf jaar als criterium
gehanteerd. De jeugdrechter heeft wel steeds de mogelijkheid om
een minderjarige onder de leeftijd van twaalf jaar te horen indien
hij dit aangewezen acht (artikel 51, eerste lid, van de jeugdbeschermingswet).
2. De onvolkomenheden van de huidige
regelgeving
Dat het hoorrecht is ingevoerd in het Belgische interne recht
is uiteraard een goede zaak. Het betekent een belangrijke stap voorwaarts
in de juridische erkenning van het kind als rechtssubject, vooral
omdat er in artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek een algemene
draagwijdte aan werd gegeven die verder reikt dan de echtscheidingsprocedures
(Deli, D., « Het horen van minderjarigen volgens het gewijzigde
artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek », Rechtskundig Weekblad,
1995, nr. 36, blz. 275).
In de bestaande regelgeving zijn er nochtans heel wat onvolkomenheden.
Enerzijds is er de vaststelling dat zowel artikel 931 van het Gerechtelijk
Wetboek als artikel 56bis van de jeugdbeschermingswet elk op hun
eigen wijze en met hun eigen voorwaarden het horen van de minderjarige
regelen. Artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek voert een facultatieve
hoormogelijkheid in voor minderjarigen die over het vereiste onderscheidingsvermogen
beschikken, en dit in elk geding dat hen betreft. Artikel 56bis
van de jeugdbeschermingswet daarentegen voorziet in een oproepingsplicht
van alle minderjaringen vanaf twaalf jaar in een aantal limitatief
opgesomde materies.
Logica, coherentie en rechtszekerheid zijn hierdoor ver zoek.
Het hoorrecht wordt immers verschillend gewaarborgd naargelang de
bevoegde rechtbank, ook al gaat het soms om dezelfde materies.
Enkele voorbeelden kunnen dit illustreren.
Volgens het gemeenrechtelijk hoorrecht moet een twaalfjarige die
wil worden gehoord in een procedure voor de vrederechter over wie
van de ouders het ouderlijk gezag zal uitoefenen, de vrederechter
hierom (schriftelijk) verzoeken. De vrederechter kan dit verzoek
afwijzen, indien hij meent dat de minderjarige niet over het vereiste
onderscheidingsvermogen beschikt.
Indien dit identieke geschil door de jeugdrechter moet worden
beslecht, wordt de minderjarige, overeenkomstig artikel 56bis van
de jeugdbeschermingswet, wél verplicht opgeroepen om met
de jeugdrechter te praten.
Tijdens de echtscheidingsprocedure wordt de omgang en het verblijf
geregeld voor de rechtbank in kort geding, waar geen oproepingsplicht
bestaat (gemeenrechtelijke regeling) en de minderjarige zelf de
vraag moet stellen om gehoord te worden. Eens de scheiding een feit
is, wordt de jeugdrechter bevoegd voor discussies inzake omgang
en verblijf. Daar wordt de minderjarige (vanaf twaalf jaar) dan
weer wél verplicht opgeroepen.
Anderzijds kunnen er ook bezwaren gemaakt worden bij het grotendeels
facultatieve karakter van het horen van minderjarigen binnen de
regeling van artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek. Minderjarigen
krijgen hierdoor onvoldoende garanties om het hoorrecht uit te oefenen.
Knelpunt is het feit dat artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek
niet voorziet in een systematische oproepingsplicht, maar enkel
stipuleert dat minderjarigen kunnen worden gehoord, hetzij op eigen
initiatief, hetzij op initiatief van de rechter.
Wat de minderjarige zelf betreft, bestaat het risico dat hij niet
eens op de hoogte is van het feit dat er een geschil hangende is
waarin hij zou kunnen worden gehoord of, als hij daarvan al op de
hoogte is, niet weet bij welke rechter hij terecht kan of wat de
stand van het geding is. Vaak weten kinderen trouwens niet eens
dat ze een mogelijkheid tot tussenkomst hebben.
Daarnaast bestaat het gevaar dat de minderjarige geen initiatief
durft te nemen om gehoord te worden, hetzij omdat hij onder zware
druk wordt gezet door zijn omgeving, hetzij omdat hij zelf geen
loyauteitsconflicten wenst te creëren (Deli, D., l.c., nr.
38).
