Joannes De Baere (°1663 + 1733)
Toen hij op zondag 15 februari 1733 overleed, was mijn oud-betovergrootvader Joannes De Baere zeventig jaar oud. Hij moet dus rond 1663 geboren zijn, naar alle waarschijnlijkheid in een hofstedeke op de wijk Vossenhol in de ‘prochie’ Maldegem.
…Zeker is dat evenwel dus niet. Wie zijn ouders waren, is (voorlopig) evenmin geweten. Zijn vader zal vermoedelijk ook strodekker geweest zijn, en was mogelijk ook van Maldegem afkomstig.
Je staat er bijna nooit bij stil, hoezeer iemands levensloop al voor zijn geboorte in belangrijke mate vastligt, bepaald door de plaats en het tijdstip waarop hij of zij ‘ter wereld komt’. Zeker vroeger was dat zo : de levensloop van de mensen was veel meer voorspelbaar dan tegenwoordig; er was veel minder individualiteit dan nu.
Als je arm geboren werd, stierf je ook arm. Was je vader strodekker, dan was de kans zeer groot dat je dat zelf ook werd.
Trouwen deed je meestal ook met iemand uit je eigen klasse, en dan nog meestal met iemand uit je eigen buurt. Pastoor en baljuw schreven voor hoe je je moest gedragen, en vermits iedereen iedereen kende, was de sociale controle op een plattelandsgemeente zeer groot !
Geboren worden in Vlaanderen anno 1663 …
Joannes kwam ter wereld als één van de ongeveer zevenhonderdduizend Vlaamse onderdanen van de Spaanse koning Filips IV, die in 1621 aan de macht was gekomen en in 1665 door Karel II zou worden opgevolgd. De Tachtigjarige Oorlog die tot de onafhankelijkheid van de Noordelijke Nederlanden zou leiden was nog maar vijftien jaar achter de rug, beëindigd na de Vrede van Munster in 1648.
Maldegem had op dat ogenblik (rond 1667) Lieven Blankaert, kleermaker, als burgemeester van schepenen en Gillis d’ Haenens als burgemeester van de commune.
Bij hun aanstelling hadden de burgemeesters en schepenen volgende eed af te leggen :
" Wij zweren te wezen burgemeester (of Schepenen) van het ambacht, heerlijkheid en baronnie van Maldegem, en ook van de heerlijkheid van den Houtsen op Maldegem, de H. Roomse Katholieke Kerk in recht te houden, te beschermen, te bewaren en te onderhouden, zijne koninklijke majesteit goed en getrouw te zijn mitsgaders zijn plakkaten te onderhouden, de rechten van de heer Baron van Maldegem te handhaven, de geheimen in verband met de twee heerlijkheden te eerbiedigen, weduwen en wezen te beschermen en in hun rechten te helpen, het volk van twee heerlijkheden in goede verstandhouding te doen leven, recht en justitie te doen wanneer wij daarom gevraagd worden zonder dit na te laten om reden van omkoperij, bedrog of andere dergelijke zaken dezer wereld, naar ons vermogen alles te doen wat goede en getrouwe burgemeesters (of schepenen) schuldig zijn te doen. Zo helpe ons God en al zijn heiligen. "
Filips GOEMAN was griffier te Maldegem van 1661 tot 1706.
Hij woonde op de hoek van Ede- en Marktstraat.
Eén van de dochters van Goeman trouwde met Jacques PECSTEEN zodat deze vanaf 1706 griffier van Maldegem werd (griffier was immers een erfelijk beroep).
Reeds in de eerste helft van de 18° eeuw waren de Pecsteens grootgrondbezitters in onze gemeente.
Het leven van een strodekkersfamilie op het Vlaamse platteland halverwege de zeventiende eeuw was zeker niet gemakkelijk, integendeel. Sinds meer dan honderd jaar konden de mensen maar met moeite overleven.
De onleefbare situatie van de bevolking leidde trouwens tot massale landvlucht, weg van het platteland naar de steden.1 Naast de problemen tussen katholieken en protestanten die tot de Tachtigjarige Oorlog leidden, waren er ook epidemieën en misoogsten. De oorlogen brachten niet alleen rechtstreeks schade toe door plunderingen, maar zorgden ook voor ondraaglijke oorlogsbelastingen.
Maldegem lag bovendien in een woelig grensgebied. Dat er ook na de Tachtigjarige Oorlog spanningen blijven tussen Noord en Zuid, moge blijken uit het feit dat er nog in 1666 vijf Brugse Jezuïeten op last van de gouverneur van Sluis uit hun buitenverblijf Zoetendale ontvoerd werden … ²
Pastoor in die tijd was Pieter Lombaerts (vanaf 1641). Maar het kan ook één van de twee onderpastoors geweest zijn die Joannes boven de doopvont hield…
In die tijd was het nog de gewoonte om baby’s ‘in te busselen’ - dit was zogezegd goed voor de rug en de ledematen. Uit latere studies zou blijken dat het tegendeel waar was !
Daarbij kwam nog dat men soms dagenlang wachtte alvorens de ingebusselde kinderen te verschonen. Jeuk en huidirritatie kunnen in deze omstandigheden moeilijk uitgebleven zijn !
Kinderen regelmatig knuffelen en uit de wieg halen, werd eveneens afgeraden.
Volgens geschiedkundigen werd in die tijd aan kinderen weinig aandacht besteed.3 Er is dan ook zeer weinig bekend over hoe kinderen leefden. Wel is geweten dat jongens en meisjes in gelijkaardige ‘lijfrokken’ rondliepen. Hun speelgoed bestond eerder uit waardeloos materiaal; de opvoeding gebeurde vaak ‘op straat’. Kindvriendelijk was de samenleving in die tijd zeker niet ! Kinderen werden vaak met schrikwekkende verhalen in toom gehouden, en als dat niet hielp, waren er de lijfstraffen.
Hoewel vooral de zuigelingensterfte erg groot was, liepen jonge kinderen nog steeds een groot risico : een kind van één jaar liep nog steeds een kans van 10 tot 15 % om voor zijn vijfde verjaardag te overlijden; tussen vijf en tien jaar bedroeg die kans nog 5 tot 10 % terwijl ze in de periode 10 tot 20 jaar eveneens 5 tot 10 % bedroeg.
Gemiddeld worden er twee of drie op de vijf kinderen die er verwekt worden, volwassen ! Onzekerheid, ziekte en dood maakten dat een kindertijd in de zeventiende eeuw en later helemaal geen zorgeloze levensfase was.
Joannes had dus geen onbezorgde jeugd ! In 1665-1667 brak er pest uit. Het was één van de laatste opstoten van de gevreesde ziekte, die pas in de achttiende eeuw in de Nederlanden definitief zou verdwijnen. In 1667 brak de Devolutie-oorlog uit die tot 1668 duurde, in 1673 de Hollandse oorlog. In maart 1675 was onze gemeente al geplunderd en met allerlei schattingen belast; een jaar later, van 1676 tot 1677 was er een epidemie van dysenterie. Er was ook de Negenjarige oorlog tegen de Franse koning Lodewijk XIV. Maldegem kon in 1683 (Joannes was toen 20 jaar) plundering voorkomen door een grote som geld te betalen aan de vreemde legers. Door misoogsten (1693, 1698 en 1709) en oorlog was de bevolking in Vlaanderen uitgedund tegen het einde van de eeuw. Vooral 1680-1700 was een echte crisisperiode.
Toch zal Joannes ook zorgeloze momenten gekend hebben. Als kind is men zich doorgaans vermoedelijk weinig bewust van de armoede die men heeft, de risico’s die er voortdurend zijn op ziekte en dood…
Voor een jonge knaap moet het vlakbijgelegen Maldegemveld een grote aantrekkingskracht uitgeoefend hebben als speelterrein, als "wildernis" waarin van alles te beleven viel. Als jongen heeft Joannes zeker rondgezworven in deze "woestijn" zoals deze grote, onontgonnen heide-achtige vlakte toen omschreven werd.
Vermits Joannes’ vader zo goed als zeker net zoals Joannes zelf strodekker van beroep was, kunnen we ons gemakkelijk voorstellen dat het bouwen van hutten zeker tot de favoriete bezigheden van de jonge Joannes zal behoord hebben. Boomhutten misschien, of kleine schuilplaatsen tussen de opschietende wilgen of berken aan de rand van de talrijke vennen…
Joannes zal nesten van eenden en duiven gezocht hebben, of van fazanten of patrijzen of kwartels… Hij zal trots met eieren thuisgekomen zijn, die zijn moeder dankbaar zal aanvaard hebben als welkome aanvulling op het eentonige dagelijks menu van roggebrood en pap … Hij zal er op uit gestuurd geweest zijn om biezen te trekken, die ongetwijfeld welig groeiden aan de rand van de vennetjes en vijvers. Biezen, waarmee zijn vader, zoals ook mijn eigen grootvader indertijd nog deed, zittingen van stoelen vlechtte. Als je strodekker was en een kleine hofstee had, kon je toch zowat alles maken in die tijd ?
Of misschien moest hij het jonge wilgerijs gaan snijden, waar bezems mee gemaakt werden…
Maar vaak ook zal Johannes er rondgezworven hebben, alleen of met vrienden, uit op avontuur, of gewoon maar om ergens in de heide in de zon te liggen dromen, kijkend naar de wolken, zoals de jongen in het prachtige gedicht van Martinus Nijhoff:
DE WOLKEN
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei.
