Gymnocorymbus ternetzi of Zwarte tetra, Rouwtetra
|
|
|
Deze vis wordt ook al jaren in onze aquariums gehouden. Deze vissen vallen op door hun sterk uitlopende buikvin die vanaf het midden van de buik tot aan het begin van de staart loopt. Jonger dieren hebben een diep, donker gekleurd achterlichaam bij oudere dieren wordt dit meestal grijs. Hieraan kan je dus zien of je jonge dieren meekrijgt of al wat oudere exemplaren. Ook hebben deze dieren een paars tot donker paarse kleur met op het lichaam meestal 2 verticale strepen. De rugvin en de buikvin zijn donkerder van kleur. Het geslachtsonderscheid bij deze vissen zit men doordat het vrouwtje een vollere buikpartij heeft en dikwijls ook iets groter is. In feite zijn dit dezelfde kenmerken dan de andere karperzalmen. Ook hebben deze vissen een vetvin boven op de rug, ongeveer op de plaats waar de staart begint. Er zijn reeds kweekvarianten met sluiervinnen te koop. Deze scholenvis dient men met minstens 6 – 8 exemplaren samen te houden.
Alleen gehouden zijn ze vaak bijterig naar andere vissen toe. Hou ze daarom
altijd in een school. Het zijn rustige vissen die in goede omstandigheden de
medebewoners met rust laten. Doordat deze vissen reeds lang in de aquaristiek
zijn opgenomen zijn ze ook niet moeilijk te verzorgen. Al diende de juiste waterwaarden
te worden gegeven. Ze houden zich meestal op in de middelste waterlagen. Waar
ze rustig tussen de planten door zwemmen. Als voedsel nemen deze dieren vrijwel alles tot zich op. Zowel muggenlarven, artemia, watervlooien, cyclops worden gegeten. Als aanvulling kan men deze dieren droogvoer geven. Wissel zoveel mogelijk af zo krijgt men de dieren in een kweektoestand. Weldra zal u dan zien dat de ouder dieren achter elkaar beginnen zitten. Zwarte muggenlarven hebben hierop een gunstig effect. De kweek is vrij eenvoudig wanneer men een aparte kweekbak heeft met javamos en fijn gevederde planten. Ze de goed doorvoede dieren over in de kweekbak. De ouderdieren zullen de eieren afzetten aan fijn materiaal (javamos). De mogelijkheid bestaat dat de ouders de eitjes gaan opeten. Vang de ouderdieren dus uit de kweekbak wanneer de eiafzetting beëindigd is. Kweek de jongen op met fijn voer, infusiediertjes, pas ontloken artemia. Later kan men overgaan tot het voeren van cyclops en ander grover voer. |
|
|
|