Wat de rechter betreft, is het risico reëel dat hij enkel
de beslissing tot het ambtshalve horen zal nemen indien hij op basis
van de door partijen verstrekte gegevens niet tot een besluit kan
komen. Het hoorrecht wordt aldus meer een middel om een geschil
te beslechten dan een recht van het kind zelf (Maes, C., Stappers,
L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red) Mogen wij
nu iets zeggen ? Over kinderen, echtscheiding en hun recht om gehoord
te worden, Brugge, Die Keure, 1996, 17).
Bovendien kunnen we ons vragen stellen bij de grote discretionaire
bevoegdheid van de rechter wanneer de minderjarige zelf verzoekt
om te worden gehoord. Het komt de rechter immers toe om te oordelen
of de minderjarige over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt.
De vraag rijst op welke basis de rechter daarover oordeelt. Het
risico is denkbeeldig dat een druk bezet magistraat sneller oordeelt
dat een minderjarige niet over voldoende onderscheidingsvermogen
beschikt. Hoe kan de rechter trouwens het onderscheidingsvermogen
van een minderjarige beoordelen zonder hem op voorhand te hebben
gezien ? De rechter is weliswaar verplicht zijn weigering een kind
te horen afdoende te motiveren, maar deze motivering kan niet getoetst
worden gezien hoger beroep niet mogelijk is. Dit leidt niet alleen
tot een uitholling van de motiveringsplicht, maar in sommige gevallen
zou dit wel eens kunnen leiden tot een uitholling van het hoorrecht
zelfs (Deli, D., l.c., nr. 21). Een minderjarige die wenst gehoord
te worden is bijgevolg afhankelijk van het subjectieve oordeel van
de rechter.
3. Ons voorstel : oproepingsplicht
van minderjarigen vanaf zeven jaar
a) Oproepingsplicht gekoppeld
aan verschijningsplicht
Met dit wetsvoorstel pleiten wij ervoor om het recht van minderjarigen
om gehoord te worden effectief te waarborgen door het te koppelen
aan een oproepingsplicht en een verschijningsplicht.
De oproepingsplicht is de verplichting van de rechter om de minderjarige
bij elke procedure waarin hij betrokken is op te roepen. De verschijningsplicht
is de verplichting van de minderjarige om voor de rechter te verschijnen
wanneer hij wordt opgeroepen voor een gesprek.
De oproepingsplicht heeft tot gevolg dat iedere minderjarige automatisch
wordt ingelicht over de ingeleide procedure en zo de kans krijgt
om te beslissen over de uitoefening van het spreekrecht. Het kind
beschikt immers over een spreekrecht, geen spreekplicht : het is
bij verschijning niet verplicht te spreken (Maes, C., Stappers,
L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red), o.c., 18-19).
In ons voorstel hebben wij het bewust over het « spreekrecht
» van minderjarigen, eerder dan de gebruikelijk gehanteerde
term « hoorrecht ». Vanuit de positie van het kind gaat
het immers om het recht om te spreken en niet om het recht om te
horen (Deli, D., l.c., noot onder 1 en Maes, C., Stappers, L., Bouteligier,
L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red), o.c., 18).
Wij onderschrijven de mening van de « Werkgroep artikel
12 » dat het spreekrecht van kinderen zodanig moet worden
georganiseerd dat het kind er optimaal gebruik van kan maken. Dit
betekent dat alle mogelijke hinderpalen moeten worden weggewerkt,
zonder daarbij evenwel het evenwicht tussen de participatie van
het kind en de bescherming van het kind uit het oog te verliezen
(Maes, C.; Stappers, L.; Bouteligier, L.; Degrande, D. en Van Gils,
J. (red), o.c., 14). « Werkgroep artikel 12 » bestaat
uit praktijkmensen uit de juridische wereld (magistraten, advocaten,
juristen, ...) en de psychologische wereld (psychologen en pedagogen)
die, sedert 1992, vrijwillig en actief nadenken over hoe het recht
van minderjarigen om gehoord te worden in gerechtelijke procedures
moet worden geconcretiseerd.
Tegenstanders van het verplicht horen van kinderen voeren onder
meer aan dat door het horen van kinderen in echtscheidingsprocedures
deze in het midden van een conflict terechtkomen. Zij vrezen ook
dat het aantal conflictueuze situaties tussen ouders en kinderen
zal toenemen.