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.
En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder -
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ‘t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
- Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide -
(uit : "Vormen")
Waaraan kan een knaap als Joannes gedacht hebben, daar op z’n eentje op een zonnige julinamiddag luierend in de ongerepte natuur ? Was Joannes van nature een opgewekte jongen, vol levenslust en blijheid, of was hij eerder in zichzelf gekeerd, een wat zwijgzaam en teruggetrokken kereltje, op jonge leeftijd al getekend door het harde, moeilijke leven dat ook zijn ouders en grootouders hadden gekend ? De dood hoorde in die tijd veel meer bij het leven dan nu, maar we weten niets over de mate waarin de jonge Joannes er reeds als kind mee geconfronteerd werd. We weten niet wanneer zijn ouders overleden, of hij broers of zusters had…
‘s Nachts moet het pikdonker geweest zijn op ‘t Maldegemveld, met alleen het licht van maan en sterren… Als er tenminste geen wolken waren, want dan zag je wellicht niets, tenzij de lichtjes van vuurvliegjes boven de vennen: zieltjes van ongedoopte kinderen die kwamen spoken ?
Bestond de legende van Osschaert al in die tijd ? Ongetwijfeld waren er andere spook- en schrikverhalen; de lege, woeste heide van ‘t Maldegemveld zal mensen ook angst ingeboezemd hebben. Er zullen verhalen verzonnen geweest zijn om de kinderen weg te houden uit dit onontgonnen land, verhalen over zigeuners en ketellappers misschien, zwervers en bedelaars en onguur tuig, of erger nog, over heksen en duivels, weerwolven en kwade geesten….
Maar ‘s avonds, als het laatste licht van de ondergaande zon over de heidevlakte speelde, was het goed om arm in arm met ‘t lief langs smalle wegeltjes te wandelen, dromend over een toekomst samen, een eigen hofstedeke,….
Zoals in die tijd gebruikelijk was, zal Joannes al op jonge leeftijd "de stiel" van zijn vader geleerd hebben. Het beroepsleven begon na de plechtige communie (zie ook verder); die werd meestal gedaan rond de leeftijd van 12 à 15 jaar.
Die stiel was het strodekken. Dat weten we met bijna absolute zekerheid, gezien zijn beide zoons strodekkers waren en dit ambacht, zoals veel andere beroepen in die tijd, van vader op zoon overging.
Parochieleven te Maldegem in 1691…
Een verslag van een inspectiebezoek van deken Kerremans aan de parochie van Maldegem in 1691, leert ons een en ander uit die tijd. 1
De toenmalige pastoor was Johannes Dyserijn, lid van de oude Maldegemse familie met die naam. Hij was aangesteld in 1680. Zijn onderpastoor was Nicolaas Gersen, monnik van de abdij Eeckhoute te Brugge.
De pastoor bleek tevreden over zijn onderdanen, behalve over Jacoba Huyghe die verdacht werd van "keersdruipen en ziekte aflezen".
Een zekere Dierkens stond op het punt van zijn vrouw te scheiden en kwam niet regelmatig naar de mis.
De baljuw kende ook nog iemand die in overspel leefde, maar hij had hem daarvoor gestraft en die was met zijn bijzit vertrokken naar Aardenburg.
De deken vroeg zowel aan de pastoor als de wethouders hoe het zat met de jongens en meisjes die mekaar in herbergen ontmoetten. Uit het antwoord bleek dat er toch geen overdreven mistoestanden te melden waren.
De baljuw was wel moeten optreden tegen mensen die op zondag handel dreven. Op zondag was dit immers verboden, er mocht op zondag zelfs geen bier gevoerd worden, de winkels moesten gesloten zijn, enz. Een glas bier nuttigen in de herberg kon wel, maar dan niet tijdens de mis.HiHi
De deken inspecteerde ook de schoolmeesters: Petrus de Mayer en Ludovicus Accaert. Over Petrus de Mayer was men tevreden, maar Accaert … die bleek zelf het symbolum van het Geloof en de geboden der H. Kerk nog niet goed te kennen. De pastoor vond hem geen voorbeeld omdat hij dikwijls vloekte. Volgens zijn vrouw zou hij ‘niet zeer zacht’ met haar omgaan en veel drinken. Hij beloofde echter boete te doen en zich te beteren, en kreeg van de deken een vermaning.
Uit hetzelfde inspectieverslag blijkt dat er op dat moment 1600 communicanten, dwz. mensen die de Communie mochten ontvangen.
Volgens Achiel De Vos, geschiedschrijver van Waarschoot, bereken je het totaal aantal inwoners door het aantal communicanten x 3/2 te vermenigvuldigen. In dat geval komen we aan ongeveer 2400 inwoners voor Maldegem. Aangezien de volkstelling van 1748 ongeveer 2500 inwoners opleverde, zal deze schatting vrij nauwkeurig zijn.
Hoe werden partnerkeuze en huwelijk geregeld ?
Uit geschiedkundig onderzoek blijkt dat er een sterk verband is tussen beroep en partnerkeuze. Man en vrouw zochten en vonden elkaar overwegend binnen diezelfde sociale en zelfs socio-professionele groepen. Ook de schoonouders behoorden tot dezelfde beroepscategorie waarin men zelf net als zijn ouders thuis hoorde. Bijna tot in het extreme werd de lijn van de socio-professionele endogamie (= trouwen binnen dezelfde beroepsgroep) doorgetrokken.
Per beroepscategorie waren er nog wel verschillen. Zo was het bijvoorbeeld in de groep van de landbouwers bijzonder moeilijk om binnen te dringen. Dochters hadden daarbij meer kans dan zonen om een partner uit een lagere sociale klasse te huwen. Ook bij handelaars en ambachtslieden werd de opvolging trouwens bij voorkeur langs mannelijke lijn geregeld. En moesten de dochters zich met minderwaardige partners tevreden stellen.
Binnen de laagste sociale klassen speelde dit veel minder. Alleen de persoonlijke voorkeur van de jongeren was hier van belang.
Bovendien blijkt dat jongeren zich nauwelijks verplaatsten. Over het algemeen woonden de ouders van de huwelijkskandidaten in elkaars onmiddellijke buurt. Ook na het huwelijk blijven de jonggehuwden doorgaans in de directe buurt wonen van ouders of schoonouders. Introuwen daarentegen blijkt helemaal niet gebruikelijk. 1
Gevolg hiervan was, dat men zijn toekomstige huwelijkspartner vaak al kende van in zijn jeugd, er eventueel zelfs samen mee was opgegroeid in dezelfde buurt.
Een "vrijage" duurde in die tijd vaak jarenlang, althans wanneer het om jongeren ging die voor de eerste keer zouden huwen. Dit had te maken met het feit, dat er slechts aan een huwelijk kon gedacht worden, als men ook financieel en materieel in de mogelijkheid was zich zelfstandig te vestigen en te handhaven. In moeilijke economische tijden werd het huwelijk vaak pas tussen de 25 à 30 jaar gesloten. Joannes was reeds 30 toen hij trouwde !
Vrijages konden dan ook gemakkelijk vijf à tien jaar duren. Verliefd zijn is heel romantisch, maar … lijfelijk contact en seksueel verkeer moesten wachten tot na het huwelijk !
Het gebruik om niet ‘vreemd’ te gaan vrijen maar in de eigen buurt of het eigen dorp te blijven, wordt door tal van volkse spreekwoorden en zegswijzen ondersteund:
"Wie, als die vrijt, te verre vlieght,
die wort bedrogen of bedrieght"
Wie de moed opbracht wél zijn lief in een ander dorp te gaan zoeken, stelte zich veelal aan heel wat hilariteit en zelfs lijfelijk verzet bloot.
Of het eerste lief van Joannes, Petronilla Van Houte, op ‘t Vossenhol woonde, konden we niet achterhalen.
Zeker is dat Laurent, de zoon van Jan, wél zijn bruid vond in de onmiddellijke buurt !
Beginnende vrijages kwamen veelal op kermissen en bals tot stand, in een sfeer van bier en plezier, tot grote ergernis van de zieleherders die om de haverklap het frivole leven van de jeugd en alle mogelijke vormen van gemengde ontspanning aanklaagden.
Opmerkelijk is verder dat een niet onaardig aantal vrijages in het verlengde lagen van kerkelijke feesten. Processies en ommegangen werden vermoedelijk daarom door jongeren vaak niet alleen uit godsdienstige overwegingen bezocht !
Om te kunnen huwen was de toestemming van de ouders nodig, zolang men niet meerderjarig was. In die tijd was dat pas op 25 jaar.
Volgens Chris Vandenbroeke werd er nagenoeg niet getrouwd in maart, juli, augustus noch in december. Maart en december hebben dan met de vasten en de advent te maken, juli en augustus met het vele werk op de akker. Ook het vrijen diende men trouwens tijdens de vasten achterwege te laten.
