volgende pagina's: Inhoud van de zijde
Hoe ontstaat de zijde: van cocon tot zijde!!
Zo, je hebt waarschijnlijk gelezen dat er in de geschiedenis van de zijde was er op een bepaald moment sprake van de moerbeibomen.
Waarom was er in de geschiedenis van de zijde nu sprake van de moerbeibomen?
Heel simpel, wel de "moerbeispinners" zaten vooral in de moerbeibomen.
En de moerbeispinners (spinsel van de rupsen, zijderupsen dus) die werden in China en Japan gekweekt sinds eeuwen lang.
De cocons van de moerbeispinners leverde grote hoeveelheden kwalitatief hoogwaardige zijde op.
Het kweken van de zijde zelf is niet eenvoudig, het moet aan bepaalde regels voldoen en deze regels zijn al sinds eeuwen vastgelegd
in China, door ene zekere meneer Si-ling-Shi.
De mannelijke vlinder die gedurende 2 à 3 dagen maar in leven blijft,
bevrucht urenlang de wijfjes vlinder en onmiddelijk na de bevruchting, legt de wijfjes vlinder haar eitjes, zo ongeveer 500 witte eitjes.
Na 10 dagen veranderen de witte eitjes van kleur en worden grijsviolet.
Na vier keren te zijn verveld en na circa 35 dagen goed hun buikje hebben gevuld met het eten van moerbeiblaadjes, zijn deze gulzige vingerlange rupsen tot het 10.000 voudige van hun oorspronkelijke gewicht vermeerderd.
Kort voor de verpopping houden de rupsen plots op met eten.
Dan is het moment aangebroken, waarop de rupsen op de aangebrachte voorwerpen ( door de kwekers) zoals hekken, stokken of rijshout een plaatsje zoeken om te spinnen.
Het spinnen zelf gebeurt door twee klieren onder de kauwwerktuigen en daaruit perst de rups nu twee sapstralen, die meteen stollen vanaf het moment dat het sap in aanraking komt met het licht.
Terzelfdertijd wordt er ook zijdelijm mee uitgescheiden, die het spinsels omhuld en langzaam laat verharden tot zijde draden om het geheel bij elkaar te houden.
Het spinnen zelf duurt 2 dagen. In deze korte periode voert de rups in achtvormige beweging zo'n 4 km lange dubbeldraad zijdendraad om zich heen, tot ze omgeven is door een omhulsel respectievelijk de cocon.
In deze cocon ontwikkelt de rups zich binnen de 3 à 4 dagen tot een pop en daarna tot een vlinder.
Ongeveer zo'n 20 dagen na het inspinnen is de vlinder ontwikkelt, en is dus nu al klaar om uit te vliegen.
Deze vlinder bevrijdt zich door het pop omhulsel te pletten en stoot dan op die manier tegen de binnenwand van de cocon aan.
Gelijktijdig scheidt de vlinder daarbij een helder fermenterende vloeistof af, die de zijdelijm oplost.
Op die manier kan de vlinder zichzelf bevrijden uit de cocon en vervolgens weg vliegen om daarna terug te zorgen voor de voorplantingen te kunnen beginnen en dus opnieuw paren.
De kringloop van het leven van vlinder en rups is voltooid en begint steeds opnieuw. De kringloop is voltooid.
De zijde van de uitgebroken vlinders uit de cocon is niet meer bruikbaar, aangezien deze draad niet meer afrolbaar is aan een stuk, gezien de vlinder deze heeft doorbroken om uit de cocon te kunnen uitvliegen.
Daarom worden de cocons die niet in staan voor de kweek, worden binnen de 10 à 12 dagen na het inspinnen van de rupsen afgeleverd aan de spinnerijen.
In de spinnerijen plaatst men de cocons in hete lucht of waterdamp en doodt zo de poppen.
De onbeschadigde cocons komen nu in grote reservoirs van 50 à 60°C warm water om de zijdelijm die de draden met elkaar verkleven,te doen weken.
Roterende borstels vangen de begindraden op, zodat de cocondraad zich zonder grote problemen laat afwikkelen.
Zodra de buitenste ongelijkmatige houddraden (vlokzijde) van de cocon geweekt zijn, begint men aan het middenste deel van de cocon en daarmee ook aan de waardevolle haspelzijde, waarvan de draadlengte
wel 1000 meter of meer kan oplopen.
Er worden altijd meerdere cocons tergelijkertijd afgewikkeld en 7 - 10 cocondraden over een speciaal toestel samengebracht.
De nog aan de draden klevende zijdelijm houdt de draden samen tot ruw zijdendraden (grégzijde).
De zijdelijm wordt na het weven verwijderd door afkoken . Dit werkje noemt men "ontbasten".
Hierdoor verliest de zijde heel veel gewicht, tot wel 30%, zodat ze nadien in vele gevallen, kunstmatig terug wordt verzwaard. Door deze verzwaring heeft de zijde een beter "houvast" en heeft dus ook meer weerstandsvermogen.
Het zwaarder maken en ook opvullen gebeurt door een metaal- zoutoplossing, silicaten en andere stoffen.
tot het gewichtsverlies noemt men dit alles de parizijde.
Wordt er nu tot over het oorspronkelijk gewicht verzwaard, dan moet dat aangegeven worden in hondersten over pari.
Meestal lijdt de zijde dan onder teveel verzwaring.
De vlokzijde en de sterk verkleefde binnenste cocondelen of cocons waar de rupsen al uitgekropen zijn , zijn dus zijdedraden met een gemiddelde lengte en die je niet meer kunt afhaspelen in de spinnerijen.
Bij het vervaardigen van "de floretzijde" , heeft men restafval en deze noemt men " de kammelingen".
Deze kammelingen worden dan tot grove en ongelijkmakende "bourettezijde" verwerkt.
Naast de gekweekte zijde van de moerbeispinners is er nu nog een wilde zijde, die uit de cocons van de wilde resp. halfwilde levende zijdespinners gewonnen wordt.
De bekenste van deze vlinder is tussahspinner uit China, Japan en Indië.
In tegenstelling tot de moerbeispinner maken de tussahspinners niet twee met zijdelijm verkleefde draden, maar met twee strengen, een mengsel van zijde en lijm.
Daardoor laat deze lijm zich gemakkelijk verwijderen. De zijde is slechts te ontbasten. Bovendien is de wilde zijde niet af te haspelen.
De wilde zijde vertoont haar eigen typische struktuur en behoudt iets van haar natuurlijke aard.
volgende pagina's: Inhoud van de zijde