Volgens de « Werkgroep artikel 12 » is het «
inderdaad evident dat vanuit het standpunt van de kinderen het beter
is dat er geen conflicten, geen echtscheidingen en geen procedures
zijn. Maar intussen zijn die er wél en hebben kinderen ermee
te maken of ze dat nu willen of niet. Het is dan belangrijker met
de kinderen rekening te houden en hen ernstig te nemen en hen zodoende
minstens de mogelijkheid te geven hun stem te laten horen dan alles
over hun hoofd heen te laten gebeuren. Door het inleiden van een
procedure alleen al zijn de kinderen betrokken in het conflict.
Ze overal buitenlaten is niet alleen een miskenning van hun recht
op een eigen benadering en mening, maar kan daarenboven de onzekerheid
voeden. Niettemin zal de wijze waarop men met dit spreekrecht omspringt
doorslaggevend zijn voor het belang van het kind : de loyauteit
van kinderen ten aanzien van beide ouders moet absoluut gerespecteerd
worden en het manoeuvreren van kinderen in een machtspositie dient
vermeden te worden » (Maes, C.; Stappers, L.; Bouteligier,
L.; Degrande, D. en Van Gils, J. (red), o.c., 16).
Ook het Kinderrechtencommissariaat beklemtoont dat het betrekken
en horen van kinderen niet enkel een fundamentele erkenning inhoudt
van het kind als persoon maar daar bovenop ook nog preventief kan
inwerken op mogelijke problemen op een later tijdstip [Jaarverslag
Kinderrechtencommissariaat 1998-1999, Vlaams Parlement, Stuk nr.
42 (1999-2000) nr. 1, p. 135]. Hoewel kinderen bij een echtscheiding
geen juridische partij zijn en ook geen verantwoordelijke partij,
zijn zij wel degelijk betrokken partij. Hun betrokkenheid blijkt
onder meer uit cijfers van verzoeken en/of vragen die daarover binnenkomen
bij bijvoorbeeld de Kinderrechtswinkel, de Kinder- en Jongerentelefoon
en bij het Kinderrechtencommissariaat (ibidem).
Andere tegenstanders beweren dat de oproepingsplicht van kinderen
een gevaar inhoudt van beïnvloeding van het kind door de ouders
of van een te zware psychologische belasting van het kind.
De kans dat het kind gemanipuleerd wordt bestaat steeds. Maar
wij zijn van mening dat deze kans juist groter is indien het horen
facultatief is, omdat het risico inherent is dat het kind, onder
druk van (één van) zijn ouders, niet durft te vragen
om gehoord te worden (zie ook boven).
Ook hier delen wij de mening van Werkgroep artikel 12 dat de oproepingsplicht
de positie van het kind ten aanzien van zijn ouders precies duidelijker
maakt. Het belang van beïnvloeding wordt immers een stuk afgezwakt,
omdat het kind verplicht wordt opgeroepen voor de rechter en de
ouders op dit vlak geen impact meer hebben. De ouders zullen het
verschijnen van het kind als een verplichte formaliteit binnen een
procedure moeten beschouwen (Maes, C., Stappers, L., Bouteligier,
L., Degrande, D. en Van Gils, J. (red.), o.c., 18).
b) Voor alle kinderen vanaf zeven
jaar
In ons voorstel geldt de oproepingsplicht voor alle burgerlijke
procedures die betrekking hebben op minderjarigen die de leeftijd
van zeven jaar hebben bereikt.
Het huidige artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek bevat geen
leeftijdscriterium, maar kent een spreekrecht toe aan die minderjarige
die over voldoende onderscheidingsvermogen beschikt. Artikel 12
van het Kinderrechtenverdrag daarentegen heeft het over «
het kind dat in staat is zijn of haar mening te vormen ».
Dit criterium is minder streng dan het « beschikken over voldoende
onderscheidingsvermogen ». Wij zijn van oordeel dat ook jongere
kinderen in staat zijn om een mening te hebben, om een klare en
eerlijke kijk op hun dagelijkse leefsituatie te hebben en aan een
rechter te vertellen wat ze voelen en wat ze denken in aangelegenheden
die hen persoonlijk aanbelangen. Uit de bestaande praktijk blijkt
dit al het geval te zijn bij vrij jonge kinderen (van zes tot acht
jaar). Het lijkt ons dan ook realistisch om het invoeren van de
oproepingsplicht te laten ingaan vanaf zeven jaar, zijnde de leeftijd
waarop een kind verbaal zijn mening behoorlijk kan weergeven (zie
ook Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L., Degrande, D. en Van
Gils, J. (red.), o.c., 21), hoewel we ons er van bewust zijn dat
het vastleggen van een bepaalde leeftijd steeds enigszins arbitrair
en subjectief is.