Vooral onder invloed van de kerk wordt sex vanaf de 16° tot het midden van de 20° eeuw omschreven als "vies en smerig" en volstrekt ontoelaatbaar buiten de context van het verwekken van kinderen. Dit past binnen een volledig nieuw maatschappijbeeld, waarin de disciplinering van de bevolking de boventoon vormde en alle mogelijke uitwassen van volkscultuur en ontspanning gesupprimeerd werden. Getuige hierven zijn de verordeningen die men inzake kermissen, festiviteiten en cafébezoek afkondigde, terwijl men anderzijds maatregelen overwoog om de mensen tot meer arbeidsinzet aan te sporen en ze minder van de geneugten des levens te laten genieten. Voor de 16°-17° eeuw was sex daarentegen spontaan en probleemloos; open en bloot was voor niemand ergernis gevend.
Jan trouwt op dinsdag 30.12.1692 (dus nà Kerstmis!) met Petronilla VAN HOUTE. Getuigen: Frans Goedertier en Cecilia Van Canenberghe.
De familienaam Van Houte komt niet voor in de Ommeloper van 1726, wel in Maldegemse Staten van Goed uit die tijd. Twee voorbeelden : Jan Van houte overlijdt te Maldegem in 1633 en Willemyncken van Houte, filia Jan overlijdt te Maldegem Cleyt op 5.8.1651.
In de volkstelling 1748 vinden we slechts één Vanhoutte : Joanne Vanhoutte, "dienstmaerte" bij de schaapboer Joannes Van Nieuwenburgh, getrouwd met Petronelle Dumon
Jan was toen hij trouwde reeds zowat 30 jaar oud, Petronilla 23 jaar. Ze is dus geboren rond 1669.
De leeftijd waarop men voor de eerste keer huwde, had in die tijd vooral met de economische leefomstandigheden te maken. Hoe moeilijker de tijden, hoe later men trouwde. (Ten gevolge van de moeilijke economische tijden bestaat een gemiddeld gezin in die tijd uit 4 à 5 personen).
De huwelijksinzegening gebeurde tijdens het Ancien Régime (dus voor de Franse Revolutie) veelal op zondag, tijdens de zondagsmis. Dit gebruik verdween toen rond 1800 het burgerlijk huwelijk verplicht werd.
Het gewone volk trouwde in zijn gewone dagelijkse kledij. Het dragen van een wit bruidskleed stamt uit latere tijden : pas rond 1860-1870 zou de doorsneebevolking die nieuwe gewoonte van de betere standen overnemen.
Huwelijksgeschenken waren eveneens in vroegere eeuwen beperkt tot stoffen: beddegoed en tafeldoeken. Voor de aanstaande bruid was het volstouwen van een linnenkast een erezaak. Dit hield deels verband met het feit dat men in die tijd niet zo vaak waste, zodat men graag over wat doublures in de uitzet beschikte.
Zijn vrouw, Petronilla Van Houte, was bijna onmiddellijk na het huwelijk zwanger en beviel van een dochtertje, Joanna, op zaterdag 10.10.1693.
Zwangerschap werd in die tijd heel anders beleefd dan nu. De meeste vrouwen koesterden een enorme angst voor de terminale fase van hun zwangerschap.
Bevallingen die drie tot vier dagen duurden waren geen uitzondering. Courant gebeurde het dat men zich door onwetendheid omtrent de duur van de zwangerschap vergiste en vermeende symptomen als de voorbode van de arbeid ging interpreteren. Toegediende kruidenextracten veroorzaakten soms een voortijdige bevalling. Daarbij voegt zich nog de zwakke fysieke conditie van de vrouw, inclusief een eventuele vervorming of vernauwing van het bekken, dit als gevolg van voedingsstoornissen die zich jarenlang hadden voorgedaan…
De angst rond de bevalling werd nog versterkt doordat de vrouw heel weinig vertrouwen kon of mocht stellen in de medische begeleiding van de vroedvrouw.
Pas vanaf de 19° eeuw zouden de vroedvrouwen enige praktische en theoretische opleiding krijgen. Voordien werd van hen voornamelijk verwacht dat ze nooddoopsels konden toedienen wanneer er gevaar dreigde voor het leven van de baby !
Kraambedsterfte was een risico dat vroeger zowat 150 tot 200 keer hoger lag dan nu : per bevalling liep een vrouw 1,5 tot 2 % kans op een overlijden.
Peter Terrier was peter van het kind en Joanna de Vogelaer meter.
De gevaren rond zwangerschap en bevalling verklaren de feestroes na een vlotte bevalling waarbij de doopplechtigheid of de aangifte op het stadhuis met een triomftocht langs de talrijke kroegen besloten werd. De vader net zozeer als de dooppeter en -meter grepen als vanzelf de gelegenheid aan om de bloemetjes buiten te zetten, daarin door buren, verwanten en vrienden gevolgd.
Rond 1700 waren nog geen drie % van de geboorten door een nooddoop gevolgd; naar de jaren 1800 toe was dit aantal reeds tot zowat 25% gestegen. Het zieleheil van de pasgeborene stond immers centraal. Mocht het kind ongedoopt sterven, was het gedoemd tot een eeuwigdurend verblijf in het voorgeborchte ! Een ongedoopte kon evenmin op de gewijde grond van het kerkhof begraven worden. Waar de Kerk het dopen van het kind het belangrijkste vond, ging de aandacht van het volk uiteraard in de eerste plaats naar de gezondheid van de moeder.
Veel aandacht voor het welzijn van de baby was er niet. Of hij zou blijven leven, lag in Gods handen, dus veel voorzorgsmaatregelen hadden toch geen zin. Het begon al met het doopsel, waarbij men met pasgeborenen naar de Kerk toog :
"Met innerlijken smarten (heb ik) moeten aanzien dat de nieuw-geboren Kinders, nauwelijks een of twee uuren na de geboorte, een uure ja anderhalf uure verre, volgens de uitgestrektheid der Gemeinten, ‘s winterdags voornamelijk door Sneeuw, Hager, Yssel, dikke Nevel, sterke Vorst, gepaard met noorder- of oostersche Winden, naer de Kerke gebragt wierden en nog gebragt worden."
Ter afronding van het doopceremonieel werden de doopborgen als peter en meter aangesproken. Zij werden met het toezicht op het geestelijk welzijn van hun petekind bedacht, hetgeen meteen inhield dat ze voortaan in een spirituele verwantschap met elkaar verbonden waren. Dit was belangrijker dan men zou denken. Een geestelijke verwantschap vormde immers, net zozeer als een familiale verwantschap tot de vierde graad, een beletsel voor een later huwelijk !
Hiermee was het kerkelijk ceremonieel afgesloten en konden de aardse geneugten een aanvang nemen. Het uitdelen van doopsuiker en geschenken, een gewoonte die tot op heden voortleeft, geniet een lange traditie. Peter en meter waren bovendien van oudsher tot het geven van een ‘vontgeld’ verplicht. Blijkbaar veronderstelde dit nogal wat financiële opofferingen - of maakten sommigen het misschien al te bont, zodat ze nadien in de problemen kwamen ?
In elk geval werd deze gewoonte, net als het toezicht op sommige huwelijksgebruiken en op allerlei ‘uitwassen’ bij uitvaarten door de overheid gereglementeerd. … Maar met of zonder reglementen, het verandert weinig aan de zaak. Peter en meter lieten er heel wat van hun financiele pluimen. Het verklaart wellicht waarom men soms voor deze functie aan de meest nabije verwanten als grootouders, ooms en tantes voorbijging en de dorpsnotabelen als doopborgen liet fungeren. Zuiver menselijk werd de ‘eer’ van het peter- of meterschap immers alleen maar gecompenseerd door de vrij dwingende inbreng op vlak van de naamgeving van het kind… Voor het overige was het een eretitel waaraan een aantal materiele verplichtingen verbonden waren, zoals onder meer het herbergbezoek op weg naar huis.
Overlijden van moeder en kind …
Joanna stierf negen dagen na de geboorte, op maandag 19 oktober… Haar moeder zelf overleed twee maand na de bevalling. Kraamkoorts lijkt de meest waarschijnlijke doodsoorzaak. Door het ontbreken van penicilline was een zwangerschap in die tijd zeer risicovol, zowel voor het kind als de moeder.
Petronilla Van Houte overleed in december 1693 op 24-jarige leeftijd. Ze werd op 14 december begraven :
Uittreksel parochieregisters Maldegem:
anno 1693 - maand december 14 sepulta (begraven) petronilla van houte uxor (echtgen.) jois dù baere aetatis ( oud zijnde) 24
off 3 lect (met dienst van 3 lessen)
Bij een mis van drie lessen wordt slechts éénderde van de metten gezongen in tegenstelling tot een dienst van zes of negen lessen. De goedkoopste begrafenis is die op kosten van de "armendisch" (één enkele gelezen mis). Enkel missen met zes of negen ‘lessen’ wijzen op een zekere welstellendheid.
Joannes huwde vier jaar later een tweede keer. Ditmaal met Maria CORNELIS, op zaterdag 4 mei 1697. Maria was mogelijk een dochter van Laurent Cornelis. Ze is geboren rond 1675 en was dus ongeveer 22 jaar oud toen ze huwde met de 34-jarige Joannes. Getuigen waren Maria Winckelack en Josef Stevens.
Over de families De Baere, Blanckaert, Cornelis en De Schepper.
