| |
Wandelen
rond Horst: de horstwandeling

1.
Kasteel van Horst
Weggedoken in een weelde van groen,
gelegen in een van de schilderachtigste
hoekjes van het Hageland, langsheen de oever van de
Molenbeek of Winge, een bijriviertje van de
Demer, in een moerassige laagte gevormd door
regelmatige golvingen van de Hagelandse
heuvelkammen, ligt
onbetwistbaar
één van de
mooiste kastelen die ons in België door de
middeleeuwen werd achtergelaten, het Kasteel van Horst te Sint-Pieters-Rode.
Het kasteel en de omgeving zijn bij KB.
van 27/05/1971 beschermd erfgoed.
2.
De gebouwen De
waterburchten zijn typisch voor onze streken.
Het oudste type van burcht is de eenvoudige
woontoren die hier in 'Horst' ook het oudst
bewaarde gedeelte is. Wanneer deze torens later
met zalen, binnenkoer en poortgebouw uitgebreid
werden creëerde men een heus kasteel.
3.
De legende van Horst Sinds de
moord van Amoury Pynnoc op de toenmalige pastoor
zou het Kasteel van Horst een plaats zijn waar
spoken en helse geesten bij elkaar komen:
klokslag middernacht komt er uit het puin van
het pershuis een grote karos, met zes witte
paarden bespannen, in volle draf op het kasteel
afgestormd en rijdt de vestingstoren binnen.
Vreemde verschijnsels dansen dan aan de
schietgaten van de toren en even later ziet men
de karos opnieuw over de ophaalbrug rijden om in
het puin van het pershuis te verdwijnen.
4.
Het wagenhuis Op het
wagenhuis vindt men de initialen van Maria-Anna
van Tympel en het bouwjaar 1657. De drie grote
bogen gedragen door barok aandoende zuilen in
blauwe steen zijn van recentere datum dan de
witstenen omlijste boogdeuren. In 1965 was een
gedeelte van deze gebouwen in gebruik als
herberg. Momenteel is het wagenhuis
gerestaureerd in opdracht van de gemeente
Holsbeek in samenwerking met de Vlaamse
Gemeenschap, Monumenten en Landschappen en met
steun van het EFRO-fonds (Europees Fonds voor
Regionale Ontwikkeling).
5. Sint-Pieters-Rode
De naam "Rode" wordt vermeld in 1129. Het is een datiefvorm van "Rot" en betekent, ontginning, rooien of uitrooien. Talrijke dorpen worden zo genoemd en vinden we op vele plaatsen terug.
Toen de Franken hier in onze streken toekwamen rooiden ze vele bossen en heide om er bouwland van te maken. Zulke plaatsen werden dan "rode" genoemd (bv. Gelrode, Nieuwrode).
Om het later van andere dorpen te onderscheiden werd de naam van de patroonheilige van de kerk er aan toegevoegd.
De naamvorming van "Sint-Pieters-Rode" zou gebeurd zijn voor 1265. In de volkstaal van de streek spreekt men gewoonweg van 'Rooi".
6. De Winge
Vanwege de talrijke watermolens die de Winge nog tot in het begin van de 20ste eeuw aandreef wordt dit laatste bijriviertje van de Demer ook 'Molenbeek' genoemd. Nabij Werchter mondt de Winge in de Demer uit. De bronnen ervan liggen verspreid in het enkele kilometer zuidelijker gelegen heuvelgebied van Lubbeek en Tielt-Winge; ze doen er twee stroomtakken ontstaan die nabij het historische gehucht Gempe in Sint-Joris-Winge - drie kilometer stroomopwaarts van hier - samenvloeien en er de beek vormen die we tijdens de wandeling een tijdje volgen. Ondanks de hoge vervuilingsgraad van het water kan men bij de Winge regelmatig de grote gele kwikstaart op jacht zien gaan naar de nog talrijke insecten. De nog zeldzamere ijsvogel moet noodgedwongen zijn vismenu zien te halen uit de vijvers of enkele zuivere poelen en sloten.