De oproepingsplicht voor minderjarigen vanaf zeven jaar betekent
niet dat jongere kinderen in geen enkel geval hun mening kunnen
uiten. De mogelijkheid om ook jongere kinderen op te roepen moet
daarom blijven bestaan, voor het geval zij hierom zelf verzoeken
(alhoewel dit misschien niet zoveel zal voorkomen), maar vooral
om ook jongere kinderen uit eenzelfde gezin mee te kunnen oproepen.
Zo is het bijvoorbeeld belangrijk om alle kinderen uit een zelfde
gezin te horen om te vermijden dat enkel de oudsten het gewicht
dragen van het gesprek (Maes, C., Stappers, L., Bouteligier, L.,
Degrande, D. en Van Gils, J. (red.), o.c., 21). Op deze wijze krijgt
de rechter een completer zicht op de verhoudingen en de wisselwerkingen
binnen het gezin.
Voor de minderjarigen jonger dan zeven jaar blijft de huidige
regeling de facultatieve hoormogelijkheid van artikel 931 van het
Gerechtelijk Wetboek dan ook behouden, mits enkele wijzigingen.
Dit betekent dat minderjarigen jonger dan zeven jaar door de rechter
kunnen worden gehoord in burgerrechtelijke geschillen die hen betreffen,
hetzij op initiatief van de rechter zelf (waarbij ook zij beschikken
over het zwijgrecht), hetzij op eigen verzoek.
In het laatste geval kan een rechter slechts weigeren het kind
te horen bij een speciaal gemotiveerde beslissing, uitsluitend gegrond
op het feit dat de minderjarige niet over het vereiste onderscheidingsvermogen
beschikt of om reden dat het een zaak betreft van kennelijk ondergeschikt
belang. Een andere grond komt niet in aanmerking.
Een belangrijke nieuwigheid in ons voorstel is dat een rechter
slechts kan beslissen dat een minderjarige niet over het vereiste
onderscheidingsvermogen beschikt als hijzelf (of de persoon die
hij heeft aangewezen) dit persoonlijk heeft vastgesteld. Dergelijke
beslissing vereist dus dat de rechter (of de persoon die hij heeft
aangewezen) de minderjarige voorafgaandelijk heeft ontmoet, en kan
niet meer genomen worden zonder de minderjarige te zien, louter
op basis van de brief van de minderjarige.
c) Uitzondering
In ons voorstel bieden wij de rechter de mogelijkheid om bij gemotiveerde
beslissing af te wijken van de oproepingsplicht, wanneer het een
zaak betreft van kennelijk ondergeschikt belang.
Aldus wordt vermeden dat de rechter de minderjarige ook moet oproepen
in geval van vrij minieme geschilpunten tussen de ouders of ingeval
het slechts bijkomstige aspecten van de problematiek van gezag of
omgang betreft. De afwijkingsgrond moet uitdrukkelijk aangetoond
worden in de beslissing van de rechter. Ook in het Nederlandse recht
is de verplichting tot horen de regel, maar kan een uitzondering
gemaakt worden inden « naar het oordeel van de rechter het
een zaak van kennelijk ondergeschikt belang betreft » (Senaeve,
P., « De invoering van het hoorrecht van minderjarigen »,
in De hervorming van het jeugdbeschermingsrecht, Senaeve, P. en
Peeters, J. (eds), Leuven, Acco, 1994, 133, nr. 240).
De minderjarige dient hiervan op de hoogte gesteld te worden en
beschikt over de mogelijkheid om bewaar aan te tekenen tegen deze
beslissing, mondeling of schriftelijk, wat inhoudt dat de rechter
verplicht wordt om de argumenten van het kind te horen.
d) Gerichte opleiding van magistraten
Voor een efficiënte hoorrechtpraktijk is het noodzakelijk
dat rechters een gerichte opleiding krijgen in het horen van kinderen.
Uit praktijkonderzoeken is gebleken dat rechters vaak terughoudend
zijn om (jonge) kinderen te horen. Deze terughoudendheid vloeit
voort uit een gebrek aan ervaring met het horen en uit het feit
dat rechters niet opgeleid werden om dergelijke gesprekken met kinderen
te voeren, noch om de woorden van (vooral jonge) kinderen te duiden.
Wij menen dat het gebrek aan deskundigheid geen argument kan zijn
om aan de uitoefening van het spreekrecht van kinderen beperkingen
op te leggen.