Ene Laurent Cornelis was in elk geval peter van haar tweede kind Laurent. Hij was gehuwd met Francisca de Neve en voor zover we weten had hij drie kinderen (Maria mogelijks het oudste ?):
Nicolaas, ° 1676
Susanne, ° 1678
Ambroos Philip, ° 9.1.1683
Ambroos Cornelis was mogelijk een broer of een oom van haar.
Laurent De Baere had strodekkerswerk gedaan voor hem in 1730 (cfr staat van goed- zie verder)
Hij op zijn beurt had ‘goet bier’ geleverd waarvoor hij nog moest betaald worden.
Hij woonde op Kleit :
" in een hofstede sijnde een herberghe daer hij woont inden hoeck vande selue papingloo dreve ende de Cleijtstraete daer men ‘t noemt Cleijte, groot met een stuck bachten ‘t huijs 4 L 60 R (Ommeloper p 190)
Hij bezat nog een tweede hofstedeke aan de hoek van den urselschen wegh ende papingloo dreve an ‘t plein te Cleijt (p 193)
Ambroos was gehuwd met Livina van Leeuwe en had minstens acht kinderen geboren tussen 1720 en 1736. Dat Frans van Haute peter was van Maria Theresia °1731 bevestigt wellicht de verwantschap tussen Ambroos en Maria Cornelis.
Francisca Cornelis was gehuwd met Andreas De Schepper (+1712). Ze hadden drie kinderen : Maria (°15.8.1702), Catharina (°23.11.1704) en Peter Jan (°29.12.1709).
Merkwaardig is, dat Maria meter wordt van een dochter van Frans de Baere (zoon van Jan) nl. Maria Cornelia, terwijl Peter De Schepper peter wordt van een zoon van Frans. Dit wijst op een dichte band tussen Francisca Cornelis en Maria Cornelis, de tweede vrouw van Joannes De Baere.
Bovendien stellen we vast dat Catharina De Schepper als peter Jan De Baere en als meter Joanna Blanckaert heeft!
De Cornelissen hebben iets met de familie Blanckaert. Daarjuist hadden we het al over Laurent Cornelis (+1709) die gehuwd was met Francisca de Neve en drie kinderen had: Nicolas, Susanna, en Ambroos.
Welnu, van Susanna (°1678, + 1740) blijken de peter Guilielm Blancquaert en de meter … Joanna Blancquaert te zijn ! Francisca de Neve is dan weer meter van Peter Blanckaert °1678, een zoon van Guilielm Blancquaert en Janssens Petronilla.
Een broer van deze Peter, Judocus, °1666, had dan weer als meter Joanna Schaapmeester, die tevens meter is van Barbara de Baere °1656, dochter van Jan de baere en Joanna Blancquaert.
Deze Joanna Blancquaert nu is niet onbelangrijk. Zij is immers de moeder van Barbara De Baere °1656 en de vrouw van ene Jan De Baere waarvan we niet weten welke de band is met "onze" Jan de Baere die geboren werd rond 1663.
De parochieregisters geven hun geheimen echter niet zo gemakkelijk prijs. Er was immers meer dan één Joanna Blankaert. In de huwelijksregisters vinden we maar liefst vijf huwelijken waarbij ene Joanna Blankaert de bruid is :
- Duninck Marijn, 1646
- Verbeecke Jan, 1649
- Bonte Jan, 1671
- Leyman Vincent, 1685
- Sallet Jan F, 1707.
Naast de Joanna die een dochter is van Guilielm, is er ook een Joanna als dochter van Marijn Blancquaert, gehuwd met Joanna Schaapmeester (dd 1642). Het zal allicht déze Joanna niet zijn die de moeder is van Barbara De Baere, want ze is jonger dan Barbara...
Marijn Blanckaert en Schaapmeester Joanna hadden minstens zes kinderen:
- Jan °1643
- Marijn °1645 (peter : Lievin Blanckaert)
- Laurent (meter : Elisabeth Blanckaert)
- Margareta
- Maria Blanckaert °1654 (met als meter Joanna Blanckaert)
- Joanna °1658
We laten even onze fantasie werken. Blanckaert Marijn, mogelijk strodekker, overleden 1633, kan de vader zijn geweest van twee broers: Marijn, gehuwd met Joanna Schaapmeester, en Guilielm, gehuwd met Petronilla Janssens en later met Antonia De Ligne. Zijn dochter Joanna huwde met Jan de Baere
Maar het blijft gissen… het verleden geeft zijn geheimen (voorlopig) niet prijs …
Eén ding is mij in elk geval steeds duidelijker geworden : de onderlinge banden tussen de families die op ‘t Vossenhol woonden, waren zeer hecht. Op een paar uitzonderingen na was iedereen met iedereen verwant ! En was er geen directe familieverwantschap, dan werden naaste buren toch in het familieleven sterk betrokken doordat ze optraden als meters en peters voor de kinderen. Het feit dat vroeger op het platteland iedereen iedereen kende, ging toch nog verder dan ik dacht!
Tweede huwelijken waren in die tijd een courant gegeven. Zowat 1/3 van de huwelijken duurde niet langer dan tien jaar, en in ongeveer de helft van de gevallen overleed één der partners binnen de vijftien jaar.
Mannen hebben het gemakkelijker een tweede partner te vinden dan vrouwen; weduwnaars konden zich vaak een groen blaadje permitteren.
Jan was al 34 ten tijde van zijn tweede huwelijk. Hoe oud zijn bruid was, weten we niet.
In elk geval was er ook ditkeer geen probleem op vlak van vruchtbaarheid.
We zagen hierboven al dat sex iets ‘vies’ was, dat enkel kon binnen het huwelijk en dan nog in functie van het verwekken van kinderen. De geslachtsdaad zelf was ook aan regels onderworpen! Experimenteren met allerlei standjes was zeker uit den boze. Er was maar één door de Kerk ‘goedgekeurde houding’ namelijk die waarbij de vrouw onder lag!…
Volgens Daniel Verstraete (VM 31.3.78) overwoog het gemeentebestuur in 1698 maatregelen tegen personen die op het ambacht kwamen wonen zonder aanvraag of papieren. Het waren meestal armen die tot last van de dis waren. Zij kregen veertien dagen tijd om zich in orde te stellen ofwel te vertrekken. Na die termijn zouden zij twintig pond boete moeten betalen en buiten het ambacht geleid worden.
Er liepen toen nogal veel dieven rond. Van Brugge kwam men zelfs inlichtingen inwinnen over het gedrag van Abraham Spitael die te Brugge in de gevangenis zat. Daarom besloot het schepencollege een wacht in te richten samengesteld uit twee mannen van iedere parochie van het ambacht. Zij moesten rondlopen om ongure personen op te sporen. Die wachten deden echter hun best niet en bij iedere ploeg werd een officier van de baljuw gevoegd. In 1699 moest iedere manspersoon boven de 18 om beurt aan de wacht deelnemen… Wellicht is dus ook ‘onze’ Joannes van de partij geweest… De wacht duurde van 19 uur tot de daaropvolgende dag om 19 u.
Het schepencollege vaardigde tevens uit dat het verboden was te schieten of lawaai te maken na zonsondergang. Het was ook verboden in de herbergen te plakken.
In het najaar van 1698 was er ook schade door overstroming van de Lieve: 800 gemet stond onder water.
Geboorte van Frans (1698) en Laurent (1701)
Maria Cornelis schonk haar man - binnen de 10 maand na hun huwelijk - een eerste zoon…
Frans (Franciscus Xaverius), werd geboren op maandag 17.2.1698
De EH Frans Xavier Cardinael, onderpastoor, was peter en Jacoba vande Velde meter.
Merkwaardig dat de onderpastoor als peter werd gevraagd. Was er dan binnen de eigen familiekring of in de buurt niemand anders bereid ? Was er een peter voorzien die op het laatste ogenblik afhaakte ?
Twee jaar later werd Laurent (Laurentius) geboren, op vrijdag 22.4.1701, met als peter Laurent CORNELIS (zijn grootvader langs moederszijde?) en als meter Joanna DAENS, verder onbekend.
In die tijd was het normaal dat er om de twee jaar kinderen konden geboren worden. Doorgaans kregen de kinderen tot één jaar na hun geboorte borstvoeding, soms ook wel langer. Meestal zorgde dit voor een tijdelijke steriliteit.
Het gemiddeld aantal in leven zijnde kinderen per gezin was 2 à 3. De kroostrijke gezinnen waren eerder uitzondering.
(Hoewel… Frans en Laurent zélf zouden zich aan deze algemene regel zeker niet storen ! )
Dit had te maken met een aantal factoren :
- er werd vrij laat aan trouwen gedacht;
- er werd meestal borstvoeding gegeven aan de kinderen waardoor er slechts om de twee jaar kinderen werden geboren
- er was een hoge zuigelingensterfte
- de vruchtbaarheid van de vrouw duurde ongeveer tot haar veertigste jaar.
Rond 1700 was het rustig in Maldegem en omgeving. De voorgaande oorlog was door de vrede van Rijswijk beëindigd in 1697.
De vrede zou echter niet lang duren want de Franse Lodewijk XIV eiste de Spaanse troon op voor zijn kleinzoon Filips V. Ook de Oostenrijkse keizer eiste echter die troon, voor zijn zoon Karel, en zo stond de oorlog weer voor de deur.
