Lieve Leugens (fragment)
Hoofdstuk één
'Ellen, slaap je?'
'Nee. Ik droom.'
'Denk je aan mama?'
'Ja. Ik denk altijd aan mama.'
'Mama wil je volgende week zien.'
'Ik weet het.'
'Ga je naar haar toe?'
'Misschien.'
'Neem je de bus of zal ik je rijden?'
'Ik neem de bus wel, papa.'
Er tikken drie elfjes tegen de ruit.
Het gele elfje strekt haar dunne armpjes uit en zegt: 'Het is
allemaal niet zo erg.'
Het blauwe verfrist mijn voorhoofd met één regendruppel.
Het rode elfje draagt witte kousen en zilveren muiltjes. 'Kom
maar. Volg ons.'
De koorts neemt toe.
'Alleen als mijn vogeltje mee mag.'
Ik grijp m'n grasparkiet stevig vast en wandel met hem de tuin
in. De elfjes houden hun toverstokjes rechtop.
'Laat je vogel vrij,' zegt het gele elfje zacht.
Het zweet dampt koud over mijn lichaam. Mijn nachtkleed kleeft
tegen mijn buik.
'Geef hem één kus,' fluistert het blauwe elfje.
Hoe mooi fladdert de parkiet de donkere nacht in.
'Over de oceanen naar de sterren en de maan,' zegt het rode
elfje.
In het vochtige gras leun ik tegen de grasmaaier.
'Slaap nu. We dekken je toe met warme wolken,' zingen de elfjes
.
's Morgens vindt de dikke man mij. Hij wikkelt mij in een deken.
'Arm kind. Je vat nog een kou.'
Achter de grasmachine ligt een gewurgde vogel.
Hoofdstuk 2
Tijdens het weekeindbezoek is de cafetaria geopend. Er kunnen
warme drank, frisdrank en broodjes besteld worden. Bonnetjes
zijn te verkrijgen bij de portier. U mag wekelijks één pakje
ontvangen dat ter controle moet worden voorgelegd.
Mama zit bleek voor me. Een koude tafel tussen ons in. In de
hoek van de bezoekerszaal spelen enkele kleuters in een
ballenbad.
Ze heeft haar blonde haar opgestoken en drinkt haar glas melk
als een kind: er blijft een witte rand om haar lippen zitten.
Dan leunt zij achterover in haar stoel. Haar voorhoofd glanst
een beetje. Ze draagt haar gouden oorringen.
'Hoe gaat het met mijn Motje?'
Ik haal mijn schouders op. Moet ik haar vertellen dat ik mij
iedere nacht in slaap huil? Dat de angst zich verkleedt in
nachtmerries over vogels en dikke mannen?
'Je hebt roze lipstick op.'
Ik lach door mijn tranen heen.
'Het spijt me dat ik geen pralines voor je heb meegebracht.'
Mama haalt een papiertje uit haar broek en legt het voor me.
'Lees dat eens, Ellen.'
Dat ik opnieuw haar mooie handschrift zie, ontroert me. Ik lees
luidop:
'Krullen bij de kapper: voor hem. Negen kilo minder: voor hem.
Ademen: met hem. De eerste kerst sinds vijftien jaar: zonder
hem. Zestien jaar: onder hem. In de gevangenis: door hem.'
Hém: dat is mijn papa. Wat moet ik hier nu mee? Mama glimlacht
een beetje verlegen.
'Ik hield van papa,' zegt ze. 'Echt waar, Motje. Je moet me
geloven.'
Dan kijkt ze naar haar gelakte nagels en zegt vrolijk: 'Van
Pierre, mijn begeleider, mag ik elfjes maken! Goed, hé.'
'Elfjes?' Ik probeer vooral niet te denken aan de elfjes uit
mijn droom. Of aan de dikke man.
Mama draait haar hoofd naar de binnenkoer en zegt:
'Weet je niet wat een Elfje is, schat? Een Elfje is een rijmpje
van elf woorden.'
Ik kijk naar haar grijze bezoekschort.
'Oh.'
'Zoiets als: Stijf/de kleuren aan mijn lijf/vijf tinten van
grijs/ijselijk.' Ze heeft zich een beetje mooi gemaakt met
eyeliner en oogschaduw die ze in de kantine kan kopen.