Daarom pleiten wij voor een goede opleiding van rechters die hen
in staat moet stellen om zelf deskundigheid te verwerven. «
Werkgroep artikel 12 » heeft, in samenwerking met de centra
voor geestelijke gezondheidszorg, een gespecialiseerde cursus voor
rechters uitgewerkt, met als titel « Hoe hoor ik kinderen
? ». Die cursus had als doel de rechters meer inzicht te geven
in de psychologie en de ontwikkeling van het kind en hen te leren
op welke wijze een gesprek met kinderen het best wordt gevoerd.
In de periode oktober 1994-oktober 1995 werd de cursus, bestaande
uit zes sessies, in diverse arrondissementen door een negentigtal
magistraten gevolgd.
Wij zijn van oordeel dat rechters die in de praktijk met kinderen
worden geconfronteerd zouden moeten worden verplicht om een dergelijke
opleiding te volgen.
e) Concrete uitwerking van het
horen van minderjarigen
Het zesde lid van het huidige artikel 931 van het Gerechtelijk
Wetboek bepaalt dat de minderjarige alleen wordt gehoord, behalve
wanneer de rechter in het belang van de minderjarige beslist dat
hij moet worden bijgestaan.
Die bijstand aan de minderjarige kan worden verleend door een
vertrouwenspersoon van de minderjarige, een arts, een maatschappelijk
assistent, een psycholoog, ..., of eventueel door een advocaat.
Zowel vanuit juridisch als vanuit psychologisch standpunt is deze
mogelijkheid uiterst waardevol. Door de aanwezigheid van een vertrouwenspersoon
zal een kind vaak meer op zijn gemak zijn en gemakkelijker en meer
vrijuit spreker (Deli, D., l.c., nr. 26).
Minder gelukkig is echter dat de rechter souverein beslist of de
minderjarige al dan niet wordt bijgestaan. Gezien het gaat over
het spreekrecht van de minderjarige, is het de minderjarige zelf
die hierover moet kunnen beslissen (Deli, D., l.c., ibidem). Vandaar
ons voorstel dat de minderjarige zich kan laten vergezellen door
een vertrouwenspersoon. We hebben geopteerd voor de term «
vergezellen » omdat het verlenen van bijstand een specifieke
betekenis heeft in de handelingsonbekwaamheidsregeling van de ontvoogde
minderjarige (Deli, D., l.c., ibidem).
Ten slotte willen we er nog op wijzen dat de rechter bij het begin
van het onderhoud duidelijk moet maken aan de minderjarige wat de
bedoeling is van dit onderhoud. Het gaat er om dat de rechter inzicht
krijgt in zowel de dagdagelijkse leefwereld van de minderjarige,
als in de persoonlijke belevingen van de minderjarige in de problematische
situatie. Er wordt van de minderjarige dus niet verwacht dat hij
een keuze maakt tussen één van beide ouders. Aan de
minderjarige moet van meet af aan duidelijk gemaakt worden dat er
geen stellingname wordt verwacht. Het kind verplichten voor één
van zijn ouders te kiezen is niet alleen traumatiserend, maar kwetst
eveneens het kind in zijn fundamentele loyauteit tegenover zijn
beide ouders. Het hoeft geen betoog dat dit indruist tegen het belang
van het kind.
De rechter moet aan de minderjarige verduidelijken dat hij naar
hem zal luisteren en dat zijn mening belangrijk is, maar dat hijzelf,
de rechter, uiteindelijk de beslissing zal nemen. De mening van
de minderjarige is bijgevolg belangrijk, maar niet doorslaggevend.
Vandaar de bepaling in ons wetsvoorstel dat de rechter « passend
belang » zal hechten aan de mening van de minderjarige, afhankelijk
van diens leeftijd en rijpheid.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 2
Het nieuwe derde lid voert de verplichting in voor de rechter
om de minderjarige die de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt
te horen in elk geschil dat op de minderjarige betrekking heeft.
Het vierde lid heeft betrekking op het horen van minderjarigen
die nog geen zeven jaar oud zijn.
In de volgende leden wordt de regeling van het horen van minderjarigen
verder uitgewerkt.
Artikel 3
Dit artikel verplicht rechters die te maken krijgen met minderjarigen
een gerichte vorming te volgen over het horen van minderjarigen.
Artikelen 4 en 5
Deze bepalingen heffen de artikelen 51 en 56bis van de jeugdbeschermingswet
op. Het horen van minderjarigen door de jeugdrechter wordt voortaan
ook geregeld bij artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals
gewijzigd door dit voorstel.