In 1702 besliste het Maldegemse schepencollege om de archieven naar Brugge te voeren. Er hadden toen soldaten op Maldegem gelegen onder bevel van kol. Arckman en voor hen waren stallen en schuren in gereedheid gebracht en had men ook nieuwe stallen voor paarden en barakken voor soldaten gemaakt - dit alles op bevel van de Franse generaal de la Motte. Vlaanderen was toen deel van Frankrijk, en de Hollanders waren "de vijand" daar waar ze in de vorige oorlog onze bondgenoten waren en de Fransen de vijanden … In Maldegem, zo dicht bij de grens, trachtte men met iedereen goed te staan.
Aan beide partijen werden betalingen verricht om te bekomen dat de gemeente gespaard zou blijven van problemen.
Al bleef het oorlogsgeweld in Maldegem zelf uit, op sociaal-economisch vlak waren het voor geheel Vlaanderen rampjaren (1690-1715). De plattelandseconomie diende volledig heropgebouwd te worden. Het zelfde scenario zou zich herhalen in de periode 1745-55.
Vanaf 1708 waren de Hollanders weer meester over Vlaanderen en werden wij vandaaruit bestuurd. Men noemt deze periode ‘t Engels-Bataafs bewind want ook de Engelsen vochten tegen de Fransen. Toch bleven nog regelmatig Franse benden de streek teisteren. In Maldegem zelf kwamen er inkwartieringen van Engelsen, Denen of Oostenrijkers. Dat was al even erg als de invallen van de Franse troepen.
In 1709 was er dan nog graan te kort te gevolge van een zeer strenge winter:
In zijn boek "geschiedenis van Opwijk" citeert Jan Lindemans een zekere Joos Wouters die verslag geeft over de winter van 1709, één der strengste uit de geschiedenis :
"In den jaere 1709 begonst het te vriesen op drij coninghen avont tot op den 22 Meert, soo fellijck dat al de graenen, boomen, jae tselfs cooijen, perden bevrosen, soo dat het hert graen, terff ende cooren in dese prochie van Opwijck niet half soo veel alsser ghesuijt (gezaaid) was en wiert opgedaen (…) " (blz 152)
Een andere getuige uit die tijd :
" (…) Daer vervrosen veel menschen en beesten."
Bij Chris Vandenbroeke 1 lezen we : " Door misoogsten waren 1693, 1698 en 1709 duurtejaren. Als gevolg van de langdurige vorst en winterkoude moesten toen hele velden in de lente opnieuw omgeploegd en ingezaaid worden."
Hij haalt een andere kroniekschrijver uit die tijd aan :
"Terwyl ik schryve, voor het vier zittende, vriest den inkt in de penne."
De gemeente kocht graan te Gent en elders, en verkocht het aan een lagere prijs door aan de parochianen.
Hadden ook de wolven meer honger dan anders en waren ze daardoor onvoorzichtiger ? Feit is dat op 4 mei 1709 in de gemeente Aalter werd uitbetaald, "aen pieter Raepsaet de some van twee ponden grooten wisselghelt, ome ghevangen thebben binnen de prochie van Aalter ende alhier ghebrocht, vier jonghe wolven dewelcke gheordoneert sijn te versmooren."
In 1713 kwam de rust terug met de vrede van Utrecht. Uiteindelijk werd te Antwerpen in november 1715 het Barrièretraktaat getekend tussen afgevaardigden van keizer Karel VI en van de Zeemogendheden. Het regelde de overdracht van de Zuidelijke Nederlanden naar Oostenrijk. De barrière waaraan het verdrag zijn naam dankt, bestond uit een aantal versterkingen, bemand door zowat 35000 militairen en verspreid over het ganse land, van west naar oost, bedoeld om een eventuele Franse aanval af te weren. Onder meer in Knokke lagen Hollandse troepen, waarvoor Vlaanderen aan het Noorden vergoedingen moest betalen.1
Tevens werden sommige grensgebieden aan het Noorden toegewezen ter compensatie. Eigenlijk werden de Zuidelijke Nederlanden in economisch en militair opzicht een vazalstaat van het Noorden ! Pas nadat bij de effectieve Franse invallen in 1744 deze verdedigingsgordel weinig bleek voor te stellen, zou Keizerin Maria Theresia weigeren haar financiële verplichtingen nog langer na te komen. Pas dertig jaar later (1774) zou haar zoon Jozef II de Hollanders ertoe kunnen bewegen hun garnizoenen uit het Zuiden terug te trekken.
De eerste jaren na de Oostenrijkse machtsovername waren geen succes en dat om diverse redenen. Het economisch leven was ontwricht, en het Barrièretraktaat wekte veel ongenoegen. Het land was uitgeput, zowel moreel als materieel. Er kwam verzet, onder meer tegen nieuwe belastingen. In tal van Vlaamse en Brabantse steden kwam het tot verzet en onlusten, maar het was in Brussel dat de woelingen het ergst waren. Deze onlusten zouden uiteindelijk harde repressie uitlokken met onder meer de onthoofding van Anneessens in 1719.
De begrafenis van Antoon De Baere.
Antonius De Baere (du baer) overleed op 46-jarige leeftijd de laatste dag van de eeuw : 31 december 1699. Hij was gehuwd met Livina Vesgemoet, die pas veel later, in 1734, op 78-jarige leeftijd zou overlijden. Antonius had zeven kinderen, waaronder twee jongens. Petrus stierf op 3-jarige leeftijd; van Antoon, geboren enkele maanden na het overlijden van zijn vader, is verder geen spoor terug te vinden.
Het kan bijna niet anders of Antonius was verwant met Joannes; toch is van deze verwantschap nergens sprake. De namen van de doopmeters en -peters van zijn kinderen verwijzen niet direct naar de Vossenholse buurt van die tijd.
Antonius was een arme. Dit hield in dat hij en zijn gezin het hele jaar door, of minstens een deel van het jaar, gesteund moest worden vanuit de parochie. Blijkbaar kon hij niet of niet voldoende rekenen op familiale solidariteit. Het zou kunnen dat Antonius om reden van fysieke aard niet in staat was om zelf zijn kost te verdienen.
Wat betekende armoede in die tijd ?
Het betekende vaak honger lijden. Volgens recente studies1 wordt aangenomen dat men anderhalf pond brood per dag nodig heeft. De drempel van de armoede is overschreden, wanneer men voor brood meer dan de helft van het dagloon moet betalen.
De fysische toestand van de armen was dikwijls zeer slecht. Hun door dagelijkse ontbering verzwakte lichaam was veel vatbaarder voor ziekten en epidemieën. Was het daarom dat Antoon op relatief jonge leeftijd overleed ?
Een hofstedeke aan de Schautenstraat…
Dank zij de Ommeloper van 1726 weten we precies waar Joannes toen woonde: in het begin van de Schautenstraat (huidig nummer 240) op de wijk ‘t Vossenhol.
Hij blijkt verschillende eigendommen te hebben. De hofstede waar hij woont paalt aan grond die eigendom is van de familie Blankaert aan de ene kant en aan de andere zijde aan grond eigendom van de weduwe Francis Calis (die overleed op 25.1.1719, 54 jaar oud; zijn weduwe was Adriane Van Damme) :
29. Vidua (=weduwe) Vincent Leijman 3/4 libri adriaen filius (= zoon) vincent Leijman 1/4 ande oostsijde daeran & ten noorteijnde vanden hoecke mette noortwestsijde ande schoutenstraete ten grootsten bogaerde 2 G 50 R een hofstede daer francis filius laureijns blondeel op woont ende twee stux landt suijt daeran, geldens af 1/3 comt : 4 L 34 R
30. Francis van hecke ande oostsijde daeran mette noorteijnde alsvoorend & suijteinde anden haecke van Manten David, 1 L 50 R een hofstedeken daer hij woont geldens af d1/2 : 75 R
31. T’kint Laureijns Blanckaert filius Laureijns ande oostsijde daeran streckende alsvooren, 2 L gheldens af d’1/2 : 1 L
32. Jan de Baere ande oostsijde daeran streckende metten noorteijnde ande Schoutenstraete aldaer een hofstedeke daer hij woont metten suijteijnde aldaer een stuxken landt anden burckelwegh, 4 L af d’1/2 gheldens 2 L (55° begin, 2° vervolg)
33. Via et libri francis Calis ande oostsijde daeran streckende cum noorteijnde alsvooren ende suijteinde anden burckelwegh jeghens t’ ghemeene veldeke 2 L een hooge stuxken landt gheldens af 2/3 : 67 R
34. Sieur Pieter Matthijs filius Cornelis ande oostsijde veurghemeens daeran streckende metten noorteijnde ande schoutenstraete mette oostsijde & suijteinde an ‘t ghemeene veldeken, 1 L bosch op berghskens van oudts cheijns gheldens 50 R
Jan de Baere ande oostsijde veurghemeens (gemeenschappelijke voor, dus geen gracht tussen de stukken) daeran streckende alsvooren van den burckelwegh suijtwaert totte westbiest meersschen 2 G landts ten suijteijnde bosch geldens 1 L 75 R (51° begin f°244)
Laur. De Baere 1737 - Jan de baere ? 1780
Jan de Baere ande westsijde daeran streckende alsvooren van de waterganck suijtwaerts totte blockijnghe, 2 L meersch gelden 5O R (47° begin, vervolg 2)
Jan de Baere ande westsijde daeran streckende alsvooren, 1 L 90 R af 1/3 1 L 26 R
Laur. De Baere 1737 Frans De Baere 1747 …1754…1756…1746…1769..1778
13. Jan de Baere aende oostsijde daeran mette suijtsijde anden seluen landtwegh, cum noortsijde ende oosteijnde aen libri niclaeijs van Liebeke bosch arlo 27tigh, 1 L 75 R, een stuck landts af 1/8 blijft 1 L 56 R (64° begin)"
Laur. De Baere 1737 Jan Debaere 1780
16. Jan de Baere ande suijtsijde ende oosteijnde daeran een verhaeckende partije landts, mette westeijnde alsvooren, mette suijtsijde langhst de schoutenstraete te bogaerde, mette westseijde smal aflopende an ‘t voorseijde straetken (nl het straatje van de bogaerde naar ‘t gotjen) verhaeckende ten noorteijnde ande oostsijde noortwaerts totten landtwegh, 5 L 50 R landts geldens af 1/3 : 1 G 66 R " (64° begin, vervolg)
(Laureins De Baere wordt eigenaar van dit stuk grond in 1737; Jan De Baere in 1780)
Lengte- en oppervlaktematen Oud regime - Brugse Vrije :
1 vierkante roede ( R ) = 0.00147456 ha
1 linie (lijn - L) = 100 (vierk.) roeden = 1474.56 m²
1 gemet ( G ) = 300 roeden = 4423.68 m² = 3 L
1 bunder = 900 vierk. Roeden
1 ha = 678 vierk. Roeden 33 vierk. Voeten
1 el = 0.7 m
1 taille = 0.043 m
1 voet = 0.2743 m (14 voeten = 1 roede) = 11 duimen
1 duim = 11 lijnen of strepen
De hofstede met grond besloeg dus 4 L. of 400 roeden.