'Zal ik je eens over Pierre vertellen? Pierre is een goedaardige
reus. Ik mag nu en dan op z'n gelaarsde voet dansen.'
Daar heb je 't weer: dat geflirt met woorden. Ik leg mama's
tekst als een heilig voorwerp tussen ons in .
'Gisteren mocht ik van hem mijn leven in drie kleuren
samenvatten,' vertelt ze.' Een soort therapie.'
'Therapie?'
Terwijl haar mondhoeken neerwaarts krullen, buigt ze zich
voorover. Ik hang aan haar lippen.
'Zwart/blauw/grijs... heb ik hem gezegd. Hij keek er raar van
op, Motje.'
'Ik eigenlijk ook, mama. Hoe kom je aan zwart?'
'Na m'n zesde. Toen je opa vertrok en nooit meer terugkwam. Een
zwarte periode in mijn leven.'
Het enige wat ze me ooit over die periode heeft verteld is dat
ze gezien heeft hoe haar stiefvader Herman haar moeder van de
trap had geduwd. Oma brak toen al haar botten.
'Maar later kwam blauw.'
'Ja. Veel later. Toen papa en ik jou adopteerden. Motje met de
indianenoogjes. Blauw dus. Staat voor hemels. Je was een kind
uit de hemel.'
'En grijs?' Ze gaat hier niet écht op in. Wat is er misgegaan
tussen papa en haar?
'Draai dat blad eens om,' zegt ze vriendelijk. Dan staat ze op,
schraapt ze haar keel en salueert als een soldaat: '6.55: ik sta
op. 6.56: ik houd mijn kop onder de kraan, 6.57: ik poets mijn
tanden, 6.58: ik ontbijt, 7.00: ik drink slechte koffie, 7.01:
ik verlaat mijn cel…'
In de hoek zie ik hoe de cipier ons als een slangenbezweerder in
het oog houdt. Mama zegt dat ze onbekwaam en corrupt is en toont
me de afdruk van tanden in haar hals. Ik schrik.
'Dat heeft die cipier toch niet gedaan?'
'Nee. Tinne, een gevangene. Zij heeft gisteren in mijn nek
gebeten,' zegt ze. 'De zottin stak haar ex-leraar dood in de
halsslagader. Kreeg zeven jaar. Gelukkig deel ik mijn cel met
Kaat, dié blonde daar. Zie je haar zitten?'
Ze wijst naar een jonge vrouw die dwaas uit haar ogen kijkt naar
de kleuters in het ballenbad.
'Haar zoontje zit in een pleeggezin. Wannes heet hij, geloof
ik.'
Ze geeuwt als een leeuw.
'Je moet nu maar vertrekken. Ik ben moe.'
Volgende week is het Kerstmis. Ik zal haar missen. Tussen mama
en mij hangt een dunne draad van staal die niemand kan
doorknippen.
'Over elf jaar moet ik de gevangenis verlaten als een beter
mens. Maar dat is een probleem, Motje. Ik was al een goed mens.
Snap je, schat?'
'Ik zal je missen als het Kerstmis is,' zeg ik.
'Jij mag niet droevig zijn en je moet...', ze klopt drie keer
met haar vingers op de rug van mijn hand, 'veel plezier maken
met Simon. Hoe gaat het met die jongen?'
Ik durf haar niet te vertellen dat ik al drie weken niet meer
met hem heb gevrijd. Geen zin.
'Gaat wel. Hij doet je de groeten.' Dat laatste is een leugen.
'Dag Motje.'
'Dag mams.'
'Tot volgende week?'
'Zeker.'
'Mag ik je nog één ding vragen?'
'Ja.'
'Staat onze schommel er nog?'
'Natuurlijk.'
'Goed. Niet afbreken.'
'Oké.'
'Die roze staat je het best.'
'Wat?' Ze legt haar wijsvinger op haar lippen.
'Lipstick.'
'Oh.'
'En... Ellen...'
'Ja, mama?'
'Breng eens een wit linnen tafellaken mee.'
Ik zie mijn mama graag. Als zij vrijkomt, ben ik bijna dertig.

Terug naar Homepage Brigitte Van Aken