7. De horsthoeve
Op korte afstand ten oosten van het kasteel staat de 'Horsthoeve' zoals vermeld boven de ingangspoort. Deze hoeve behoorde bij het kasteeldomein. Bij een adellijk kasteel hoorde een ganse keten van boerderijen. Omwille van zijn nabijheid vervulde de Horsthoeve hierin wellicht een bevoorrechte functie. Ze stond immers in voor de dagelijkse proviand van de edellieden, hun gevolg en de bezoekers van het kasteel. Het woonhuis dateert uit de 17de-18de eeuw. De stallingen en de schuur werden vernieuwd na een brand in 1949. De gebouwen gelegen rondom een min of meer rechthoekig erf, doen nog steeds dienst voor de hoeveuitbating.
8. Het Thenenhof
De oorsprong van het hof zou te vinden zijn in de 13de eeuw. De benaming Thenenhof is afgeleid van "Thunenhof", wat verwijst naar een plaatselijk geslacht "Van Thunen".
In 1749 werd het hof verbouwd zoals het er nu staat. De modernisering van de vensters aan de straatgevel en het cementeren van die gevel gebeurde in de 19de eeuw.
De naam van het gehucht 'Lozenhoek' verwijst naar zijn ligging ten opzichte van het dorpscentrum. "Loos" betekent zoveel als "verloren" of "afgelegen".
9. Holle wegen
Tijdens de wandeling komen we op verschillende veldwegen terecht tussen hoge bermen, waar licht en geluid nog moeilijk kunnen doordringen. Dat zijn de voor deze streek typische holle wegen. Die komen enkel in heuvelachtige gebieden voor. Het Hageland heeft er nog een relatief grote dichtheid van en dat maakt er vandaag een van de grote charmes van uit. Uit het verleden zijn echter verhalen bekend waaruit blijkt dat ze bijdroegen tot het onveilige karakter van de streek. Dit waren voor struikrovers de uitverkoren plekken om reizigers van hun bezittingen - en desnoods van het leven - te beroven.
Holle wegen zijn meestal ontstaan door een eeuwenlang erosieproces. Niet toevallig vertrekken ze vanuit de historische bewoning: het afvloeiende neerslagwater kreeg door het drukke verkeer van mens, paard en kar gemakkelijk vat op de losgetrapte of omgewoelde gronddeeltjes in de bedding van wegen en paden. Op onverharde wegen gaat deze uitschuring op veel plaatsen nog altijd voort, wat men na een fikse regenbui merkt aan de uitgespoelde kloven en de modder.
Als na verloop van tijd de holle wegen steeds dieper en de taluds steeds hoger werden, raken ze begroeid met allerlei houtgewas en kruiden.
Hier zijn dat vooral de sleedoorn (met wrange vruchten in het najaar), de rode kornoelje (met rode bast), wilde rozensoorten en de zeldzame veldesdoorn of 'Spaanse aak'. Die houden met hun wortels het talud overeind. Daardoor kan men de geologische lagen goed onderscheiden. Het doodspuiten van de begroeiing met pesticiden - wat steeds vaker voorkomt - is niet alleen ecologisch rampzalig, maar kan ook leiden tot het instorten van de wanden van de holle weg, met alle gevaren van dien! Holle wegen zijn in de hedendaagse grootschalige akkergebieden dikwijls het laatste toevluchtsoord voor de natuur en bieden de wandelaar een aangename verpozing.
10. Vlaamse wijngaarden
Al in de 14de eeuw beleefde de wijnbouw in Sint-Pieters-Rode een bloeitijd en tot op vandaag zijn er Hagelandse wijnboeren. Een combinatie van drie factoren zorgt ervoor dat de Hagelandse hellingen kunnen instaan voor deze wel zeer noordelijk gelegen druiventeelt: de zuidwest-noordoost georiënteerde heuvels, waardoor de zuidhelling ideaal ligt om zoveel mogelijk zon op te vangen, de steilheid van de hellingen en de donkere bruine grond die de warmte goed absorbeert en lang vasthoudt. Hierdoor vriest het op deze plaatsen al vroeg in het jaar niet meer. Diezelfde combinatie van factoren maakt dat men op deze heuvels vooral in de maand mei de felgele brem kan zien bloeien en dat er hier in het algemeen een fauna en flora voorkomt die men op grotere schaal pas diep in Frankrijk aantreft.
11. De Sint-Jozefskapel
In de onmiddellijke buurt van Horst langs de Peerse staat onder een linde het SintJozefskapelletje. Het huidige kapelletje, een zeer eenvoudige bak- en zandsteenconstructie en met een zandstenen omlijsting rondom de nis, zou van het begin van de 19de eeuw dateren.