Merkwaardig is dat het huisje waar Joannes woonde, reeds op de kaart van Pourbus uit 1571 terug te vinden is. 1
Zo moet het er toen ongeveer uitgezien hebben… maar dan wel Het huis bestaat nog. Weliswaar is het verbouwd en zal het in de tijd van Jan De Baere ongetwijfeld een strodak gehad hebben en een houten stalling.
De hofstede van Joannes De Baere…
De eerste deur aan de voorzijde is die van de ‘bakkeet’ waarin een oven gemaakt was, een haard en een fornuis waarop het varkensvoer gekookt werd. De volgende venster is die van de slaapkamer. De voordeur geeft toegang tot de woonkamer. Rechts in de woonkamer bevindt zich een haard, links de deur naar de slaapkamer. Achteraan in de woonkamer een tweede deur die toegang geeft tot het achterhuis met de achterdeur en twee trappen : naar de vout en naar de kelder.
Bij het hof hoorde ook een bos (F150)1, een tuin (F151), een stuk land (F153), een boomgaard (F154). Het erf was omringd door een hulsthaag die even oud zou kunnen zijn als het erf zelf, nl. van rond 1700. Er waren nog 4 stukken land en een bos, elders gelegen.
Latere bewoners van het huis aan de Schautenstraat.
Na Joannes (10001) werd het nog bewoond door Laurentius (9003), Joannes Cornelius (8020), Petrus (7058), Ferdinandus (6079). Fernand was dus een zoon van Petrus, landbouwer, gehuwd met Petronilla de Brabandere. Fernand was gehuwd met Barbara Martens in 1857. Zij overleed kinderloos op 11 januari 1883. De verdeling van de huwelijksgemeenschap gebeurde door notaris Wallyn. (We gaan hier even kort op in omdat het ons opnieuw iets vertelt over de levensomstandigheden en de inwoners van ‘t Vossenhol eind vorige eeuw.)
Voor hem verschenen behalve de weduwnaar:
- Joanna Martens, gehuwd met Joannes Marclé, landarbeiders,
- Jacobus Martens, landbouwer, wonende te Sijssele, wijk Donck,
- Seraphina Martens, gehuwd met Francies Boone, landbouwers, Maldegem,
- Petrus Martens, landbouwer, Eecloo
allen broers en zusters van Barbara;
-Seraphina Martens, zonder beroep, wonende te Sijsele, dochter van wijlen Bernard Martens, broer van de overledene
-Francisca De Neve, weduwe van Ferdinand Martens (ook een broer), hertrouwd met Joannes Verbiest, landbouwers met minderjarige kinderen Emelie, Camiel, Emma en Edmond Martens.
Uit de inventaris blijkt dat er verbeteringen en nieuwe werken aan de hofstede gedaan zijn ter waarde van 692 francs benevens 50 francs voor nieuwe werken gedaan aan den kelder van den huize.
Fernand en Barbara hadden drie schulden lopen, samen 3 305 fr. Het ging om landpacht aan dhr. Charles Heyneman en facturen voor o.m. geleverde guano aan een zekere weduwe Soudan - de Ruyter.
De huisraad, gereedschappen, beestialen, vruchten, brandhout, vetten landprijsie bevonden op en in het hofstedeken en de landen bij deze gemeenzaamheid in gebruike, inbegrepen de juwelen van de overledene werden geraamd op 4.087 fr. Daarbij kwam 19 fr, zijnde de prijsie der landvetten.
De onroerende goederen:
- drie percelen zaailand, genaamd de Zandhullen (1 hectare, 72 are, 80 centiare, gelegen… bij het gemene Veldeken, palende oost aan Petrus Staelens en Rosalie De Clerck, zuid Theodore van Hoorebeke, de kinderen van Wassenhove en d’erven van d’heer Joannes Van Kerschaever, west de weduwe van den heer Camille Willems en Joannes De Saer-Dhaenens, noord aan de heer Burgemeester Rotsart de Hertaing.
- een stuk land met sparren en opgaande bomen, verkregen in 1858 bij coope van E.H. Kannunik Andries te Brugge geschat op 3.990 fr.
- een partij maaimeersch en een deel zaailand "in den boombosch" gekocht tijdens een openbare veiling gehouden ten verzoeke van de weduwe en kinders (…)
Ferdinandus maakt op zijn beurt zijn testament op 12 maart 1889. Het kan niet anders dan hij zijn einde voelde naderen…Zes weken later zou hij overlijden. Nochtans zegt de notaris in de testamentaire acte : "… weinig ziek van ligchaam maar gezond van verstand… "
Fernand stelt als enige en algemene erfgenamen Petrus Rodts en zijn vrouw Leonie Marie De Baere, "mijn neef en nicht bij mij wonende" echter op voorwaarde dat zijn broers Joannes en Bernard, of hun kinders, zo zij overleden zijn, ieder duizend frank wordt uitbetaald.
Hij overlijdt op 27 april 1889.
Leonie, de dochter van Bernardus, (°1864-overl.1950), gehuwd met Petrus Rodts, erfde dus op haar beurt het huis. Zij was de laatste "De Baere" die er woonde. De hypotheeklening die op het huis rustte, werd door hen overgenomen. Hierin vinden we nogmaals een beschrijving:
1. Een hofstedeken bestaande in woonhuis, schuurken, stallingen en verderen bouw, met de hoeveelheid van een en negentig aren land, op den bebouwden grond, tuin, boomgaard en zaailand met het boomcatheil daaropstaande (…) op den wijk van grooten Bogaerde, bij het gemeene Veldeken, staande bekend op het plan van kadastraal in de sectie 5 nummers 150.151, 152, 153 en 154.
2. Een partije zaailand genaemd het Kerkebilksken groot 23 are 44 ca gelegen noord van voormeld hofstedeke…
(21 mei 1897)
Na haar dood erfde de dochter Magdalena Rodts het huis. Tot heden wordt het huis bewoond door een zoon van Leonie’s dochter, Valère Bottelier.
De gegevens over de indeling van het huis komen van de zoon van Leonie (Rene Rodts, 86 jaar op dat ogenblik) en kleinzoon Denis De Langhe, 57 in 1983 en naar eigen herinnering van Omer De Baere die als kind in het huis ernaast woonde (het huis van Camiel de Baere).
Het hof van Joannes was ong 400 roeden groot, alle gronden (hooi en zaailand en bos samen) maten ong. 3 ha. Vermoedelijk had hij twee koeien, een varken, een kalf. Op zijn land en moestuin kweekte hij wortels, vlas, rogge, haver en boekweit.
Francis Van Hecke, Schautenstraat 242 A, zoon van Frans en Barbara Vandewiele, °9.9.1685. Francis overleed op 40 jarige leeftijd in 1730. Hij was gehuwd met Francisca de Koninck.
Frans Blondeel (broer van Pieter en Jan) in nr 244
Joannes de Wandel, Holleweg 4
Pieter Vijncke (verdwenen huis op de zandhoogte)
Adriaen De Cock (familie van de vrouw van Laurentius) gehuwd met Anna Blankaert, dochter van Laureins Blankaert, Schautenstraat 129
Jan De Wandel, Pollepelstraat 11
Bonaventura Hendrix, Pollepelstraat 2 b (overleden 1728, was gehuwd met Jacoba David)
Jacobus Cazeele, Pollepelstraat 5.
