Killivissen

(Aphyosemion georgiae)

By J.P. Verbesselt

   

Nog iets te vaak worden Killy’s aanzien als moeilijk te houden vissen! Het mistverstand dat zij geen lang leven beschoren zijn, blijft hen hardnekkig achtervolgen. Toegegeven, zij zullen zeker niet de doorsnee leeftijd van de meeste aquariumvissen halen, maar twee jaar is in sommige gevallen best haalbaar komt daar bij dat veel soorten zich vrij gemakkelijk voortplanten, zodat de bevolking van het aquarium steeds op een behoorlijk peil blijft!In juli ’93 ging ik opzoek naar een bevolking voor het aquarium waarmee ik deelgenomen had aan de B.B.A.T.-tentoonstelling. De guppy’s die de tentoonstelling goed doorstaan hadden moesten immers terug naar hun eigen bakjes, en geef toe een leeg aquarium is geen aquarium. Voorlopig kreeg de bak (gevuld met water) een plaatsje in de tuin, met het idee dat het javamos waarmee de PU-schuimwanden bekleed waren, daar goed zou gedijen. De zoektocht naar een nieuwe bevolking kon beginnen.Op de tentoonstelling in Antwerpen had ik vol bewondering staan kijken naar de vele soorten Killy’s die een bepaalde vereniging daar geplaatst had. Even wat literatuur geraadpleegd en mijn besluit stond vast: “Het zouden Killy’s worden. Uit de vele geslachten spraken de Aphyosemions mij het meeste aan. Toeval of niet, maar op een ledenvergadering met Killy’s als onderwerp kon ik drie soorten voor een appel en een ei meer naar huis nemen. Het ging om koppeltjes A. australe, A. bivittatum en A. striatum, drie pareltjes als je het mij vraagt. Thuis gekomen kregen ze per koppel een plaats in een klein bakje (kwestie van enkele Guppy’s te verplaatsen).


Het werd ondertussen de hoogste tijd om het aquarium met javamos binnen te halen want de temperatuur van het water bedroeg nog 9°C (het was reeds november). Het javamos trok zich daar blijkbaar niet van aan, de hele bak (afmetingen: 75 X 80 X 60) was dichtgegroeid, zodat ik behoorlijk moest snoeien. Om geen risico te nemen werd de bak binnengeplaatst en met hetzelfde water gevuld. Het vullen met water van 24°C zou immers een nefaste invloed kunnen hebben op het mos. Het duurde 5 dagen alvorens het water gelijk was met de kamertemperatuur. Om het bioblokfilter te ondersteunen plaatste ik boven het aquarium (zijkanten en voorkant) een druipfilter waarin kamerplanten een plaatsje vonden. Als verlichting voor zowel de kamerplanten als het aquarium opteerde ik voor drie spotlampen van 100 watt. Deze werden aan het plafond gemonteerd. Door ondertussen water te verversen bij de Killy’s met water uit het aquarium, was het langzaam wennen reeds gebeurd.

Het was duidelijk te zien dat ze hun nieuwe verblijf op waarde wisten te schatten. Zonder de minste schrik verkenden ze alles hoekjes. Al na enkele uren was het koppel A. australe ervan overtuigd dat het aquarium van hen was. Midden in het aquarium, in het volle licht, stond het mannetje hel-oranje gekleurd en met zijn vinnen tot scheurens toe gespreid. Als de anderen zicht te dicht in de buurt waagden kregen ze steevast met hem aan de stok. Als er niemand meer te verjagen was, dan dook hij met het vrouwtje in het mos… om eventjes later terug zijn verdedigingswerk te hervatten. Dat leek een goed voorteken… Na enkele dagen was het aquarium verdeeld, het middens was de vaste stek van het austsrale-koppel, de bodemzone was het terrein van de familie bivittatum, en de rechtse zijwand (rijkelijk van mos en schaduw voorzien) herbergde de striatums. Enkel tijdens het voederen zwommen ze dooreen. Het viel daarbij op dat de kleuren van de vissen veel intensiever waren dan in de klein bakjes. Als voedsel verstrekte ik alles soorten muggenlarven (levend- en diepvriesvoer), watervlooien (levend), Cyclops (diepvries) en Artemia (levend en diepvries). Enkele weken later, toen ik met een maatbeker de planten in het druipfilter wat extra wilden bevochtigen , merkte ik vislarfjes op in de maatbaker. Vlug weer enkele Guppy’s bij elkaar geplaatst, en de larfjes konden in het vrijgekomen bakje. In een half uurtje scheppen, de maatbeker snel langs het Javamos duwend, was ik elf visjes rijker. Het was duidelijk dat het om twee soorten ging, de ene waren donkerder en kleiner dan de andere. Later zou blijken dat het jongen van A. bivittatum (de donkere) en A. striatum waren. Hoewel men mij voor kruisingen had gewaarschuwd, waren de visjes raszuiver. De jongen werden grootgebracht met Artemia-naupliën en met allerlei organismen die ze uit het javamos haalden. Het “oogsten” van de vislarfjes herhaald ik om de drie dagen, zo beschikte ik op een gegeven moment over een twintigtal jongen. Een beetje ontgoocheld stelde ik vast dar er geen A. australe bij waren. Het goede voorteken bleek helemaal niets op te leveren. Eens de jongen groot genoeg waren gingen ze terug in het grote aquarium, enkele vonden de weg naar andere liefhebbers. Na een dertigtal jongen staakte ik het verzamelen. Enkele maanden later merkte ik, toen het heel rustig was in huis, een klein oranje streepje op. Een jonge A. australe? Inderdaad bij nader toezien ging het zelfs om twee jonge visjes. Ze waren zo’n anderhalve centimeter groot. Misschien was de oranje kleur wel de oorzaak van het australe uitblijven van jonge australe’s. Met een dergelijke opvallende kleur was zich verschuilen niet eenvoudig, en vielen ze waarschijnlijk ten prooi aan de medebewoners van het aquarium.


Op dit ogenblik lijken de jonge australe’s, een mannetje en een vrouwtje, in vergelijking met de ouders halfwas. Ze hebben hetzelfde oranje-rood kleedje aan en vertoeven eveneens in de middenzone van het aquarium (voor zover het moet dat toelaat). De talrijke A. striatums bezetten de 80 cm lange achterwand en de A. bivittatums komen tijdens het voederen steeds vanaf de bodemzone te voorschijn. Zijn dit de natuurlijke zones die ze bewonen of is dit gedrag louter toevallig? Ik weet het niet. Wat ik echter wel weet is dat het prachtige vissen zijn die mij reeds meer dan een jaar een boeiend schouwspel bieden. Een interessant link:

KILLIFISH NEDERLAND

   
   
Home