Een eindje achter het kapelletje loopt de Galgenberg die herinnert aan de historische plaats waar vroeger de galgenberg was die naar de galg leidde. Vermoedelijk kregen de ter dood veroordeelden die naar de galg werden geleid op deze plaats een laatste gelegenheid tot inkeer en een 'galgengebed'. Aan de linde werd van oudsher het vermogen toegedicht de voorbijganger te behoeden voor het boze oog.
12. Guldendelle
De ijzerzandstenen heuveltoppen van het Hageland zijn in de regel onvruchtbare landbouwgronden die tot op vandaag grotendeels bebost bleven (of ten prooi vielen aan villaverkavelingen...). Als overgangsgebied tussen de meer noordelijk gelegen Kempen en de vruchtbare leemstreek van Haspengouw wordt de streek naar het zuiden toe steeds meer landbouwland. Ter hoogte van Sint-Pieters-Rode is dat al goed merkbaar: met uitzondering van de zandstenen top van de Peerse strekken zich over de hellingen aaneengesloten akkers uit. Zo ligt schuin boven het kasteel de zogenaamde 'Guldendelle', een naam die verwijst naar de rijke opbrengsten die dit dal voortbracht en brengt, een gevolg van het feit dat vroeger de rijke leemgrond van bovenaf aan de heuvel in dit dal is samengespoeld. Ook vandaag kunnen er veeleisende gewassen als tarwe en suikerbiet worden verbouwd.
Doordat het akkergebied regelmatig wordt onderbroken door weelderig begroeide houtkanten, holle wegen en kleine braakperceeltjes, kan er ten dele nog een specifieke fauna overleven. In het voorjaar laat de veldleeuwerik van zich horen en zien als hij in zijn typische zangvlucht loodrecht naar de hemel opstijgt, tot er nog slechts een kleine stip zichthaar blijft. Ook opvallend zijn de kieviten die hier in het najaar soms in grote groepen opdagen. Veel minder prominent zijn de patrijs of de zeldzame kwartel. De stekelige braamstruiken kunnen een pad lastig overgroeien, maar bieden broedkansen aan een keur van zangvogels, zoals de kneu, de geelgors of zelfs de nachtegaal. Dit is ook het domein van kleine marterachtigen als de bunzing, de wilde voorvader van het fret, en de hermelijn, bekend van het koninklijk bont... Door het systematisch uitroeien van ruige oeverhoekjes en kanten en door overmatig gebruik van pesticiden krijgen deze dieren het steeds moeilijker.
13. De Sint-Pieterskerk
De ingebouwde toren met Romaanse onderbouw maakt thans deel uit van een neogotische bakstenen parochiekerk, die op het einde van de 19de eeuw is opgericht door de Leuvense architect Pieter Langerock. Het Romaanse gedeelte is opgebouwd uit ijzerzandsteen in opus incertum (onregelmatig metselverband); het dateert waarschijnlijk uit de 12de of 13de eeuw.
Het portaal daarentegen, het venster erboven en de verspringende waterlijst tussen beide maken deel uit van de neogotische bouwcampagne. De vierkante klokkenkamer met spitsbogige galmgaten bestaat uit bak- en zandsteen en werd vermoedelijk in het midden van de 17de eeuw herbouwd. De toren draagt een ingesnoerde naaldspits.
Het meubilair is deels 18de-eeuws, deels neogotisch. We vermelden twee classicistische biechtstoelen uit 1757 en een iets oudere barokke predikstoel. Het beschermde orgel werd in 1817 gemaakt door L. Van Peteghem uit Gent.
14. Muurplanten
Misschien valt het u tijdens een wandeling wel
eens op dat op oud metselwerk soms een plantengroei voorkomt die wel eens een rotstuin waardig is. Die is opvallend op de wanden van de toegangsbrug naar het kasteel en op de oude kerkhofmuur rond de Sint-Pieterskerk, vooral in de zomer. Het gaat inderdaad om rotsplanten die uit Zuidelijker streken zijn aangewaaid: muurhavikskruid, muurvaren, muurleeuwenbek, muurkool en steenbreekvaren. Ondanks deze laatste naam en hun reputatie in het algemeen zijn deze kleinere planten onschuldig en horen ze bij de 'monumentale leeftijd' van sommige gebouwen. Ze kunnen niet groeien op modern cement en zijn verbonden aan het oude speciemengsel van kalk, zavel en de toegevoegde organische bestanddelen. Men moet wel onverbiddelijk zijn als jonge bomen met hun wortels voegen open wrikken.