Op het platteland stonden er bijna alleen hoeven en daglonerswoningen. Afgezien van de grote pachthoeven, bestonden de meeste kleine hofsteden alleen uit een stal - woning met een vrijstaande tamelijk ruime schuur. De landarbeiders huisden in ‘kortwoonsten’, veelal krotwoningen, opgetrokken uit streekgebonden bouwmaterialen (lemen vakwerkwanden met strodak, natuursteen met leischalien in de Ardennen). In de eigenlijke woonruimte moest ook het schamele vee meestal nog een plaatsje krijgen. Ook de voedselvoorraad voor mens en dier werd er bewaard. 1
Wie van Eelvelde kwam en langs de huidige Speyestraat naar ‘t Vossenhol liep, werd ter hoogte van de Eede verrast door "zandhillen" - wat wij als kind "de Zandhoogte" noemden : een strook landduinen langsheen het beekje. Het brugje over, en dan linksaf, de Bogaarde en daarna de Schautenstraat. Op het gevaar af een onverbeterlijk romanticus genoemd te worden beweer ik : ‘t Vossenhol moet driehonderd jaar geleden prachtig geweest zijn. Op de achtergrond het Maldegemveld : de "woeste" heide, of, een eind verder, de bossen van Burkel. Tijdens droge zomers een stoffig zandweggetje, slingerend tussen boerderijtjes met strooien daken, volmaakt passend in een groen decor. Elke hofstede afgebakend met een haag van groen : meidoorn, buxus. Bij elke hofstede een boomgaard. Akkerland met graan : rogge, haver, tarwe, boekweit. Tussendoor weiden, maar zonder prikkeldraad, en moerasachtige meersen. Hier en daar een stukje bos.
Pràchtig toch ?
Jan DE BAERE was ongetwijfeld strodekker van beroep. Dat kunnen we met bijna volledige zekerheid afleiden uit het feit dat zijn beide zonen strodekkers waren.
Naast dit beroep had Jan, zoals zowat iedereen op het platteland in die tijd, ook een hofstedeke met enige stukken land, die bewerkt werden, terwijl hij ook wat vee hield in de stal, net zoals dit beschreven staat van zijn zoon Laurentius in de ‘staat van goederen’ bij het overlijden van diens echtgenote. (zie verder)
We weten zeer weinig over het beroepsleven van de strodekkers op de platteland in de periode 1650 - 1900. Hoeveel strodekkers waren er gemiddeld per 1000 inwoners? Wat was hun actieradius? Gingen ze hun stiel uitoefenen een paar uur gaans in de omtrek, of trokken ze verder en bleven ze dan overnachten bij de boer waar ze werkten ?
De meeste informatie over het beroep werd bijeengegaard door Clément Tréfois, die er in 1930 een boekje over schreef1. Als architect was hij vooral geïnteresseerd in de bouwwijze en bouwtechnieken van de Vlaamse hoeven en hun dakbedekking, die eeuwenlang onveranderd uit stro of riet bestond…
Als we schatten dat de twee jongens vanaf hun 12 à 14 jaar de stiel van hun vader leerden, betekent dit dat Jan al zowat 47 à 50 jaar was vooraleer hij zijn jongens in de leer kon nemen om hen de kunst van het strodekken te leren … Vermits strodekkers vaak met een ‘knaap’ of ‘knecht’ werkten, kunnen we ons afvragen met wie Jan optrok voor zijn eigen kinderen oud genoeg waren… Het zou tevens best interessant zijn, te weten welke strodekkers er rond 1700 nog in Maldegem actief waren. Eén naam kennen we al (zie hoger) : Cornelis De Suttere (vermeld in 1702). Anderzijds komt in de volkstelling van 1748, behalve Frans De Baere, nog één stroodecker voor : François Tairlynck, gehuwd met Pieternelle Vergauwe en vader van Marie, 18, en Anna, 14 jaar.
De architect Clement Trefois lijkt zowat de enige te zijn die, vanuit zijn belangstelling voor de landelijke architectuur begin deze eeuw, vrij veel aandacht besteedde aan dit verdwenen ambacht. Zo stelt hij dat het beroep van vader op zoon werd overgeleverd en dat de strodekker, bij gebrek aan mannelijke opvolger, vaak nog liever de geheimen van zijn stiel meenam in zijn graf dan ze aan een vreemde door te geven.
Tevens kunnen we ons afvragen, binnen welke regio een strodekker op het platteland actief was. Ook hierrond zijn de gegevens vrij schaars. Trefois suggereert dat een strodekker vaak de enige is van uren in de omtrek, en dat hij bij de uitoefening van zijn stiel vaak zo ver van huis is, dat hij soms geruime tijd bij zijn werkgever logeert. Het lijkt me bijzonder boeiend om na te gaan of dit inderdaad vrij vaak voorkwam.
Hieraan wil ik ook zelf een hypothese koppelen. Zou het kunnen dat de "De Baere’s" in de periode 1700-1900 de enige strodekkers waren in Maldegem ?
In het genealogisch overzicht van Rudi De Baere dat samengesteld werd in 1983 komen niet minder dan 26 strodekkers voor. Van elk van hen gingen we na wat het beroep van hun vader was. Daarbij kwamen we tot de merkwaardige vaststelling, dat de stelling van Clement Trefois letterlijk te nemen valt ! Het bleek immers dat in "bijna" alle gevallen ook de vaders strodekkers waren. We onderzochten van naderbij de gevallen waar dit op het eerste zicht niet zo was. Van Joannes de Baere zélf is het beroep niet officieel gekend. Gezien echter zijn twee zoons strodekkers waren, nemen we zo aan dat ook hijzelf dit beroep moet uitgeoefend hebben. Dit leidt ons naar de tweede uitzondering : Charles Louis (°19.4.1838 te Maldegem) is strodekker terwijl volgens de gegevens van Rudi de Baere zijn vader Joannes (°1809) "werkman" is… Merkwaardig toeval echter doet ons beschikken over een krantenartikeltje uit het ‘Vrij Maldegem’ (leerlingenlijst van de eerste Maldegemse scholen), waarin deze Joannes de Baere voorkomt en als ‘strooidekker’ geboekt staat!
Besluit : met bijna volledige zekerheid kunnen we aannemen dat er effectief 28 strodekkers zijn en dat elk van hen de zoon is van een strodekker ! Omgekeerd : niemand oefende het beroep uit tenzij zijn vader het had uitgeoefend. Nader onderzoek leert evenwel, dat niet elke vader lang genoeg leefde om zijn zoon in de kunst van de stiel te kunnen inwijden. In drie gevallen was dat zo. De zonen waren resp. twee, elf en negen jaar oud toen hun vader stierf. Blijkbaar nam een familielid hier de taak over van de vader ! Petrus (nr 6052 in de stamboom) had een oom die theoretisch in aanmerking kwam: Gerardus (7046). Een andere Petrus (6060) had een acht jaar oudere broer die de stiel kende en ook Cornelis (8011) had een oudere broer die strodekker was.
Ofschoon de familie algauw ‘emigranten’ vertoonde die zich in de omliggende gemeenten en later nog verder gingen vestigen, bleken de strodekkers onder hen duidelijk honkvaster dan de anderen. Slechts twee broers weken (samen?) uit naar de aangrenzende, nu Nederlandse gemeente Ede; de zoon van één van hen vertrok rond 1885 naar de USA. Alle andere strodekkers, op één na, bleven te Maldegem wonen !
We gingen daarbij ook na hoeveel strodekkers er gedurende een bepaalde periode tegelijk actief waren in een gemeente. Als actieve leeftijd nemen we 20 tot 60 jaar. Dat is natuurlijk slechts een ietwat ruwe schatting. In de periode voor 1800 en tussen 1800 en 1900 ligt het aantal min of meer stabiel rond 2 à 3; zowel rond 1800 als rond 1900 stijgt het aantal tot een 6-tal. Kan het zijn dat de "De Baere’s" in bepaalde periodes de enige strodekkers in Maldegem waren ? Deze hypothese dient natuurlijk verder onderzocht. Eén aanwijzing bevestigt ons vermoeden. In zijn "Geschiedenis van Waarschoot" (1990) geeft Achiel de Vos cijfers over de beroepsstructuur. In de periode 1808-1834 vermeldt hij telkens 2 of 1 strodekkers op een actieve bevolking van 1737 tot 2704 zielen. In de periode 1846-1856 vinden we eerst 1, dan 4 strodekkers op ongeveer 3200 actieven. Na 1900 treffen we er nog 1 à 2 aan op ongeveer 2500 actieven. We schatten het aantal actieven te Maldegem heel ruw op zo’n 2000, dus een vergelijkbaar cijfer.