WETSVOORSTEL
Artikel 1
Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van
de Grondwet.
Art. 2
In artikel 931 van het Gerechtelijk Wetboek worden het derde tot
het zevende lid, ingevoegd bij de wet van 30 juni 1994, vervangen
door de volgende leden :
« Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn
vrijwillige tussenkomst en zijn toestemming, wordt de minderjarige
die de leeftijd van zeven jaar heeft bereikt, door de rechter of
door de persoon die deze aanwijst, gehoord in elk geschil dat hem
betreft, tenzij de rechter bij een speciaal gemotiveerde beslissing
oordeelt dat het een zaak betreft van kennelijk ondergeschikt belang.
Tegen deze weigering van de rechter kan de minderjarige bezwaar
aantekenen.
Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende zijn vrijwillige
tussenkomst en zijn toestemming, kan de minderjarige die de leeftijd
van zeven jaar niet heeft bereikt, in elk geding dat hem betreft,
op zijn verzoek of bij beslissing van de rechter, worden gehoord
door de rechter of door de persoon die deze aanwijst. De rechter
kan het verzoek van de minderjarige om te worden gehoord enkel weigeren
bij een speciaal gemotiveerde beslissing nadat hijzelf of de persoon
die hij daartoe heeft aangewezen, heeft vastgesteld dat de minderjarige
niet over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Hij kan
eveneens weigeren om de minderjarige te horen om de reden bepaald
in het tweede lid. Tegen deze weigering van de rechter kan de minderjarige
bezwaar aantekenen.
De minderjarige is verplicht aan de oproeping van de rechter gevolg
te geven. Hij kan evenwel weigeren om de vragen te beantwoorden.
Deze weigering moet worden meegedeeld bij de aanvang van het onderhoud
met de rechter.
Het horen van de minderjarige heeft niet tot gevolg dat hij partij
in het geding wordt. Aan de mening van de minderjarige wordt passend
belang gehecht in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.
De partijen zijn bij het onderhoud niet aanwezig. De daaraan verbonden
kosten worden in voorkomend geval over de partijen verdeeld.
De minderjarige wordt alleen gehoord of kan zich laten vergezellen
door een vertrouwenspersoon.
Het onderhoud geschiedt op een plaats die door de rechter geschikt
wordt geacht. Van het onderhoud wordt een proces-verbaal opgemaakt
dat een samenvatting bevat van het onderhoud en dat bij het dossier
van de rechtspleging wordt gevoegd, zonder dat evenwel een afschrift
ervan aan de partijen wordt bezorgd. »
Art. 3
In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 931bis ingevoegd, luidende
:
« Art. 931bis. De Koning bepaalt welke bijzondere opleiding
moet worden gevolgd door rechters die oordelen in geschillen die
minderjarigen betreffen. »
Art. 4
Artikel 51 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming,
gewijzigd bij de wetten van 21 maart 1969 en 2 februari 1994, wordt
opgeheven.
Art. 5
Artikel 56bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 2 februari
1994, wordt opgeheven.
Sabine de Bethune
Korte commentaar :
Dit wetsvoorstel is een loffelijke poging om het hoorrecht
of zoals in de tekst het "spreekrecht" van de kinderen
in zaken die henzelf betreffen in procedures , te verfijnen. Het
steunt ook op gedegen voorafgaande studie. Wij blijven bij ons standpunt
dat dit recht van kinderen een bijzonder delicate materie is, die
veel tact en invoelingsvermogen vergt. Het risico dat het dit recht
in echtscheidingsaangelegenheden de tegenstellingen tussen de ouders
nog kan vergroten is niet echt denkbeeldig. Het is wel normaal dat
kinderen de kans wordt gegeven niet om partij te kiezen, maar toch
om hun visie op de te beslissen situatie uit te brengen. Hun loyaliteitsgevoel
ten overstaan van beide ouders wordt wel op de proef gesteld, hoe
verfijnd het verhoor ook wordt afgenomen. Verder is onze heiligste
huiver de beïnvloeding vooraf voor het horen van de kinderen
door één van de betrokken partijen, doorgaans de partij
(de moeder) bij wie het kind inwoont. Dat zet de verklaring van
de kinderen volslagen op de helling. De indienster Mevrouw de Béthune
is zich bewust van dit gevaar, maar ze stapt over dit bezwaar al
te lichtvaardig heen.
G.D.
|