Ander opvallend leven in en op de oude gebouwen - buiten de lastige verwilderde duivenpopulatie - zijn de witte kwikstaart, de zwarte roodstaart en - met wat geluk ziet u hem - de huiszwaluw. Als het jachtgebied voldoende gevarieerd blijft, durft zich hier ook de kerkuil of de torenvalk te nestelen.
15. De pastorie van Sint-Pieters-Rode
Dit statige huis in bak- en zandsteen werd in 1690 gebouwd in opdracht van de Leuvense abdij van 't Park, de paters Norbertijnen die de Sint-Pietersparochie bedienden. Muurankers vormen het jaartal en het abtswapen prijkt boven in de gevel. Hogerop wordt de trapgevel van het dakvenster bekroond door een overhoeks topstuk. De vensters hebben kruiskozijnen.
In 1771 werden dak- en deurpartij aangepast; het jaartal in de ijzeren waaier boven de fraaie steekboog legt daar nog getuigenis van af.
De pastorie staat in het laagste gedeelte van de Wingevallei. De omgrachting was een voorzorgsmaatregel tegen overstromingen van het riviertje en tegen plunderaars. Oorspronkelijk moest men dan ook over een ophaalbrug om het domein te betreden. Het poortgebouw is nog voorzien van schietgaten. Het heeft een klokgevel met nis en Sint-Jansbeeldje. Het bijgebouw achter de poort is gedateerd 1776.
16. Zeg niet zomaar bos tegen een
"bos"
Veel mensen beschouwen een verzameling bomen als een bos en denken dat ze met deze tocht in Sint-Pieters-Rode een boswandeling achter de rug hebben. Op ecologisch vlak is dat slechts in geringe mate het geval: de dichte drommen bomen in de Wingevallei zijn grotendeels recente aanplantingen van cultuurpopulieren. Eeuwenlang moet het zicht op het kasteel veel meer onbelemmerd zijn geweest, maar toen het economische nut van de beemden en lage hakhoutbosjes onbestaand was geworden, werden ze vanaf de jaren 1950 systematisch beplant met deze snelgroeiende bomen. Dat is, opnieuw om economische redenen, begrijpelijk. Al na dertig jaar zijn deze 'cultuurbomen' kaprijp. Daarbij wordt meestal een heel perceel kaalgekapt.
Een bos heeft echter meer tijd nodig voor de opbouw van een volwaardig en dus gevarieerd ecosysteem. Dat is alleen al het geval voor de typische humusbodem die nodig is voor de vestiging van bijzondere bosplanten en de bijbehorende fauna. Door de brute machinale bewerkingen bij het oogsten van het hout wordt dat proces regelmatig zwaar op de proef gesteld. Elk van de tientallen inheemse boom- en struiksoorten heeft bovendien haar eigen typische bewoners: insecten, vogels... In een aanplanting met één boomsoort is de variatie dan ook uiterst gering. Het verschil merkt u aan de ondergroei: die wordt onder populieren meestal gedomineerd door grote brandnetels, een storingssoort. Onder de eiken, essen of elzen van de oude natuurlijke loofbosjes, die je her en der ook tegenkomt, bloeien in het voorjaar uitbundig de bosanemonen, sleutelbloemen, gevlekte aronskelken. De stammen raken begroeid met lianen, zoals kamperfoelie en klimop. Vooral in de nabijheid van het kasteel liggen nog enkele van deze percelen. Die werden waarschijnlijk door de vroegere bewoners gekoesterd omwille van de waardevolle (brand)houtsoorten. In het algemeen verdienen dergelijke bossen het om als natuurreservaat aangeduid en behandeld te worden.
17. Bronnen
- Op stap in Vlaams-Brabant (Hagelandse Heuvelstreek), 1994.
Toeristische Federatie van Brabant.
- Het Kasteel van Horst. Modelrondleiding voor intern gebruik van de
"Streekgidsenbond Oost-Brabant", 1989. N. Reynders.
- Het Hageland. Tekst samengesteld door Frans Vansteenbeeck, natuurgids.
- Het Hageland. Luc Nagels. NATUURreservaten 87/100. - Nattigheid in de Winge
vallei. NATUURreservaten 89 nr 5
|
|