Chris Vandenbroeke meldt dat een aantal beroepen in zowat alle lokaliteiten, het zij groot of klein, voorkomen : de winkelier, de herbergier, de metser, de kleermaker en de timmerman. De tweede categorie ambachten vinden we in kleinere dorpen niet langer vertegenwoordigd : de wagenmaker, de (stro)dekker, de touwslager, de gareelmaker en de zager. 1
De volkstelling 1815 van Moerkerke vermeldt in elk geval geen strodekkers. Maar gezien vrij weinig ambachten vermeld worden, vragen we ons af of de gemeentelijke overheid de ambachtslui niet te gemakkelijk als "arbeiders" klasseerde waardoor de gegevens dus minder betrouwbaar zijn…
Joe Standaert² (Brandon, Florida) bezorgde me anderzijds volgende gegevens (Mormon Lybrary : Population Census (volkstelling) Eede 1860-1890):
VAN RIE Ferdinandus, geboren op 10 juli 1802 te Maldegem, gehuwd met Maria Theresia VAN PARIJS, geboren op 20 aug. 1804 in Eede, beroep : strodekker… Het gezin leefde in Eede, vermits hun kinderen daar allemaal geboren werden.
Hoger lazen we al dat Vlaanderen tijdens het leven van Jan een moeilijke tijd beleefde.
Ambachtslui op het platteland zoals Jan, hadden het in crisisjaren bijzonder moeilijk om in hun onderhoud te voorzien.
Het grootste deel van hun inkomen ging naar voeding.
Die voeding bestond vnl uit rogge, waarvan er per persoon en per dag zowat 1 kg verbruikt werd; dit menu werd met peulvruchten en haring aangevuld.
Boekweit werd ook vrij veel geteeld. Dit zomergraan werd niet zozeer in brood gebruikt, dan wel voor de bereiding van pap en pannenkoeken. Met de komst van de aardappel zou het belang van de boekweitteelt echter veel aan belang inboeten om in de negentiende eeuw nagenoeg geheel te verdwijnen.
De grote nieuwkomer van de late 17° en het begin van de 18° eeuw was inderdaad de aardappel. De eerste aanplantingen gebeurden in de streek van Diksmuide en Tielt vanaf 1670. Maar vooral na de mislukte graanoogsten van 1709, 1740, 1756 en 1770-71 geraakte de aardappel achtereenvolgens verder verspreid in Oost-Vlaanderen, Brabant en Antwerpen. Uit dokumenten is bekend dat een jongetje in 1680 werkzaam op de Zoetendaalse abdij, 1 stuiver per dag ontving, zijnde genoeg voor 1 roggebrood. Een ander jongetje verdiende in die tijd voor het vogelverschrikker spelen 3 gulden voor 32 dagen of nauwelijks 1 stuiver per dag. 1
Vrouwen verdienden er ‘s zomers voor korenbinden, vlaslijten, vlaszwingelen, planten en huishoudelijk werk na afhouding van de kost 6 stuivers, voor wieden 7 stuivers, voor dorsen 15 stuivers. Voor dorsen verdienden de mannen meer nl 20 stuivers, voor wieden kregen ze evenveel als de vrouwen.
Volwassenen verdienden 10 maal meer dan kinderen, maar … dat 1-stuiverbrood woog in crisistijden ipv. 900 slechts 350 gram !
Dit werk werd aangevuld door het spinnen thuis, naaiwerk, kantwerk.. Woningen zonder spinnewiel waren in Vlaanderen in die tijd nauwelijks te vinden. In de staat van goed blijkt dat ook Laurentius’ vrouw over een weefgetouw beschikte.
Het platteland leed meer dan de steden van oorlogen.
Zich verplaatsende legers, plunderende deserteurs en vagebonden van alle slag maakten onze streken onveilig. Regelmatig werden boerderijen overvallen, geplunderd en platgebrand.
Joannes De Baere overleed te Maldegem op zondag 15.2.1733 (70 jaar oud geworden). Hij werd begraven met een dienst met 6 lessen (zie kopie register overlijdens : "off. 6 L.")
Zijn tweede vrouw, Maria Cornelis, overleed zowat drie jaar later, op 30.6.1736, ‘in den ouderdom van 61 jaar’.
Andere verwanten van Jan De Baere ?
Ten tijde van Jan De Baere waren er nog heel wat naamgenoten in Maldegem waarvan we enige familieverwantschap niet hebben kunnen terugvinden.
Joannes BAER en Elisabeth Martens huwden te Maldegem op 2.11.1656, met als getuigen Petrus Doselaere en Anna Martens.
Aernoudt de Baere, gehuwd met Joanne Cornelie van Hoogheweghe(°21.10.1686) wordt voogd paterneel van de kinderen van Charel Jacobus van Hoogheweghe (°5.2.1662, zoon van Peter en C. Vandenbroeke) en Barbara Crul op 16.4.1714. Het gaat om Cypriaan (1685-1694), Joanna Cornelie zelf, Peter (°1689), Judoca (°1691), Jan (°1694) en Philip (°1696). Hij is dus zeker vroeger geboren dan 1690.
Charel van Hoogheweghe zijn erfgenamen bezaten grond in 1726 (45°begin, blz 124) naast Laureins Blankaert en Adriaen De Cock en Jacobus de Zutter.
Er waren nog andere "De Baere’s" in Maldegem ten tijde van Jan De Baere1. Zo vinden we in 1694 een huwelijk van Jacobus de Baere en Christophora Martens. In 1699 overlijdt Antoon De Baere, 46 jaar, arme. Zijn echtgenote Livina Vesgemoet overlijdt in 1734. In 1704 overlijdt Elisabeth, het 11 weken oude dochtertje van Petrus de Baere. Eveneens in 1704 overlijdt, op 48-jarige leeftijd, Cornelia de Baere, weduwe van Judocus de Coninck, arme. In 1708 overlijdt Jacoba de Bare, 32 jaar. In 1732 overlijdt Joanne de Baere (vermoedelijk een dochter van Antoon), weduwe van Peter Hendrick en van Abraham Cannaert. Het zijn allemaal mensen die Joannes moet gekend hebben; mogelijks gaat het om zusters of broers, ooms, tantes, …Doch blijkbaar blijven er halfweg de achttiende eeuw enkel van Joannes nakomelingen over in Maldegem… De andere takken van de familie zijn blijkbaar uitgestorven bij gebrek aan mannelijke nakomelingen, of uitgeweken … Zowel in de Ommeloper van 1726 als in de volkstelling van 1748 zijn er immers geen andere naamgenoten te vinden dan de afstammelingen van Joannes.
--------------- BRONVERMELDING:
60,1
Vandenbroeke Chris, "Sociale Geschiedenis van het Vlaamse Volk", uitg. Orion, Beveren, 1981. (ISBN 90 264 3463 4)- p 223
60,2 Thierry, M., "Onverdraagzaamheid en pragmatisme" p. 145 - in : "Opstand en verval - aspecten van het dagelijkse leven in het Brugse tijdens de laatste decennia van de 16° eeuw" - uitg. Jempie Herrebout
60,3 Vandenbroecke Chris, "Vrijen en trouwen van de Middeleeuwen tot heden" - uitg. Elsevier, Brussel, 1986, (ISBN 90 6982 003 X) - p. 161
64,1 Verstraete, Daniel, heemkundige bijdragen in Vrij Maldegem ook in : "Het parochiale leven" deel 2 - uitgave van de Heemkundige kring Het Ambacht Maldegem vzw, 1989 - H. Notteboom over de pastoors van Maldegem, p. 25
66,1. "Vrijen en Trouwen", pag. 24
77,1. Vandenbroeke Chris, "Koopkracht…" p 119
77,2 Jan Van Den Broeck in "Promenade in de Pruikentijd", een boek over de Zuidelijke Nederlanden in de 18°e. (uitg. Icarus, 1995, isbn 90 02 199066)
78,1 "De armoede in onze gewesten van de middeleeuwen tot nu" (zie ook p. 169)
81,1 Kaart van Pourbus, detail : De pijl verwijst naar bebouwing langs de Schautenstraat, waar later de hofstede van Jan de Baere gesitueerd wordt.
83,1 De cijfers verwijzen naar kadasterplannen uit het midden van de negentiende eeuw. De cijfers tussen haakjes bij de vermelde personen, verwijzen naar de codes in het stamboomboek van Rudi De Baere uit 1983
87,1 Vandenbroeke Chris, "Sociale Geschiedenis van het Vlaamse Volk" p 143
88,1 Clement Trefois, geciteerd in krantenartikels uit 1934 door Staf Hapke en gebaseerd op zijn boek "Het Stroodekkersbedrijf"
91,1 Hoe schrijf ik de geschiedenis van mijn gemeente ? Deel II - Centrum voor Geschiedenis Universiteit Gent 1994. - Bijdrage van Chris Vandenbroecke 'Sociaal-econom. Geschiedenis 16-18° eeuw ': p.158
91,2 Joe Standaert uit Florida is zelf een afstammeling van Jan Standaert (°1697) gehuwd met Maria Cornelia Logiest (°1708) op 21.9.1727 te Maldegem. Ook Mattheus De Zutter, gehuwd met Joanna Maes, behoren tot zijn voorouders (zie "werktekst)!
92,1 Geschiedenis van de kleine man.
94,1 In Zomergem blijkt er eveneens een tak van de familie De Baere aanwezig ! Gezien de korte afstand, lijkt verwantschap met de Maldegemse tak waarschijnlijk. We vonden volgende gegevens in een stamboom van Dhr. Van de Wynckel : Joannes De Baere - verdere gegevens onbekend. Dochter : Maria, geboren te Zomergem 1667, overleden te Zomergem 6.3.1756, gehuwd aldaar op 20.4.1702 met Petrus Van Daele, °Zomergem 1660.